En zo zijn we aangekomen op de laatste dag van de maand. Het was de maand waarvan ik dacht dat ik hier om de dag wel een paar regels tekst wilde schrijven. Het viel me niet altijd mee om met een verhaal op de proppen te komen. Ik heb mezelf dan ook een enkele keer de creatieve vrijheid gegund om het een en ander aan te passen, om het -hoop ik, leuker te maken. Het gaat tenslotte om het verhaal en niet zozeer om mezelf.

Soms moet je de dingen een beetje aandikken, mooier maken en soms is mijn eigen mening via de mond van een medereiziger in de trein naar voren gekomen. De mens gaat niet altijd correct met de waarheid om. Als sinds we in grotten en op stenen tabletten verhalen begonnen te vertellen. Kijk maar naar de heilige geschriften waar mensen al duizenden jaren geïnspireerd door raken.

Het zijn die heilige verhalen van een paar millennium geleden die de eerste honderden jaren alleen mondeling werden doorverteld en later pas op papyrusrollen zijn geschreven. Hierbij is in deze geschreven verhalen na meerdere vertalingen en herschrijvingen de originele kern van het verhaal totaal verloren. Miljoenen mensen doen vandaag de dag nog steeds de aanname dat de verhalen van duizenden jaren geleden nog steeds 100% waarheid is.

Ik voel me daarom ook niet schuldig wanneer ik een paar regels tekst schrijf die wel, of niet op waarheid zijn berust. Of iets anders zijn gegaan. Zo zat ik van de week in de trein vanuit Utrecht naar huis, toen een oudere mevrouw tegenover mij plaats nam. Ze droeg een zomerjurkje die ze een tiental zomers te laat droeg. Het was meer een jurk voor tienermeisjes. Maar ja, iedereen heeft zo een beeld van zichzelf die niet zo bij iedereen overeenkomt.

Ze was zwaar telefonisch in gesprek de trein binnengekomen en was nog steeds aan het woord. Het gesprek betrof een eenrichtingsverkeergesprek.
‘Het was gênant! Ik zeg tegen die man dat ik graag bij hen wilde werken en hij vroeg me naar mijn huidige baan. Of ik het daar naar mijn zin had. Ik zei dat ik er nog niet zo lang werkte, maar het idee had dat ik mijn langste tijd er wel op had zitten.’

De vrouw keek even op, de trein in. ‘Weet je wat hij tegen me zei? “Ik denk ook dat u uw langste tijd daar heeft gehad. Ik ben namelijk ook eigenaar van het bedrijf waar u nu werkt.” Ik dacht dat ik door de grond kon zakken. Meid, ik zat met me mond vol tanden. Hoe gênant..’
Ook ik vond het pijnlijk. Om aan te horen. Het voelde ongemakkelijk om getuige te moeten zijn van dit telefoongesprek.

Aan het eind van de middag kwam mijn man met een tas vol boodschappen thuis en zei: ‘Je moet de groeten hebben.’
‘Van wie?’ vroeg ik.
Ofschoon het een redelijke vraag was, keek hij een beetje geïrriteerd. Hij begon zijn jas uit te trekken en zei: ‘Ja, van wie? Dat is het nou juist. Ik weet de naam bijna, maar toch net niet. Het ligt in m’n mond, maar het wil er niet uit. Dat heb ik steeds meer tegenwoordig.’
‘Ik ook,’ zei ik.
Hij liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Toen hij in de kamer terugkeerde, vroeg ik: ‘Was ’t een man of een vrouw?’
‘Een man natuurlijk.’
‘Wat is daar zo natuurlijk aan?’
‘Ik heb ‘m toch gezien.’
‘Ja, maar ik niet,’ zei ik. ‘Wat voor sóórt man? Wat doet-ie?’
‘Ik weet niet. Het is  wel een hele leuke jongen. We hebben wat afgelachen met hem.’
‘Is-ie in de twintig of in de dertig?’
‘Ben je gek, hij is minstens vijftig,’ riep hij.
‘Vijftig is de ouderdom der jeugd en de jeugd der ouderdom,’ zei ik.
‘Heel goed. Een spreuk zeker niet van jou.’
‘Van Victor Hugo. Maar waarom noem jij een man van vijftig een jongen?’
‘Omdat-ie nog een jongen was toen we zoveel met hem lachten. Maar dat was vijfentwintig jaar geleden. Toen we nog dag en nacht op weg waren. We vonden hem in elke kroeg. Toe nou. Hij had geen gewone naam. Hè, zeg nou eens wat.’
‘Detlev Klaasvader?’ opperde ik.
‘Zo heet niemand,’ riep hij geërgerd. ‘Hij is klein en dun en beweeglijk. Dat ik nou niet op die naam kan komen… Als ik ‘m zei zou je meteen roepen: “O, die.” En ik heb ‘m bijna. Een beetje vreemde naam.’
‘Wiebe Worgdrager?’
‘Hè, doe nou niet zo lollig.’
‘Rustig maar,’ zei ik. ‘Laten we methodisch te werk gaan. We kunnen hem misschien opbouwen uit bijpassende gegevens. Jij hebt vanmiddag met hem gesproken. Wat vertelde hij?’
‘Niks.’
‘Niks? Hoe kan dat nou?’
‘Ik liep bij de supermarkt in de buurt,’ zei hij. ‘En hij liep op de andere stoep in de tegenovergestelde richting. We wuifden naar elkaar. En hij riep: ‘Doe de groeten.’ Meer niet. Op dat ogenblik wist ik hoe hij heette, maar het zakte meteen weg. En het wil niet terugkomen.’
Mijn man schudde zorgelijk zijn hoofd.
‘Ik word seniel, geloof ik,’ zei hij.
‘Zolang je mijn naam nog weet is er niets aan de hand. Laten we doorgaan. Vroeger hebben we hem vaak ontmoet. Weet je dáárover nog bijzonderheden die zouden kunnen leiden tot het vaststellen van zijn identiteit?’
‘Nou, veel gelachen, hè…’
‘Dat hebben we met veel bekenden gedaan.’
‘Wacht eens, hij was met zo’n blond meisje. Een mooi meisje.’
‘Naam?’ vroeg ik.
‘Weet ik niet. Maar haar vader was een soort schrijver, die ook altijd in de kroeg zat.’
‘Hoe heette die dan?’
‘Een heel gewone naam. Als Jansen, maar dan anders.’
‘Zal ik je de ledenlijst van de Vereniging van Letterkundigen even voorlezen?’ vroeg ik.
‘O nee, daar is-ie vast geen lid van. Een veel te dwarse man. Eénling. En geschreven heeft-ie niks, want hij ging later pas schrijven, als er een betere wereld was.’
‘Dat kan dus wel nog even een tijdje aanlopen,’ zei ik. ‘Hoe zag hij eruit?’
‘Een rond wit gezicht. Hij dronk altijd pils.’
‘Laten we het opgeven,’ zei ik. ‘Ze hebben allemaal ronde witte gezichten en ze drinken allemaal pils.’
Zo eindigde het gesprek in de middag. Maar ’s nachts werd ik met een schok wakker. Er brandde licht en mijn man zat op de rand van het bed.
‘Wat doe je?’ vroeg ik.
‘Hè, ik had ‘m bijna, die naam,’ riep hij. ‘Nou is-ie weer weg.’
Ik draaide me op mijn andere zij en sprak: ‘Laten we gaan slapen. Hoofdzaak is dat ik de groeten heb.’

Vrij bewerkt naar Simon Carmiggelt. Uit: ‘Vroeger Kon Je Lachen, 1977’.

Vrijdag was het mijn laatste vakantiedag. Ik had besloten om al vroeg te gaan hardlopen, aangezien het om 7 uur in de ochtend al 21 graden was. Ondanks een lichte blessure heb ik een rondje van 10 kilometer gelopen. Verder had ik in de planning staan om deze dag naar het Almere-strand te gaan. De beste verkoeling is afkoeling op, of nabij het water.

Het Almere-strand vind ik persoonlijk geen echt strand, je ligt op de oever van een meer. Niets lijkt op het zandstrand aan zee, maar bij gebrek aan beter is dit een goed alternatief. Ik zat even na 10 uur al op de fiets, maar halverwege mijn rit naar het strand bedacht ik dat ik mijn zonnebrandcrème was vergeten mee te nemen, en zo ook mijn zwembroek.

De zonnebrandcrème kon ik nog snel bij een supermarkt aanschaffen. € 4,50 voor 50 milliliter. Het is dat je niet zonder uv-bescherming in het zonnetje kan zitten, en het aankoopbedrag stelt eigenlijk niets voor in vergelijking met de huidziektes die je ermee kunt voorkomen, maar het is niet goedkoop.

Met de nieuwe minitube op zak ging ik verder op de fiets naar mijn bestemming. Eenmaal op het strandje ben ik een paar honderd meter doorgelopen, naar het gedeelte waar je zonder badkleding, in je blootje mag recreëren. Geen zwembroek is geen zwembroek, en ik ga alleen naar het strand om er op een handdoek te liggen. Niet om te volleyballen.

Het werd de tube zonnebrandcrème uitknijpen, liggen en genieten. Aangezien ik het ‘die hard’ zonnebaden al lang niet meer als prettig ervaar, ben ik voor een paar uurtjes onder een schaduwrijke boom gaan liggen. Argeloos heb ik de recreatieve wandelaars en andere nieuwsgierigen maar genegeerd.

 

Toen het van de week de gehele dag zo druilerig regende ben ik naar de bibliotheek in het centrum van Almere gegaan. In het leescafé is het goed vertoeven, helemaal wanneer het buiten regent en je binnen wordt omgeven door boeken, tijdschriften en ander allerlei leesvoer. Echter een andere cafébezoekster, een tafeltje verder, zat er niet zo op haar gemak.

‘Ik ben zo toe aan iets sterkers dan een cappuccino,’ zei ze al roerend in haar koffiekopje. Ik keek vanuit een tijdschrift rond om te zien tegen wie ze het had. Er zat verder niemand in het café en de blonde medewerkster was druk bezig, met de rug naar de bezoekers gekeerd.
‘Oh ja?’ zei ik meer reagerend dan vanuit interesse. Mevrouw kwam los.
‘Ach, weet u wat het is?’ Ik schudde van niet. ‘Als alleenstaande moeder heb je het niet makkelijk. Helemaal als je 4 dagen in de week werkt.’

Ik glimlachte afwezig, trok mijn beide wenkbrauwen op en boog mijn hoofd lichtjes naar links. Het non-verbale gebaar voor “daar-zou-je-gelijk-in-kunnen-hebben”.
‘Ja, ik weet heus wel dat ik niet de enige alleenstaande moeder in deze wereld ben,’ ging ze verder. ‘Er zijn moeders die het veel slechter dan ik hebben. Maar het werk geeft me zó veel stress. Ik kan het nog net allemaal behapstukken. En daar lijdt die kleine van me wel onder.

Ze wenkte de blonde dame achter de balie en wees naar het lege cappucinokopje voor haar.
‘Wilt u iets van mij drinken?’ vroeg ze me. Ik bedankte vriendelijk. ‘Zelf weten,’ zei ze schouderophalend. ‘De koffie hier is goed. Geen slootwater in ieder geval.’
Ze rees lichtelijk op om op haar andere bil te zitten. ‘Het is niet alleen voor mij niet makkelijk, maar ook voor Raymond niet, zo heet mijn zoon,’ verhelderde ze. Ze schudde somber haar hoofd.

‘Zo heb ik al jaren een kinderschoolbord. Ooit door mijn opa, Ray’s overgrootvader, gemaakt. Heel lieflijk allemaal. Nu kwam ik gisteravond thuis en zie ik allemaal diepe krassen in het schoolbord. Alsof er met een scherpe punt of een schroevendraaier in is gekrast. Afschuwelijk! Nu was ik een beetje gaar van urenlang vergaderen op het werk en werd ik woedend. “Wie heeft dat gedaan!” schreeuwde ik. Nou, Raymond bleek het gedaan te hebben.’

Ze schudde het hoofd en nam een slokje van haar cappuccino. ‘Ik roep hem bij me en ik scheld hem de huid vol. Keihard, en hartstikke onredelijk. Het kind is net 5 jaar. Dus ik schrok zelf ook en begin ook te snotteren. Wij met z’n tweetjes snotterend en hyperventilerend in de woonkamer. Ik haal uiteindelijk diep adem en vraag hem “Waarom deed je dat nou?” Geen geluid, behalve zielig gesnik. Ik had al spijt. Ik knijp hem zachtjes in zijn armen en vraag: “Wat wou je in vredesnaam op dat schoolbord schrijven?” En weet je wat hij zei?’

Ik had geen flauw idee, maar zag wel het ritueel voor me. De boze, gefrustreerde en huilende moeder en het kleine ventje dat met schokkende schoudertjes naar de grond staat te staren en met tranen in zijn stem eindelijk het antwoord gaf, dat zijn moeder deze ochtend naar iets sterkers dan cappuccino deed verlangen: ‘Ik wou er in krassen: dag mamma, kusjes.

 Gisteravond kwam kat Harpo door het kattenluik binnen, luid miauwend. Aan de toon van het gemiauw van de kat kon ik horen dat hij iets in zijn bek had meegenomen. Het bleek een muis.
‘Kssh, ga je weg? Naar buiten!’ riep ik, want ik wil geen knaagdieren in huis. Twee katten vind ik wel genoeg. De kat koos het hazenpad en sprong, niet elegant, door het kattenluik naar buiten. Poes Oprah rende achter haar broer aan.

Met mijn handen op mijn bovenbenen boog ik over de muis en zei: ‘Och, arm beestje. Wat zal je geschrokken zijn.’ Het beestje draaide zich op zijn pootjes.
‘Geschrokken?’ riep het beestje, rood van drift. ‘Man, het had mijn dood kunnen zijn. U heeft leuke katten, dat kan ik niet ontkennen, maar waarom houdt u dat kreng niet binnen?’
‘De kat is gewend naar buiten en binnen te lopen,’ zei ik. ‘Maar het zit in zijn karakter, ziet u. We hebben werkelijk van alles gedaan om het tegen te gaan. Brochures van de dierenbescherming leggen we als placemat onder de bakjes kattenvoer, maar toch heeft hij af en toe een terugval. U begrijpt..’ 

‘U begrijpt.. U begrijpt..’ bauwde de muis. ‘Wat koop ik voor al die kletspraatjes? De feiten zijn, dat ik buiten rustig in het veldje liep en onverwacht door dat monster van u werd besprongen. Moet u mijn kleren eens zien..’
‘O, ik wil de schade graag vergoeden,’ zei ik. ‘We zijn verzekerd, weet u?’
‘En de schrik?’ riep de muis. ‘Wie vergoedt me de zenuwschok, die ik heb gekregen? Ik zou gezellig met mijn vrouw Edam gaan eten, maar voor mij is de pret er af. Ik sta te shaken op mijn pootjes.’
‘Misschien wilt u stukje kaas mee naar huis nemen?’ stelde ik voor. ‘Dan kunt u het in alle rust opeten.’
Gelukkig vond hij dat goed.

‘Maakt u er maar een langwerpig pakjes van,’ zei de muis. ‘Dat draagt makkelijker naar huis.’ Nadat ik de kaas had ingepakt nam de muis het onder zijn voorpootje en zette het op de vloer gevallen petje op zijn muizenkoppie. Bij het kattenluik draaide hij zich nog even om en sprak: ‘Waarom hou je eigenlijk geen duiven? Dát zijn aardige beesten!’
Ik heb ‘m beloofd het te zullen overwegen.

 Almere. Het is zondagochtend, nog net geen 7 uur. De straten zijn nat en verlaten en in het centrum loopt Peter, een blonde jongen van begin 20, alleen over de Grote Markt, een groot plein in het centrum van Almere-Stad. Hij heeft een langwerpig litteken bij zijn rechter wenkbrauw. Het maakt zijn uiterlijk hierdoor alleen maar meer interessant. Gedachteloos steekt hij schuin over het plein, richting Stedenwijk. De klinkers en de terrassen op het plein zijn nat van een flinke regenbui. Het was een soort van reünie voor het oppervlak in Almere en het water, want nog geen 50 jaar geleden bevond deze plek zich op de bodem van het IJsselmeer.

Het meubilair van de terrassen worden door lange staalkabels bij elkaar gehouden. Het zal niemand lukken om een van de zithoeken van ruim 3- bij 3 meter breed mee te nemen. De regenplassen op de terrastafels en de natte stoelen schrikken eerder af dan dat ze uitnodigend voorbijgangers lokken. Toch zal vanmiddag, wanneer de obers en serveersters het water hebben afgenomen, het terras vol met terrasgasten zitten. Het belooft vandaag mooi weer te worden.

De blonde man heeft inmiddels het centrum van Almere verlaten. Via de Korte Promenade loopt hij nu over het Deventerpad richting zijn huis. Thuis zal hij niemand aantreffen, want zijn vader heeft dienst en zal pas vanmiddag thuiskomen en zijn bed induiken. Zijn moeder heeft hij al jaren niet mee gezien. Het idee doet hem niets meer. Met een glimlach op zijn gezicht geniet hij van het idee dat hij straks eerst de frituurpan aanzet om wat te gaan snacken. Hij heeft enorme trek in een vette hap.

Wanneer Peter thuiskomt en de voordeur wilt open, wordt deze al geopend door zijn vader. Deze voelde zich vanmorgen grieperig en was eerder naar huis vertrokken. ‘Wie is hij dan?’ vraagt zijn vader, en knikt kort het hoofd. Wanneer Peter zich omdraait ziet hij bij het tuinhek een man in een lange zwarte lange jas staan. Het magere, bleke gezicht verstopt in de opgetrokken kraag. De harde ogen kijken niet meer broeierig als zonet. Nog voordat Peter kan reageren draait de man zich om en rent er vandoor.

Aangezien de NS vanaf vandaag tot en met volgende week zondag geen treinverkeer op de trajecten Almere-Weesp en Almere-Naarden-Bussum aanbiedt, behalve een paar geïmproviseerde busritjes, en omdat men op mijn werk van mening was dat ik enkele vakantiedagen mocht opnemen, heb ik besloten om vanaf vandaag een weekje vrij te nemen.

Ik heb deze dagen geen vakantieplannen in de agenda staan. Ik doe het gewoon een weekje kalm aan. Af en toe lekker hardlopen, een beetje aanklooien en vooral zo min mogelijk gebruik maken van de klok. De tijd zoekt het maar even lekker uit. Ik doe even niet mee. Misschien hier en daar een afspraak inplannen, maar verder zie ik wel wat de dagen me brengen.

Genieten van een week niet om 06:00 uur opstaan. De meteorologen beloven nu nog voor volgende week aangename temperaturen. Dat wordt langzaamaan wakker worden en dan maar eens te besluiten wat te gaan ondernemen. Valt er regen, dan ga ik naar het leescafé in de Nieuwe Bibliotheek en als de zon schijnt, spring ik op de fiets. Richting strand. Kortom: ik vermaak me wel.

 

 De laatste weken loopt er af en toe een jong katertje bij ons door de achtertuin. Dat is op zich niet zo vreemd, want er lopen wel vaker meerdere katten door de achtertuin. Zo heeft Amsterdam zijn poezenboot, en wij een poezentuin. Het grappige aan het jonge katertje -of poesje, ik heb het beestje niet goed onder de staart bekeken, is dat het heel voorzichtig  naar de schuifpui komt aanlopen en zodra het beestje maar even denkt bij ons binnen iets te zien bewegen, schiet het weg. Om daarna steeds eventjes snel om te kijken. Wat het ook grappig maakt is dat het poezenbeest een heel lief, guitig kittenkoppie heeft. Je zou het dier bijna willen adopteren.

Ik denk niet dat onze huidige katten, Oprah en Harpo, een adoptie zouden appreciëren. Ze zijn inmiddels bijna 10 jaar oud en nieuwe kattenaanwinst zal niet enthousiast ontvangen worden. Daarbij zijn we thuis inmiddels nieuwsgierig naar een huishouden zonder harig huisdier. Gelukkig zijn we nog net niet nieuwsgierig genoeg om de behaarde, bejaarde huisgenoten het huis uit te zetten. Maar mochten ze naar de kattenhemel zijn vertrokken, dan nemen we voorlopig even geen nieuw huisdier. Echter, niets is zo veranderlijk als een mens. Hoewel, ik voel er niets voor om een laatste afscheid, zoals bij poes Molly van een paar jaar geleden, nog eens mee te maken. Afscheid nemen is niet iets om naar uit te kijken.

Mijn hele leven heb ik met tussenpozen afscheid van huisdieren mogen nemen. Het maakt niet uit hoe vaak je het meemaakt, het went nooit. Het eerste afscheid van een huisdier was onze kat Mickey. Het moet rond 1970 geweest zijn. Ik zat nog niet eens op de kleuterschool en toch kan ik me het moment nog levendig herinneren. Op een ochtend nam mijn vader Mickey mee naar het werk in Den Helder, om hem daar bij fort Erfprins achter te laten. Zo af en toe heb ik de hoop dat het een nare droom uit mijn vroege jeugd is geweest. Ach, zo gingen die dingen eind jaren zestig van de vorige eeuw. Een dier, daar moest je niet al te moeilijk over doen.

Na Mickey hebben we jarenlang geen huisdier over de vloer gehad. Het heeft toch minimaal 10 jaar geduurd voordat mijn ouders weer een kat in huis namen. Het was een half Perzische poes met de naam Muffy. Deze deftige poes heeft bij mijn ouders gewoond tot ik het ouderlijk huis al had verlaten en ik op mezelf ben gaan wonen. Daar, op mijn eigen flat heb ik 2 jonge kittens uit Heerhugowaard geadopteerd. Een katertje en een poes met de namen Bono en Disney. Deze 2 katten waren erbij toen Edo en ik gingen samenwonen en op Valentijnsdag 1995 beviel Disney van een nestje, waarvan we de 2 katertjes, Choppy en Marvin bij ons lieten wonen.

Met deze vier katten zijn we in 1998 van Den Helder naar Almere verhuisd, waar wij en de katten zich al snel thuis voelden. Bono, Disney, Choppy en Marvin terroriseerden al snel de buurt waarbij bijna iedere hond in onze buurt slachtoffer werd van het kattengeweld. Wanneer een opgeschoten hondeneigenaar de hond opjutte naar onze katten toe, zagen deze dit juist als een vermakelijke uitdaging. Als een groep jagers omsingelden de 4 katten de enthousiaste hond, welke er dan snel vandoor ging met de staart tussen de poten. Dit tot groot ongenoegen van de hondeneigenaar. Nog voordat de boze hondenbezitters iets konden ondernemen, waren onze katten al  lang verdwenen.

 Een groep van een paar jongens zitten in de bus naar Utrecht Centraal en hebben een gesprek over angst. Een van de jongens, met een capuchon over zijn hoofd, beweert dat hij geniet van horror- en griezelfilms. Hij zegt er op te kicken om te schrikken. Griezelfilms als Nightmare on Elmstreet en Scream doen hem niet zoveel. Die vindt hij eerder flauw en kinderachtig. De betere enge films kijkt hij het liefst in het donker en alleen.
‘Dat is kicken, man.’, zegt hij enthousiast. Ik denk niet dat hij veel bijval van een vriendinnetje zal krijgen. Een ander vindt griezelfilms niet eng. Hij vindt sommige dieren niet tof.

Hij is niet dol op muizen. ‘Die beesten rennen zo langs je poten voorbij. Doodeng.’ zegt hij met een vol afschuw vertrokken gezicht. Een ander trekt hierbij zijn schouders op, vindt kakkerlakken viezer. Hij kijkt graag met afschuw naar filmpjes met verkeersongelukken op YouTube. Een beetje bloed mag daarbij wel in beeld komen. Maar voor hem geen snuff movies, want dat is echt ziek. De anderen zijn het met hem eens en een blonde knul zegt dat je juist bang moet zijn voor de mensen die deze filmpjes maken. Wanneer de stille jongen van de groep zegt niet dol te zijn op spoken of geesten, wordt hij uitgelachen.
‘Ja, daar was ik ook al een beetje bang voor. Dat jullie me uit zouden lachen.’

De bus stopt bij busstation Jaarbeurszijde en de groep jongens stappen druk pratend en lachend de bus uit. Wanneer ik achter hen loop, door station Utrecht Centraal, bedenk ik dat ook ik niet bang ben voor griezelfilms. Misschien voor sommige dieren. Ik ben niet dol op slangen en ook niet op haaien, maar dat is meer een soort van gereserveerdheid maak ik mezelf wijs. Het is niet zo dat ik binnenkort met een boa constrictor om de nek zal rondlopen, of dat ik me in een kooi laat afzakken in de Gansbaai bij Zuid-Afrika om daar tussen de witte haaien mijn wetsuit te bevuilen. Gelukkig hebben we hier niet zoveel slangen of haaien. Ja, ik prijs mezelf gelukkig.

 Iedereen heeft wel een familielid die je de beste verhalen kan vertellen. Zo had ik een oom die schitterend en in detail je dingen kon laten geloven. Of ze waar waren, daar moest je zelf achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog altijd bij. De ouders van oudtante Boukje-het is mij onbekend of ze echt familie was of aangetrouwd, hadden vroeger een kroeg. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf maken, maar ook die van haar heit en mem.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk moest Boukje een paar eieren klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had ze later pas begrepen. Maar omdat heit en mem het lekker vonden deed Boukje ook maar een scheut bij haar eigen eitjes. Mijn oom herinnerde dat Boukje had gezegd: ‘Ik was acht jaar, maar ik kwam elke ochtend dronken op school. Hierbij keek ze mijn oom ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude, eenzame man die ze in het café opdeed. Het was telkens een andere, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg ze een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was het treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Het laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder de geringste twijfel vriendelijk voor haar zijn. Ze weten daarboven vast van die flinke scheut uit het vaatje, toen ze 8 jaar was. Kon zij het helpen? Oudtante Boukje vond het zelf niet om te lachen.

 Ik voelde me als een sporter die zojuist een Olympische medaille omgehangen heeft gekregen. Zo stond ik van de week voorover op de weegschaal, te turen naar het getal op de display dat het aantal kilo’s aangaf. Het bleek al rap dat ik naast de fictieve plak ook nog eens een paar kilo’s extra had gewonnen. Weg euforisch gevoel. Ik had nu enigszins het idee hoe teleurgesteld Yuri zich moet hebben gevoeld.

Het is allemaal ook niet zo verwonderlijk dat ik wat kilo’s rijker ben. Sinds ik weer 40 uur per week zittend werk doe, en ik ook nog eens 15 uur per week met het openbaar vervoer op mijn achterwerk zit, is het geen verrassing dat ik een paar kilo aan overgewicht mag meesjouwen. Ik houd de afgelopen maanden minder tijd over om te gaan hardlopen, dus dat maakt het ook zwaarder om het gewicht aan de gezonde BMI te houden.

Nu wil ik die kilo’s wel kwijt maar niet met behulp van een dieet. Ik kan het niet opbrengen om mijn eetgedrag aan te passen. In het verleden ben ik die kilo’s ook niet kwijtgeraakt door het aanpassen van mijn eetpatroon. Ik weet ook wel dat alternatieven niet helpen. De wondermiddelen waarmee op het internet geadverteerd wordt zijn kansloos, maar ineens moest ik denken aan een middeltje dat ik een paar jaar geleden heb gebruikt.

Via een Surinaamse collega bij mijn vorige werkgever werd ik destijds geattendeerd op kowru dresi. Het is een Surinaams huismiddeltje om de innerlijke mens te reinigen, maar ook wat overtollige kilo’s kwijt te raken. Het goedje is te koop bij de traditionele toko en het betreft een zwarte vloeistof van gekookt sennablad, anijszaad, zeezout, bitterzout en andere ingrediënten. Kowru dresi wordt in flesjes van 125 ml verkocht, die in één keer lauw moeten worden leeggedronken.

Een paar jaar geleden heb ik de opgewarmde drank op een zaterdagochtend genuttigd, waar na een uurtje de laxerende werking in gang werd gebracht. Het is even een raar praatje, maar alles uit maag en darmen werd via de natuurlijke weg naar buiten gewerkt. Ondanks dat het wat ongemakkelijk en onaangenaam klinkt, kan ik me herinneren dat ik me na de korte kuur weer lekker en prettig voelde. Dat ik daarnaast nog eens paar kilo’s verloor is wellicht een reden om weer eens een flesje kowru dresi aan te schaffen.

 De man schuin tegenover me in de trein is me niet geheel onbekend. Ik heb hem vaker gezien. Hij is ongeveer van mijn leeftijd. Hij is altijd gekleed in een nette spijkerbroek met gestreken overhemd en fris gepoetste schoenen. Zijn kapsel is kort, ziet er verzorgd uit en is een beetje grijs bij de slapen. Verder heeft hij bolle hamsterwangen en een zuinig, samengeknepen mondje, waarmee hij een klein kind zou kunnen uitdagen om met de vingertjes in zijn wangen te laten prikken, zodat er een straaltje water uit zijn mond spuit. Wanneer ik deze man in de trein of op het perron zie, staat of zit hij altijd een beetje in elkaar gebogen. Als een bedeesd persoon dat verlegen opkijkt en om zich heen loert.

Ik kom de man, die ik voor het gemak maar Jan noem, niet iedere werkdag tegen. Ik weet ook niet of hij parttime werkt of niet. Jan is verder een mysterie. Ooit, toen de NS ons onbedoeld met een omweg naar Utrecht wilde laten reizen, zag ik hem op station Amsterdam-Zuid staan. Toen zag ik ook dat Jan mij herkende van het reizen. De eerste keer dat Jan mij opviel was op een terugreis in een volle trein, waarbij  3 moslima’s in gesprek waren met een oudere heer over het dragen van hoofddoekjes. Jan ergerde zich aan het gesprek, want hij draaide constant met zijn ogen en mompelde onverstaanbaar.

Vandaag zit Jan met een koffie to go in zijn hand en kijkt als vanouds vanuit zijn ooghoeken de trein in. Als door schrikdraad geraakt reageert hij op oogcontact. Ik verbeeld dat Jan, ondanks zijn leeftijd, nog thuis bij zijn ouders woont. Het komt overeen met het idee dat ik van hem heb. Het tegenspreken van zijn ouders is uit den boze, vandaar het binnensmonds gemompel. Thuis, op zijn eigen slaapkamer, waar hij beschikt over zijn eigen luxe gebruiksvoorwerpen waar zijn ouders helemaal niets van willen weten, zal hij vertellen over het grote onrecht dat de wereld hem aandoet. Alleen op de slaapkamer is hij de baas van de wereld. Ja, alleen daar is Jan de man.

In de trein naar Utrecht zit Jan weer onverstaanbaar en binnensmonds te mopperen. Zeker nu nadat uitzendkrachten in witte NS-jasjes kaartjes hebben uitgedeeld met de mededeling dat er binnenkort weer werkzaamheden op het traject naar Utrecht zijn. Jan schudt in ontkenning en boosheid zijn hoofd. Hij is het er duidelijk niet mee eens. Hij is echt boos, want ik hoor duidelijk, ondanks dat ze fluisterend uit zijn mond geperst worden, de woorden: tyfus en teringzooi. Vanavond wanneer hij thuis is, zal Jan op zijn slaapkamer wel even duidelijk vertellen wat hij er allemaal van vindt.