Jeanny

jeanny

De zon is net op en een druilerig regenbuitje valt. In een klein bos, nabij een grote stad, zit een negentienjarige vrouw in het natte gras tussen de varens. De planten, zwaar van de ochtenddauw, laten de stengels hangen en iets verderop lopen enkele kauwen statig tussen de bomen. De lippenstift van de vrouw is uitgelopen en een kauw vliegt op. Zijn roep klinkt na in het bos.

De negentienjarige vrouw rilt. De linkermouw van haar jas laat bij de naden los en ze mist een linkerschoen. Ze weet niet precies wat haar is overkomen en ze kan zich weinig herinneren van wat eerder is gebeurd. Fragmenten schieten door haar hoofd: de lippenstift die ze gisteren had gekocht. De ongure man die haar aansprak. Moe was ze van hem geworden, het leek dat hij haar de laatste tijd had achtervolgd. Bij het verlaten van de winkel had ze terecht gewezen en met een resoluut ‘val me niet lastig’ voorbijgelopen.

In de verte hoort ze iemand lopen. Takken breken en planten ruisen langs de benen van de persoon. Ze kijkt op en ziet de man van gisteren. De man uit de winkel, die haar al een paar weken achtervolgd. Ze had al eerder tegen haar ouders gezegd dat er een man was die haar in de gaten hield, maar haar ouders vonden dat ze zich aanstelde en te veel naar tv keek. De man staat nu naast haar en zijn natte lange haar hangt voor zijn gezicht. Hij reikt zijn hand naar haar uit en zegt dat ze moet opstaan. Hij weet hoe ze heet, want hij noemt haar bij haar naam. Ze kijkt op naar de man.

Hij glimlacht, maar zijn ogen staan wazig. Met zijn tong bevochtigt hij zijn lippen en kijkt haar aan. Met een hese stem spreekt hij. ‘Jeanny, kom. Kom op. Sta op, alsjeblieft. Je wordt helemaal nat. Het is al laat. We moeten weg hier. Weg uit het bos, begrijp je? Waar is je schoen? Ah, je hebt die verloren, toen ik je de weg moest wijzen. Maar wie was de weg kwijt? Jij? Ik? Of wij beiden? Jeanny stop met dromen, het leven is niet wat het lijkt. Zo’n klein meisje, eenzaam in een koude wereld. Je was verloren in de nacht, zonder te spartelen of te vechten, maar weet wel, er is iemand die je nodig heeft.’

Nabij een schuurtje, aan de andere kant van het bos lopen beiden. De vrouw loopt voor de man uit en hij duwt haar met een stok in de rug, in de richting die hij wilt dat ze loopt. Zijn afwezig blik heeft plaatsgemaakt voor boosheid. Hij spuugt op de grond en zegt: ‘Het is koud. We moeten hier weg. Je lippenstift is uitgelopen. Ik was erbij toen je het kocht. Te veel rood op je lippen, maar je snauwde dat ik moest oprotten. Maar ik had alles gezien, want ogen zeggen meer dan woorden. Je hebt me nodig, toch? Vanaf vandaag weet iedereen dat we samen zijn. Ik hoor ze. Ze komen je halen, maar ze zullen je niet vinden. Niemand zal je vinden, je bent hier bij mij.’

Op een kilometer afstand van het bos staat een auto. Het is twaalf uur en de zon staat hoog aan de hemel. De bestuurder van de auto zit stil achter het stuur en kauwen lopen statig over het zandpad langs de auto, om vervolgens allemaal weg te vliegen. Het zand stuift op. Het heeft al dagen niet meer geregend. De bestuurder buigt voorover en zet de autoradio voor het nieuws. De stem van de nieuwslezer klinkt vanuit de auto. ‘In de laatste maanden is het aantal vermiste personen dramatisch gestegen. De meest recente kennisgeving van de lokale politie vertelt over een tragisch ongeval. Het gaat hier om een negentienjarige vrouw, die veertien dagen geleden voor het laatst is gezien. De politie sluit de mogelijkheid niet uit dat het hier om een misdaad gaat.’

geïnspireerd door ‘Jeanny‘ (1986).

Auteur: Dray

'Je wordt met de lach leuker.'

1 thought on “Jeanny”

U mag reageren.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s