Liegbeest en jokkebrok. Ik vind het twee kinderwoorden. Hiermee bedoel ik dat deze twee woorden alleen door kinderen behoren uitgesproken te worden. Wanneer een volwassene deze woorden uitspreekt wordt het een beetje, en daar heb je het indirect bewijs, kinderachtig. Net zoals het zinnetje ‘vriendschap sluiten?’ dat hoor je alleen kinderen zeggen. Vaak na een ruzie of een ordinaire vechtpartij op het schoolplein. Wanneer een volwassen na een woordenwisseling met uitgestoken hand naar je toekomt en je vraagt om vriendschap te sluiten, twijfel je aan zijn gezonde verstand.

Kinderen zijn daar gewoon directer in. De ruzie is over en dus zijn we nu weer vrienden en wanneer kinderen iemand betrappen op een leugen, dan roepen ze luid en vooral voor iedereen verstaanbaar dat je een liegbeest of jokkebrok bent. Volwassen zeggen bij het constateren van een leugen een beetje zuur dat ze het moeilijk vinden de ander te geloven of dat ze met klem vragen of degene die liegt het wel zeker weet. Hoewel iedereen wel een boerenkinkel in de familie- of kennissenkring heeft die, ook voor iedereen verstaanbaar, een ander aanspreekt als het liegbeest. Awkward.

Je hebt liegen en je hebt liegen. Een leugentje om een verhaal mooier te maken vind ik hartstikke goed. Daar word ik zelfs blij van, want ik zit liever naar een verhaal te luisteren dan dat ik een verhaal moet aanhoren waarbij ik moeite heb om de aandacht er bij te houden. Een leugentje om bestwil, de dingen zachter te brengen, is ook oké, maar ik vind het altijd een beetje gênant worden wanneer mensen liegen om zichzelf interessant te profileren. Ik vind dat eigenlijk meer aanstellen dan liegen. Doe je niet anders voor dan dat je bent.

Politici, vooral in de Verenigde Staten kunnen goed liegen. Ik verdenk ze erop dat ze daar eerst een cursus liegen en bedriegen succesvol moeten afleggen, eer ze een politieke carrière mogen beginnen. De 37e president van de Verenigde Staten, Nixon loog alsof het gedrukt stond over zijn betrokkenheid bij het ‘watergateschandaal’ en de 42e president, Clinton loog over de seksuele relatie met stagiaire Monica Lewinksi. Hoewel hij woordelijk niet loog, want hij ontkende een (seksuele) relatie met haar te hebben en een pijpbeurt is natuurlijk een dienstverlening.

Ik vind het ook gênant wanneer je iemand op een leugen betrapt, maar eigenlijk is het nog gênanter wanneer je zelf een leugen vertelt en je weet dat de ander je doorheeft en je niet gelooft. Daarom lieg ik niet meer en maak ik af en toe alleen een verhaal iets mooier. Dat was vroeger anders. Zo kan ik me herinneren dat ik als elfjarig kind in de zomer van 1978 wekenlang loog over dat ik de film ‘Grease’ had gezien. Bij de schommels in de speeltuin zei achterbuurjongen, Johnnie Schrier, dat ik de film helemaal niet gezien kon hebben, want ‘Grease’ was nog niet in Nederland in première gegaan. Ik wist niet wat hij bedoelde en ik hield mijn leugen vol. Ik zei domweg dat ik de film bij mijn tante in Assen had gezien. Wanneer ik er nu aan terugdenk schaam ik me nog steeds een beetje voor dat gênante moment.

Spotify, het bedrijf uit Zweden, dat sinds 2010 muziek via streamen in Nederland aanbiedt, heeft toch wel een van de beste apps van de afgelopen jaren op de markt gebracht. Wanneer ik nu naar muziek luister is dat voor 99% via Spotify. Die andere ene procent is omdat niet alle muziek via hen te streamen is. Sommige artiesten vinden dat ze te weinig verdienen via het streamen en ook heb ik af en toe een muzikale voorkeur die niet mainstream is. Dan val ik terug op andere muziekdragers. Aangezien vinylalbums en cd’s niet meer door mij worden afgespeeld, net als cassettebandjes overigens, ben ik afhankelijk van iTunes en mijn iPod.

Laatst gebruikte ik sinds maanden weer eens mijn iPod en ik (her)ontdekte diverse, inmiddels vergeten afspeellijsten. Zo ook de afspeellijst ‘1985’, met daarop alle hits, en persoonlijke favorieten van dat jaar. Hits als: ‘Dancing in the Dark’ van Bruce -The Boss- Springsteen en ‘Get Into The Groove’ van Madonna. Beide artiesten hadden in 1985 veel grote hits in Nederland. Springsteen had als lid van USA for Africa met ‘We are the World’ de grootste hit van het jaar. Verder stonden er ook minder grote hits op mijn afspeellijst van 1985. Zoals: ‘Slave to Love’ van Bryan Ferry, de zanger van Roxy Music. Het is een mooi nummer, maar een snelle blik in het boek ‘Top 40 Hitdossier’ leerde me dat het nummer een 36e plaats als hoogste hitnotering heeft gehad.

Door het beluisteren van deze afspeellijst kwamen er veel herinneringen naar boven. Het jaar 1985 was het jaar waar ik in de zomermaanden, een maand lang in Duitsland vakantie vierde. Ik was te gast in Gaststätte Heinrichsbauer bij de familie Deden, het gezin dat jarenlang naast mijn ouders in de Cornelis Riekelsstraat hadden gewoond en een jaar eerder naar Bochum Dahlhausen in het Ruhrgebied waren geëmigreerd om een restaurant te runnen. Ik heb er vier weken lang met mijn buurmeisje Jacqueline doorgebracht. Op 13 juli van dat jaar hadden we even genoeg van elkaars gezelschap en ging Jacqueline bij een plaatselijke agrariër aardbeien plukken en ik vertrok met haar oudere broers, de buurjongens Carel en Hans, naar een dierentuin ergens in het Ruhrgebied.

Die dag kan ik me precies zo herinneren, omdat op die dag ‘Live Aid’ plaatsvond. Het 16 uur durende muziekspektakel in Engeland en de Verenigde Staten, waar bijna iedere populaire artiest van dat moment een optreden gaf. Het evenement dat door 160.000 mensen werd bezocht en door miljoenen televisiekijkers in meer dan 150 landen werd bekeken. Bij het beluisteren van mijn afspeellijst dacht ik ook aan Rock Hudson die op 2 oktober van 1985 overleed aan aids. Hij was eerder naar Parijs vertrokken om daar behandeld te worden voor leverkanker. Vlak voor zijn dood had hij het wereldkundig gemaakt dat hij eigenlijk de ziekte aids had.

1985 is het jaar waarin ik voor het eerst mijn schoolexamen deed, maar ook het jaar waarin de Elfstedentocht na 22 jaar van absentie in Friesland plaatsvond. Het is het jaar van de ramp in het Heizelstadion, waarbij 39 voetbalsupporters de dood vonden. Het is het jaar van de geboorte van mijn neefje Dennis en de negentigste verjaardagviering van Anton Pieck. Het jaar waarin Paus (Popie Jopie) Johannes Paulus II een bezoek aan Nederland bracht en het jaar waarin we in de zomer een bioscoopbezoek aan ‘A View to a Kill’ brachten. De laatste film van Roger Moore in de rol van James Bond.

1985 is het jaar van de aanslag op de ‘Rainbow Warrior’ van Greenpeace, welke door de Franse geheime dienst was uitgevoerd en het jaar waarin oude naaktfoto’s van Madonna waren ontdekt, welke door Playboy en Penthouse werden gepubliceerd. Het is ook het jaar waar op 2 september het wrak van de Titanic bij toeval werd ontdekt. Vandaag is 1985 een jaar met herinneringen van dertig jaar geleden. Leuk om er tijdens het beluisteren van een afspeellijst even aan te denken. Misschien dat ik over nog eens dertig jaar net zo nostalgisch denk aan het jaar 2015, maar misschien ben ik dan wel hartstikke dement en kan ik alleen nog aan het jaar 1985 denken.

In de westerse wereld groeien we er allemaal al jaren mee op: Boeken. We worden als kind uit boeken voorgelezen, nog voordat we zelfstandig rechtop kunnen zitten. De dieren Nijntje, Dribbel en Rupsje Nooitgenoeg zijn in Nederland onze eerste kennismaking buiten het gezin. Wanneer we naar de kleuterschool gaan leren we over de avonturen van Jip en Janneke en van andere geesteskinderen van Annie M.G. Schmidt. Wanneer we zelf beginnen met lezen, dan zijn we toe aan boeken van Paul van Loon. Lekker griezelen over de griezelbus of Dolfje Weerwolfje en als we een paar jaar ouder zijn lezen we ook over de dingen die er vroeger gebeurde. Jan Terlouw schrijft over de Oorlogswinter en dankzij Thea Beckman weten we over de kruistochten van honderden jaren geleden.

Ik zeg altijd: ‘Er is geen boek zo slecht geschreven of je leert er iets van.’ Wanneer je leest, steek je er altijd iets van op en lezen verbreedt je horizon. Thuis heb ik honderden boeken in huis. Ze staan in boekenkasten of liggen in dozen en er ligt altijd wel een exemplaar op het nachtkastje. Ik lees graag meerdere boeken tegelijk. Daar horen stripboeken bij, maar ook altijd graag een (auto)biografie. Fijn om te lezen over andere mens het leven hebben geleefd. Jezelf gelukkig prijzen dat het eigen leven zonder poespas of wel fijn is. Lezen over het niet altijd benijdenswaardige leven van een spiritueel leider als Nelson Mandela of het jammerlijke leven van jazzzangeres Billie Holiday, die meer downs dan ups kende.

Digitale boeken heb ik ook. Die kun je vinden op mijn laptop en e-reader. Een elektronisch boek vind ik hartstikke handig voor in bad. Je armen worden niet moe van het lezen, ook al heeft het boek meer dan zeshonderd pagina’s. Digitale boeken meenemen op vakantie scheelt veel ruimte in de koffer. Gewoon een paar honderd boeken mee in je handbagage. Ideaal. Toch gaat wel mijn voorkeur uit naar het papieren (echte) boek. Er zijn exemplaren die ik eerst digitaal bij de webwinkel heb gekocht en later, alsnog, als papieren exemplaar heb aangeschaft (het staat zo mooi in de boekenkast). Het boek dat je kan lezen zonder er eerst een elektrisch kabeltje ingeplugd te hebben heeft mijn voorkeur. Met papieren (echte) boeken is het meer dan alleen lezen. Je ruikt echte boeken (bij nieuwe of juist hele oude boeken). Je proeft echte boeken (bij het bevochtigen van de vingertoppen, wanneer het verhaal te spannend is om rustig een pagina om te slaan) en je luistert naar echt boeken (het geritsel bij het openslaan en omslaan van een pagina). Ik hou van lezen, maar nog meer hou ik van papieren (echte), ouderwetse boeken.

‘Mam?’
‘Nee.’
‘Maar mammie..’
‘Nee, Lotte!’
Zes woorden in vier zinnen gesproken. Het is bijna geen gesprek te noemen, eerder een woordenwisseling en toch weet je als bijstaander waar het gesprek over gaat en je hebt een zwaar vermoeden waar het heen gaat.Ik sta tussen de schappen met snoepgoed van de Albert Heijn aan het Botplein in Almere en ik zie een moeder met haar dochter bij de zakken drop en winegums staan. Lotte is een meisje van ongeveer zeven jaar oud. Ze heeft twee bruine paardenstaartjes bovenop haar hoofd en deze schieten alle kanten op bij elke beweging die Lotte met haar hoofd maakt. Ze draagt een olijfgroene jack met een dikke, ik mag hopen een onechte, bontkraag aan de capuchon. Verder draagt ze een spijkerrokje, met daaronder een dikke donkerroze maillot, gestoken in witte, enkelhoge laarsjes, gepimpt met een paar vrolijke franjes.De naamloze moeder is een vrouw die qua leeftijd tegen de veertig aanleunt. Misschien heeft ze die leeftijd stiekem al bereikt, maar dan heeft ze thuis wel erg goed werkende crème tegen rimpels. Ze heeft donkerblond, halflang haar, dat bij de wortels een iets donkere kleur aangeeft en hiermee wordt verraden dat moeder het haar kleurt. Ze draagt haar grijze manteljas open en daaronder draagt ze een blauw mantelpakje. De benen zijn gestoken in iets te donkere panty’s en ze staat in de supermarkt op donkerblauwe schoenen met een degelijk hakje.

Duidelijk een moeder en een carrièrevrouw. Eerst jarenlang gewerkt aan een professionele carrière en toen ze haar doel had bereikt, zocht ze wellicht naar een andere uitdaging. Geen loopbaan bij een nieuwe werkgever, maar iets totaal anders. De uitdaging van het moederschap. Wellicht in de veronderstelling dat als ze in het verleden al zoveel collega’s kon passeren en vertellen welke strategie ze moesten volgen, dan was het moederschap vanzelfsprekend een nieuwe uitdaging.
‘Maar mammie, waarom dan niet? Ik heb vandaag heel netjes gegeten.’ Dochterlief probeert het nogmaals.

‘Lotte, we hebben het hier al eens eerder over gehad. Ik wil niet dat je te veel snoept. Suiker is slecht voor je en je hebt aanleg voor obese.’ Het woord wordt door de moeder in het Engels uitgesproken.
O-bies.
Dat vind ik grappig.
Woorden met een negatieve klank lijken waarschijnlijk minder serieus wanneer deze niet in het Nederlands worden uitgesproken. De dochter weet wat moeder met het woord bedoelt en ze heeft haar weerwoord klaar. ‘Nou, zo dik als tante Emma zal ik echt niet worden hoor.’ De moeder schiet in de lach en corrigeert zichzelf snel. ‘Niemand is zo dik als tante Emma,’ zegt ze op fluistertoon tegen haar dochter, ‘maar dat mag je tegen niemand zeggen.’

De dochter kijkt serieus met een mysterieus, samenzwerend lachje op het gezicht naar haar moeder. Zeer waarschijnlijk onder de indruk van hun geheimpje. ‘Behalve een olifant. Die is misschien nog dikker dan tante Emma,’ flapt ze eruit.

Dagdromen.
Wat een heerlijk woord.
Wat een heerlijk werkwoord.
Ik dagdroom.
Jij dagdroomt.
Zij dagdromen.
We hebben gedagdroomd.
Het is ook heerlijk om te zeggen: ‘Dag dromen.’ Alsof je bedoelt: ‘Dag dromen, het is fijn jullie gekend te hebben.’ Of misschien: ‘Dag dromen, zijn jullie klaar voor een nieuwe dagdroomsessie?’Heerlijk om naar niets om je heen te kijken en toch aan van alles te denken. Je gedachten laten gaan en dagdromen aan de nog te plannen vakanties of aan die momenten in je leven, welke fijne herinneringen zijn geworden. Dagdromen zijn als een medaille. Een beloning voor het doelloos mijmeren. Maar net als een medaille heeft alles een keerzijde.

Wanneer een ander aan het dagdromen is, vind ik dat niet zo fijn. Het lijkt wel of iedereen tegenwoordig aan het dagdromen is. Overal. Altijd. De dagdromende mensen zijn zich niet bewust van hun omgeving. Mensen zwalken over stoepen en fietspaden. Ze lopen nog net niet tegen elkaar aan, omdat de ander altijd net op tijd aan de kant springt. Ik vind het schrikbarend hoeveel mensen er op straat lopen te dagdromen. Totaal niet bewust van hun omgeving. Ik merk ook dat er steeds vaker op de snelwegen eenzijdige auto-ongelukken voorkomen. Ongelukken waarbij geen andere auto’s betrokken zijn. Dit omdat de bestuurders aan het dagdromen zijn geweest. In dit geval bedoel ik met dagdromen dat veel mensen via het schermpje van hun smartphone aan het dagdromen zijn.

Ik wil niet beweren dat ikzelf altijd voor de volle honderd procent alert ben op straat, maar ik fiets niet gedachteloos en minutenlang aan een linkerzijde of op het midden van een fietspad. Ook zul je mij niet kunnen betrappen op het dagdromen in een drukke winkelstraat of tijdens het boodschappen doen. Ik kan me namelijk enorm irriteren aan de mensen die onnadenkend in de weg staan. Het liefst sla ik ze met een flink stuk hout aan de kant, maar dat levert wettelijke problemen op, dus houd ik me maar in en pas ik me aan, aan de andere mensen.

Wanneer ik dagdroom ben ik niet on the move. Ik dagdroom alleen wanneer ik sta te strijken of heel relaxt in een stoel of op een bankje in de natuur zit. Ook op een perron, wanneer ik op de trein sta te wachten. Dagdromen doe ik misschien wel het liefst liggend. Thuis, in mijn bed of ‘s zomers op een luchtbedje, dobberend in de zee. Maar het liefst dagdroom ik bij mooi weer. Liggend in het gras, de armen gekruist onder het hoofd en starend naar de blauwe lucht, gedecoreerd met witte wolken die al veranderend van vorm, langzaamaan voorbij trekken.

Laatst stond ik in de supermarkt met mijn boodschappenmand al flink gevuld met avondeten en andere huishoudelijke dingen die (bijna) op waren. Zoals toiletpapier en tandpasta. Dingen waar je eigenlijk niet zonder kunt. Al zijn er websites die alternatieve ideeën aanbieden, zoals een krant voor het wc-papier of zuiveringszout met kokosolie voor tandpasta. Hartstikke handig die websites, maar ik veeg en poets toch het liefst met de artikelen die ervoor in de winkels liggen.

Nadat ik een doos eieren in mijn mandje heb neergelegd, loop ik langs de schappen met broodbeleg. Jam, pindakaas, honing in vele smaken en ook zie ik een hele rij potten sandwichspread staan. Voor een klein moment ben ik dertig jaar terug in de tijd en niet geheel verrassend kan ik me de tekst van het liedje uit de tv-reclame nog woordelijk herinneren en in gedachten hoor ik het enthousiast gezongen lied weer.

Ik hou van lekker fris, ik hou van lekker anders.
Ik hou van lekker anders lekker fris.
Ik hou van bruin. Ik hou van wit.
Ik hou van brood waar fris op zit.
Dus wat ik steeds op tafel zet,
is lekkere frisse sandwich spread.

Het aanbod van de diverse sandwichspreads is belachelijk groot. sandwichspread met tomaat en lente-ui, sandwichspread met fijne tuinkruiden, sandwichspread komkommer, sandwichspread op z’n Mexicaans en ook sandwichspread naturel. Het originele smeerbare spul dat al tientalle jaren in de winkelschappen staat. ik pak een pot uit het schap en zie op het etiket twee paprika’s en een augurkje afgebeeld staan. Ik kan me alleen de frisse, zurige smaak herinneren en dacht eigenlijk dat de spread uit een combinatie van mayonaise en augurk was.

Nergens kan ik lezen dat mayonaise een van de ingrediënten is, maar verder zit er van alles in. Groenten, eiwitten, vezels en suiker. Natuurlijk zit er suiker in. Sandwichspread is van Heinz en wanneer je Heinz zegt, dan zeg je suiker. Ik denk er over om een pot mee naar huis te nemen. Gewoon om het pure, nostalgische gevoel. Ik doe slim en leg een klein potje in mijn mand, want een grote pot krijg ik echt niet op. Ik weet wel uit ervaring dat impulsaankopen, zeker die met een nostalgische overweging, eigenlijk niet succesvol zijn.

Thuis aangekomen, nadat ik de boodschappen een vaste plek in de kastjes heb gegeven, smeer ik mijn boterham aan het aanrecht met een laag sandwichspread. Een dikke laag, want je moet het wel goed kunnen proeven. De voorpret van en het verlangen naar smaakten beter dan het echte proeven. De sandwichspread van vandaag smaakt anders dan in mijn herinnering van toen. Misschien komt het dat de smaakervaring van een mens door de jaren verandert of dat wellicht ook bij de moderne sandwichspread smaakversterkers, verdikkingsmiddelen, geur- en kleurstoffen en andere E-nummers worden toegevoegd. Het is een goed idee om een kleine pot sandwichspread te kopen, want tegen de tijd dat de zomer aanbreekt zal ik deze, nog altijd gevulde, pot weg moeten gooien.

Het is vrijdagmiddag en de zon schijnt. Wat is er leuker om het weekend met een rondje hardlopen in te gaan? Oké, misschien kan ik met het grootste gemak een tiental andere dingen bedenken die net zo leuk kunnen zijn als op een vrijdagmiddag te gaan hardlopen, maar lopen in het zonnetje, met een stiekeme temperatuur in februari die eigenlijk bij het voorjaar hoort, staat dan weer heel hoog op mijn lijstje van ‘leuke-dingen-doen-op-de-vrijdagmiddag.

Nu loop ik nooit hard in een lange broek (of hardlooplegging), ik vind dat niet fijn. Mijn kuiten dulden het niet dat ze in strak textiel gehuld worden en wanneer ik dat wel doe, bezorgen ze me pijn in mijn benen. Ik luister naar mijn lichaam. Vooral naar mijn kuiten. Ik besluit dat ik vandaag weer eens in een korte broek kan gaan lopen. Tot aan boven de knie, zeg maar. Ik sluit de voordeur achter me, start mijn hardloop-app en loop de eerste vijf kilometer langs het spoor richting het westen.

Ik heb het er nog nooit met andere –mannelijke- hardlopers over gehad, maar wanneer ik in een strakke broek hardloop, is het opvallend dat er veel voorbijgangers schaamteloos naar mijn kruis staren. Het is geen verbeelding. Ik constateer het vanachter mijn donkere zonnebrilglazen. Opvallender is het dat de meerderheid van de kruisstaarders mannen zijn. Alsof ze weer op school na de gymles, onder de douches, vergelijkingsmateriaal nodig hebben. Ik moet ze teleurstellen (of verheugen), want mijn kleine grote vriend kent het verschil niet tussen hardlopen en zwemmen in koud water.

Niets te zien. Doorlopen. En dat is wat ik doe. Ik loop onder het spoor door, de Brikweg op, langs de nieuwe wijk Almere-Poort. Nadat ik de Godendreef ben gepasseerd, loop ik over het Van Wagtendonkpad richting de dijk. Wanneer je, net als ik, in een kustplaats bent geboren en getogen, blijft het water je als een magneet trekken. Bij het zien van een grote plas water is het voor mij altijd een beetje thuiskomen. Vandaag is het een beetje heiig over het water, waardoor ik Amsterdam en Marken niet goed kan zien. Het geeft me weer dat vrije gevoel wat ik alleen aan zee voel. De aanblik van oneindig niets.

Door het mooie weer ben ik niet de enige hardloper op de dijk. Een paar in schreeuwerig neongekleurde kleding gestoken hardlopers lopen me tegemoet. Ikzelf hou niet zo van die populaire, felle kleuren. Ik zie mezelf graag als de Johnny Cash onder de hardlopers. Niet dat ik met een gitaar hardloop, maar dat ik volledig in het zwart ren. In de zomer wil ik nog wel een lichtere kleur dragen, maar zwart is, zeg maar, mijn huiskleur. Alleen met de hardloopschoenen wil ik nog wel eens opvallen qua kleur. Knalblauw of feloranje. Mijn huidige hardloopschoenen zijn neongeel met limegroen. Als ik ooit mijn voeten bezeer wordt de pijn overschreeuwd door de kleuren van mijn schoenen.

Nadat ik de ‘snuit van de panter‘ heb belopen, keer ik huiswaarts. Ik heb een lichte wind tegen, maar het is niet al te koud en ik loop in een steady tempo door. Na 15 kilometer begin ik mijn voeten te voelen. Bij iedere stap eigenlijk wel. Maar de zon schijnt nog steeds en verwarmt mijn zwarte kleding. Ik loop via de Galjootweg richting het Michelinpad om naar het Beatrixpark te gaan. Eenmaal over de Beatrixpromenade gaat het snel. Langs de huizen aan de Koninginneweg, loop ik over de Wisselbrug het Algerapad op. Vlakbij de ondernemerswijk Randstad hoor ik via mijn hardloop-app dat ik 20 kilometers heb gelopen en ik vind het wel goed zo. De laatste honderd meters wandel ik naar huis.

Waar ik heel blij mee ben tijdens deze koude wintermaanden, is mijn baard. Het is een natuurlijke koudebeschermer. Ongeveer twee jaar geleden ben ik gestopt met het scheren van mijn gezicht en ben ik begonnen met het groeien van mijn baard. In het begin wilde ik na vijf a zes weken van gezichtsbegroeiing, even zonder baard en schoor ik mijn kin en kaaklijn weer helemaal glad, maar sinds de zomer van vorig jaar ben ik in het bezit van een baardtrimmer en heb ik sindsdien geen blotebillengezicht meer gehad.

Het is niet zo dat ik nu groepslid ben van ‘Kamp Baard’ en dat alles wat niet baard is, ik per definitie stom of ongepast vind. In de zomer draag ik de baard korter dan in de winter en wanneer er aankomende zomer een hittegolf heerst, overweeg ik vast en zeker de baard weer eens helemaal voor de volle honderd procent weg te scheren. Maar daar kan ik nu nog geen beloftes over maken. Mijn vader zou dan een van zijn vaste uitspraken hebben gezegd: “Tegen die tijd kan je wel een geitenkop hebben.” Mijn vader had soms rare, maar ook rake uitspraken.

Nu ik er zo over nadenk, bedenk ik dat mijn vader nooit een baard heeft gedragen. Wel heeft hij ooit een snor laten groeien. Dat was toen we, mijn ouders en ik, op vakantie in Nijverdal waren. Het was in de zomer van 1981. Mijn ouders hadden een huisje gehuurd op het erf van een ondernemer aan de Boomcateweg en het toeval wilde (die voor mij toen al niet meer bestond, het toeval bedoel ik hier) dat diezelfde zomer ook een vakantiekamp van Turnlust, de drumband uit Den Helder op het erf was. Enkele familieleden waren lid van deze drumband en via, via was er waarschijnlijk het een en ander geregeld.

Maar vader had vakantie en hij was waarschijnlijk toe aan verandering. Of gewoon even iets anders. Op een ochtend zei mijn moeder tijdens het ontbijt dat mijn vader zijn snor liet groeien. Waarschijnlijk was de beslissing in goed overleg gegaan en vond mijn moeder dat haar bijdrage dan deze mededeling mocht zijn. Natuurlijk wilde ik meteen die snor van dichtbij bekijken, maar dat was een teleurstelling. Daar waar mijn vader in alles onrustig was en ook vooral alles snel moest gaan, liet de snor zich niet meteen zien. Daar ging wel even een flinke tijd overheen.

Aan het eind van de vakantie zag ik eindelijk iets van een snor op mijn vaders bovenlip staan. Ikzelf was veertien jaar oud en trots op al die extra haargroei bij mezelf en vooral ook op de schaduw die mijn bovenlip sierde. Overigens heeft de snor van mijn vader niet lang onder zijn neus gehangen. Op een van de laatste vakantiedagen in Nijverdal reden we naar de hoofdstad van Drenthe, omdat mijn nicht Clara ging trouwen. Mijn vader ging sinds die dag weer snorloos door het leven. Ik heb het nooit gevraagd en hierdoor is mij nooit duidelijk geworden of het afscheren van vaders snor een beslissing van mijn moeder was of dat mijn vader het zelf een jeukend onding vond.

Het is deze week een jaar geleden dat de Olympische Winterspelen van 2014 in Sotsji, Rusland werden geopend. Er zullen momenteel veel olympische medailles van winnende sporters aan de muren hangen. Of wellicht liggen er ergens een paar in een ladekastje of zijn ze veilig in een kluis weggeborgen. We zijn inmiddels een jaar verder en er is verder ook niets gebeurd in Rusland. Dan stel je jezelf de vraag waarom al die mensenrechtenactivisten vorig jaar dan toch zo moeilijk moesten doen?

Juist daarom; omdat er verder nog steeds niets is gebeurd. Alsof er geen mens iets onrechtvaardig is aangedaan in Rusland. Dat ook niemand last heeft gehad van de wet, aangenomen in juli 2013, waardoor men geen propaganda mag voeren van niet-traditionele relaties onder minderjarigen. Dat je strafbaar bent wanneer je in het openbaar over homoseksualiteit praat of wanneer je over het Rode plein met een regenboogvlag loopt te zwaaien. Maar och, waarom zou je ook over flikkers willen praten en wat is het nut van het zwaaien met een regenboogvlag? Waar iedereen sinds Charlie Hebdo struikelt over de vrijheid van meningsuiting, negeert iedereen het ontnomen recht van meningsuiting van de Russische homoseksuelen.

Met een onpasselijk gevoel heb ik vorig jaar januari het nieuws mogen vernemen dat de Nederlandse delegatie de grootste ooit (dus niet eerder) naar een sportevenement is afgevaardigd bij de Olympische Winterspelen. Waar andere landen nog een statement maakten door een ander dan het staatshoofd of regeringsleider af te vaardigen, kwam Nederland niet alleen met de minister president aan, maar kwamen ook de minister van Sport, Edith Schippers en koning Willem-Alexander met koningin Maxima in zijn kielzog mee. Gezellig. Het had de Nederlandse homoseksuele gemeenschap minder pijn gedaan wanneer hen letterlijk een mes in de rug was gestoken.

Voorheen achtte ik meneer Rutte hoog. Maar daar ben ik inmiddels op teruggekomen. Wanneer hij ooit besluit te stoppen als politicus (mijn stem zal hij niet krijgen) moet hij het echt eens proberen als stand-up comedian. Zoals hij vorig jaar droog en vooral ook serieus beweerde het dialoog met betrekking tot de mensenrechten met president Poetin aan te willen gaan. Het heeft bijna iets komisch. Zeker wanneer je later een foto van Willem-Alexander en Maxima samen met president Poetin en een biertje in de hand, vanuit het Heineken House mag aanschouwen. Dan denk ik: die meneer Rutte. Wat een grappenmaker.

Meneer Rutte en het dialoog. Het is als Fokke en Sukke. Droge humor. Het is natuurlijk niet mede dankzij het gevoerde dialoog van meneer Rutte dat men afgelopen november in St. Petersburg het nodig vond om de grote iPhone, ter ere van Steve Jobs weg te moffelen, nadat Tim Cook, directeur van Apple voor zijn homoseksualiteit uitkwam. Of dat mensen in Rusland met een ‘seksuele stoornis’ sinds afgelopen december niet meer in het bezit van een rijbewijs mogen zijn. Meneer Rutte, u bent zo grappig dat zelfs een zuur persoon als president Poetin om u moet grinniken.

 Na twee dagen van verkoudheid voel ik me op de derde dag eindelijk weer een beetje beter. Buiten is het koud, maar de zon schijnt fel over Almere en de drang om naar buiten te gaan en een frisse neus halen is groter dan het gevoel van mijn lamlendigheid. Ik besluit me goed in te pakken en op de fiets een rondje te doen.

Vanonder mijn muts kijk ik knijpend de wereld in. Ik heb enigszins een beetje de wind tegen, maar door flink de fietspedalen in te trappen krijg ik het vanzelf warm en besluit ik dat ik wel eens over de Oostvaardersdijk kan gaan fietsen. Ik vermoedt dat ik op de dijk vast en zeker meewind zal hebben, waardoor ik dan heerlijk kan genieten van het mooie weer. Ik heb gelijk.

Bij het parkeerterrein van bezoekerscentrum ‘De Trekvogel’ fiets ik de Oostvaardersdijk op en de oostenwind duwt me zachtjes in de rug. Het is me nu wel heel erg warm met die muts op mijn hoofd, sjaal om de nek, het extra vest onder mijn jas en de warme handschoenen aan, maar ik wil niet klagen. Ik wil genieten. Genieten van de zon. Al fietsend ben ik in gedachten een paar maanden voor op het jaar en liggen de maanden januari en februari al ver achter me.

Gedachteloos mis ik de afslag bij de woonwijk Noorderplassen-West en ik bedenk dat ik nog wel even een stukje door kan fietsen. Het fietst tenslotte heerlijk vandaag. Ik neem me voor om via de Pampushavenweg weer naar huis te keren. Daar wordt de oostenwind vast wel door een aantal bomen afgezwakt. Bij het verlaten van de Oostvaardersdijk komt de maand februari keihard terug in mijn gezicht. Terug naar de realiteit. Het is winter.

Bij polderland Garden of Love and Fire, ontworpen door architect Daniel Libeskind, welke ook de nieuwe gebouwen op Ground Zero te New York heeft ontworpen, zitten een paar automobilisten in hun auto op de parkeerplaats te wachten op onbekenden die wellicht nog moeten komen. Garden of Love and Fire staat ook bekend als de homo-ontmoetingsplaats van Almere. Het is zo’n plek waar op menig papadag wel eens een bezoek aan wordt gebracht. Ik moet er nu niet aan denken om met de broek op de enkels bij deze winterse temperaturen in het bos te staan.

Ik rijd door over de Pampushavenweg en na een anderhalve kilometer fiets ik over het Michelinpad richting de bewoonde wereld. Richting het oosten. De wind waait guur om mijn hoofd, dwars door de muts heen. Na een paar kilometer te hebben afgelegd, maar niet voordat ik het Zoneiland van Nuon ben gepasseerd, besluit ik binnendoor te gaan fietsen. Dwars door diverse woonwijken, richting de toko. Daar kan ik meteen de nodige boodschappen doen, want na twee dagen van winterse kost (stamppot zuurkool en stamppot boerenkool) komt de rookworst me de neus uit. Vanavond koken we Indisch. Doen we net alsof de winter voorbij is.

Mijn vader is geboren in het jaar 1930. Hij is geboren op 7 februari. Vandaag zou hij 85 jaar oud zijn geworden, maar dat is hem niet gegund. Door wie het hem niet is gegund weet ik niet, maar het is een uitdrukking als deze, die vaak achter een zin met zo’n strekking wordt geplakt. Mijn vader is uiteindelijk 79 jaar oud geworden. De twintig jaar durende strijd met kanker heeft hij op het laatst verloren. Geen kracht en geen wil meer om het gevecht langer aan te gaan.

Mijn vader was veertien jaar oud toen hij door zijn moeder van school werd gehaald, want ze had een baan voor hem gevonden als knecht bij een boer in de omgeving van Sneek. Daar was hij een manusje-van-alles waar hij van alles moest doen. Van ’s ochtends vroeg de koeien melken tot ’s avonds laat de aardappels schillen voor de maaltijd van de volgende dag. Later vertelde mijn vader me dat hij als een kind heeft zitten janken, wanneer hij in de winterkou op het land moest werken. Ik kon alleen bedenken: Veertien jaar. Dan ben je nog een kind.

Mijn vader vertrok op zeventienjarige leeftijd van Sneek naar Den Helder om bij de Koninklijke Marine te gaan werken. Daar heeft hij met veel plezier en net zoveel zeereizen 32 jaar gewerkt tot aan zijn pensioen. Door de vele reizen in een tijd dat een marineman echt voor meer dan een jaar weg was, ben ik grotendeels door mijn moeder en drie zussen opgevoed. Wanneer hij dan thuis was, kwam het wel eens tot kleine conflicten tussen mijn vader en mijn moeder.

Begrijpelijk; mijn vader was deel van een gezin waar hij grotendeels niet bij aanwezig was. Als hoofd van het gezin had hij recht op inbreng met betrekking tot het doen en laten van het gezin en soms werd dat gezien als bemoeienis. Het is niet zo dat mijn herinneringen aan vroeger met conflicten zijn gevuld. Er waren juist heel veel momenten die mooie herinneringen zijn geworden. Zoals in de keuken, waar we druk bezig waren met een snijbonenmolen, omdat de bonenoogst weer een omvang had waar –zoals mijn moeder verzuchtte- een heel weeshuis van kon eten.

Naast de plek in het gezin en op het zadel van zijn fiets (mijn vader heeft in zijn leven een afstand weggefietst waarbij hij zeker de wereld een paar keer heeft rondgefietst) was mijn vader graag en heel vaak aanwezig op zijn volkstuintje. Hij had er een tuinhuisje staan, door hemzelf en zijn, later ex, schoonzoon in elkaar gezet. Ondanks regen en koud weer was mijn vader aanwezig op het volkstuincomplex langs de Geusstraat in de woonwijk De Schooten.

In het voorjaar van 2009 had mijn vader geen energie meer om naar zijn volkstuintje te gaan of op zijn elektrische fiets een rondje te rijden. Voor hem was het leven niet meer leuk. Hij was moe. Niet levensmoe. Maar moe van de kanker en de behandelingen die de ziekte mochten bestrijden. Mijn vader had een enorme conditie, mede te danken aan zijn actieve hobby’s, maar na twintig jaar vechten tegen verschillende vormen van kanker op diverse plekken in zijn lichaam, kon hij niet meer.

Mijn vader, Hille Bosma, had vandaag zijn 85e verjaardag kunnen vieren. Dit is hem niet gelukt. Ondanks dat mijn vader is overleden leeft hij voort in mijn gedachten en op bijzondere momenten. Zoals vandaag. Zijn verjaardag.
“Lieve pa, van harte gefeliciteerd. Ik wens je nog veel jaren in de gedachten van velen toe!”

 Verblind door de laaghangende zon en zijn reflectie op het natte asfalt fiets ik vanaf de Jumbo terug naar huis. Ik moet mijn ogen dichtknijpen, maar blind fietsen vind ik iets te veel van een uitdaging. Ik houd mijn behandschoende rechterhand als een zonneklep tegen mijn voorhoofd. Alsof ik de eerstvolgende persoon die ik tegenkom zal gaan salueren. Een grote boodschappentas hangt aan het stuur van mijn opoefiets, gevuld met dagelijkse boodschappen, maar ook wc-papier, keukenpapier en snuitpapier. Ik ben een beetje snotterig en ik voel een verkoudheid aankomen. Ik rij door de Waterwijk en bij het Reggeplantsoen gaat het asfalt over in straatklinkers. Ik kan weer normaal om me heen kijken. Op het veldje spelen twee jongens van een jaar of acht. Ze rennen en glijden over een bevroren plas. Ik bedenk me dat ze wel mogen opschieten, want binnen een half uur glijden ze geheid door de modder. Een van de jongens draagt een rode, wollen muts. Boven op de muts prijkt een wollen balletje. Ik dacht dat dit soort mutsen niet meer in het hedendaags straatbeeld voorkwamen. Ik heb het dus mis. De andere jongen draagt alleen donkerblauwe oorwarmers op het hoofd. Ook zo ouderwets, denk ik.

‘Waarom doe je nou zo irritant?’, vraagt de jongen met de rode muts aan zijn vriend, of broer, ‘Waarom kan je niet gewoon naar me luisteren.’ Er heerst een moment van hiërarchie. Rangorde. De jongen met de oorwarmers heeft hier geen boodschap aan, geeft geen antwoord en duwt zijn vriend, of broer, heel hard, waardoor de jongen achterover valt en zijn rode muts glijdt van zijn hoofd. Door de val hoor ik een krakend geluid en ik doe de aanname dat het een dun laagje ijs moet zijn. Even verderop loopt een mevrouw, gekleed in een okergele jas en gelijkgekleurde muts met een Yorkshire terriër aan de lijn. De mevrouw loopt met een geheven rug haar pad. Een beetje statig. Of arrogant, net wat je wilt. Ikzelf denk het eerste. De terriër keft naar alles wat beweegt. Naar vogels, naar waaiende bladeren in de lucht, naar de voorbij lopende mensen en zelfs naar mij wanneer ik het dier voorbij fiets. Ik zou er helemaal gek van worden. Constant dat hoge geblaf aan je oren, maar de mevrouw loopt statig door en ze doet alsof ze niets hoort.

Dat lijkt me heerlijk: Lekker doen alsof je niets hoort. Dat je dan zonder enig probleem kan genieten van het allermooiste geluid wat er bestaat. Dat is stilte, vind ik. Stilte is een geluid dat in een stad als Almere niet voorkomt. Wanneer er geen trein voorbij raast of wanneer schoolkinderen op de fiets voor de verandering niet gillen, dan nog hoor je altijd het razen van de auto’s op de A6 iets verderop. Het geluid stilte komt in geen enkele stad voor, want stadsgeluiden heb je 24/7. Het is niet dat ik nu verhuisplannen heb, maar het zet me even tot nadenken. Ik fiets onder het spoor door, sla linksaf en in de verte zie ik mijn huis.