De eerste keer dat ik me bewust was van Oudejaarsavond, moet op 31 december 1970 zijn geweest. Dit was dan in de Cornelis Riekelsstraat –waar ik ook ter wereld kwam- in de toen nog 5 jaar oude woonwijk, De Schooten, van Den Helder. Ik kan me herinneren dat ik op Oudejaarsavond van 1970 eerst in de avond naar bed moest om wat te slapen. Ik was te jong om de hele avond op te blijven. Het moet wel in dat jaar zijn geweest, want ik was die decembermaand net 4 jaar geworden. Jonger zal ik niet geweest zijn en als ik ouder was, had ik echt wel meer kunnen herinneren.
Ik denk me te herinneren dat de familie uit Friesland ook op visite was, maar of dat tante Klaske met oom Simon uit Sneek waren of tante Jo met ome Hampie uit Heerenveen, dat weet ik nu niet meer. Maar als ik er over nadenk, kan het ook zo zijn dat het de buren van nummer 20, buurman Maarten en buurvrouw Nettie, waren. Als dit zo was geweest dan waren als vanzelfsprekend ook tante Bets en oom Gijs uit de Klaas Castercomstraat, een zijstraat van onze eigen straat, aanwezig. Tante Bets en oom Gijs waren niet echt familie, maar in die tijd was het gebruikelijk om als kinderen de kennissen en vrienden van je ouders als familieleden aan te spreken. Mijn moeder en tante Bets waren destijds beste vriendinnen, die de grootste lol met elkaar hadden in die jaren. Denk ik.
Rond half twaalf zal ik door mijn moeder of door mijn oudere zussen zijn wakker gemaakt om het oudjaar te mogen meemaken. Ik weet niet of het kwam omdat ik opgewonden was van het moment of dat ik op dat tijdstip enorme aandrang had, maar in de badkamer ontsnapte er een drol vanuit mijn billen, ter grootte van een kroket, die al rollend op de badkamervloer tot stilstand kwam. Mijn zussen schreeuwden in afschuw naar beneden, waar mijn vader, waarschijnlijk door enige alcoholische versnaperingen, licht beschonken, maar zeer geamuseerd naar boven de trap op kwam rennen om mijn kunstje te bewonderen. “Dray kroket!”, riep mijn vader lachend. Ik kan me verder niets meer herinneren van deze Silvesteravond, maar de door mijn vader enthousiast uitgeroepen bijnaam heb ik nog jarenlang mogen aanhoren.

Toen ik in de jaren zeventig Kerstmis mocht vieren, was het in mijn beleving allemaal niet zo bijzonder. De maand december had mij al de nodige spanningen gegeven; op de avond van vijf december ontving ik gevraagde en nodige sinterklaascadeautjes en precies een week na pakjesavond mocht ik mijn pre-tienerverjaardagen vieren. Wederom werden mij cadeautjes geschonken, gewoon om het feit dat ik op die dag een aantal jaren eerder, in 1966, ter wereld kwam.

Dat er nog eens een kleine twee weken later gevierd wordt dat men van mening is dat Jezus van Nazareth elders ter wereld kwam, ging aan mij voorbij. Op de kleuterschool mocht ik wel altijd het kindje Jezus in de kerststal plaatsen. Dat was omdat deze stal op mijn verjaardag in de klas werd uitgestald. Dat het kindje Jezus vervolgens na een viertal maanden in april al hangend aan een kruis ter dood werd veroordeeld, kon ik als kleuter nog niet bevatten. Pas later leerde ik dat er tientalle jaren tussen kerst en passen zitten.

Kerstmis werd bij mij thuis niet zo groots gevierd. Natuurlijk hadden we een kerstboom in huis, hing er een verlichte kartonnen kerstster voor het raam en de papieren kerstklokken werden in het behang van de woonkamer geprikt, maar een religieuze betekenis had het kerstfeest voor ons thuis niet. Zeker niet in het jaar dat ik net 5 jaar jong was geworden.

Mijn vader was bezig met het opzetten van de kerstboom en trachtte de kerstboomverlichting in de boom te draperen. Dat ging niet helemaal volgens plan; mijn vader trapte zijn voet door de stoelzitting. Hij verloor zijn evenwicht, schopte hierdoor de stoel door de kamer, tegen de salontafel en viel zelf, met de kerstboomverlichting nog hoog in de armen, in de naakte kerstboom. Allerlei religieuze verwensingen heb ik toen voor het eerst gehoord. Nog meer verwensingen leerde ik een aantal minuten erna, toen ik aan mijn vader vroeg: ‘Doen de lichtjes het nog?’

Als tienerjongen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, werkte ik af en toe samen met klasgenoot Bas tijdens onze schoolvakanties bij een bollenboer in Breezand. Deze boer was een jonge vent. Dat was opmerkelijk, want in die tijd waren de bollenboeren meestal van het type schreeuwend chagrijnig met een leeftijd van over de vijftig jaar. Meestal waren hun zonen in loondienst en waren deze net zo chagrijnig. Zij wilden het liefst eigenaar zijn dan in plaats van na veertig jaar nog steeds naar pa te moeten luisteren. De bollenboer waar wij de schoolvakanties doorbrachten was niet veel ouder dan dertig jaar en was naast het opbouwen van zijn bedrijf ook druk met uitbreiden van zijn gezin. Hij was jonger dan de gemiddelde bollenboer of knecht en voor een tieners als wij, was hij ook minder angstaanjagend dan al die andere schreeuwende bollenboeren in de omgeving waar we opgroeiden.
‘Onze’ jongere bollenboer kweekte diverse bloembollen. Naast de bekende tulpenbollen, kweekte hij leliebollen, anemonenbollen en hyacintenbollen. Bij de laatstgenoemde bloembollen was het de bedoeling dat deze door ons iets uitgehold moesten worden. Deze hyacintenbollen hebben ook de afwijkende eigenschap dat ze enorm kunnen jeuken. De minuscule kristallen van deze bollen zijn als irritante vlooien op een hond, ze komen overal op je lichaam terecht, vooral in de poriën en dat veroorzaakt een aanhoudende jeuk. Op de eerste dag van de tweede vakantiewerkweek, toen we in de schuur aan een lopende band mochten staan, werd ons al meteen toevertrouwd dat jeuk erger is dan pijn. Dat leek me toen heel sterk, want jezelf in vingers snijden bij het schillen van een appel, wat me wel eens was overkomen, leek mij meer traumatisch dan een beetje jeuk.
Ons, de schoolgaande tieners was al eerder geadviseerd om ons warm te kleden, zodat we -hartje zomer!- de kristallen er op deze manier uit konden zweten. Ook zei een knecht in vast dienstverband dat we zoveel mogelijk de jeuk moesten negeren, want wanneer je eenmaal begon met krabben, was het hek van de dam. Deze zomerweek was het hek meer dan eens van de dam geweest, want ook de tieners van dertig jaar geleden luisterden niet naar een goedbedoeld advies. Je ziet er liever stoer uit dan dat je correcte werkkleding draagt. Van die beslissing hadden Bas en ik voor de ‘schaft’ van twaalf uur al spijt. De jeuk van hyacintenbollen begon bij de pols, vervolgens wat irritatie op het oor en een kriebel op de wang. Bas, hardleers als altijd, negeerde het andere advies en probeerde de jeuk met het krabben op de plekken te verlichten. Dit ging van kwaad tot erger. Uiteindelijk rende hij schreeuwend de bollenschuur uit en sprong met kleren en al in de naburige sloot. Pijn is erg, maar jeuk maakt je gek.