Laatst was ik bezig met het installeren van onze huistelefoon, de meeste mensen om mij heen zijn overgaan naar alleen een mobiel exemplaar, maar wij houden nog even vast aan de vaste telefoon van het huis. Tijdens de onnodig ingewikkelde installatie moest ik op een gegeven moment een boodschap inspreken voor onze voicemail om verder te gaan. 

Ik kon pas verder met installeren nadat ik een boodschap had ingesproken. Hevig geïrriteerd, maar met genoeg gevoel voor drama, sprak ik een onzin-boodschap in met de mededeling dat we niet thuis waren: druk in het uitgaansleven, coke snuivend op zoek naar jonge, strakke mannen. Hierna kon ik eindelijk verder met het installeren.

Nadat de telefoon bijna geïnstalleerd was en klaar voor gebruik lukte me het helaas niet om de eerder opgenomen onzin-boodschap te wissen. Hoe ik ook probeerde, de ingesproken boodschap bleef op het toestel staan. Irritant werd het toen het toestel overging en het me niet lukte om de beller te woord te staan. Wie zou mijn ingesproken boodschap te horen krijgen?

Een zoekopdracht op het internet bracht geen oplossing meer om de telefoon normaal te laten functioneren. Voordat ik ook maar iets verder kwam met het uitzoeken van het normaal functioneren van de telefoon, hoorde ik op de radio dat mijn zojuist ingesproken boodschap in de finale was gekomen van de meest opmerkelijke voicemailberichten. Nee! Dit kon niet waar zijn!

Met de zenuwen in mijn keel schrok ik wakker. Het duurde even voordat ik doorhad wat me zojuist was overkomen. Het was maar een droom geweest. Geen kapotte telefoons, geen radioprogramma’s met schreeuwerige DJ’s en al helemaal geen idioot ingesproken voicemailberichten. Toen ik eenmaal uit bed was en onder de douche goed wakker, moest ik toch wel lachen.

Afgelopen zaterdag werd EuroPride 2016 geopend met onder andere de Pride Walk, welke van het Vondelpark naar de Dam in Amsterdam liep. Ik werd geraakt door het beeld van alle vlaggen tijdens deze walk van die landen waar homoseksualiteit nog steeds niet is geaccepteerd. En strafbaar is. Het waren 79 vlaggen. Dat is geen handjevol meer. Bijna 80 landen waar homoseksuele mannen en vrouwen geen bestaansrecht hebben.

Ondanks deze bittere reality check ben ik enorm dankbaar in een land te kunnen leven waar mijn geaardheid niet strafbaar is. Ook al was homoseksualiteit vroeger, in mijn jeugd, niet alledaags. In 1971, het jaar dat ik mijn vijfde verjaardag mocht vieren, was homoseksualiteit pas niet meer strafbaar in Nederland. Als kind wist ik wel dat sommige mannen ‘van de verkeerde kant’ waren, maar ik stond er verder niet bij stil.

Dat veranderde zo’n 10 jaar later. Tijdens mijn pubertijd. Toen ik in de brugklas bewust werd van het feit dat ik graag en constant bij een zekere klasgenoot in de buurt wilde zijn. Het had niets seksueels, maar ik schrok wel van de gedachte dat ik verliefd op een jongen was geworden. In mijn veroordeling behoorde ik nu tot het clubje van Albert Mol en Jos Brink. Dit was niet het beeld dat ik mijn jonge leven lang voor ogen heb gehad.

Ik zag er enorm tegenop om voor mijn geaardheid uit te komen. Ten eerste voor mijzelf en later pas voor de buitenwereld. Ik kroop bij kans nog dieper de figuurlijke kast in, en bouwde er een flinke muur omheen. Leven in ontkenning is niet goed. Na een paar jaar was ik toch bereid om mijn homoseksualiteit te willen accepteren en ben ik op een zaterdagavond naar een COC-avond in Den Helder gegaan.

Ik dacht een stap vooruit te zetten, maar het werden een paar stappen achteruit. Ik voelde me totaal niet op mijn plek tussen de andere homoseksuele mannen en vrouwen. De zondagochtend na mijn bezoek was ik er van overtuigd dat ik niet homoseksueel was en dat dit gewoon een fase was. Een periode waar ik al een paar jaar in zat, en nog een paar jaar in zou blijven hangen.

In april 1993 leerde ik een andere homoseksuele jongen kennen* waarbij ik me helemaal op mijn gemak voelde. Hij bleek het figuurlijke lot uit de loterij te zijn en voor mij reden om 100% mezelf te willen zijn. Er ging een nieuwe wereld voor me open en uiteindelijk ben ik naar iedereen voor mijn geaardheid uitgekomen. De angst om anders te zijn bleek totaal ongegrond. Iets te lang heb ik gewacht om trots op mezelf te zijn.

Treuren om verloren jaren heeft geen zin. Je bereikt er niets mee en krijgt ze er niet mee terug. Ik geniet van het leven, nu ik helemaal mezelf wil zijn. Daarom is het ook zo belangrijk dat alle homoseksuele mannen en vrouwen op deze wereld het recht hebben om te zijn wie ze zijn. Er gebeuren genoeg nare dingen in de wereld om je ook maar druk te maken over de geaardheid van een ander. Of je eigen geaardheid. Wees jezelf. Wees trots.

*waarmee ik tot op de dag van vandaag nog steeds hartstikke blij mee ben.

Bij de Starbucks op Utrecht Centraal sta ik in een korte rij te wachten om een Chai Tea Latte te bestellen. Koffie drink ik eigenlijk alleen zwart. De Efteling-achtige varianten aan koffie mag de Starbucks van mij aan hun andere klanten slijten. Karamel met slagroom in je koffie, ik moet er niet aan denken. Bestel dan meteen een kilo aan overgewicht.

Na ruim 5 minuten wachten is eindelijk de mevrouw voor me in de rij aan de beurt. Zwaar gedachteloos heeft ze staan wachten, want wanneer de Starbucksmedewerkster de bestelling wilt opnemen, weet mevrouw voor me geen keuze te maken. Ze twijfelt tussen twee koffievarianten van de Starbucks. Ze weet niet of ze trek heeft in chocolade of toch karamel.

Naast dat ze niet weet wat ze eigenlijk wil, weet haar innerlijke nieuwsgierigheid wel een paar vragen te stellen. Ze wilt graag weten hoe een andere koffievariant klaargemaakt wordt. ‘Wordt deze in laagjes ingeschonken of gaat het allemaal in een soort van blenderautomaat?’ De Starbucksmedewerkster kijkt verbaasd en ook verontschuldigend naar de rij achter de mevrouw voor me.

Mevrouw voor me kijkt zorgeloos achterom. Ik benijd haar een beetje. Ik wens zo arrogant te kunnen zijn. Ze ziet de rij wel staan, maar het gebrek aan cafeïne -of juist aan suiker, doet haar niet beseffen dat ze de wachtende klanten ophoudt. Een blik op de klok informeert me dat ik nog 10 minuten de tijd heb voordat mijn trein Utrecht Centraal verlaat. Mijn geplande dramatische zucht onderdruk ik bij deze gedachte.

Een Starbuckscollega, die meer verstand heeft van koffievarianten wordt bij mevrouw voor me gehaald om uit te leggen dat de gevraagde procedure van de koffievarianten niet van toepassing is. Uiteindelijk wordt er toch een keuze gemaakt. De Starbucksmedewerkster slaat de keuze aan op de kassa, maar mevrouw voor me wenst ook nog een muffin en een punt cheesecake. Toe maar. Je zult maar honger hebben.

Uiteindelijk ben ik aan de beurt. Op de vraag wat ik wil, bestel ik  mijn Chai Tea Latte en geef mijn naam door. Verderop kan ik mijn bestelling ophalen. Ik voel opluchting van de wachtende mensen achter me: er komt weer beweging in de rij. Voordat mevrouw voor me haar bestelling heeft ontvangen, loop ik even later met mijn Chai Tea Latte naar perron 3. Ik laat de mevrouw achter.

Op straat zie ik ze in steeds grotere getale lopen. De liefhebbers van het interactieve en populaire spel Pokémon Go. Deelnemers zijn in de echte wereld op zoek naar virtuele monstertjes die ze op hun smart phone kunnen vangen. Of verzamelen. Hiernaast kunnen ze deze monstertjes laten evolueren naar grotere monsters en dan laat je ze tegen elkaar vechten. Hoe dat allemaal gaat, dat is mij onbekend. Ik heb het spel uit nieuwsgierigheid op mijn mobiel gedownload, en ook een paar monstertjes gevangen. Hierna wist ik niet wat ik er verder mee moest.

In het spel wordt uitgelegd dat je in de buurt naar een gym kunt om te oefenen voor die Pokémon-gevechten. De dichtstbij zijnde gym hier in de buurt, is nabij de glasbak op de Cinemadreef. In het echt zie je de virtuele sportschool natuurlijk niet, alleen door het schermpje van je mobiel. Ik ben toen maar afgehaakt. Je ziet mij, een man van bijna vijftig, toch niet bij de glasbak minutenlang een virtueel gevecht staan vechten? Ik heb al een bedenkelijke reputatie bij de glasbak, daar hoeft er niet nog één bij. Ik dank u beleefd.

Voor mij geen virtuele wereld gevuld met de Pokémon-monsters. Geen bezoekjes aan Poké-stops. Deze stops zijn verzamelplaatsen bij bezienswaardigheden of op specifieke plekken waar de deelnemers virtuele bonussen kunnen verzamelen, zoals Pokémon balls (hiermee vang je de monstertjes) en andere gadgets die je verder helpen in het spel. Zo’n Poké-verzamelpunt hebben we ook hier in de buurt. Het bevind zich op een speelveldje voor kleine kinderen.

Als bijna vijftigjarige man bedenk je wel even voordat je op een kinderspeelplaats in een woonwijk met je mobieltje rond gaat hangen. Want als men vraagt wat je daar te zoeken hebt bij al die andere kinderen op het speelplaatsje, is het raar antwoorden dat je op een missie bent om daar kleine monstertjes te verzamelen, en wellicht nog wat extra bonussen.

Met zijn viertjes komen ze binnen lopen. Twee tienermeisjes, een jonge vrouw en een man. Luid en aanwezig zoeken ze een plaatsje. Het kind dat het eerst de trein inkomt valt op door een zwart kussentje op haar hoofd. Als ze met rechte rug had gelopen dacht je vast dat ze aan het oefenen was voor een baan als model op de catwalk. Het duurt even dat ik door heb dat het kussentje moet doorgaan voor het hoofddeksel die Amerikaanse geslaagden dragen wanneer ze hun High School hebben afgerond. Amerikaanse tradities vullen steeds vaker het Nederlands stadsbeeld.

Met zijn vieren nemen ze plaats ergens verderop achter me en het meisje met het zwarte kussentje, dat dus eigenlijk een mortarboard (mortelplank) heet, roept: ‘moet je nu toch horen! Stuurt die Jan mij een appje,’ ze neemt even pauze en spreekt in een stem die waarschijnlijk voor die van Jan moet doorgaan. ‘Hoi, ik vind het niet tof dat je mijn naam hebt genoemd toen er slecht over Bert werd gesproken.’ En weer terug in haar eigen stem: ‘Nou, wat vind je dáárvan?’ Ze roept het op een manier alsof ze van alle andere aanwezigen een antwoord verwacht.

De twee dames roepen ontzet en ontkennend, alsof ze niet kunnen geloven wat ze net hebben gehoord. De man schreeuwt bijna: ‘Weet je wat dit is? Dat stuurt Jan je gewoon om zichzelf in te dekken, zodat hij aan Bert deze app kan laten zien! Stuur maar meteen een reply dat je dit niet tof vind dat hij via WhatsApp zo zijn gezicht probeert te redden.’ Het klinkt als een bevel uit zijn mond. De twee dames zijn het met de man eens en sturen erop aan dat er gereageerd moet worden. Het meisje stuurt waarschijnlijk een berichtje naar Jan, want ze is even stil. Die stilte wordt overigens gevuld door de luide stem van de man. Hij praat alsof zijn mond niet helemaal in orde is. Een spraakgebrek. Of hij heeft eerder een alcoholisch drankje genuttigd.

Er wordt over en weer geroddeld over andere mensen uit de kennissenkring. De man heeft het nog even over die Irene. Een vrouw die hij, volgens hem niet echt kent. Hij zegt: ‘Ik kan niet echt een mening over Irene geven, want ik ken ‘r alleen via Facebook en een eenmalige ontmoeting, maar ik vind het een kutwijf.’ Het laatste woord wordt in lettergrepen uitgesproken. Sommige reizigers kijken verschrikt op. Laat het hen duidelijk zijn. Hij is geen liefhebber van Irene. Zo gaat het veroordelen even door. Ze hebben in hun enthousiasme niet door dat dit geroddel meer over hen zegt dan dat het iets meldt over Jan, Bert of over die Irene.

Ik reis nu langer dan drie maanden op en neer van thuislocatie naar werklocatie. Dit is een afstand van een kleine 50 kilometer en dat is weer goed voor 100 kilometer per dag, want aan het einde van de werkdag wil ik weer naar huis. Ja, toch wel. Dit doe ik met het openbaar vervoer en dat bevalt me prima. De vertragingen en andere obstakels op het spoorwegennet laat ik gemakshalve buiten beschouwing. Het aantal dagen met vertragingen per werkweek, zijn nog altijd op een hand te tellen.

Wat het reizen ook fijn maakt, of eerder interessant, zijn de mensen die je gaat leren kennen. Alleen van gezicht natuurlijk. Ik ben niet zo snel close met mijn medereizigers. Maar er zijn personen die met mij om 07:09 uur op de trein stappen en in Utrecht, richting Nieuwegein, nog een paar bushaltes meereizen. Dat maakt het voor mij, wanneer ik weer eens een ochtend vol zelfmedelijden op het perron sta, meer aangenaam. Tenslotte blijft gedeelde smart nog altijd halve smart. Dus voor de donkere bebrilde dame met haar altijd verzorgde weaves, die na station Utrecht Centraal nog 2 haltes met me meereist, tot aan bushalte Europaplein-Noord: ik mis je op een eigen manier wanneer je ’s ochtends niet op het perron in Almere op de trein stapt.

Dat geldt in mindere mate ook voor de corpulente mevrouw die samen met mij op station Almere-Centrum op de trein naar Utrecht Centraal stapt en uiteindelijk samen met mij uitstapt bij bushalte Martinbaan in Nieuwegein, omdat we op hetzelfde bedrijventerrein werken. Deze mevrouw werkt parttime en na al deze maanden weet ik nog steeds niet welke dagen ze werkt. Verder is er een man die op Almere-Poort meereist, en in Utrecht 4 haltes in de bus meereist. Hij stapt altijd netjes gekleed met zijn pilotenbril van het merk Ray Ban op het hoofd, uit bij de penitentiaire inrichting. Het is mij niet bekend of hij in de gevangenis werkt of dat hij bij Ballast Nedam werkt, het bouwbedrijf dat bij de gevangenis is gelokaliseerd.

Zo zijn er meerdere personen die me ondertussen een klein beetje bekend zijn geworden. De jongedame in haar All Star-gympies, die vanaf station Almere Muziekwijk meereist tot aan halte Kanaleneiland-Zuid in Utrecht (ik vermoed dat ze bij de IKEA werkt), en de kleine man die vanaf deze bushalte met me meereist naar Nieuwegein. Verder reis ik ook vaak met een Oost-Europese mevrouw mee, die altijd vrolijk kijkt en chique mantelpakjes draagt, met daaronder haar mooie, exclusieve schoenen. Laat ik vooral ook de Aziatische mevrouw niet vergeten. We reizen altijd 6 haltes lang naar onze bestemmingshalte. Ze is te herkennen aan haar zijden handschoenen die ze altijd draagt, en het bijkomstige eucalyptusluchtje.

Gisterochtend reisde ik vanaf station Utrecht Centraal helemaal alleen naar mijn werk. In de trein zag ik geen bekenden. Ik was niet de enige op reis, maar alle bovengenoemde personen ben ik gisteren in de trein of in de bus niet tegengekomen. Net toen we Utrecht uitreden en de zon achter een paar wolken schuil ging, voelde ik me voor een moment helemaal alleen in de overvolle bus.

Een deel van de Nederlandse bevolking is momenteel aan het vakantievieren. Ik las het zojuist op het internet dat de regio Midden- Nederland vrij is, maar ik had gisterochtend eigenlijk het vermoeden al. In de trein naar Nieuwegein is het wel heel rustig. Ik kan met gestrekte benen reizen, zonder dat een andere reiziger gezellig naast me komt zitten om me vervolgens de gehele reis te negeren door op het scherm van het mobieltje te staren. Nee, ik voel me net ietsje meer vrij zonder al die medereizigers op het spoor.

De afwezigheid van de grote groep vakantievierders, die de vrijdagochtend waarschijnlijk nog op een oor liggen te slapen of te snoozen, terwijl de trein het station Hilversum Sportpark achter zich laat, doet me denken aan de vakantietrips die ik in het verleden heb gemaakt. Om financiële reden is het inmiddels een paar jaar geleden dat ik echt op vakantie ben geweest. Ik moet eerlijk toegeven: ondanks dat ik best wel van reizen houd, heb ik het niet echt gemist. Dat is het voordeel van een leven leiden waarvan je geen enorme behoefte hebt om op vakantie te moeten gaan.

Niet dat ik geen zin meer heb om Nederland te verlaten, want dat is niet zo. Sterker nog: wanneer je me vertelt dat ik vanmiddag op een terras in Parijs kan zitten met een glas rood in de hand, dan ga ik nu meteen op zoek naar een koffer. Of in ieder geval een tas, groot genoeg voor een paar schone onderbroeken en sokken. Helaas zal mij vandaag deze mededeling niet gedaan worden. Ik ga me niet verheugen op een stedentrip. Ik plan binnenkort zelf een weekendtrip naar Parijs. Wanneer een ander het niet voor me doet, dan doe ik het zelf wel.

Hoewel het geen vakantie betreft, ben ik sinds gisteravond toch iets mee vrij. Niet qua werk -oké, wel als je het weekend meetelt, maar sinds gisteren heb ik mezelf bevrijd van het fenomeen Facebook. De laatste tijd kon ik steeds minder lachen wanneer ik op Facebook was ingelogd. Om te voorkomen dat de glimlach verandert in een grimas heb ik de digitale banden met het ‘sociale’ medium verbroken. Het gewauwel over Europa of racisme, of de ongevraagde, schreeuwende teksten dat je niet in Nederland thuishoort, wanneer je een eeuwenoude Nederlandse traditie echt eeuwen oud vindt, dragen daarbij aan.

Wat me over de streep heeft getrokken -om de stekker er uit te halen, is dat ik meer dan eens een vriendenvoorstel kreeg van verschillende personen waarmee ik alleen zakelijk e-mailcontact heb gehad. In mijn ogen heeft Facebook aangetoond over te veel informatie te beschikken. Facebook en ik matchen niet meer. Ik zal het op momenten missen, want het koekeloeren op Facebook is in de afgelopen jaren een gewoonte geworden en niets is moeilijker dan het doorbreken van oude gewoontes, maar ik denk dat het me wel zal lukken. Ik hoef er tenslotte niets voor te doen, en dat kan niet zo moeilijk zijn.

Ik zit samen met mijn echtgenoot in een van de vele sushirestaurants die Almere rijk is. Het interieur is simpel, maar wel typisch Japans ingericht. De eigenaar probeert de indruk te wekken dat er veel met rijstpapier is gewerkt, maar een beetje getraind oog ziet dat dit allemaal schijn is. Verder is de inrichting gewoontjes, zoals je van een Aziatisch restaurant kunt verwachten. Japanse afbeeldingen en idem beeldjes. Ik mis alleen nog de koi-karpers. Het is zondagavond en het is rustig. Dit komt waarschijnlijk door de vakantieperiode. De reguliere restaurantbezoekers zijn of onderweg naar-, of al aanwezig op het vakantieadres.

We zitten met maximaal twintig personen in het hele Japanse restaurant. Er is genoeg ruimte in het restaurant, maar de meeste bezoekers worden bij het raam aan de straatkant geplaatst. Zo ook wij twee. Ik vind dat een beetje jammer. Ik begrijp het wel: hierdoor lijkt het voor de wandelaars op straat nog druk in het restaurant, en hiermee wordt waarschijnlijk de weifelende restaurantbezoeker toch over de streep gehaald om binnen te komen. De eerste bestelronde is gedaan en we wachten geduldig op onze bestelling.

Naast ons zitten vier oudere mensen druk, maar gezellig te praten. De dames naast elkaar, de stoere mannen tegenover hen. Waar men zich voorheen nog een beetje netjes kleedde, wanneer ze uiteten ging, zit men de laatste jaren lekker casual in het restaurant te eten. Dat doen ze bij McDonalds namelijk ook. Dus gekleed in een tanktop en korte broek proppen ze zich met de eetstokjes in de handen vol. Tussen het eten door wordt gediscussieerd over beroemde Nederlanders die wel of niet in Almere wonen.

Een tafeltje verderop zit een jong gezin. Vader, moeder en twee broertjes. Ze schelen wellicht een paar jaar van elkaar, maar beiden zijn niet ouder dan acht. De ouders mogen trots zijn, want de kinderen weten zich netjes te gedragen. Ze eten netjes en met stokjes in de handen pikken ze het eten van tafel. De jongste heeft eetstokjes die bij elkaar worden gehouden met behulp van een elastiekje. ‘Zitten jullie lekker te genieten jongens?’ vraagt de vader glimlachend. De jongens knikken vol overtuiging. De monden zijn vol van de sushi.

Onze eerste bestelling wordt gereserveerd. Een rondje van sushi nigiri en sushi maki. De vleesgerechten en andere lekkernijen bestellen we in een latere bestelronde. Naast ons is men nog druk in discussie over een televisiepresentator, of deze nu wel of niet in Almere woont. Ik kijk mijn echtgenoot aan. Hij weet het ook niet. De oudste van de twee zoontjes, een tafeltje verder, zegt tegen zijn vader dat hij later sushikok wilt worden. Dan kan hij iedere dag sushi eten. Zijn jongere broer zegt rap, nadat hij eerst zijn mond heeft leeggegeten: ‘Ik ook!’
Wij zijn inmiddels toe aan het bestellen van ons tweede rondje sushi.

In het leescafé van de Nieuwe Bibliotheek wordt het jongetje, dat hooguit vijf jaar is, aan de hand binnengevoerd door zijn moeder, een rank meisjesachtig type, dat de voorgeschreven mode met overtuiging draagt. In haar afgedragen Uggs gaat ze aan een tafeltje vlak bij me zitten en zegt tegen de dame achter de bar: ‘Eén cappuccino en een Fristi voor hem. Heb u ook ijs?’
‘IJs?’ vraagt de dame achter de bar, op een toon of haar een portie plutonium wordt besteld.’
‘Die mevrouw heb geen ijs,’ zegt ze tegen het jongetje. ‘Maar dan krijg je straks wel iets lekkers. Als we bij Angry Birds in de bioscoop zijn. Gaan we lekker naar toe hè? Ventje van me. Naar Angry Birds. Maar eerst tante Shirley en Tyrone ophalen. Die gaan ook mee. Hè? Moet je even stil zijn, dan kan mama even met tante Shirley bellen. Om te zeggen dat we d’r aankomen.’

De dame loopt vanachter de bar en plaatst de bestelling, een cappuccino en een Fristi, met een licht overdreven elan op het kleine vierkante tafeltje. De moeder krijgt verbinding met de andere kant van het gesprek:
‘Hoi Shirley, schat. Hè? Ja, ik ook. Helemaal in de kreukels. We hadden niet meer met Steve mee moeten gaan, natuurlijk. Maar ’t was wel lachen, hè? Heb jij al iets gelezen dan? Ik ook niet. Het zal wel helemaal mis zijn gegaan. Dit kun je toch niet meer maken, op toneel. Hè? Nee, de wagen heb ik terug. Hij was weggesleept, door de gemeente. Nou ja, ik had ‘m ook zomaar gedumpt daar. Niks kostte het. Gek hè? Zeker service of zoiets. Zeg, ik kom d’r nou an met het ventje van me, voor Angry Birds. Wat? En Tyrone dan? O ja? Wat maf van hem. De oliebol. Maar dan kom ik toch zeker helpen. Tuurlijk. Hoe laat is die opening? Hebben we nog alle tijd. Tot dadelijk dan. Ciao.’

Haar aandacht ging weer naar het jongetje, dat zuinig zijn Fristi door het rietje dronk. ‘Gaan we nou naar Angry Birds?’ vraagt hij.
‘Nee, we gaan morgen naar Angry Birds,’ antwoordt ze. ‘Mamma moet vanmiddag even met tante Shirley gaan helpen om de schilderijen op te hangen van Ome Sjon, en stukjes kaas snijden en zo. En dan krijg jij een grote rol drop en dan brengt tante Lucia jou en Tyrone naar de kapper om je haartjes te laten knippen. Je weet wel, die aardige kapper, vlak bij tante Shirley. Leuk hè? Drink je Fristi nou maar lekker op. O, kijk eens wie daar loopt? Ome René.’
Ze staat op en wuift enthousiast. Een jongeman blijft bij de tijdschriften stilstaan, kijkt naar haar en loopt het leescafé binnen.
‘Hey René, schat,’zegt ze, en sluit hem in de armen. De jongen draagt een rode trainingsbroek met het kruis ter hoogte van zijn knieën en kijkt met grote, donkere ogen droevig de wereld in.

Wanneer hij ook aan het tafeltje zit zegt ze: ‘Stel je toch voor. Sjon is zijn hele tentoonstelling vergeten. De oliebol. Ik zou met Shirley en Tyrone en dit ventje van me hier naar de bioscoop, maar nou ga ik helpen hangen en de catering voor de borrel klaarmaken. Anders kan ’t niet eens open om vijf uur als de bobo’s komen.’
De jongeman heeft zijn hand liefkozend op het hoofd van het jongetje gelegd. Daarna kijkt hij haar aan en mompelt iets onverstaanbaars.
‘O, maar dat zou picobello zijn,’roept ze. En tegen het kind: ‘Weet je met wie je nou mee mag, ventje van me? Met ome René.’
‘Naar de kapper?’ vraagt het jongetje.
‘Nee schat. Naar Angry Birds. Je zou toch naar Angry Birds? Nou gaat ome René met jou naar Angry Birds. Leuk he`?’

Het kind duwt het pakje Fristi met uitgestrekte armen voor zich uit en knikt.
‘Nou gaat mamma even de bioscoop bellen om plaatsjes te bestellen,’ en ze haalt haar mobieltje tevoorschijn. ‘Hallo? Ik wou graag twee mooie plaatsen voor Angry Birds vanmiddag. Wat? Helemaal? O, de vakantie. Ja, daar is dan niks aan te doen. Ciao.’
Het kind zucht lichtjes. De vrouw bergt haar mobieltje op.
‘Zeg, ventje van me, alle plaatsjes zijn uitverkocht, zegt de meneer van de bios. Jammer hè? Maar dan gaan we morgen naar Angry Birds. En dan mag jij vanmiddag lekker met Tyrone naar de kapper. Die aardige kapper, bij tante Shirley, weet je wel? Leuk hè?’

Naar een kronkel van Simon Carmiggelt