Afgelopen woensdag waren er televisieopnames bij me op het werk. Het betrof opnames voor het programma ‘Da’s Goed Geregeld’. Denk nu niet dat ik mijn carrière in het creditmanagementgebeuren aan de wilgen ga hangen om deze vervolgens in te ruilen voor het televisiewereldje van Hilversum. Als kind vond ik dat wereldje misschien wel interessant, maar de behoefte om met mijn hoofd op televisie te komen heb ik niet meer.

Ik vond het wel grappig om mee te maken. Een televisieprogramma maken is een beetje hetzelfde als het creëren van een illusie. Ter plaatse worden situaties door de mensen van het televisiewereldje bedacht en geopperd. Wanneer het niet naar het zin gaat, is het heel normaal om de dingen meer dan 10 keer te herhalen. Totdat het uiteindelijk naar tevredenheid van de regisseur is gegaan. Alles op teevee moet mooi zijn, en daarbij helpen natuurlijk ook camerafilters en andere optische trucjes.

Het is natuurlijk onvermijdelijk dat stadsgeluiden zoals die van stratenmakers met trilapparaten en zware vrachtwagens op de weg langs het kantoor de opnames kunnen verstoren. Dus wanneer mijn collega eindelijk die lange zin foutloos uit heeft gesproken, mag hij het toch nog eens op proberen. Zonder bijgeluiden. En niet zomaar herhalen, gewoon je best blijven doen. Zelfs na 10 keer het verhaal vertellen moet het wel allemaal spontaan en fris overkomen bij de kijkers thuis.

Dinsdagavond. Wederom reis ik vanaf Utrecht Centraal met een kleine omweg via station Amsterdam Duivendrecht naar huis. Onderweg naar Almere stopt de trein in Weesp. Een jonge vrouw met een vriendelijk en vooral lief gezichtje stapt in. ‘Reist u tot Almere Centrum of verder?’ hoor ik haar aan andere reizigers in de trein vragen. Ontkennend gemompel is het repliek van mijn medereizigers.

De mevrouw kijkt mij nu vriendelijk, bijna verlegen, aan en herhaalt haar eerder gestelde vraag. Ik antwoord dat ik zeker tot Almere Centrum in de trein zit. Het blije gezichtje wordt nog vrolijker. ‘Mag ik met u meereizen?’vraagt ze me. ‘Ik heb een meereiskaartje, maar de persoon met wie ik vanmorgen mee op reis was, kon vanmiddag een trein eerder nemen.’ Ze kijkt erbij alsof ze zich verontschuldigt voor haar pech. ‘Natuurlijk,’ zeg ik, en ik vertel haar dat ze tot Almere Centrum met me mee kan reizen.

Ze lacht, bedankt me en gaat schuin tegenover me zitten. Ze kijkt me nog even glimlachend aan, maar al snel verlies ik het qua aandacht van haar mobiele telefoon. Wanneer de trein meerdere stations heeft aangedaan, stopt deze nu ook op Almere Centrum. We stappen beiden uit de trein. Voordat we bij de poortjes aankomen kijkt ze me nog even vriendelijk aan. Ik wens haar een fijne avond en ze kijkt een laatste keer glimlachend om.

Verderop in de stationshal staat een blonde vrouw heel moeilijk op haar mobiele telefoon te kijken. Ze kijkt me een beetje hopeloos aan. Ik glimlach terug. Opgelucht stelt ze de vraag: ‘Excuse me sir, can you tell me where I can find the bus stations?’ Het Engels met zeer zware Z-klanken onthult dat de vrouw -naar mijn mening, in het oosten van Europa is opgegroeid. Ik leg haar uit dat het busstation buiten is en ik wijs naar de uitgang aan de westzijde van de stationshal. Opgelucht en in versnelde pas loopt ze naar de bushaltes.

Soms heeft het leven momenten dat je constant wordt verrast. Dat kan natuurlijk positief of negatief zijn. Soms lijkt er minder Yin, en meer Yang te zijn. Of andersom. Dan zijn er momenten dat je jezelf in de figuurlijke tunnel bevindt. Soms lijkt het erop dat er dan toch licht aan het einde van de tunnel is. Alleen weet je op dat moment nog niet of het ook daadwerkelijk het einde van de tunnel is, of dat er een denderende trein op je afkomt.

Soms heb je in het leven van die wegen vol bobbels en gaten. Het zijn dan de onverwachte momenten waarvan je even uit het evenwicht wordt gehaald. Momenten waarbij je denkt: gaat het nog eens een keer gewoon lekker van een leien dakje? Kunnen we gewoon doorgaan met de dingen in het leven? De heerlijke momenten dat je eens geen rekening hoeft te houden met de obstakels en de valkuilen onderweg in die lange tunnel waarin je ongewild aanwezig bent.

Ik heb de stiekeme hoop dat het licht aan het einde van de tunnel dit keer toch geen sneltrein blijkt te zijn. Dat het daadwerkelijk een nieuw begin is. Het aanbreken van een nieuwe periode meldt zich. Voordat het zonlicht mijn ogen zal verblinden zal ik wellicht een paar keer een hobbel of kuiltje moeten trotseren, maar ik vind dat ik er vanuit mag gaan dat ik binnenkort met een zonnebril voor mijn ogen door het leven mag gaan. Help je mee positieve gedachten te denken?

In de trein zitten twee dames tegenover elkaar -net hun tienerjaren ontgroeid, en druk in gesprek. Een van hen drinkt koffie uit een thermosbeker. Het lijkt op een kinderbeker met een deksel en drinktuit. Ze neemt een flinke teug uit de beker en spoelt de koffie eerst door haar mond voordat ze de slok koffie wegwerkt. Ze trekt er ook een raar gezicht bij. Ze is al een echte jongedame, en toch nog een beetje een klein kind.

Ik heb geen zicht op de andere jongedame, maar ik kan haar wel horen praten. Ze probeert haar gesprekspartner met de thermosbeker te overreden dat het Nederlandse woord die een negatief woord is. Niet 100% negatief, maar wanneer het woord die als een bijvoeglijk voornaamwoord wordt gebruikt, in plaats van een aanwijzend voornaamwoord, dan heeft het volgens haar vaak een negatieve lading. Ze vertelt de andere vrouw er eens op te letten.

Wanneer mensen over een persoon praten en het woord die wordt voor de naam geplaatst, dan heeft men vaak geen hoge pet op van de persoon. Ze vertelt over een ex-manager die op het werk was vertrokken. De persoon in kwestie werd door anderen die Manager genoemd. Door het toevoegen van het woord die voor de naam, wist ze dat de persoon niet helemaal in gelukkige toestand bij het bedrijf was vertrokken.

De koffie spoelende jongedame zegt dat ze zichzelf er soms op betrapt dat ze ook ik wel eens het woord die gebruikt in negatieve zin. Zo wordt ze hartstikke moe van al die mensen met een mening over haar vriendje. Ikzelf denk er ook even over na. Men zegt nooit dat ze dolblij van die mensen worden. Het woord die wordt dan dikwijls vervangen door het woord deze. Van een bijvoeglijk naamwoord, weer terug naar het aanwijzend voornaamwoord.

Donderdagmiddag. Met een omweg ga ik met de trein, op huis aan.  Niet geheel vrijwillig, want dankzij de vertraging van een bus in Nieuwegein heb ik op Utrecht Centraal mijn gebruikelijke, vaste trein gemist. Op het station trek ik nog een sprintje, waarbij andere reizigers gehaast aan de kant moeten springen, maar helaas rijdt de trein vlak voor mijn neus weg. In gedachten zie ik de mensen gniffelen om mijn pech.
Ik besluit een trein op een ander perron te nemen. Deze belooft mij met een kleine omweg naar mijn woonplaats te brengen. Gezien alle andere reizigers bezit hebben genomen van de zitplaatsen blijf ik op het balkon zitten op een uitklapzitje. Na een minuut komt de trein in beweging. Tegenover mij zit een oude man, iets ouder dan ik. Hij kijkt me even vluchtig aan, staart vervolgens een beetje afwezig naar buiten en buigt zich lichtjes naar voren, naar mij toe.
‘Is dit de trein naar Amsterdam Centraal?’, vraagt de man.
‘Jazeker. De trein stopt eerst nog in Amsterdam Zuid en Amsterdam Sloterdijk en daarna op Amsterdam Centraal.’ informeer ik de man.
‘Da’s mooi.’ zegt hij opgelucht.
Ik knik en met een vriendelijke glimlach op mijn gezicht kijk ik weer naar buiten waar het landschap met een toepasselijke sneltreinvaart aan mij voorbij gaat.
Ik voel dat de man een gesprek wilt beginnen, maar eerlijk gezegd heb ik daar even geen zin in. De vertraging, het sprintje op het station en de teleurstelling, maken me niet de vriendelijkste persoon. Op een onverwacht ogenblik en om een voor mij onduidelijke reden vraag ik toch of hij iets leuks gaat doen. Vervolgens begint de man te vertellen over een bezoek die hij aan zijn kleindochter in Utrecht heeft gebracht. Dat hij van de dag en het bezoek heeft genoten, maar dat hij Utrecht toch een vreemde stad vind. Als een rasechte Amsterdammer kan hij nooit aarden in de Domstad. Hij is liever alleen in zijn flatje in Amsterdam, dan dat hij is omringt door mensen in een andere stad.
De man zit op de figuurlijke praatstoel en vertelt me over zijn familie en de andere mensen in zijn leven. Hij weet dat ze er zijn, maar hij ziet en spreekt ze bijna nooit. De achterstand in het converseren heeft hij tijdens deze rit aardig weten te compenseren. De tijd vliegt voorbij en voordat ik het door heb, staat de trein stil op station Amsterdam Zuid, waar ik moet overstappen voor de trein naar Almere. Met een ‘goedenavond’ laat ik de man in de trein achter.

Deze week wordt het Eurovisie Songfestival voor de 61e keer georganiseerd. Gisteravond konden we beleven hoe Douwe Bob zich naar de finale zong met Slow Down. Sinds mei 1956 is het circus dat Eurovisie Songfestival heet, tegenwoordig nog grotesker geworden. Na jaren van rare, gekke en opvallende vertoningen, is het sinds 2004 dat er in een week 3 avonden zijn waarin deelnemende landen meedoen. Ook Australië is dit jaar weer van de partij. Waar het vorig jaar eenmalig mee mocht doen, doet het continent morgenavond gewoon mee in de tweede halve finale. Een reden hiervoor is niet gegeven. Dus onder het mom van the more, the merrier, doen nu niet alleen Europese landen mee.

Het circus verliest steeds minder het Europees tintje. Waar het in 1958 in 7 landen werd uitgezonden, zal dit jaar voor het eerst in de geschiedenis van het Eurovisie songfestival de grote finale in de Verenigde Staten van Amerika live uitgezonden worden. Mede dankzij dit gegeven geeft wereldster Justin Timberlake een optreden tijdens de finale op zaterdagavond (vanzelfsprekend ook ter promotie van zijn nieuwe single). Wat mij betreft mag het Eurovisie Songfestival de komende jaren alleen maar groter worden, waarbij het uiteindelijk een wereldwijd evenement wordt. Don’t slow down..!

Je leest er wel eens over. Over de mensen die levenloos worden aangetroffen. Vaak worden deze mensen gevonden door hardlopers die tijdens hun hardlooprondje op zo’n dood persoon stuiten. Ik heb nooit de morbide gedachten gehad om zo een situatie mee te willen maken. Stel je toch voor.

Je ziet de honduitlatende personen al naar het Lumièrestrand in Filmwijk loeren. Alsof ze iets zien, maar niet zeker zijn over wat ze zien. Of niet durven te gaan kijken. Ikzelf denk nog: ik loop er straks sowieso langs. Ik zie het dan wel,. Wanneer ik linksaf sla, het strandje op, zie ik in het midden van het strandje een stapeltje kleding liggen, en wanneer ik dichterbij kom blijkt het een persoon te zijn, met de capuchon over het hoofd.

Ik loop al roepend naar de persoon, maar krijg geen reactie. Wanneer ik er naast sta, zie ik dat het een man is, tussen de 30 en 40 jaar. Misschien dat hij jonger is, maar de donkere baard oogt hem ouder. Met luide stem vraag ik hem of alles oké is, maar weer geen reactie. Ik schop lichtjes tegen zijn schoen. Nog steeds geen reactie. Ik schop nogmaals. Iets harder nu. De man geeft een reflex. Hij leeft.

Met een duim omhoog laat ik de mensen op afstand weten dat de persoon oké is. Ik besluit mijn laatste kilometers te lopen. Ik voel me er toch niet lekker bij en besluit tóch de politie te bellen. Ik kan niet wennen aan het idee dat het toch niet in orde is, en dat ik dan ben doorgelopen. Ik bel het algemeen nummer, doe mijn verhaal en binnen een minuut ben ik doorgeschakeld naar de meldkamer in Almere.

Ik sta intussen weer op het strandje. Onderweg heb ik het verhaal nog eens verteld en bij de slapende man aangekomen geef ik zijn signalement door en omschrijf de plek waar hij ligt. De politie is, volgens de agent in de meldkamer, onderweg. Op mijn vraag of ik moet blijven wachten antwoordt deze dat dit niet nodig is. Ze hebben mijn gegevens. Ik geef aan de omstanders door dat de politie onderweg is.

Inmiddels is er een oudere hardloopster naast me komen staan en kwalificeert zichzelf als toezichthouder. Ik vind het prima. Ze weet me te vertellen dat de man slaapt. Ik kijk haar aan en ben enigszins verbaasd over het feit dat Miss Marple tegenwoordig in Almere woont. Ik vertel haar dat ze niet hoeft te wachten, maar dat ze dit zeker mag doen. Ik loop de laatste 2 kilometer richting huis. In best nog wel een mooie tijd, ondanks de kleine opschorting.

 

Ik had laatst mijn moeder aan de telefoon en ineens kwam ze met de mededeling dat ze met dodenherdenking het liefst alleen wil zijn. Zo out of the blue. Ze heeft voor vanavond geen behoefte aan mensen over de vloer. Mijn moeder woont zelfstandig. Ze heeft thuiszorg en mijn 2 zussen delen dezelfde vier cijfers van haar postcode, dus ze wonen vlakbij. Veel mensen zal mijn moeder vanavond rond de klok van 8 uur niet voor de deur hebben staan, maar ze wilde toch even kwijt dat ze vanavond alleen wil zijn.

Ze vertelt me over haar oudere broer die nooit is teruggekomen uit de Tweede Wereldoorlog. Alles wat ze weet is dat hij op oudejaarsavond van 1944 op 20-jarige leeftijd is overleden in het concentratiekamp te Neuengamme. Het was de eerste keer dat ze haar vader, mijn opa, heeft zien huilen. Ze weet mij, met dezelfde overtuiging als vroeger, te melden dat mijn opa de dag nadat hij het nieuws mocht vernemen met grijze haren is wakker geworden. Je maakt mijn moeder niet meer wijs dat persoonlijke stress geen invloed heeft op het lichamelijke omhulsel.

Ik ken het verhaal van de in de oorlog gestorven oom al sinds mijn kinderjaren. Net als de andere verhalen die mijn ouders zelf als kinderen hebben meegemaakt. Verhalen over mijn moeder die met een zus tijdens de winter door de sneeuw op de fiets met touwbanden een kleine 30 kilometer moest afleggen voor melk, en mijn vader die door zijn brutaliteit (door op de daken te lopen) door de nazi’s werd beschoten. Het zijn gebeurtenissen uit de jeugd van mijn ouders. Zo zijn er natuurlijk meer verhalen die zijn verteld zijn en nog steeds worden gedeeld.

Vanavond ben ik, ondanks alle ellende die nog steeds in de wereld gebeurt, wél 2 minuten stil. Ik herdenk alle oorlogsslachtoffers. Ook zal ik even aan mijn moeder denken, voor wie net als iedereen de oorlog lang geleden is, maar nog wel altijd aanwezig. Via de website van de Stichting Vriendenkring Neuengamme kreeg ik meer informatie over de laatste maanden van mijn oom Sjouke. Het is mogelijk om op de website achtergrondinformatie over de gevangen van het concentratiekamp in te voeren. Gelukkig zie ik mijn moeder aanstaande zondag weer. Op Moederdag. Ik wil informatie over mijn oom op zijn pagina delen, zodat ook hij nooit vergeten zal worden.