Vrijdagochtend. Voor me ligt een overeenkomst met betrekking tot beëindiging van mijn arbeidsovereenkomst. Ondanks dat ik 5 maanden geleden een contract voor onbepaalde tijd heb mogen tekenen, is dan toch het tijdstip van het ontbinden van het contract bepaald. Zoals in de overeenkomst staat vermeld ziet de werkgever zich genoodzaakt om dankzij enkele ontwikkelingen, organisatorische wijzigingen door te voeren.

Het was dan ook geen grote verrassing toen me een maand geleden werd medegedeeld dat er geen werk genoeg meer voor me was. Hierdoor is mijn functie als medewerker credit management komen te vervallen. De overeenkomst heb ik getekend en 31 oktober is officieel mijn laatste werkdag. Aangezien ik nog genoeg verlofuren over heb, heb ik vrijdagmiddag voor een laatste keer de deur achter me dichtgetrokken.

Een periode ligt achter me en ondanks het voorstel, dat ik van de week van mijn werkgever kreeg, om eventueel de komende periode in part-timedienst te blijven werken, heb ik de keuze gemaakt om elders werk te vinden. Het waren even twee spannende weken, maar ik ben blij -en opgelucht, dat ik met ingang van 1 november (aanstaande dinsdag) bij een andere werkgever full time aan het werk mag gaan in onze hoofdstad, Amsterdam.

Natuurlijk is een vertrek na ruim een half jaar minder leuk. ‘Afscheid nemen is een beetje doodgaan.’ zeggen de Fransen, en de drama queens. Zo blijkt ook wel uit de berichtjes die ik van collegae mocht ontvangen. ‘We hebben veel gelachen en ik ga je missen!’, ‘Ik ga je missen én vooral je droge humor! Ik hoop dat je een leuke uitdaging vindt in je nieuwe baan,’ en ‘Gemist zal je zeker worden. Je droge humor enneh, meer kan ik niets verzinnen. Heel veel succes en laat af en toe iets van je horen.’ Natuurlijk zal ook ik mijn -bijna, ex-collegae missen, maar ik zal zeker nog van me laten horen. Zo makkelijk komt men niet van me af.

 

Dinsdagochtend. De trein heeft een paar minuten vertraging en wanneer ik op Utrecht Centraal mijn aansluitende bus wil halen, had ik 5 minuten eerder al een sprintje moeten trekken. De zon is nog niet op, dus ik loop heel relaxt door het station naar het busstation aan het Jaarbeursplein. Wanneer ik buiten ben, zie ik een medereiziger naar lijn 66 rennen, en in een reflex ren ik met hem mee. Hoe stom reageer je soms op de actie van anderen. Helaas missen we beiden onze aansluiting. Er zit niets anders op om lijn 65 te nemen.

In de vroege ochtenduren ontwijk ik graag deze bus, want de bus komt in Nieuwegein langs een paar scholen en dat betekent dat de bus tijdens de rit vol met scholieren zit. Dat is niet het probleem, maar ze zijn meer dan luidruchtig en dragen rugzakken mee van het formaat forse kleuter. Hierdoor lijkt het altijd alsof deze tieners het als uitdaging zien om andere reizigers met de rugzakken omver te kegelen. Ook minder vind ik het dat ik geen zitplaats heb.

Daar sta ik dan quasi knorrig naast een tweetal tienermeisjes, die nog knorriger en ontevreden zijn dan ik ooit zal zijn. Een van hen kijkt lelijk de wereld in en is constant aan het woord. Het enige wat aan haar straalt is het zirkoniasteentje dat in haar rechterneusvleugel is geschoten. Ze werkt deels in de kantine van het schoolcomplex, klaagt ze, en blijft maar jammeren over de werkzaamheden. Over leerlingen die 4 tosti’s willen eten terwijl er maar 3 tosti’s tegelijk gemaakt kunnen worden.

Ze jeremieert over allerlei andere zaken die haar het leuke leven ontnemen. Wanneer ze ’s avonds thuiskomt wil ze eerst een uurtje voor de televisie zitten, dan douchen en daarna weer verder gaan met tv kijken. Ze zegt hiermee alsof het vanzelfsprekend is dat ze geen tijd heeft om iets te leren. Haar leven is zo oneerlijk. Zo heeft ze nog voor donderdag vijftig pagina’s te leren. Doet ze dit niet dan moet ze volgens eigen zeggen van school af. Ze vertelt het met een verwijt naar haar mentor.

De klasgenoot naast haar klaagt heerlijk mee. Alsof ze hiermee in een wam bad stapt. Lekker samen klagen. Ze gaat aankomende zaterdag over een week naar Walibi, maar nu is ze op het werk net op die zaterdag ingeroosterd. ‘Oh, dan meld je jezelf gewoon ziek.’ geeft de ander als tip. Dat vind de hardwerkende tiener een fantastisch idee. In gedachte hoor ik het gesprek over een paar weken, op het werk van het meisje, plaatsvinden. En wanneer ze om haar leugentje wordt ontslagen, is haar groot onrecht aangedaan. Ze wilde gewoon een dagje naar Walibi. Dat ze dat niet begrijpen.

Haar vader was een vrolijke, luide man. Hij hield van moppen tappen en mensen voor de gek houden.. Zijn grootste feestdag was dan ook de eerste dag van april. Dan fopte hij de mensen naar hartenlust en bulderde het uit wanneer ze in zijn vallen liepen. Moeder was meer bekwaam en meer op een lijn met haar.

Vorig jaar december zou ze niet zo snel vergeten. Het grote, ouderwetse huis waarin ze woonde, scheen geschapen voor het sinterklaasfeest, want er was een open haard in de huiskamer met zo een schouw waarin de pijp naar het dak uitkwam. Een ideale plaats om je schoen bij te zetten. Kinderen elders, in centraal verwarmde woningen hebben het moeilijk, maar hun fantasie is zo soepel dat ze hun schoen tevreden bij de radiator zetten, in goed vertrouwen dat Sinterklaas het wel via zal weten te regelen.

Die avond, het was begin december, had het meisje bij de schoorsteen gezongen. Toen ze op weg was naar bed, hoorde ze  de stem van haar vader, die riep: ‘kom eens gauw helpen!’
Ze liep vlot terug naar de kamer. ‘Wat is er?’
‘Ik heb die ouwe bij zijn poot,’riep hij.
Bij het vuur stond hij, uit alle macht trekkend aan een been,. dat uit de schouw kwam. ‘Help nou eens!’
Hij had een rood hoofd van inspanning. Maar het kind stond als verlamd van schrik en zag hem opeens achterovertuimelen, met een hoge laars in zijn hand.
‘Hij is me ontsnapt,’hijgde hij. En overeind krabbelend: ‘Maar zijn schoen heb ik. Die geef ik niet meer terug.’
‘Dat mag niet,’ zei het meisje, ‘nou is Sinterklaas heel boos op u. Misschien komt hij u wel halen vannacht.’
‘Ik ben helemaal niet bang hoor,’riep de vader.
Hij was een liefhebber van grappen, zoals eerder gemeld.

Rillend van angst vluchtte het kind naar de slaapkamer en kroop in bed. Haar moeder kwam en zag meteen dat er iets aan de hand was.
‘Wat scheelt je?’vroeg ze.
En het meisje vertelde hoe vader de woede van Sinterklaas had getrotseerd.
Somber luisterde de vrouw naar het verhaal. Toen zei ze: ‘Wees maar niet bang. Vader maakte maar een grapje.’
‘Maar als Sinterklaas nou boos is?’
‘De echte is al lang dood. Die bestaat niet meer.’
’t was een hele brok om zo ineens door te slikken.
‘En de ooievaar?’ vroeg het kind, ‘die vind ik ook griezelig. Pa zegt dat ik door de ooievaar ben gebracht.’
‘Dat is ook maar een grapje,’ antwoordde de moeder, die in een moeite door schoonschip wilde maken. ‘De ooievaar brengt de kinderen niet. Jij komt gewoon van mij.’
‘O,’ zei het meisje.
Ze kreeg een nachtzoen op het bleke, peinzende gezichtje. De moeder liep naar de deur.
‘Zeg moeder, ‘vroeg het meisje.
‘Ja?’
‘En God, bestaat die ook niet echt?’ klonk het voorzichtig.
‘Jawel, God bestaat écht,’ zei de moeder. En ze deed het licht uit.




S. Carmiggelt

Ik zit in de bus, onderweg van Utrecht Centraal naar het werk in Nieuwegein. Tegenover me zitten een tweetal scholieren in de categorie nerds. Het zijn de sulletjes die je alles kunnen vertellen over Star Trek. Maar daar weet ik zelf al heel veel over. Ik zou het alleen niet in de fictieve taal Klingon kunnen vertellen, en ik ben er van overtuigd dat deze twee jongens dat wel kunnen. Foutloos ook.

Een van de twee zit een verhaal te vertellen over een videogame waarvan ik het bestaan niet weet, maar de andere jongen zeer waarschijnlijk wel. Hij onderbreekt zijn vriend constant met de opmerking dat hij dat ook had meegemaakt, en dat wat hij heeft meegemaakt wel heel uitzonderlijk is geweest. De vertellende vriend draait met zijn ogen. Hij heeft genoeg van de onderbrekingen en de overtreffende verhalen van zijn vriend.

Dat brengt me terug naar een oud-collega die wanneer je haar vertelde dat je iemand kende die iets raars had meegemaakt, zij iemand in de vrienden- of familiekring had en het dan in de overtreffende trap had meegemaakt. Als je haar vertelde dat een buurman zijn heup had gebroken, dan had zij wel een zus of tante die bij een valpartij beide heupen had gebroken. Op den duur worden dit soort opmerkingen een beetje lachwekkend. Ik kan me er  dan ook niet echt over opwinden.

Net zo belachelijk maken de mensen zich die een grap herhalen in de overtreffende trap. Dat als de clou van een mop is verteld, waarin een muis wordt overreden door een vrachtwagen met zware aambeelden, zij aankomen met de opmerking: ‘Of 3 vrachtwagens met aambeelden!’ Vaak lachen ze dan het hardst om de eigen gekopieerde grap. Toegegeven, ik lach dan toch mee. Niet zozeer om de grap, maar meer om hoe ze zichzelf voor gek zetten. Hoe dan ook: misschien is die overtreffende trap dan toch wel grappig.

 

Het is midden in de nacht, wanneer ik uit bed stap voor een kort, nachtelijk bezoek aan het toilet in de badkamer. Slaperig neem ik plaats op de toiletzetel, aangezien ik in slaapdronken toestand niet netjes kan staan plassen. Half wakker ben ik me een beetje bewust van de omgeving. Het is stil en schemerig in de badkamer. De volle maan schijnt door het badkamerraam en een zilte lucht bereikt mijn neus.

Eerst denk ik dat het een geurhallicunatie is, maar na een halve minuut word ik me ervan bewust dat deze geur echt aanwezig is. Of ben ik nog aan het dromen? Ik schrik voor een kort moment wanneer ik voel dat ik niet alleen in de badkamer ben. Naast mij, op de rand van het ligbad, zie ik vaag een figuur zitten. Het zit ineen en de schouders schokken lichtjes. Alsof het huilt. In een gedachteflits weet ik dat het geen mens is die op de badrand zit.

Ik ben nu wel klaarwakker. De bijna transparante figuur lijkt op een puberjongen en verrast begroet ik hem.
‘Hey hallo. Wie ben je en wat doe je hier?’ vraag ik voorzichtig.
Geschrokken kijkt de jongen op. ‘Ik ben Seppe en ik ben overboord geslagen,’ zegt hij zachtjes. ‘En ik kan helemaal niet zwemmen.’
Ik zie, dat wat hij draagt niet van deze tijd is. Een lichtbruine kiel en een versleten donkerblauwe broek. Zijn handen spelen met een stuk textiel en aan zijn voeten draagt hij niets.

Ik heb inmiddels door dat de knul niet in een Almeerse plas of slootje is verdronken. Hij is waarschijnlijk een scheepsjongen en overleden in de tijd dat de stad Almere niet bestond. De stad van 200.000 inwoners was toen niets meer dan de bodem van de Zuiderzee.
Ineens staat de jongen op. Met beide vuisten in de lucht komt op mij af. ‘Het is niet eerlijk!’ schreeuwt hij.
Ik wil wegduiken, maar val van het toilet. Naast het bed word ik versuft wakker.
Wanneer ik weer in bed kruip en me omdraai, ruik ik een lichte, zilte zeelucht.

Het is nu ruim 10 jaar geleden dat er op een verjaardag van kennissen een meisje van ongeveer tien jaar oud naast me kwam zitten. Ze moet nu ongeveer 20 jaar oud zijn. Een jongedame, zeg maar. Als kind heeft ze destijds enige indruk op me  gemaakt. Ze vertelde me over haar favoriete CD. Het was tot mijn verbazing geen K3, maar de soundtrack van ‘The Wiz’. Nog voordat ik haar iets over haar favoriete CD kon vragen,  begon ze enthousiast te vertellen over The Wizard of Oz.

‘Nou, een meisje is van huis verdwaald in een andere wereld en zij ontmoet daar een vogelverschrikker, een leeuw en een robot… Nee, een tinnenman. Om naar huis te kunnen gaan moeten ze naar de tovenaar, de Wiz. En de vogelverschrikker, de leeuw en de tinnen mangaan samen met haar op zoek, want zij willen ook iets van de Wiz.’ Met haar handen telt ze de personages. ‘De vogelverschrikker wil hersenen, de leeuw wil moed en de tinnenman wil een hart, en met zijn vieren gaan ze over het gele stenen pad naar de Wiz’.

Enthousiast vertelt ze verder. ‘Nou, de Wiz blijkt dus een gewone meneer te zijn die óók verdwaald is, maar dat vertelt hij ze eerst niet, want ze moeten eerst de gemene heks verslaan. Dat doen ze met water, want daar is ze allergisch voor en dan verdwijnt ze in de wc-pot. Iedereen is blij en danst. Dan gaan met z’n vieren terug naar de Wiz en komen er achter dat hij helemaal niet kan toveren. Dan zegt Dorothy, zo heet het meisje, tegen de anderen dat waar ze naar op zoek zijn al in hun bezit is.’

Ze legt het aan me uit. ‘De vogelverschrikker hoeft geen hersenen meer, want hij heeft slimme plannetjes bedacht. De leeuw is heel moedig geweest en heeft gevochten. En de tinnenman heeft juist wel een hart, want hij is heel aardig. Dan komt er een lieve heks die heel mooi kan zingen en die zegt tegen het meisje dat ze haar schoenen drie keer moet klikken. “Klik je hielen drie keer”, zegt ze en dan is het meisje weer thuis.’ Ze kijkt me even diep in de ogen. ‘Dus soms moet je helemaal niet zoeken, want zonder dat je het weet heb je het allang. En dat je dat dan eerder niet doorhad’.

Ik bedenk met enige verbazing dat een meisje mij zojuist uitlegt dat je naar het innerlijke moet kijken en niet naar anderen en de buitenkant. Als ik haar bedank voor haar mooie en duidelijke verhaal, haalt ze haar schouders op en pakt ze haar glas met limonade. ‘Je mag de CD wel eens een keer van me lenen hoor.’

De zomer is nu echt voorbij. Zelfs het zogenaamde nazomeren ligt definitief achter ons. Wanneer ik ’s ochtends in de vroege uren de voordeur achter me sluit om naar het station te lopen merk ik dat het gewoon kouder is buiten. Waar we voorheen nog verwend werden met temperaturen boven de 15 °C, blijft deze de laatste tijd rond de 5 °C hangen.

De periode van in het donker naar het werk gaan en in het donker terug naar huis reizen is aangebroken. Veel mensen worden er niet vrolijk van. Dat merk ik ook wanneer men in de vroege ochtend de trein inloopt. Als een demonstratiesport voor de Olympische spelen rennen mensen naar een vrije zitplaats, zonder enige aandacht aan de medereizigers. Met volle rugzakken worden er hoofden gekegeld en andere voeten vertrapt. Het is frisjes, en dat bedoel ik niet alleen qua temperatuur. Ook fris voor wat de stemming onder de mensen betreft.

Het is nog net niet koud genoeg om de winterjas uit de kast te halen, vind ik, maar ik heb inmiddels wel een vest met capuchon tevoorschijn gehaald. Deze draag ik onder mijn zomerjas. Ik vind het er wel ‘cool’ uitzien. Anderen zullen het misschien sneu vinden: een man die over bijna 2 maanden 50 jaar is, in een hoodie over straat. I don’t care. En dat is een van de weinige leuke dingen van het ouder worden: het kan je in de herfst van je leven niet zo veel meer schelen wat anderen over je denken.

Mensen. Ze zijn leuk. Op afstand. Wanneer je tijdens de zomermaanden op een terrasje zit en je de mensen kunt gadeslaan. Leuk! Het wordt al snel minder wanneer ze met groepen in je directe omgeving en in je nek staan te ademen. Bijvoorbeeld als er maar een treinstel op je traject wordt ingezet. Tijdens de spits. Ik blijf dan glimlachen en vriendelijk. Niemand heeft er iets aan als ik chagrijnig om me heen zit te kijken met de mondhoeken op half zes. Daar word ik zelf ook niet vrolijk van.

Maar sommige mensen hebben het talent om iedere vorm van begrip van hun medemens doen te laten verdwijnen. Dat kan zijn door lichaamstaal of lichaamsgeur. Of gewoon door dom gedrag. Dat gedrag vertaalt zich vaak in lompigheid. Mensen die vergeten dat ze een een rugtas dragen en daarmee meer dan 25 centimeter uitsteken, wanneer ze door het gangpad van de trein lopen en daar menig medereiziger letterlijk voor de kop stoot. Mij is het gelukkig niet overkomen. Ik weet niet of ik dan kalm blijf.

Zo stond ik van de week, onderweg naar huis in een bijna lege supermarkt bij de kassa waar de caissière mijn artikelen niet aansloeg. Op mijn vraag of we ergens op moesten wachten, antwoordde ze: ‘Ja, we wachten op een mevrouw en deze artikelen heb ik al aangeslagen.’ waarbij ze naar een bos wortelen en een pak melk wijst. Ik keek in de winkel en zag verder niemand. Ik kon het niet laten om te vragen of mevrouw misschien een toeristische route had genomen.

Toen de mevrouw tenslotte naar de kassa terugkwam en niets in haar handen bleek te hebben, kwam de zin: ‘Hey, schiet eens op. Je bent niet de enige in de winkel.’ mijn mond uit voordat ik het doorhad. In mijn beleving zeg ik dit soort zinnen altijd met een vrolijke ondertoon en een vriendelijke, brede glimlach. Echter de gezichtsuitdrukking van zowel de caissière als de mevrouw met de lege handen, sprak boekdelen. Wellicht moet ik me binnenkort maar in laten schrijven voor de cursus ‘Hoe zet ik een vrolijk gezicht op.’

 Twee dames zitten op het terras van een snackbar in het overdekte winkelcentrum in Den Helder. Ze genieten met een groot glas witte wijn van het moment. Een van hen heeft een kaassoufflé voor haar op tafel en de ander hapt net uit een broodje kroket. Beide vrouwen zijn duidelijk van middelbare leeftijd. Ze verhullen de leeftijd enigszins met een trendy kapsel: De vrouw met het broodje kroket draagt het haar blond opgestoken, en de ander kastanjerood in een paardenstaart. Met overdadige make-up en jeugdige kleren van een trendy merk lijken ze jong, maar de rimpeltjes en de vermoeide levenservaring in het gezicht verraden dat beiden aardig tegen de 50 jaar zijn.

‘En? Ben je al een beetje gewend aan het idee?’ vraagt de blonde vrouw, nadat ze een hap van haar broodje kroket heeft doorgeslikt.
‘Waar aan?’ vraagt de vrouw en legt haar kaassoufflé terug in het plastic bakje.
‘Dat je volgende week Sarah gaat zien!’
‘Meid, je houdt op hoor!’ Ze schuift haar snack voor zich uit. ‘Ik kan er maar niet aan wennen. Vijf..! Tig..! Ik ben gewoon een oud wijf! Als ik dan aan mijn moeder denk toen zij 50 jaar werd, kan ik alleen bedenken dat zij een oude verlepte heks was. Zo kunnen de mensen toch niet over mij denken? Of wel?’
‘Nee, ‘tuurlijk niet.. Meid, als de mensen weten hoeveel jij al hebt meegemaakt in je leven, dan praten ze wel anders.’
‘Ja, dat is waar.’ Ze hapt van haar kaassoufflé. ‘Nou, hou maar op.’ Ze geeft met haar rechterhand een stopgebaar. ‘Ik heb mijn portie ellende wel gehad. Dat begon vroeger al, in de jaren 80.’
‘Ja joh?’
‘Jazeker. Als pubermeisje heb ik genoeg ellende meegemaakt. Gelukkig heeft muziek een verzachtende eigenschap. Het nummer ‘Don’t Give Up’ heeft me destijds door heel wat moeilijke periodes geholpen.’
‘Ach ja, de Dolly Dots. Ik was ook een grote fan.’
‘Nee doos! Dat nummer van Peter Gabriel en Kate Bush!’
‘Oh ja! Die ook natuurlijk.’
De vrouwen vallen stil. Ze nemen een slok van hun wijn en eten hun snack. Een groepje van 5 jongens loopt luidruchtig de snackbar in. Wanneer ik naar de uitgang van het winkelcentrum loop, blijft het stil op het terras.