Het regent dat het een lieve lust is. Alsof maart op zijn laatste zondag heeft bedacht dat al wat er in een periode van zo’n dertig dagen aan hemelwater kan neervallen, ook daadwerkelijk moet vallen. Zo gebeurt het dat het deze laatste zondag van maart een zeer regenachtige dag is, en om een naargeestige dag compleet te maken staat er ook nog eens een stevige wind. De maand maart roert zijn staart. En dat doet hij.

We -mijn echtgenoot en ik, komen tezamen met tientallen andere hardlopers en supporters, even na half twaalf ’s ochtends aan op het station Zandvoort. Op het oude station staat een promotieploeg van de Nederlandse Spoorwegen vlaggetjes, poncho’s en parapluis uit te delen. Hebberige mensen graaien meteen een aantal parapluis mee, maar anderen nemen een exemplaar mee, ter bescherming van de regen. In een grote groep lopen we door de regen richting het circuit van Zandvoort.

Via de Van Speijkstraat, waaraan het treinstation ligt lopen we als kuddedieren achter elkaar naar de Burgermeester van Alphenstraat, waar het circuit van Zandvoort gelegen is. Het regent nog steeds en in combinatie met de harde wind voelt het aan de kust winters koud aan. Eenmaal op het terrein van het circuit duiken we een grote tent in, waar nog eens honderden mensen zich staan op te warmen en om te kleden. Ook ik trek de spijkerbroek uit om verder in korte broek naar de start te lopen.

Met een gratis poncho van de Nederlandse Spoorwegen aan loop ik naar de startvakken. De poncho geeft me geen warmte, maar het houdt wel de koude regen uit mijn gezicht. Een half uur voor het startsein mogen we een van de ruimtes, die qua kleur correspondeert met mijn startnummer, van de pitstraat in. Het is er niet warm, maar we staan er in ieder geval beschut en dat scheelt al enorm. Wanneer de grote haldeuren tien minuten voor het startsein geopend worden, blijft iedereen nog even fijn binnen staan.

Een paar minuten voor ons startsein verzamelen de hardlopers zich voor de start in de pitstraat van het circuit. GPS-horloges, hardloop-apps en andere tijdmeters worden door verschillende hardlopers op stand by gezet en wanneer het startschot klinkt worden deze geactiveerd en begint het hardlopen. Ik zit meteen wel in een lekker tempo. Het wegdek van het circuit is in de bochten schuin. Dat is vanzelfsprekend voor de raceauto’s, om het uit de bocht vliegen te beperken, maar voor mij voelt en loopt het apart.

Nog voordat er vier kilometers zijn gelopen en ik het circuit van Zandvoort nog mag verlaten ben ik al doorweekt. Na vijf kilometer gelopen te hebben mogen we het strand op en waar ik vorige week op hetzelfde strand nog heerlijk door het voorjaarszonnetje werd verwarmd, ren ik nu met een flinke wind tegen. Nog geen kilometer verder op het strand ben ik tot op mijn onderbroek nat. Het beeld van een ongetemde Noordzee en de witte koppen op haar golven zijn fantastisch, maar ik kan haast niet wachten om het strand te verlaten.

Eenmaal na zeven kilometer, op de Boulevard Paulus Loot kom ik weer in mijn oude, vertrouwde tempo. Een harde ondergrond loopt voor mij toch gemakkelijker en na een laatste bocht lopen we op de Brederoostraat met de wind in de rug. Ik voer mijn tempo ongemerkt iets op. Het parcours leidt de hardlopers door het oude centrum van Zandvoort en na tien kilometer passeer ik het treinstation. Ik weet nu de route naar het circuit van Zandvoort en weet de afstand en hiermee mijn snelheid in te schatten.

Ik zet een tandje bij in snelheid en ren als de wind de laatste twee kilometers naar de finish. Via de Rob Slotemakerstraat lopen we het circuit van Zandvoort weer op. Op 57 minuten en 34 seconden ren ik zeer tevreden over de finish. Langzaam loop ik door naar de mensen die de gefinishte hardlopers met energiedrankjes en de begeerde medaille op staan te wachten. Alle hardlopers mogen er trots op zijn de run te hebben uitgelopen, maar ik heb een enorm respect voor alle vrijwilligers die deze run mogelijk hebben gemaakt.

Iedereen die les heeft gehad in de psychologie, of zich er op zijn minst in het onderwerp heeft verdiept weet van het hoofdstuk ‘Altruïsme’. De Dikke Van Dale zegt over het woord altruïsme dat het onbaatzuchtigheid betekent. Iets voor een ander doen, zonder er iets voor terug te vragen. Hierover zijn groepen verdeelt, waarvan enkelen beweren dat het ware altruïsme niet bestaat: wanneer je iets goed doet voor een ander om er zelf ook een goed gevoel over te verkrijgen is dit niet onbaatzuchtig meer. Je doet het dan mede voor jezelf in plaats van alleen voor een ander.

Wanneer je het zo bekijkt dan heeft het woord bijna geen enkele betekenis meer in de hedendaagse maatschappij, want volgens mij handelt bijna iedereen er naar om er een fijn gevoel van te krijgen. Behalve wanneer je de deur voor een ander openhoudt. Het lijkt me dat je hier geen euforisch gevoel van krijgt. Tenzij je er een kick van krijgt om de deur voor een ander vast te houden, maar dan is het ook geen altruïstische daad meer. Zo zijn er ook veel mensen die bloed geven. Dit doen ze voor anderen en zeer waarschijnlijk ook omdat ze er een goed gevoel van krijgen om nog iets te kunnen betekenen voor de medemens. Dit is volgens de kenners niet altruïstisch, maar wanneer je iets doet wat niet onbaatzuchtig is, wil dat niet zeggen dat het ook verkeerd is.

Het geven van bloed via de bloedbank is helemaal niet verkeerd, want dagelijks hebben veel mensen bloed, bloedplasma of bloedplaatjes nodig. Meestal na een ongeval, een operatie of na een bevalling (het laatste geldt overigens voor vrouwen alleen). Ook zijn er mensen die door een ziekte afhankelijk zijn van bloeddonaties. Ik zou graag bloed willen doneren, maar die mogelijkheid is uitgesloten. Dit is omdat ik als homoseksuele man automatisch tot een groep behoor waarvan men van mening is dat de personen in deze groep onveilige seks hebben. Hierdoor is de kans op overdracht van het hiv-virus zeer groot. Mijn intelligentie vertelt me dat ik hier wel begrip voor kan hebben, maar waarom worden alle homoseksuele mannen over een kam geschoren?

Nu kan ik boos worden en in een hoekje flink gepikeerd om me heen zitten kijken, waaruit ik dan vanuit datzelfde hoekje af en toe roep dat wanneer men mijn bloed niet wilt, ik ook mijn organen niet zal doneren! Maar dat vind ik persoonlijk zonde van mijn tijd en tevens een beetje kort door de bocht. Na mijn dood -en alleen dan, wil ik best mijn organen afstaan aan mensen die te lang op wachtlijsten hebben gestaan. Daar hoef ik verder niets voor terug te hebben. Geen dankjewel of een houten bankje met mijn naam op een koperen plaatje, in een stadspark. Niet geheel altruïstisch overigens, want wat me gelukkig zou maken is dat de patiënt met het nieuwe hart –mijn oude hart, weer helemaal verliefd gaat worden. En of dat op een man of vrouw is, dat kan me niet schelen.

Parijs, vijf uur in de ochtend. De zon is nog niet op, maar het belooft een mooie dag te worden. Ik voel me als de kroonprins van Place Dauphine, op Île de la Cité in de Seine. Waar de Notre Dame al sinds de twaalfde eeuw ernstig imponerend staat. Bij de Moulin Rouge, aan de Place Blanche ziet de straat bleek. Een melkboer levert aan de supermarkten en straatvegers gewapend met hun bezems zijn druk op straat. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het achttiende arrondissement van Parijs maken de mensen zich op voor weer een nieuwe dag. Travestieten scheren het gezicht glad en de stripteaseuses gaan gekleed over straat. Onderweg naar huis. Gekreukeld beddengoed achtergelaten net als de minnaars. Vermoeid met een glimlach op de mond in de doodse kamertjes, waar een paar uur geleden nog de lust en het leven de boventoon voerde. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Kleine kopjes op schotels zijn gevuld met zwarte koffie en in de cafés worden de spiegels na een lange nacht weer schoongepoetst, waarin de koffiekopjes de warme drank afgespiegeld verdampen. In de buurt van boulevard Montparnasse kan je vanaf de hoge gelijknamige toren met gemak het station zien. Het is als een kaal karkas, gelijk de bewoners van Cimetière du Montparnasse. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In de voorsteden staan de forensen op de stations en in het grootse park La Villette ten noordoosten van Parijs wordt door haar bezoekers het spek op een van de prairies gesneden. Nachtelijke bezoekers van de stad zoeken de bus op en de bakkers bakken in hun kleine bakkerijen de befaamde stokbroden voor het ontbijt van de bewoners en bezoekers van de stad. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het zevende arrondissement staan de in beton gegoten ijzeren poten van de Eiffeltoren nog in de schaduw van de omringende gebouwen en ten noorden van deze wereldberoemde toren, in het achtste arrondissement, wordt de Arc de Triomph weer omringt door het uitdijend verkeer. Rij vanaf hier de Champs-Élysées af naar de Place de Concorde, waar de Obelisk fier overeind staat bij het aanbreken van een nieuwe dag. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

De kranten zijn gedrukt en op het trottoir achtergelaten voor haar lezers, de arbeiders hebben voor vandaag huis en haard achtergelaten en lezen bedrukt de krant. De mensen in de stad ontwaken en in de vroege uren voelen ze zich meer geslagen en gekweld. Voor mij is dit het moment om huiswaarts te gaan. Daar waar mijn bed wacht en ik mijn dromen mag dromen. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Het is vijf uur, ik heb geen slaap.

Om de dag doe ik aan hardlopen. De ene dag loop ik richting zus en een andere dag weer richting zo. Het is ook maar net hoe de wind staat. Vaak check ik het eerst via de weer-app hoe de wind waait, zodat ik bijna geen last van tegenwind kan hebben. Zo ook vandaag, waar ik in noordelijke richting de woonwijk uitloop.

Ik ren over de Von Draisweg richting Oostvaardersdijk en in de ‘Poolse bocht’ -deze noem ik zo, omdat een aantal jaar geleden mij door een Poolse visser werd gevraagd een foto van hem en zijn gevangen karper met zijn mobiele telefoon te schieten, zie ik in de verte, op de Trekvogelweg een andere hardloper. Het eerste wat ik kan bedenken is dat ik deze man wil inhalen. Ik besluit niet sneller te lopen, want de arrogantie vertelt me dat ik met mijn huidige tempo deze meneer wel in kan halen. Ik loop door in mijn eigen tempo en ik bemerk dat ik langzaamaan op de man inloop. De man draagt een knaloranje jack met daaronder een zwarte hardlooplegging en daaronder witte hardloopschoenen. Wanneer ik een paar meter dichterbij kom zie ik aan de drie blauwe strepen dat hij hardloopschoenen van het merk Adidas draagt.

Het inhalen duurt me toch iets te lang en ik besluit mijn hardlooptempo een klein beetje te versnellen. Ik heb nu voor doel om de man nog voor de Schateilandbrug ingehaald te hebben. De man in het knaloranje jack loopt nu zo’n 30 meter voor me. Hij weet niet dat er iemand achter hem loopt. De man draait zijn hoofd naar links en met zijn rechterhand wijst hij naar zijn neus om vervolgens de inhoud van zijn linkerneusgat in de berm weg te schieten. Ik word onpasselijk van deze actie en vraag me af waarom de man geen zakdoekjes bij zich heeft. Ik vind het een van de onsmakelijkste acties die ik hardlopers zie doen. Helemaal wanneer het tijdens een officiële run, met toeschouwers langs het parcours, gebeurt. Kost het je echt zoveel moeite om voor aanvang van het hardlooprondje eerst even de neus te snuiten?

Het gebeurt niet alleen bij hardlopers. Ik zie zo vaak in het straatbeeld dat mensen -vooral mannen, de neus zonder zakdoek snuiten of een teveel aan speeksel op de grond uitspugen. Het gebeurt op de fiets, op de scooter of gewoon op de stoep. Dan loop je nietsvermoedend te genieten van het mooie weer en dan ineens: kledder! Een teveel aan snot of spuug ligt er dan op straat. Ik begrijp dat niet: het buitenshuis deponeren van lichaamssappen. Dit doe je toch ook niet binnenshuis of heb je daar een kwispedoor staan, waar je het teveel aan lichaamsafval in kwijt kan? Lekker voor de tv in je favoriete fauteuil hangen en dan wanneer het opkomt: kledder! Nog eens een paar centiliter aan speeksel in de spuwpot naast je fauteuil. Het zal zeer waarschijnlijk opluchten, maar ik blijf het een nare gewoonte en vooral onsmakelijk vinden.

Nog voordat ik de man in het knaloranje jack en witte Adidas hardloopschoenen heb ingehaald heeft hij inmiddels zijn rechterneusgat verschoond van enige inhoud. Wanneer ik vlakbij het parkeerterrein aan het einde van de Trekvogelweg op het punt sta de man in te halen, loop ik met een kleine boog om hem heen. Ik begroet de man en steek mijn hand op. Hij vind het waarschijnlijk niet leuk dat hij wordt ingehaald en reageert met een: ‘Er is altijd baas boven baas!’ Ik draai me even om en glimlach. ‘Niet in alles!’, is mijn respons en ik trek even een kort sprintje wanneer ik bij de Schateilandbrug aankom.

 

schateilandbrug

We hebben thuis een kat en een poes. Uit hetzelfde nestje, ofwel broer en zus. Grappig detail: we hebben ze ooit in 2007 opgehaald, thuis bij de directeur van het KNGF. Twee kittens ophalen bij de mevrouw die je alles kan vertellen over het reilen en zeilen van de wereld achter de blindengeleidehonden. Ik vind dat idee wel geestig. Maar ik dwaal af.

Deze dieren, twee van die zwarte ‘vrijdag de dertiende’ katten luisteren naar de naam Oprah en Harpo. Hoewel luisteren? Ik heb in mijn leven meerdere katten gehad, maar geen kat luisterde ooit naar de door ons gegeven naam. Ze reageerden enkel op het geluid van de keukenla -waar het kattenvoer in ligt, wanneer deze opengaat. Dan springen de dieren van de bank of stoel om in rappe tred naar de keuken te komen. Rennen doen ze niet, deze twee zwartjes. Behalve als ze buiten zijn en er kinderen of honden in de buurt komen. Dan rennen ze met een hels kabaal door het kattenluik naar binnen. Doorglijdend over de gladde vloer, omdat ze dan totaal geen beheersing kennen.

Zoals ik al vertelde: we hebben eerder katten gehad. Dat waren sociale dieren. Die vonden het heerlijk om op schoot te liggen en geaaid te worden. Ja, die waren best aanhankelijk. De zwartjes die hier nu over de vloer komen, hebben dat niet. Ze willen niet opgetild worden en bij het idee dat ze worden vasthouden protesteren ze met een klagelijke miauw en doen ze er alles aan om weg te komen. Wat hun prima lukt, want ik heb geen zin in kattenhalen op mijn armen. Nu is de kater, Harpo, iets gemoedelijker dan zijn zus Oprah. Hij is een dikke goedzak, verzot op de muizen in het veldje voor ons huis en dol op de door ons zelfgemaakte lasagne. De poes daarentegen houdt niet zo van eten en is verder een echte independent woman. Een kattenkop, zeg maar.

Wanneer de zwartjes heel aanhalig doen, weet ik dat een van de voedselbakjes op de gang leeg staat. Soms maak ik er even misbruik van en laat ik ze even aanhalig doen. Alsof ze het heel gezellig met me hebben. Maar zodra er een bakje met brokken of water is gevuld, gaan ze weer hun eigen weg. Om, nadat hun kattenbuikje is gevuld, weer ergens te gaan liggen slapen. Alleen ’s avonds, wanneer ik naar bed ga, dan willen ze nog wel eens lieflijk doen. Dan springen ze op bed en gaan bij het voeteneind van het bed liggen. Wanneer ik dan uiteindelijk ook in bed lig, kruipen ze tegen me aan. Ik vind het een beetje een beklemmend gevoel, zo dicht tegen mijn benen aan, maar heel stiekem geniet ik van het moment. Even een gevoel van binding met de zwartjes aan mijn voeten.

De afgelopen dagen was Europa in de ban van de zonsverduistering. Volgens de wetenschappers was deze het beste op de Faeröereilanden en op de Noorse archipel Svalbard te bekijken. Er is me ooit verteld dat het niet de zon is die verduisterd wordt, maar de aarde zelf. Een aardeverduistering zou dus een betere woordkeuze zijn, maar ach: het woord zonsverduistering gebruiken we nu al honderden jaren en iets afleren is hartstikke moeilijk.

Ondanks de waarschuwingen om niet in de zon te kijken, wanneer deze de aarde verduisterd, was ik toch nieuwsgierig of ik misschien de corona, de lichtkrans om de zon kon zien. Ik heb het niet kunnen doen en ik beloofde mezelf als troost een Mexicaans biertje, ook een Corona, bij het avondeten. Heb je het niet, dan heb je het toch. Toen ik het huisvuil in een van onze afvalcontainers buiten wilde deponeren, wist een meneer in wit sportjack, die bij ons voor op het veldje met zijn bordercollie had gelopen, mij -na een goedemorgengroet, ongevraagd te vertellen dat het heel makkelijk is om een verduistering te voorspellen. Dit doet men namelijk middels de Saros-cyclus. Ik keek de man ja-knikkend en nadenkend aan. Ik nam me voor dit woord op het internet op te zoeken.

Het door de meneer met de bordercollie geïntroduceerde woord Saros-cyclus had ik al snel ingetypt op mijn laptop en nog sneller kreeg ik via Google de zoekresultaten terug. Via Wikipedia werd ik over de Saros-cyclus geïnformeerd: ‘De Saros-cyclus beschrijft de regelmaat van zowel zonsverduistering als maansverduisteringen. Om de achttien jaar nemen zon, maan en aarde vrijwel dezelfde posities ten opzichte van elkaar in en dat betekent op zijn beurt weer dat zonsverduistering en maansverduisteringen zich om de achttien jaar herhalen. Deze periode van achttien jaar heet Saros.’ Zo werd ik weer een beetje wijzer dankzij de tip van de meneer met de bordercollie en dankzij de snelle en moderne mogelijkheden van het hedendaagse leven. Dat had ik vroeger, zeg maar, zo’n achttien jaar geleden, lang niet zo snel in een bibliotheek terug kunnen vinden.

Ik vond de zonsverduistering van afgelopen vrijdag wel een beetje tegenvallen. De bewolking hielp ook niet bij aan een succesvolle verduistering, zoals ze je in speelfilms kunnen verbazen. Rond de klok van half elf dacht ik even dat er wat ging gebeuren, maar het was niets. Het leek er op dat er een regenbuitje zou vallen, maar verder bleef het wolkendek onveranderd en de vogels bleven kwetteren. Een beetje teleurgesteld keek ik nogmaals naar buiten. Het was nog steeds bewolkt en de zon liet zich later op de dag voor heel even zien. Nee, dan de politici met hun bonnetjes: die weten pas echt wat een verduistering is.

Van de week was het een van de eerste mooie lentedagen van het jaar. Sterker nog: het was de eerste mooie lentedag van het jaar! Een dag waarop je spijt krijgt dat je een winterjas draagt, inclusief die warme sjaal om je nek. De laatste wordt na een paar minuten wandelen in het warme voorjaarszonnetje meteen afgedaan en in een tas weggeborgen. Of losjes over de schouders gedragen, wanneer je de sjaal nergens kunt wegstoppen.

Vandaag was ik bij het wakker worden dan ook vol goede moed over het mooie weer. Al vroeg stond ik naast mijn bed om iets in de buitenlucht te kunnen doen. Een wandeling of een fietstocht. Een snelle blik langs het gordijn door het raam leerde me dat het nog wel even kon duren voordat ik met open jas, zonder sjaal, naar buiten kon gaan. De buitenwereld was in een dikke mist gehuld. Ik dacht nog: straks is deze opgetrokken en kan ik alsnog naar buiten. Genieten voor het voorjaar. Maar na het ontbijt -cornflakes en zwarte koffie, bleek de mist nog steeds om het huis te hangen. Stadsgeluiden van ver werden door de vochtige lucht dicht bij huis gedragen. Aanhouden gepiep verraadde een vrachtwagen die achteruit reed en kinderen op weg naar school klonken alsof ze voor het huis over de stoep fietsen, maar in de mist kon ik ze nergens ontdekken.

Mist. Het maakt de wereld, of in ieder geval je omgeving, kleiner dan ze is. Nog een snelle blik naar buiten, na mijn ontbijt en ik zag dat er geen verandering in de weersituatie was, en ik besloot eerst dan maar een wasje te draaien. In gedachten moest ik aan de film ‘The Fog’ uit 1980 denken. Deze heb ik ooit samen met buurjongen Maarten van Veen in de bioscoop gezien. Doodeng vonden we de film, maar ja we waren ook nog maar tieners van ongeveer 13 jaar oud. ‘The Fog’ gaat over een mysterieuze mist, waarin de vervloekte bemanning van het gezonken schip Elizabeth Dane huist, die na precies honderd jaar wraak neemt op de huidige bewoners van het kustplaatsje Antiono Bay. Ik kan me verder niet veel meer herinneren van deze film, behalve de rol van Jamie Lee Curtis, een van de eerste -na actrice Fay Wray in ‘KingKong’ (1933), originele scream queens.

Mist. Het roept af en toe vreemde gedachten op. Er kan iets in de mist met een enorme snelheid op je afkomen en je merkt dat pas wanneer het iets van 25 meter van je af is. Je hebt dan nooit meer een goede reactievermogen om de veiligheid op te zoeken. Dat was waarschijnlijk ook de inspiratie voor het Stepen King-verhaal ‘The Mist’. Dit verhaal vertelt over de mensen die gestrand zijn in een supermarkt in het stadje Bridgton, waar een vreemde, onnatuurlijke mist de stad komt binnenrollen. In deze mist bevinden zich afschuwelijke, onaardse monsters die het hebben voorzien op de inwoners, en hiermee de supermarktbezoekers verplicht binnen te blijven. Natuurlijk vallen de nodige slachtoffers en uiteindelijk trekt de mist ook wel weer op, maar niet voordat bijna iedereen in het stadje om het leven is gekomen.

Het beddengoed en wat andere bonte wasgoed draait geduldig in de wasmachine totdat vlekken en nare geuren zijn verdwenen. Nog steeds hangt de mist om het huis. Ik kan inmiddels door het raam iets verder dan 50 meter zien, maar het nodigt nog steeds niet uit tot een wandeling of een fietstocht. Een beetje teleurgesteld pak ik de stofzuiger uit de gangkast voor een rondleiding door het huis en laat deze vervolgens iedere hoek van de kamers zien. Ik blijf voorlopig nog wel even binnen en een bezoek aan de supermarkt stel ik nog maar even uit. Tenminste, totdat de mist is opgeklaard.

Bij een van mijn laatste bezoeken aan de bibliotheek heb ik een boek van Simon Carmiggelt geleend. Het is een dik exemplaar van meer dan 200 bladzijden aan ‘kronkels’ en achterin zit een cd’tje in een doorzichtig hoesje met hierop een achttal door de heer Carmiggelt voorgelezen verhaaltjes. Nu hou ik best van lezen, maar af en toe voorgelezen worden heeft ook wel iets. Een soort van terugkeer naar je jeugd.

Ik plaats de cd in de wekkerradio die tevens de functie van cd-speler heeft. Zo bestaat de mogelijkheid, volgens de gebruiksaanwijzing van de wekkerradio, dat je zo met je favoriete muziek gewekt kunt worden. Nu moeten we dit schijfje van Simon Carmiggelt er niet inlaten zitten, want dan val ik morgenochtend meteen weer in slaap. Dit zegt niets over de stem van de heer Carmiggelt, maar wanneer hij uit zijn eigen werk voorleest ervaar ik een kalmerend, wiegend gevoel, waarbij ik binnen een minuut in slaap val. Deze cd zou als nieuwe sluimerfunctie kunnen fungeren, maar ik denk niet dat dit een goed idee is.

In het eerst voorgelezen kronkel met de titel ‘Hogerop’ (1954) vertelt Carmiggelt over zijn nieuwe bovenburen die op een van de eerste avonden in het nieuwe huis meteen ruzie hebben, waarbij de heer en mevrouw Carmiggelt uit pure nieuwsgierigheid bovenop een kast gaan zitten om de ruzie, een etage hoger, woordelijk te kunnen volgen. Ik redt het net tot het eind van het verhaal, voordat ik denk in slaap te zullen vallen. Het verhaal is boeiend en vooral grappig, maar ik moet vechten tegen de slaap. Ik besluit de cd uit de wekker radio te halen en het boek te openen. Ik lees een kort verhaaltje, waar ik moet om grinniken.

Op mijn bureau ligt een notitie in het handschrift van mijn vrouw: ‘De heer Verdeman vraagt of je hem belt.’
Nu ken ik de heer Verdeman niet, maar er bestaat geen bezwaar hem even op te schellen. Het nummer staat erbij, ik draai het en ik hoor een hoog stemmetje: ‘Met Anneke Verdeman.’
Die schat ik op vier. Ik doe wat room in mijn stem en zeg: ‘Zo Anneke, is je pappie thuis?’
‘Nee, meneer.’
‘En je moeder?’
‘Nee, meneer.’
‘Wie is er dan wel?”
‘Mijn broer, meneer.’
‘Nou, geef je broer dan maar.’
‘Ja meneer.’
Gekraak, gebons, gemurmel.
Eindelijk komt Anneke weer: ‘Meneer…’
‘Waar is je broer nou?’vraag ik.
Dan antwoordt ze bedroefd: ‘Ik kan hem niet uit de box krijgen.’

Ik sluit het boek, leg het om mijn nachtkastje en ik doe het licht uit. Ik draai me om en na nog geen paar minuten val ik in slaap.

We waren beiden aan een nieuwe spijkerbroek toe, mijn echtgenoot en ik. De spijkerbroek van Edo vertoonden een paar moderne scheuren en ondanks dat er in de hippe boetieks grof geld wordt gevraagd voor spijkerbroeken met scheuren van dit formaat, doen wij niet mee aan deze trend. Mijn spijkerbroek vertoont overigens helemaal geen scheuren of tekenen van verval, maar een spijkerbroek heb je nooit te veel is mijn bescheiden mening.

Aangezien we niet van de trendy spijkerbroeken zijn, gingen we ook niet op zoek naar een spijkerbroek in een hippe modezaak. Ik heb het een paar jaar geleden geprobeerd: een moderne spijkerbroek. Dat was geen succes. Het was een spijkerbroek met de zogenaamde low cut. Een spijkerbroek die laag op de heup wordt gedragen, waarbij de elastiekenband van de onderbroek altijd te zien is. Helemaal hip volgens de modekenners, maar niet voor mij. Hip vind ik vaak per definitie niet praktisch. Bij het zitten of het bukken werden de ingewanden van mijn onderbuik door deze spijkerbroek platgedrukt. Voor mij is de low cut, gewoon kut.

We liepen op vrijdagochtend het filiaal van de C&A aan de Stationsstraat van Almere binnen. Het was er niet druk -een paar mensen van middelbare leeftijd, waarbij de mannelijke partners gelaten in het kielzog van de vrouwen meeliepen. Met een enigszins verontschuldigde blik in de ogen, alsof ze hiermee wilden zeggen dat ze liever thuis waren gebleven. Dat bleek echter geen optie, want de dames waren flink bezig met het uitzoeken van kleding van hun aanwezige man, of vriend. Waarschijnlijk was er thuis reeds de afspraak gemaakt dat de mannen geen pashok in zouden gaan, want veel bovenkleding werden tegen de ruggen van de mannen gehouden, om zo te zien of het de juiste maat betrof.

Manlief en ik liepen naar de spijkerbroekenwand, waar een tekst op een geplastificeerd A4’tje beloofde dat een tweede aangeschaft exemplaar een korting van tien euro gaf op de aankoopprijs. Korting. Welke Nederlander houdt er niet van? Mijn vorig aangeschafte spijkerbroek had ik ook in deze winkel gekocht en dit model zat naar tevredenheid. Ik was nieuwsgierig of dit model nog in de verkoop lag, wellicht in een afwijkende kleur. Ik had geluk. Hetzelfde model in de juiste maat, en in een afwijkende kleur. Ik nam voor de zekerheid nog een ander model mee om te passen en Edo had inmiddels ook een keuze kunnen maken om wat broeken te passen, en daarop liepen we beiden naar de pashokjes.

Eenmaal in het pashokje, nadat ik al een spijkerbroek aan had getrokken, zag ik dat mijn vorige, favoriete spijkerbroekmodel niet bij de door mij meegenomen te passen spijkerbroeken zat. Er zat voor mij niets anders op om alsnog een juist exemplaar op te halen. Ik had geen zin om in het pashokje eerst mijn eigen spijkerbroek en schoenen weer aan te trekken. Omkleden in een krappe ruimte -met altijd een te smal gordijn, is een opgave. Daarop koos ik ervoor om op mijn sokken de halve winkel door te lopen. Dit is iets wat ik voorheen nooit gedaan zou hebben, maar tegenwoordig maal ik nergens meer om. Het is niet dat ik me niet wil aanpassen, maar tegenwoordig zie ik in de winkels, mensen de meest rare dingen doen waarbij mijn held-op-sokken-actie helemaal in het niet vallen.

Uiteindelijk vonden manlief en ik een tweetal spijkerbroeken naar tevredenheid om aan te schaffen, waarbij het tweede exemplaar bij het afrekenen de beloofde korting verkreeg. Het was rustig bij de kassa. Elders in de winkel was het druk. Er waren meerdere mensen in de winkel gekomen. Stuk voor stuk stelletjes, leek het, waarvan de vrouwen steevast een trui, een shirt of een vest tegen de rug van hun man hielden.

Van de week heb ik mijn boekenkast opnieuw ingericht. Ongeveer ieder half jaar deel ik deze opnieuw in. Zo vallen de boeken die ik al jaren in mijn bezit heb weer een beetje op en ik vind het gewoon leuk om de boeken weer eens door mijn handen te laten gaan. Mijn vader had dat vroeger altijd met het interieur in de woonkamer. Hup, dan werd het bankstel weer aan de kant geschoven en moest het wandmeubel naar een andere wand verschoven worden.

De drang om het interieur te verplaatsen heb ik gelukkig niet. Ik moet er niet aan denken. Het is niet het alleen verplaatsen van alle meubelstukken, maar alle kabels en elektrasnoeren moeten ook weer omgeleid worden. Ik hou het dan maar simpel bij het verplaatsen van mijn boekencollectie. De boekenkast is er een van IKEA. De merknaam is ‘Expedit’, maar wordt sinds april 2014 met de merknaam ‘Kallax’ door de Zweedse meubelgigant aangeboden. De open kast, met vijfentwintig kubussen op een rij heeft geen achterwand. Zo kun je nog het kekke behang –indien je dat aan de wand hebt geplakt, zien.

Ik heb nu mijn kleine collectie aan stripboeken iets lager in de kast geplaatst en de literatuurboeken en biografieën iets meer in het oog geplaatst. Ik heb geen specifieke voorkeur aan biografieën. Onder het mom van iedereen heeft een verhaal te vertellen, staat de autobiografie van Ricky Martin naast een biografie van de Dalai Lama. Een biografie is een biografie, of deze nu auto- is of niet. Datzelfde geldt voor fictie: naast de 189 Suske en Wiske-albums staan de complete werken van Hans Christiaan Andersen en de Gebroeders Grimm. Daarnaast heb ik de literaire bijbel geplaatst, want een bijbel is in mijn ogen geen biografie of een geschiedvertelling.

Met een lichte pijn in het hart heb ik de zevende editie van de Winkler Prins encyclopedie een plekje elders in huis gegeven. Bij het verlaten van mijn ouderlijk huis in 1992 kreeg ik deze encyclopedie van mijn ouders mee. Hartstikke handig in het pre-Google-tijdperk, maar tegenwoordig met internet een beetje achterhaald. Ondanks dat moet ik wel toegeven dat deze zevende editie van de Winkler Prins uit 1968 in het hedendaagse jaar 2015 onbedoeld grappig is. Er staat minieme informatie over dinosauriërs vermeld. Helikopter staat in een van de delen omschreven als hefschroefvliegtuig en wanneer ik DNA wil opzoeken word ik verzocht over het onderwerp verder te lezen bij Desoxyribonucleïnezuur.

 De krokussen hebben hun kopjes weer boven de grasvelden uitgestoken en ze aanbidden de zon wanneer deze even tevoorschijn komt. Nu de zon na maanden weer volop schijnt lijkt iedereen weer vrolijk vanachter de zonnebrillen de wereld in te kijken. Het is niet dat ik op momenten als deze aan het aftellen ben, maar ik denk wel: binnenkort kan het weer! Dan mag ik de korte broek weer aan.

Nu zijn er altijd wel van die overenthousiaste mensen die na een paar dagen van mooi voorjaarsweer -waarbij de temperatuur even onder de eigen IQ is gekomen, in korte broek het straatbeeld willen kleuren met hun bleke, witte benen. Nog voor de lente is begonnen lopen zij met de onverzorgde voeten op versleten Havainasslippers en in onechte Birkenstocks over straat. Als een levende reclamezuil voor een middel tegen teenschimmelinfecties en kalknagels. Dat vind ik de een van de mindere kanten van het voorjaar. Maar ik laat me het voorjaarsplezier niet verpesten door de aanblik van een paar tenenkrommende blote voeten. Ik vind het sowieso plezieriger wanneer ik naar een strakke blauwe lucht kan kijken dan naar de grond te moeten staren. Zo kon het van de week gebeuren dat ik tijdens een rondje hardlopen, na 8 kilometers achter me te hebben gelaten, in het Waterlandsebos, nabij het openluchttheater van Almere mijn looppas mocht inhouden omdat er een drietal reeën voor mij uit renden.

Sierlijk sprongen de herten over struikjes en boomstammen, op zoek naar een plek waar ze niet door mensen gestoord konden worden. In eerste instantie schrok ik zelf ook: ik had verwacht alleen door dit stukje bos te kunnen hardlopen en daarbij zijn reeën niet een van de kleinste dieren. Deze gracieuze dieren hebben het algemeen beeld van lief en aaibaar, maar wanneer je ze op een paar meter afstand ziet wegrennen is dat best indrukwekkend. Bijgekomen van de schrik rende ik met adrenaline gevulde aderen verder mijn route af. Na een paar minuten liep ik op een afstand van een paar honderd meter van de snelweg en wederom zag ik een drietal reeën voor mij uit vluchten. Ze renden over een stukje open bos, ter grootte van een half voetbalveld, in snel tempo naar de bomen om daartussen even stil te staan en mij goed in de gaten te houden. Ze zagen dat ik van hen af liep en ze bleven daar staan. Mijn hardloop-app meldde me dat ik 9 kilometer had gelopen en dat ik er 45 minuten over had gedaan. Ik liet de dieren waar ze stonden en rende het Fongerspad op, onder de A6 door, richting de bewoonde wereld. De zon scheen. Het is bijna voorjaar. Binnenkort ga ik in korte broek hardlopen.

Toen zangeres Kim Weston in 1963 het nummer ‘It Should Have Been Me’ (geschreven en gecomponeerd door William ‘Mickey’ Stevenson en Norman Whitfield), in een van de opnamestudio’s van Motown opnam, was het lied niet veel meer dan een klaagzang over een verbroken relatie.

Het nummer heeft de herkenbare Motown-sound van de beginjaren van het platenlabel. Emancipatie had begin jaren zestig van de vorige eeuw nog geen bestaansrecht en daarom is de bezongen tekst meer een wanhoopskreet dan een statement. Weston bezingt dat haar ex-vriendje met een andere vrouw door het gangpad van de kerk naar het altaar loopt, waar de priester op hen wacht om hen te trouwen. Weston wordt op het nummer bijgestaan door de, toen nog, ‘hitloze Supremes’: Diana Ross, Florence Ballard en Mary Wilson. In het nummer bezingt Weston dat haar ex-vriendje zich eerst nog even omdraait en naar haar glimlacht. Ze voelt zich gekwetst en roept, nadat alle gasten zijn gaan staan, dat zij het had moeten zijn in plaats van de nieuwe vrouw die naast hem staat. Dat ze zich in de steekgelaten voelt en dat zij toch degene is die echt naast hem had moeten staan, want ze was er klaar voor om hem te trouwen.

Hoe gênant kan je het voor iedereen en jezelf maken tijdens zo’n ceremonie? Weston gaat nog even door met klagen over dat het ex-vriendje de belofte had gedaan om haar nooit te verlaten en nu staat hij daar, hand in hand met iemands anders, klaar om ‘I do’ te zeggen. Het refrein neemt het weer over en Weston zingt sentimenteel dat zij het echt had moeten zijn, die naast hem voor het altaar staat. Wanneer de priester in het lied -volgens Amerikaans gebruik aan alle aanwezigen de stelling voorlegt dat wanneer iemand bezwaar heeft tegen dit huwelijk, deze het nu moet zeggen of voor altijd moet zwijgen. Dit is Weston’s cue om voor een derde keer te kwelen dat zij het had moeten zijn die naast de bruidegom staat. The Supremes begeleiden haar klaagzang op de achtergrond met verschillende oehs en ahs en zo komt het nummer na 2:17 minuten ten einde.

In 1968 brengen Gladys Knight and the Pips hetzelfde nummer op het label van Motown uit. We zijn inmiddels 5 jaar later, en niet alleen de melodielijn is nu meer soulvol, ook de vrouwenemancipatie heeft haar kop opgestoken. Deze uitvoering van ‘It Should Have Been Me’ heeft een korte intro op elektrische gitaar van de welbekende bruidsmars van Richard Wagner. De door Gladys Knight gezongen versie is niet zozeer een klaagzang, maar eerder een statement. Dit komt zeer waarschijnlijk door de krachtige soulstem van Knight. The Pips zingen op de achtergrond mee, waardoor het nummer ook minder als een ‘vrouwending’ overkomt. Het onderwerp van de songtekst blijft treurig: gedumpt worden door je vriend, die daarna vrolijk naar je knipoogt als hij op het punt staat met een ander in het huwelijksbootje te stappen. Gladys laat iedereen geloven dat zij het had moeten zijn, om aan het altaar te staan, maar onder de melodielijn hoor je dat Knight eigenlijk bedoelt: ‘Jammer knul, maar voor jou tien anderen.’

In 1976 wordt het nummer ‘It Should Have Been Me’ nogmaals via het Motownlabel uitgebracht. Dit keer in de uitvoering van Yvonne Fair. Deze versie behaalde een top vijf notitie in het Verenigd Koninkrijk. De krachtige soulstem van Fair geeft deze uitvoering van het nummer een totaal andere visie. Het is het beeld van een hele boze vrouw. Geen geklaag, eerder gefoeter. Fair is het er namelijk he-le-maal niet mee eens dat haar ex-vriend nu met een ander voor het altaar staat. Ze schreeuwt het uit dat ook zij het had moeten zijn in plaats van de nieuwe vrouw die naast hem staat. Fair heeft bij deze uitvoering geen achtergrondkoortje, en deze heeft ze met haar krachtige stem helemaal niet nodig. Ik heb het idee dat de bezongen ex-vriend in deze versie van het nummer opgelucht kan ademhalen dat hij nu met een andere vrouw voor het altaar staat, want Fair zet zichzelf neer als een boze, gekwetste, maar vooral gestoorde vrouw.

In 1986 brengt de Nederlandse popgroep I’ve Got The Bullets met zangeres Frederique Spigt het nummer in een typisch jaren 80 rockversie (trompetgeschal uit een synthesizer) uit, maar verder dan een notering in de tipparade is deze versie niet gekomen. In 1991 brengt de Amerikaanse zangeres Patricia Daniels, bij het grote publiek bekend als Adeva een houseversie van het nummer uit. Deze uitvoering van ‘It Should Have Been Me’ is in Nederland nooit uitgebracht.

Spotifylinks naar de verschillende uitvoeringen.
Kim Weston (1963)
Gladys Knight and the Pips (1968)
Yvonne Fair (1976)
I’ve Got The Bullets (1986)
Adeva (1991)