Op het treinstation in Almere-Muziekwijk komt een mevrouw naast me zitten. Niets bijzonders, want in de trein gaat er wel vaker iemand naast je zitten. Vooral tijdens de ochtendspits. De mevrouw in kwestie had niets bijzonders. Dit zeg ik niet omdat ik  nu onaardig wil zijn, maar ze zag er alledaags en gewoontjes uit. Wat haar echter wel opmerkelijk maakte was haar parfum.

Ik weet niet welk merk parfum ze droeg, maar de geur bracht me meer dan 40 jaar terug, naar het moment dat ik net op de basisschool zat. Het was hetzelfde luchtje dat mijn lerares juffrouw Kapitein uit de eerste klas droeg. Een niet onwelriekende geurigheid, maar wel eentje weeïg genoeg om me weer terug te brengen naar De Torpschool in Den Helder van de vorige eeuw.

Een professor waarvan de naam me nu is ontschoten, alsook de expertise waarin hij deskundig was,  heeft het ooit eens heel mooi gezegd: ruiken is tot op heden nog de enige manier om in de  tijd te kunnen reizen. Wanneer je een specifieke geur je bereikt kan je ineens een ervaring of een moment herbeleven, alsof je ergens weer bent. Deze geurervaring is sterker dan beelden op foto of film.

Ooit had ik op het werk een trappenhuis met marmeren trappen waar dagelijks een andere geur hing. Dan heb ik het niet over etensluchten of luchtjes afkomstig van het menselijk lichaam, maar echte trips naar momenten van toen. De ene dag kon ik in het trappenhuis weer terug zijn op de kleuterschool, waar de toiletten een altijd beetje hardnekkige vochtlucht had.

Ook hing er soms een lucht in het trappenhuis die me deed denken aan het oude verenigingsgebouw van Scoutingvereniging ‘Jutters Willemsoord’ in mijn oude woonwijk, de Schooten. Als tienjarige jongen heb daar fantastische momenten beleefd. Het oude gebouw had een aparte oude geur. Een combinatie van oud hout en ouderwetse linoleumvloertjes.

Ik vind het interessant dat je naar aanleiding van het ruiken van een specifieke geur weer helemaal terug kan gaan naar een moment in je leven. Het heeft iets bijzonders en totaal iets anders dan het herzien van oude beelden. Foto’s geven mooie herinneringen, maar een geur laat het je herbeleven. Soms verlang ik nog wel eens naar dat oude trappenhuis.

De duif wipt wat onzeker om me heen. Het plekje op het eerste perron van Utrecht Centraal is rustig. De meeste reizigers staan elders, waar over enkele minuten de trein het station zal inrijden. Ik sta lekker in de schaduw. Laat de rest maar in de zinderende hitte zitten. Ik wacht wel tot ik in de trein met airconditioning plaats kan nemen. Ik neem een hap van mijn broodje. De duif begint nu zenuwachtig heen en weer te wippen. Hij gaat ervan uit dat er in no time een paar eetbare kruimels op de tegels van het perron vallen.

Ik heb een hekel aan duiven. Sowieso aan vogels. Dat fladdert maar met de vleugels zo vlak langs je hoofd en ze ontlasten zich wanneer en waar het hen maar uitkomt. Daarnaast vind ik duiven ook lelijk. De exemplaren die ik op verschillende stations in Nederland zie, lijken wel te zijn gemuteerd tot gedrochten. Met hun te kleine kopjes en afschuwelijk mismaakte vogelpootjes. Ik zie sommige duivenexemplaren voorbij strompelen die niet anders kunnen dan waggelend rondlopen. De pootjes zijn vergroeid en mismaakt.

De duif, in afwachting van de kruimels van mijn broodje, heeft echter nog perfecte duivenpootjes. Het geduldige beestje op het perron van Utrecht Centraal lijkt op het duivenexemplaar van het ‘Aap Noot Mies leesplankje’. Als het dier het wenst, kan het statig over de tegels rondlopen. Ik voel al bijna enige binding met het gevederde ongedierte. Hoe cliché, en waar: de mens laat zich het liefst omringen door perfectie. Daarbij zichzelf immer wegcijferend in dat perfecte beeld.

In de verte zie ik dat mijn trein het station inrijdt en ik neem snel een paar flinke happen. Grote kruimels vallen omlaag en de duif doet een dansje van vreugde. Hij wipt gulzig van kruimel naar kruimel. Voordat ik naar de trein loop laat ik de laatste hap van het broodje uit mijn hand vallen. Enthousiast begint het dier aan het feestmaal. Twee andere duiven komen aanvliegen. Ze strompelen met vergroeide pootjes naar de restjes en happen gezellig wat kruimels mee. Ik laat de dieren achter voor wat ze zijn.

Het is maandagavond, kwart voor zeven. Ik heb over 10 minuten een afspraak in de agenda staan bij de dermatoloog. Na een wandeling door een hevige regenbui kom ik natter dan gewenst aan in het Flevoziekenhuis. Een kleine zoektocht door het ziekenhuis (linksaf, schuin oversteken, rechtdoor, rechtsaf, de lift naar de tweede etage en dan vervolgens de aan het plafond bevestigde wegwijsbordjes volgen) brengt me bij de afdeling dermatologie. Bij de receptie word ik begroet door een jongedame met een vrolijk gekleurde hidjab op haar hoofd en een net zo vrolijk gezicht. Ze vraagt me om mijn geboortedatum en vervolgens om mijn ID-kaart, die ik haar overhandig. Ze voert wat gegevens in, geeft me mijn kaart terug en verzoekt me te wachten tot ik door de dokter word geroepen.

Ik neem plaats. Een paar wachtenden kijken afwezig naar hun smartphones. Een ouder meisje heeft waarschijnlijk een minder leuk berichtje op haar mobieltje ontvangen, want ze kijk chagrijnig naar het schermpje. Op een televisiescherm aan de wand van de wachtkamer is middels een afdelingspresentatie te zien dat er veel dermatologen in opleiding zijn. Ik duik ook maar even in mijn mobieltje en laat via de Swarm-app aan mijn volgers weten dat ik ben ingecheckt bij het Flevoziekenhuis. Nog voordat ik andere apps kan checken word ik al door de dermatoloog in opleiding opgehaald. Ze leidt mij naar een behandelkamer en vraagt me plaats te nemen.

Er volgt in een soort van intakegesprek. Ik doe eigenlijk het zelfde verhaal zoals ik al een paar weken geleden bij de huisarts heb gedaan. De dermatoloog in opleiding neemt de moedervlek nog eens grondig onder de loep en stelt dezelfde vraag als de huisarts: of ik de moedervlek wil laten verwijderen. Ik zeg wederom dat ik dit wil. Ik vertel met een glimlach wel klaar te zijn met het weg photoshoppen van de moedervlek op selfies. Ze hinnikt een beetje. Het is niet echt lachen. Ze zegt even in overleg te gaan over het hoe en wanneer de moedervlek te verwijderen. Ik geef toch even aan dat in de verwijsbrief een melding staat dat bij dit bezoek de moedervlek meteen verwijderd zou worden. Ze neemt dit op met de dermatoloog mét opleiding en vertrekt uit de behandelkamer.

Na anderhalve minuut op de behandeltafel te hebben gewacht komt de dermatoloog in opleiding terug met nog een leerling dermatoloog en de dermatoloog zelf. We geven elkaar de hand. Gekleed in steriel wit staan ze om me heen. De dermatoloog zegt tegen niemand in het bijzonder dat de moedervlek makkelijk is weg te lepelen, zonder de lederhuid te beschadigen. De tweede dermatoloog in opleiding gaat met de verdovingsprik in de weer en de dermatoloog zelf geeft me een ijzeren stang in mijn handen. Dit is om mij te aarden. Ze gaan vast iets met elektriciteit doen en ik vraag verbaasd hardop of ik mijn mobiel dan niet moet uitzetten. Ik zie mezelf al schokkend en op mijnt tong bijtend op de behandeltafel liggen. ‘Dat is niet nodig’, zegt de dermatoloog lichtelijk lachend.

Het verdovend prikje dat volgt is even geniepig, maar als snel voel ik niets meer en begint de eerste dermatoloog in opleiding met het wegschrapen van de moedervlek. Uiteindelijk duurt deze kleine operatie nog geen 5 minuten en nadat de dermatoloog in opleiding mij een pleister op de wond legt, mag ik weer rechtop gaan zitten. De dermatoloog mét opleiding en de tweede dermatoloog in opleiding vertrekken weer nadat ze me de hand hebben geschud. De eerste dermatoloog in opleiding praat me even bij over wat er nu gaat gebeuren. Terwijl ze een sticker op een potje met daarin de weggesneden moedervlek plakt, zegt ze dat ze mij over 2 weken zal bellen met de uitslag van de moedervlek op kweek. Of het goedaardig of kwaadaardig is. Ik ga er maar vanuit  dat het goedaardig is, anders duren de komende 2 weken wel heel erg lang. We schudden elkaar de hand en nog eens een paar minuten later sta ik buiten. Het is gestopt met regenen.

Een oudere vrouw in de trein kijkt de vrouw schuin tegenover haar aan. Ze buigt voorover en zegt: ‘Ik ken jou.’ De toegesproken vrouw kijkt een fractie van een seconde naar links, naar haar medereizigster, en kijkt de andere vrouw nu aandachtig in het gezicht. De oudere vrouw wacht niet op een antwoord en vertelt: ‘Ja, ik ken jou anders dan dat jij mij kent. Onze moeders hebben destijds in hetzelfde verzorgingshuis gelegen.’ Het gezicht van de aangesproken vrouw klaart op en weet de oudere vrouw schuin tegenover haar te plaatsen.

‘Och ja, nu zie ik het! Hoe is het met u?’ De oudere vrouw geeft vervolgens een uitgebreid antwoord op de vraag (het gaat goed met haar, ze is inmiddels 62 jaar oud en geniet van het leven: kinderen en kleinkinderen). Ze begint herinneringen van -naar wat ik later verneem, meer dan 30 geleden op te rakelen en de verdere treinreis worden mijn medereizigers en ik overspoeld met verhalen van toen. Vergeten herinneringen van weekenden en schoolvakanties die ze met elkaar hebben doorgebracht worden door de oudere vrouw opgerakeld en door de jongere vrouw ontvangen met een sentimenteel ‘och-ja’.

De oudere vrouw haalt de ene herinnering na de ander op en wanneer de trein het station van Hilversum inrijdt, zegt de oudere vrouw halvelings geschrokken dat ze er hier uit moet. Er wordt afscheid genomen en er moeten groetjes overgebracht worden. Deze worden beloofd, want vanavond gaat ze naar de verjaardag van haar zus -die al eerder in de herinneringen werd aangehaald, en ze zal de groetjes zeker overbrengen. De jongere vrouw knikt tevreden.

Wanneer de oudere vrouw de trein heeft verlaten kijkt de achtergebleven jonge vrouw haar medereizigster aan en verklaart het hartstikke leuk te vinden dat ze de oudere vrouw weer heeft gesproken. Het is nu stil in de trein. De medereizigster -die de gehele reis geen moment aan het woord is gekomen verklaart dat de oudere vrouw wel een enorme kletsmajoor is. De jongere vrouw glimlacht en antwoordt met: ‘Ja, dat was ik dus niet vergeten.’

De dorpsgek. Het is natuurlijk een denigrerende bijnaam voor een persoon die zich niet schikt naar de normale gedragsnormen in een dorp of stad. Maar vaak gedragen ze zich ze luid en roepen ze rare dingen. Ze sluiten zich op deze manier buiten de groep. Het lijkt dat iedere dorpsgek een verhaal heeft. Het is in ieder geval een aardige bijkomstigheid.

Vroeger had je in Den Helder de ‘gek’ Pietje de Teller. Een van de dorpsgekken die deze stad rijk was. Pietje telde alles wat los en vast zat. In mijn herinnering kwam hij nooit verder dan het getal 50 en begon hij iedere keer opnieuw met tellen. Of het werkelijk ook zo gebeurde, is me te wazig in herinnering. Naast Pietje de Teller hadden we in Den Helder nog een Pietje rondlopen. Pietje Lont. Hij was een altijd aanwezig persoon.

Jodelend en in beschonken toestand liep hij door de straten van Den Helder. Volgens de overlevering was Pietje de kleinzoon van de laatste Duitse keizer Wilhelm. Ik heb geen idee of dit ook zo was. Pietje Lont was de altijd dronken -bijna- Duitse monarch en hij was vaak in het gezelschap te vinden van de kleurrijke en vooral altijd luid lachende Antilliaanse Carmalita. Tegenwoordig lijkt iedere stad in Nederland bevolkt door gekken.

In de stad Almere is dat zeker het geval. Vandaag was er weer zo een idioot die het nodig vond om een ruit van een vertrekkende stadsbus in te slaan. Alleen omdat de bus vertrok zonder deze dorpsgek. Ik ga niet zeggen dat het me doet verlangen naar vroeger, maar een aantal jaren geleden was het aantal dorpsgekken nog te overzien. Vandaag zijn er te veel mensen die buiten de standaardnorm van de samenleving vallen.

 

Het is lekker koel in de trein. De afgelopen dagen waren buitengewoon warm. Momenten dat je alleen maar onderuitgezakt in de schaduw wilt liggen, omdat alleen het inhaleren van zuurstof je al te veel energie kost. De twintig minuten durende busrit van Nieuwegein naar Utrecht lijkt een rit door de hel. Het is in de bus waarschijnlijk nog warmer dan het in de hel kan zijn. De airco draait voor niets. Veel kabaal. Totaal geen verfrissing, noch verlichting. Dat is ook aan de medereizigers te zien. Uitgeput en moedeloos kijken we voor ons uit. De natte plekken op ruggen en in oksels negerend.

Nee, in de trein is het prima vertoeven. Lekker fris. Het is heimelijk aangenaam genieten om de fietsers buiten verhit over de fietspaden te zien gaan. Bij het station van Hilversum stappen meerdere reizigers in de trein. Aangenaam verrast ervaren ze de door de airco gekoelde lucht op het lichaam, en met een welgemeende glimlach nemen ze opgelucht plaats. De trein vertrekt en in gedachten ben ik al een kwartier verder op de dag. Aangekomen in Almere. In de achtertuin lommerrijk onder de walnotenboom, genietend van een Radler, een biertje met citroensmaak. Eigenlijk is het allemaal zo slecht nog niet.

Zo’n twee jaar geleden verkondigde zich uit het niets, en spontaan een moedervlek boven mijn wenkbrauw aan. Toen ik vorige maand het idee had dat het ding groter groeide, verloor ik het vertrouwen in de vlek en besloot ik de huisarts er naar te laten kijken. Een afspraak was snel gemaakt en daarom mocht ik afgelopen woensdagmiddag de huisarts in de huisartsenpost in Almere-Filmwijk met een bezoek vereren.

Ik was al vroeg in de middag van het werk vanuit Nieuwegein vertrokken om in ieder geval op tijd te zijn voor het bezoek dat voor 16:00 uur in Almere was ingepland. Een kwartier van te voren was ik thuis aangekomen. Door het klamme en benauwde weer besloot ik me eerst om te kleden om in ieder geval representatief (in droge kleren) bij de dokter te zijn. Tien voor vier sloot ik de voordeur achter me en liep ik naar de huisartsenpost.

Ruim op tijd melde ik me bij de receptioniste, nadat een zeer boze en chagrijnige meneer zijn ongenoegen had geuit omtrent het lange wachten in het gebouw. Met een bezweet hoofd zei hij met luide stem dat hij het zeer vreemd vond dat de dame achter de balie niet kon vertellen hoe lang hij nog moest wachten. Als er echte medische pilletjes voor vrolijkheid bestaan, dan is deze meneer er zeker aan toe. Wat een bullebak.

Nadat ik nog geen 5 minuten heb zitten wachten werd ik al snel door dokter Betlem opgehaald. Ik mocht plaats nemen. Ze verontschuldigde zich voor het feit dat ik vandaag niet mijn vaste huisarts te spreken kreeg. Ik wimpelde de verontschuldiging weg met de opmerking dat ik vaker een vervanger te spreken krijg, dan mijn eigenlijke huisarts. Je kan er boos om worden, maar ik heb liever dat iemand die mij nog niet kent een onderzoek verleent.

Nadat de dokter de moedervlek letterlijk onder de loep heeft genomen kan ze me geruststellen. De vlek heeft alle eigenschappen van een onschuldige moedervlek. Het heeft niets bedreigends. Dokter Betlem vraagt me of ik de vlek wil laten weghalen en ik reageer hier positief op. De laatste tijd is het ding, in mijn beleving, ook meer aanwezig. Weg ermee! Ik krijg een doorverwijzingsbrief om een afspraak te maken met de dermatoloog en om kwart over vier sta ik weer buiten.

De eindeloze discussie over Zwarte Piet, die al sinds november 2012 bijna iedere maand met gedrevenheid in het nieuws wordt bericht, is -helaas- nog steeds een geliefde bezigheid in Nederland. Ook op 1 juni 2016 wil iedereen zijn of haar mening spuien. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar en iedere nuance is als Sinterklaas op 6 december: verdwenen. Ik denk dan enigszins weemoedig aan de sinterklaasmomenten van toen. Zonder een schreeuwende discussie. Gemoedelijk, zoals Simon Carmiggelt het zo’n veertig jaar geleden zo mooi kon vertellen.

In de hal van Madame Tussauds’ in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’ – ‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. ‘Nou, zing ’t dan maar,’ zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.

Het wassen duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.

Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. ‘Het Was een meisje,’ zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik. Hij glimlachte. ‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’

Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. 1920. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man. ‘Tegenwoordig hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na. ‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.’

Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij. ‘Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekje van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En?’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte, en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: ‘Verdorie, wat ’n rij nog.’