‘Waar denk je aan?’
    ‘Nergens aan.’
    ‘Nah, dat kan niet. Iedereen denkt wel aan iets.’
    ‘Hoezo? Ik zit gewoon even nergens aan te denken.’
    ‘Maar je bent zo stil.’
    ‘Dus..?’
    ‘Dan moet je toch wel ergens aan denken? Ik kan me niet voorstellen dat je zo lang nergens aan kunt denken.’
    ‘Toch is het zo.’
    ‘Echt? Ik kan dat niet. Ik denk áltijd wel aan iets.’
    ‘Aan wat dan?’
    ‘Aan bijvoorbeeld de boodschappen die ik nog in huis moet halen, of aan Beyoncé die haar laatste album, Lemonade, alleen via Tidal liet streamen. Alleen omdat die app van haar man Jay Z is.’
    ‘Heeft Beyoncé een nieuw album uitgebracht?’
    ‘Hallo..! Onder welke steen heb jij gezeten, de laatste dagen?’
    ‘Onder geen enkele. Maar het nieuws van Beyoncé’s laatste album is gewoon even aan mij voorbij gegaan.’
    ‘Ja, dat zal wel. Als je beweert dat je ook al nergens aan kunt denken, dan gaat er veel aan je voorbij.’
    ‘Ik vind het wel lekker rustig zo.’
    ‘Ik wou dat ik dat kon. Nergens aan denken.’
    ‘Probeer het eens. Misschien gaat er een wereld voor je open.’
    ‘Nah, da’s niets voor mij. Nergens aan denken kan ik nog altijd na mijn dood, tot in de eeuwigheid doen.’

Vandaag is het de derde keer dat in Nederland Koningsdag wordt gevierd. Het is niet veel anders dan de Koninginnedagen van de voorgaande jaren, waarin Koningin Beatrix ons staatshoofd was. Net als voorgaande jaren bezoekt de koning, samen met koningin Maxima, de drie prinsesjes en andere familieleden een gemeente in Nederland. Dit jaar wordt de plaats Zwolle bezocht en overal in het land worden vrijmarkten en festivals georganiseerd.

Voor het jaar 1980 werden de Koninginnedagen totaal anders gevierd. Onze toenmalige vorstin, Koningin Juliana, ging niet het land in. Als een moeder van het volk nodigde ze haar Nederlandse onderdanen uit voor een bezoek in haar goedverzorgde voortuin van het paleis Soestdijk. Hier mochten de genodigden -vaak leden van een verenigingen of een fanfarekorps- in lange rijen en in langzame tred langs het bordes lopen. Zwaaiend met de kleine rood-wit-blauwe vlaggetjes in de hand.

Eenmaal bij het trapstoepje van de voordeur aangekomen mochten enkele vooraf uitgekozen voorzitters van de vereniging of het korps een verjaardagscadeautje aanbieden. Vrolijk gemutst, tezamen met de altijd blij kijkende kinderen en soms licht verveelde kleinkinderen, nam koningin Juliana deze presentjes aan. Vaak was dit een koek of een andere lekkernij uit de contreien waaruit de genodigden in de vroege ochtend met een aantal vervoersbussen naar Soestdijk waren afgereisd.

De Nederlanders die niet lid waren van een vereniging en dus geen uitnodiging hadden ontvangen konden het koninklijke verjaardagsfeestje via de televisie volgen, waarbij presentator Dick Passchier het hele gebeuren becommentarieerde. Dit duurde vaak urenlang. Ik kon als kind halverwege de televisie-uitzending naar buiten gaan om vervolgens na een paar uur, vermoeid van het spelen, nog steeds de laatste bezoekers in de voortuin van het paleistuin voorbij zien lopen, voordat de aftiteling voorbij kwam.

Nee, dan heeft onze huidige koning het toch beter voor elkaar. Hij hoeft niet ieder jaar -op zijn verjaardag- het stoepje voor de deur schoon te boenen. Hij trekt gewoon met vrouw en kinderen het land in, waarbij de onderdanen hem dolenthousiast vertellen over de bezochte stad in zijn koninkrijk. Van de aangeboden plaatselijke lekkernijen hoeft hij alleen een hapje te nemen. Het zal onze moderne monarchie niet gebeuren dat ze tot aan de kerstdagen nog voor kilo’s aan blauwvingers* en andere plaatselijke lekkernijen in huis hebben.

 

Vandaag ben ik voor een verjaardagsfeestje in Den Helder. Mijn moeder hoopt binnenkort de fortuinlijke leeftijd van 85 jaar te behalen, en dat is op z’n minst wel een feestje waard. Vroeger, een paar eeuwen geleden werden de mensen niet oud, en wanneer je de nieuwsberichten van de afgelopen maanden leest, weet je dat ook tegenwoordig niet ieder mens nog in de gelegenheid wordt gesteld om oud te worden. Maar dat terzijde. Vandaag reizen we af naar Den Helder.

Ik was een paar weken geleden nog in mijn geboorteplaats. Om er een halve marathon te lopen. Ja, een mens mag een hobby hebben. Ik geniet er wel van om in Den Helder te zijn. Niet zozeer om de stad zelf. Het ligt ver van de bewoonde wereld. Of in ieder geval ver van een autosnelweg. Afgelegen. De meeste mensen kennen de stad alleen als doortocht naar Texel, en daarmee kom je per se niet op de mooiste plekken van deze stad. Wat Den Helder voor mij zo bijzonder maakt zijn herinneringen.

Ik ben in Den Helder opgegroeid en heb er tot mijn tweeëndertigste levensjaar gewoond. Er zijn genoeg herinneringen gecreëerd die doorgaans verborgen blijven en enkel wanneer je in de stad aanwezig bent naar boven komen. Zo had ik tijdens die halve marathon na 4 kilometer ineens de herinnering uit de jaren tachtig, van het stiekem sigaretten kopen bij het tankstation aan de Ravelijnweg, en dat alleen omdat ik er hardlopend langsliep. Ik rook niet meer, dus denk niet zo vaak meer aan het aanschaffen van sigaretten.

Vandaag zal ik niet veel van Den Helder zien, want we gaan naar een verjaardagsfeestje dat bij familie wordt gevierd. Dan blijf je op een locatie. Zolang het gezellig is. Veel verborgen herinneringen zullen vandaag verborgen blijven. Ik zal niet op de fiets langs mijn oude route naar school fietsen en daarmee zullen er niet ineens jeugdherinneringen naar boven komen. Daarentegen ben ik wel bij familie en met familieleden heb je vaak dat er voldoende herinneringen gedeeld worden. Het wordt een nostalgische zaterdag.

 

Maandagochtend en in de hal van het station Almere Centrum is er al enige consternatie bij enkele reizigers. Ik hoor de woorden: “gaat niet verder dan Hilversum”, uit de mond van een vrouw met een rood gezicht, waarvan de losse plukjes haar in het gezicht hangen. Het lijkt alsof ze het afgelopen half uur heeft gerend, maar ze is niet bezweet. Het is haar uiterlijk. Haar reisgenoten kijken haar teleurgesteld en verder nietszeggend aan.

Misplaatst denk ik dat het vanzelfsprekend dagje-uit-mensen zijn, waarbij elke treinreis een avontuur is. Op het perron zie ik op het bord vermeld staan dat mijn trein naar Utrecht over 4 minuten zal vertrekken, maar eenmaal in de trein vertelt de stem van de conducteur, via de intercom, mij en mijn medereizigers dat door een botsing met een persoon de trein niet verder dan Hilversum zal afreizen.

Het idee dat een paar mensen het verschrikkelijke nieuws over het noodlottig ongeluk van een familielid, een goede vriend of de liefde van hun leven krijgen te horen, vind ik vreselijk. Dan ben ik toch liever een half uur later op mijn bestemming, dan dat ik een bericht krijg over de definitieve eindebestemming van een persoon die me na staat. Ik prijs mezelf gelukkig met deze vertraging in vergelijking tot de mensen die deze dag minder fortuinlijk zijn. De zin “Tel je zegeningen” blijkt wederom geen loze tegeltekst.

trein

Op het station van Hilversum stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Druk in gesprek met een voor mij onzichtbare gesprekspartner. Ik blijf naar mijn e-reader kijken, maar luister met een half oor mee. Enthousiast vertelt hij in het microfoontje in een van de witte snoertjes wat hem vandaag is overkomen. Hij heeft deze middag een vertrouwenscursus gehad.
De kandidaten op deze cursus moesten zich met het vertrouwen in de medecursisten achterover in de armen van de anderen laten vallen. Hij vond het fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus.
Om te weten of de voor mij onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’. Ik weet het inmiddels ook. Een hoog aanhoudend gepiep schelt uit zijn oordopjes. Voor hem klinkt het duidelijk nogal oorverdovend en geschrokken roept hij wat de fokking hel aan de hand is. Ik verneem uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is.
De knul in de coupé geeft hem het advies om bij het koken alles goed voor te bereiden. ‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, zegt hij wijs. Hij spreekt het met een Almeers accent uit. Als Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft geen zin meer om te praten.
Er klinkt nu luide beatmuziek uit de oortjes. Wat voor muziek het precies is weet ik niet. Ik hoor zware beats, maar een man van mijn leeftijd kan er niet op dansen zonder er verdacht van te worden epileptisch te zijn. Verveeld draai ik mijn gezicht naar het raam.
Het zicht is niet helder. Een vette afdruk van het voorhoofd van de persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten ontneemt me een helder uitzicht, en we rijden het station van Almere Centrum in.20160415

Dat ik nu anderhalve week aan het forensen ben, dat is via de berichten op dit weblog wel duidelijk. Ik zal het ook niet constant over het forensen hebben, ondanks dat er iedere dag wel iets te melden valt over wat je zoal meemaakt tijden de dagelijkse 3 uur reizen met het openbaar vervoer.

Naast mij heeft ook Edo dit jaar een nieuwe baan. In Amsterdam, waarbij hij om de week nachtdienst heeft. Zo ook deze week. Door de nachtelijke uren in een nachtdienst is hij ’s ochtends vroeg pas thuis, net op het moment dat ik de deur uit wil gaan om de trein naar Utrecht te halen. Als het meezit.

Gisternacht had Edo nachtdienst en in plaats van, zoals gebruikelijk, met de auto te gaan, was hij deze keer ook afhankelijk van het openbaar vervoer. Hierdoor kwam hij gisterochtend om 06:58 uur aan op station Almere Centrum, waar ik 11 minuten later de trein naar Utrecht mocht nemen.

Al wandelend naar het station kwam ik gisterochtend halverwege, bij het parkeerterrein aan het Koolzaadveld, Edo om 07:02 uur tegen. Na een snelle kus en een ‘werk ze’ van Edo, met hierop mijn respons ‘slaap ze’, liepen we beiden verder onze eigen weg. Het is even wennen, zo langs elkaar te leven en elkaar op een parkeerterrein te ontmoeten, maar het is buitengewoon. Tenminste daar ga ik vanuit.

beaches

 

Het leven als een forens is niet meer onbekend voor mij. Sinds een week doe ik -op het tijdstip waar ik voorheen het dekbed opensloeg om op te staan- de voordeur open om het huiselijke te verlaten en naar het station in het centrum van Almere te lopen.

Na 10 minuten lopen sta ik al op het perron van Almere Centrum, waar al snel de trein aankomt om mij in 40 minuten naar Utrecht Centraal te brengen. Onderweg zitten de mensen slaperig naar het scherm van hun mobiele telefoon te staren. Een enkeling kijkt om zich heen. Zo ook de mevrouw die schuin tegenover me in de sprinter zit. Ze kijkt boos om zich heen. Alsof wij de oorzaak zijn van dat zij vanmorgen zo vroeg uit bed moest.

Bij Hilversum wordt de trein echt vol. Niet zo erg als het varkenstransport op de wegen, maar iedereen staat flink in elkaars aura. Vanaf mijn zitplaats heb ik het uitzicht op benen. Veel benen. Benen gestoken in spijkerbroeken of pantalons, en sommige vrouwenbenen laten zich zien vanonder een rok, jurk of lange jas. Mijn ogen zakken af naar de schoenen van mijn medereizigers. Geen enkel paar is hetzelfde. Dat moment bedenk ik dat de keuze die we in schoenen hebben talrijk is.

Veel voeten zijn gestoken in gymschoenen. Sommige sportschoenen zijn nieuw, maar veel gympies zien er afgetrapt uit. Ook zijn er in de trein veel voeten in lederen schoenen verstopt. Zwarte schoenen, bruine schoenen, en een uitzonderlijk wit lederen paar. Het aantal écht nette schoenen is opmerkelijk gering. Veel schoenen zijn niet gepoetst en zien er gehavend uit. Mannen in pak zien er ineens toch minder gelikt uit met schoenen waarvan de neuzen kaal en de schoenzolen afgesleten zijn.

Het is een paar minuten voor acht wanneer ik bij de bushalte Jaarbeurszijde in de lijnbus stap die mij naar Nieuwegein zal brengen. Ook hier zie ik forensen met afgetrapte sportschoenen en kapotte schoenen de bus instappen. Ik vind het een beetje jammer. Schoenen blijken tegenwoordig een ondergeschoven kindje te zijn.

img_8334

Aspartaam is een kunstmatige zoetstof, die ongeveer 200 keer zoeter is dan suiker en nauwelijks calorieën levert. Je vindt aspartaam vooral in light frisdrank, suikervrij snoepgoed en zoetjes. Het heeft het E-nummer E951. Aspartaam is een (veilige) zoetstof zolang het gebruik onder de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) blijft. Aangezien aspartaam een E-nummer heeft, is het gegarandeerd dat je er niet te veel van binnen krijgt, zelfs al drink je veel light frisdrank. bron

Ik ben de laatste jaren meer bewust van wat ik eet en drink, en ik vermijd daarom ook het liefst suikers en kunstmatig voedsel. Ik ben allergisch (figuurlijk gesproken) voor eten en drank waar E-nummers aan toegevoegd zijn, maar het is helaas bijna onmogelijk om in de plaatselijke supermarkt nog iets aan te schaffen waar geen kunstmatige shit aan is toegevoegd. Op diverse internetfora lees je discussies over de voordelen en vooral ook de nadelen van aspartaam.

Ikzelf vind dat aspartaam een vieze nasmaak geeft (net als Acesulfaam-K, dat onder andere in Cola Zero wordt verwerkt) en dat is voor mij een reden om het niet in te nemen. Wanneer je diverse uitslagen op het internet er op na leest kan ik voor mezelf tot de conclusie komen dat aspartaam een van de meest onderzochte stoffen ter wereld is, en dat maakt het voor mij nog (steeds) niet veilig. Tientalle jaren geleden (vorige eeuw) werd namelijk gezegd dat minimale inname van kwik verantwoord was en nu blijkt dat kwik 100% gif te zijn.