Zaterdagmiddag. Ik loop de bioscoop aan de Citymall Almere in om kaartjes voor de filmvoorstelling van dinsdagavond te kopen. Ik vind het plezierig om ruim van te voren de bioscoopkaarten te kopen. Zo weet ik bijna zeker dat we goede zitplaatsen in de zaal hebben. De kaartjes voor Fantastic Beasts, and where to find them zijn al snel aangeschaft. De bioscoopmedewerkster achter de kassa probeert me nog even te overtuigen om zitplaatsen voorin de zaal te nemen, maar ik vertel geen zin te hebben in kramp in de nek bij de aftiteling van de film.

Met de kaartjes in de pocket loop ik naar buiten. De najaarszon staat laag en schijnt fel. Ik haal de zonnebril van mijn hoofd en zet ‘m op mijn neus. Omdat ik voor mijn beleving achterin het centrum van Almere ben, besluit ik even naar de Mediamarkt te gaan. Niet om iets kopen, maar gewoon even rondneuzen. Bij binnenkomst gaat het alarm van een beveiligingspoortje, net als ik er doorheen loop, af. Een man achter mij roept paniekerig: ‘Ik was het niet!’ Ik draai me om en haal mijn schouders op. Ik ook niet, denk ik en loop door.

Bij de dvd’s en blu rays kan ik niets bijzonders vinden. Veel is al te zien op Netflix of HBO en wat ik eventueel leuk vind, is me te duur. € 20,00 voor een blu ray. Dan bestel ik liever iets bij thuisbezorgd.nl om iets op Netflix te kijken. Wanneer ik de winkel uitloop wordt ik door een beveiliger tegengehouden. ‘Meneer, ik zag het alarm bij u binnenkomst afgaan. Mag ik in uw tas kijken?’ Ik ben me van geen kwaad bewust en trek mijn tas open. ‘Zie? Niets te verbergen,’ zeg ik.

Maar dat is niet voldoende. Met een ‘het alarm gaat niet zo maar af,’ wil de beveiliger dat ik mijn jas open. Er kan nog een actief labeltje binnen in mijn jas zitten, legt hij uit. Een beetje geïrriteerd door zijn standvastigheid zeg ik dat de jas al 5 jaar oud is, maar ik luister braaf. Ik trek de jas uit en overhandig deze aan de serieuze man. Mijn jas wordt door een poortje heen en weer gezwaaid. Geen alarm. Met een zie-je-wel-uitdrukking op mijn gezicht pak ik de jas weer aan.

Toch is de beveiliger niet tevreden. Hij wenst dat ikzelf, zonder mijn jas door het poortje loop. Met enig gevoel van drama loop ik naar het poortje, en net wanneer ik op een quasi grappige manier aan de man wil vragen of ik door één poortje moet lopen of door alle poortjes, gaat het alarm af. Er zit nog een actief labeltje in de hoody die ik vorige maand heb gekocht. Daar gaat mijn moment van triomf. Deze is nu overgegaan op de glimlach van de beveiliger.

Het laatste weekend van november, tijd voor ons om hier thuis de kerstspullen van zolder te halen en de inboedel op te tutten. Lichtjes, boom en ballen. Kerst 2016. Het weer buiten werkt prima mee: koude wind vanuit het Noord-Oosten. Dat geeft toch een extra dimensie aan het ‘decembergevoel’.

Met koude, rode neuzen kunnen we thuiskomen van het boodschappen doen. Verkleumd van de kou, en weer warm worden bij de haard van het vuur en de warme chocomel. Terwijl de kerstlichtjes de boom oplichten, pruttelt de erwtensoep op het vuur. Zelf gemaakt, met uitgebakken spekjes, draadjesvlees en nog meer geheime ingrediënten. Echte winterkost. De tijd van shorts en teenslippers liggen dit jaar nu echt achter de rug.

Het laatste Harry Potter-boek ‘Het Vervloekte Kind’ ligt op me te wachten om verder gelezen te worden. Ik heb er geen haast bij, want eenmaal uitgelezen dan is het Potter-verhaal ook echt uit. Misschien kan ik in de loop van de dag de film ‘A Wonderful Life’ opzetten. Als je moeite had om in de decembersfeer kan komen, dan zal je dat je nu zeker wel lukken. Misschien straks nog even snel onder de hoogtezon. De winter is leuk, maar ik heb heimwee naar de afgelopen zomermaanden, en verlang nu al naar de zomer van volgend jaar.

De bus reed net voor mijn neus weg toen ik van zomer vanuit mijn werk bij mijn vorige werkgever in Nieuwegein naar huis wilde reizen. Ik was niet de enige misser van de bus. Een enigszins bejaard echtpaar, dat in de verte op een sukkeldraf had gelopen, die overging in een normale wandelpas toen de bus begon weg te rijden, kwam naast mij staan.
‘Daar gaat-ie,’ zei de man bitter.
De vrouw knikte. ‘Ik zien het,’ zei ze.
De man keek haar aan met een enige verachting.
‘Als jij nou niet zo lang aan dat haar van je had staan friemelen, dan hadden we ‘m gehaald,’ sprak hij.
De vrouw, die klein en gezet was, haalde haar schouders op en antwoordde: ‘Als we gezellig in de stad gaan eten, moet ik mijn haar toch doen. Ik ga er niet als een slons bij zitten, in zo’n restaurant.’
De man schudde geërgerd het hoofd. ‘Maar je hoeft er toch niet zo belachelijk lang over te doen!’
‘Jij hebt makkelijk praten, met je kamerbrede scheiding,’zei de vrouw vinnig. ‘Maar ik heb mijn haar nog en ik wil dat het knap zit als we gezellig in de stad gaan eten.’
‘Dat haar van jou blijft precies eender, wat je er ook aan doet,’ zei de man. ‘Ik heb je wel vijf keer gezegd: dank aan de bus. Maar nee…’
‘Of jij niet teuten kan!’ riep de vrouw. ‘Eer jij ‘s-ochtends eindelijk het huis uit bent en ik een beetje uit de voeten kan, o, ik word soms zeeziek van je.’
De man hief bezwerend de hand op.
‘Dat is heel wat anders,’ sprak hij, op principiële toon. ‘We hebben het niet over ‘s-ochtends. We hebben het over nu. We zullen gezellig in de stad gaan eten. Goed, dan wil ik ook op tijd in de stad zijn, zodat ik me niet hoef te jagen. Ik wil om kwart voor zes op mijn gemak mijn borrel drinken. En ik wil om kwart voor zeven aan tafel gaan. Maar dat kan nu allemaal iet meer, alleen omdat jij…’
‘Ach vent!’zei de vrouw.
Ze draaide hem de rug toe.
Een poosje zwegen ze.
Toen zei de man, weer zo bitter: ‘Voor mij is de lol eraf.’
‘Nou, voor mij ook hoor, als je zo zeurt,’ kefte ze.
‘Ik zeur niet,’ antwoordde de man. ‘Ik zeg alleen de feiten. Als jij niet zo lang aan dat haar van je…’
‘Ja dat weet ik nou wel!’ riep de vrouw.
Ik wist het inmiddels ook.
‘Waar blijft die bus?’ sprak de man, na eindeloos de weg afgetuurd te hebben.
Hij keek op zijn horloge en zei: ‘Ik ga net zo lief naar terug naar huis.’
‘Als je maar weet dat ik geen eten in huis heb,’ antwoordde de vrouw.
‘Waarom niet?’
‘Waarom niet!’ herhaalde ze fel. ‘Ik ga toch zeker niks in huis halen als ik weet dat we gezellig samen in de staf gaan eten. Dat is nu weer echt mannenpraat.’
‘Goed, goed,’ zei hij, quasi berustend. ‘Ik vind alleen…’
‘Daar komt de bus,’ zei de vrouw.
Z|e stapten beiden het eerst in en namen plaats op de voorste zitplaatsen. Toen ik had ingecheckt en hen passeerde, hoorde ik de man zeggen: ‘Ik bedoel, als we nou eens gezellig in de stad gaan eten, moet je…’
Ik ben maar helemaal achterin de bus gaan zitten.

In Nederland wordt door de omroepvereniging VARA de Amerikaanse comedyserie The Golden Girls op de dinsdagavonden uitgezonden. De serie gaat over vier vrouwen in de herfst van hun leeftijd, die samen in één en hetzelfde huis wonen in Miami. Een 19-jarige jongeman in Den Helder heeft van zijn bij elkaar gespaarde loon een VHS-videorecorder gekocht en neemt braaf iedere week een nieuwe aflevering op. Zo is het dat hij later in 1987 bijna van alle aflevering van het eerste seizoen de dialogen mee kan praten.

Niet wetende dat het synchroon meepraten van afleveringen uit een comedy serie een beetje sneu is, geniet hij wekelijk van de nieuwe hilarische avonturen van de (g)oude(n) dames, en hun -eerder opgenomen, belevenissen. Eén scene uit een van de eerste afleveringen is favoriet en is hem altijd bijgebleven. Hierin vertelt het karakter Dorothy Bzornak, een invalleerkracht, dat ze als een jong meisje enorm veel plezier heeft gehad met haar leerlingen, die ruim 30 jaar jonger zijn. Wanneer ze aan het einde van de dag in haar auto stapt schrikt ze van het beeld dat ze in de achteruitkijkspiegel ziet. Een realiteitsbesef: Ze is echt niet meer zo jong, als ze zich voelt.

Flash Forward: Amsterdam, 2016.

De 19-jarige jongeman van toen is nu 30 jaar ouder, en volgende maand is hij 50 jaar. De jongeman van toen is ondanks zijn belegen leeftijd van nu, toch aangenomen bij een nieuwe werkgever. Bij het bedrijf is het beleid dat iedere nieuwe werknemer diverse trainingen volgt. Zo gebeurt het dat hij samen met jonge stagiaires en studenten de verschillende trainingen krijgt, in de moderne inrichting met veel glas. Naast de behandelde onderwerpen, waar hij al jaren ervaring van heeft opgedaan, is het leuk om tussen de jongeren te zitten.

Tijdens een training, wanneer het buiten zwaar bewolkt is en de regen tegen het raam slaat is er kort een hilarisch moment tijdens de training. De ruimte waar de training wordt gehouden is door het donkere weer buiten, helder verlicht. Nog schuddend van het lachen kijkt de jongeman van toen naar de glazen muur tegenover hem. Het raakt hem. Hij ziet zichzelf en realiseert dat hij niet meer de jongeman van toen is. Meteen denkt hij aan de scene uit de aflevering van The Golden Girls van 1986. Ondanks de schok van realiteit komt er toch een glimlach van herkenning op zijn gezicht.

De dagen zijn alweer een paar weken aanzienlijk korter. Niet qua uren, maar wel wanneer je het over het daglicht hebt. In het donker vertrekken we naar het werk en in het donker keren we weer thuis. Het is een periode van binnen zitten. Kaarsjes aan. Gezellig.

Wanneer je graag hardloopt is het van belang dat je ‘s-avonds in het donker goed zichtbaar bent. Als ik al van plan ben om in de avonduren te gaan hardlopen, doe ik dit bij voorkeur waar straatverlichting is. Kuilen in de weg zijn onzichtbaar in het donker. Zo weet ik uit ervaring. Dit beperkt toch het aantal kilometers aan hardloopplezier.

Thuis hadden ze al geopperd om naar de sportschool te gaan om een uurtje op de loopband te rennen, maat dat vind ik niks. Moet je toch weer je sportspullen bij elkaar zoeken en die figuurlijke drempel over om naar de sportschool te gaan. Daarom houd ik zo van hardlopen: het is de schoenen aantrekken, en gáán.

Maandagavond heb ik via afstandmeten.nl gezien dat, wanneer ik 4 keer om het stukje weiland voor ons huis loop, dit iets meer dan 5 kilometer is. Eén rondje heeft de omtrek van 1,4 kilometer. Eergisteren heb ik dan toch, ondanks de regenbuien, mijn hardloopschoenen en mijn reflectievestje aangetrokken, en 5 kilometer afgelegd. En ik denk vanavond weer.

Zijn dochtertje zei laatst iets wat me deed verbazen.
Ze zei: ‘Pap, ik geloof niet in de Sint en z’n Hulpsinterklazen.
Niet in paardenhoefjes op het dak en ook niet in pieterbazen’.
Ach, het moest er ooit van komen, t is toch maar een fase.

Hij zei dat ze gelijk had, maar ze moest hem één ding beloven.
Niks te zeggen tegen kids die wél in de Sint geloven. 

Maar zijn dochter is net als hij, een ieder moet haar mening horen.
Dus dat ze er iets van ging zeggen, wist ik eigenlijk van te voren.
De kinderen in haar kleuterklasje klapperden met hun oren.
De meeste gelovigen begonnen zich aan haar storen.

Iemand die beweerde dat hij niet bestond: daar konden ze niet tegen.
Ze hadden die info immers van huis uit meegekregen.
Waarom zouden hun ouders liegen, hun eigen kinderen bedriegen.
En iemand die anders dacht dan hen… Die zag ze vliegen.

Hij zei nog dat ze gelijk had, maar ze moest hem één ding beloven.
Niks te zeggen tegen kids die wél in de Sint geloven.

Ze waren opgevoed met het idee dat de Sint een goede man was.
Dat je geen cadeautjes kreeg, als je iets slechts van plan was.
Dus de meeste dachten: ‘Ik heb het wel met haar te doen.
Die meid geloof niet in hem en krijgt nu niks meer in haar schoen’.

Ze wilden haar overtuigen, probeerde nog met haar te praten.
Maar één ventje in de klas begon haar toch echt te haten.

Hij geloofde zo sterk in wat zijn ouders hem vertelde.
Dat hij na ’t slechte nieuws meteen bij zijn vader melde.
Die vertelde hem dat er nog hoop was, dat de Sint wel zou verschijnen.
Dat alles echt wel goed kwam, dat dit feest niet zou verdwijnen.

Hij zei nog zo dat ze gelijk had, maar ze moest hem één ding beloven.
Niks te zeggen tegen kids die wél in de Sint geloven.

Het ventje zei niet tegen haar, dat ze zich had vergist.
In plaats daarvan heeft ie naar z’n prikpennetje gegrist.
Heeft fanatiek op haar ingestoken, niet een keer gemist.
Het ventje was helaas, een Sinterklaas-extremist.

En hij zei dat ze gelijk had, maar ze moest hem wel één ding beloven.
Niets te zeggen tegen kids die wel in de Sint geloven.

Politieke leiders, voetbalhooligans, geflipte milieu-activisten.
Niet begrepen jongeren, die steeds achter het figuurlijke net visten.
Katholieken, Christelijken, moslim-extremisten.
Blijf staan waar je voor staat, maar laat je vooral niet kisten.

Maar wat je ook gelooft en waar je ook voor staat.
Het mag nooit zo ver komen, dat je de ander haat.

Vanmorgen ben ik eerst een rondje gaan hardlopen. Voor mijn gevoel was ik ruim op tijd uit bed, maar toch was het nog vroeg. Dat vind ik wel een voordeel van de wintertijd: de tijd lijkt minder snel te gaan. Niet alleen heb ik al een klein rondje hardlopen erop zitten, mijn eerste werkweek bij de nieuwe werkgever in Amsterdam heb ik ook achter de rug. Na veel nieuwe impressies heb ik daar toch al snel mijn draai gevonden. Qua werkzaamheden, maar ook inzake het reizen. Mijn reistijd is gehalveerd, en dat is een groot voordeel. Ik heb op werkdagen nu anderhalf uur tijd over voor andere dingen.

Nieuw voor mij is de metro in Amsterdam. Hiermee reis ik 10 minuten per dag niet alleen met andere forensen, maar ook met scholieren, studenten en andere, beetje wazige figuren. Deze mensen zijn niet helemaal zijn te plaatsen. In mijn gedachten zijn het leden van de ‘Wiet Watchers‘. Een beetje als die groep van dikkerdjes, maar dan in plaats van dat zij op de kilo’s letten, zijn zij meer bezig met enkele grammen. Verder hebben beide groepen het doel om er lichter van te worden. Maar verder hebben deze mensen geen invloed op het heen en weer reizen, het zijn tenslotte maar 5 minuten per reis, dat ik onderweg ben.