Het blonde jongetje huppelde de wachtkamer van de dokter binnen, samen met zijn opa. Althans het kind liep aan de hand van een enorme homp onaardig stuk mensenvlees. Ik maak deze enigszins nare opmerking, omdat de man het aardige en vriendschappelijkheid miste, daar waar echte opa’s in behoren uit te blinken. In zijn ogen fonkelde geen blijdschap toen hij commandeerde: ‘Ga zitten en blijf overal van af.’
Het jongetje, dat een klein pluchen konijntje onder zijn arm had geklemd, nam gehoorzaam op de hem aangewezen plek plaats, maar aan zijn oogjes zag je, dat het vertrek verschillende voorwerpen bevatte, die hij graag eens met zijn vingers wilde onderzoeken.
Op een kast liepen een aantal stenen olifantje netjes in een rij, die zich zo aardig door elkaar zouden laten zetten, en het tafeltje naast de deur, die was bedekt met stapels tijdschriften en stripboeken. Daar moesten wel hele mooie plaatjes in staan.
‘Opa, mag ik. ..’
‘Zitten blijven. En je mond houden.’
Wie was die man? Een Judas, vermomd in grootvaders pak? Kritische blikken in de wachtkamer keken de grootvader aan, maar het deed hem helemaal niets.
‘Opa, waar zijn die olifantjes voor?’
‘Die zijn voor afblijven.’
Een corpulente dame met een oude Margriet in haar handen begon kreeg een rood hoofd van moeizaam bedwongen verontwaardiging, maar het jongetje zelf bleef aanmerkelijk wijsgerig van aard. Hij nam zijn konijntje op de knie en sprak op verraste toon:
‘Opa!’
‘Ja?’
‘Konijntje praat tegen me.’
‘Zo.’
Meer kon er blijkbaar niet af. Maar de enorme verwondering van het jongetje over het onverwachte spraakvermogen van zijn knuffeldier, was niet te vernielen.
‘Weet u wat konijntje zegt?’
‘Nee.’
Zachtjes, maar niet zonder triomf kwam het stemmetje:
‘Hij zegt: rót opa.’

Het is maandagochtend en vanmorgen vroeg vertrekt de trein op tijd, volgens schema, vanuit Almere. Na een kleine 20  minuten rijden we voorbij station RAI, om over luttele momenten Amsterdam-Zuid binnen te rijden. Ik loop naar het balkon van de trein. Het is er druk. Veel reizigers willen de aansluiting met een andere trein, metro of bus halen. Ongeduldige gezichten kijken naar buiten om zo snel mogelijk naar de volgende vervoerder te gaan. Een vrouwelijke reiziger wil eerst zien aan welke kant ze moet uitstappen. Als zij een beetje oplet, kan ze zien dat alle andere reizigers bij de andere deuren klaarstaan.

Schuin achter mij staat een dikke medereiziger. Het is het type Amerikaanse toerist. Iets te dik en daarmee ook iets te aanwezig. Het is half 8 ‘s-ochtends en de man staat al overdadig bezweet op zijn mobiel te tikken. Ik kijk onopgemerkt achterom. Hij is aan het whatsappen. Zijn dikke worstenvingers glijden over het scherm van zijn telefoon. Ik weet niet wat zijn eindbestemming is, maar ik denk dat hij er hier ook uit moet. Hij wordt onrustig en begint zich op te dringen. Lomp duwt hij zijn dikke , vette lijf tegen me aan. Ik word er een beetje knorrig van. Wat denkt die Amerikaanse vetklomp wel? Onpasselijk doe ik een stap opzij en de toerist een stap naar voren.

De trein komt tot stilstand en het balkon loopt vol met reizigers. Iedereen lijkt de trein met haast te moeten verlaten. De deuren van de intercity gaan langzaam open en het balkon begint leeg te stromen. De dikke Amerikaanse toerist blijft staan en haalt zijn mobiele telefoon weer tevoorschijn. Hij beweegt niet. Om mijn aansluiting met lijn 50 te halen stoot ik hem per ongeluk aan. Om te bewijzen dat ik wel fatsoen heb, zeg ik bij het passeren in mijn beste Engels: ‘I’m so sorry sir,’ en verlaat de trein. De Amerikaanse toerist roept me na. Met een plat Amsterdams accent. ‘Je mot uit je doppen leren kijken, stomme buitenlander.’

In mijn fictieve verleden woonde er vroeger een oudere dame bij ons in de straat. Ze had de middelbare leeftijd al jaren achter zich gelaten, maar ze stond nog hartstikke positief in het leven. Deze oudere dame heette Gateau, van achteren. Door iedereen mevrouw Catoo of Catootje genoemd. Deze dame uit mijn straat werd vroeger door de buurtbewoners een beetje met de nek aangekeken. Velen vonden juist haar uit de hoogte doen, want ze had een paar jaar in het buitenland gewoond en alles leek haar voor de wind te gaan.

Succesvol zijn is in Nederland niet per definitie een positief ding. Vaak zijn er mensen die plezier halen uit het neerhalen van andere mensen. Zo zijn er groepen die anderen het geluk niet gunnen. Zij die ongelukkig worden wanneer ze enig geluk bij anderen zien. Zo stond men vroeger met luiermanden bij het stadhuis te demonstreren, wanneer een jong koppel moest trouwen. Omdat nog geen 9 maanden na trouwdatum een eerste kind geboren zou worden. De mens, en niet Facebook, is de oorzaak van alle ellende.

Weer terug naar mevrouw Catoo, de buurvrouw uit de straat van mijn fictieve verleden. Er werd destijds geroddeld en er was achterklap. Men sprak valselijk over de jongemannen die haar na 8 uur ‘s-avonds bezochten. Dit kon echt niet. Welk voorbeeld was ze voor de anderen in de buurt? Zelfs de dominee nam deel aan de gesprekken over mevrouw Gateau. Op een dag kwam deze zielenherder met een recente foto van de buurvrouw. Hierop stond mijn buurvrouw onbedekt afgebeeld.

De foto werd door alle buurtbewoners gedeeld en iedereen sprak er schande van. Dat een vrouw van haar leeftijd zich nog zo naakt liet fotograferen! Men liet de buurvrouw op een ongezouten manier weten dit niet te dulden. Zo werden er eieren tegen haar ramen stuk gegooid. Uiteindelijk is ze verhuisd naar een andere buurt. Waar ze jaren lang anoniem en op haar manier gelukkig heeft geleefd. Mij heeft het vooral verbaasd dat niemand zich afvroeg hoe de dominee aan de naaktfoto van mevrouw Gateau was gekomen.

Als kind ben ik een blauwe maandag lid geweest van een drumband. De plaatselijke turnvereniging met de toepasselijke naam Turnlust had eind jaren 60 -waarschijnlijk voor de muzikaal ingestelde sportievelingen, een drumbandvereniging opgericht met dezelfde naam als de gymnastiekvereniging.  Mijn zus had al eerder als majorette bij de drumband met haar stokje mogen zwaaien en als logisch gevolg mocht ik enkele jaren daarna met de stokjes in de weer. De drumstokken.

Zo zat ik voor een tijdje iedere vrijdagavond bij mijn vader achterop de fiets, onderweg naar de gymzaal ‘De Draaikolk’. Dat was de thuisbasis van de drumband, en op die locatie leerde ik het trommelen. En ik was slecht. Ik kon er echt niets van. Ik trommelde wel altijd vrolijk en in de maat met de andere trommelaars mee, maar wanneer ik iets alleen moest voorspelen raakte ik van de wijs. Letterlijk. Ik trommelde maar wat weg, wat alleen maar verbijsterde gezichten opleverde.

Ik weet nog dat mijn toenmalige zwager, tevens een gevierd tamboer bij de drumbandvereniging, een hele avond bij ons thuis met mij heeft zitten oefenen. Het trommelen kwam ondanks het drammen er bij mij niet in. Op het laatst had ik er helemaal geen zin meer in. Tot grote frustratie van mijn toenmalige zwager. Die kon niet begrijpen dat ik zo slecht en ongemotiveerd was. Ik kon niet begrijpen wat er nu zo leuk was om diverse marsen uit je hoofd te kunnen spelen. Ik trommelde liever op het gehoor met de anderen mee.

Het gezellig samen met anderen meetrommelen was niet voldoende en na een toelatingsexamen werd besloten dat ik niet in uniform met de andere drumbandleden op straat mocht paraderen. Het was voor iedereen duidelijk. Een carrière als trommelaar was niet voor mij weggelegd. Ik was er ook niet rouwig om. Mijn vader overigens ook niet. Die had de vrijdagavonden weer voor zichzelf. Ik heb me niet lang verveeld. De week na mijn muzikaal examen ben ik lid geworden van de padvinderij en daar heb ik jarenlang met kinderlijk plezier mijn tijd doorgebracht.

Als kind ben ik in drijfzand terechtgekomen. Ik moet een jaar of 9 zijn geweest en ik was met een groepje buurtkinderen aan het spelen op een stuk grond dat toen werd klaargemaakt voor een toekomstige woonwijk in Den Helder. Jaren later ben ik er nog gaan samenwonen met mijn huidige echtgenoot. Het moet een mooie zomerdag geweest zijn, want ik kan me herinneren dat ik die dag een korte broek aanhad.

We liepen elkaar al spelend uit te dagen over wat we allemaal wel, of juist niet durfden te doen. Een soort van truth or dare. Nog voordat het in Nederland een algemeen begrip was. Op een gegeven moment zal iemand hebben geroepen dat niemand in het drijfzand durfde te gaan staan. Ik was niet echt een stom of achterlijk kind, maar een uitdaging als deze ging ik niet uit de weg.

Avontuurlijk zoals een tienjarige jongen in de jaren 70 kon zijn besloot ik het drijfzand in te lopen. In het begin nog stoer met een houding van ‘mij maken ze de pis niet lauw’, maar een paar stappen verder zakte ik al ras in de modder. Toen ik het allemaal iets minder leuk begon te vinden zakte ik steeds verder de grond in. Ik wist toen nog niet dat wanneer je in drijfzand terecht komt, je niet te veel moet bewegen.

In paniek en als een bezetene begon ik aan en soort van traplopen in de modder, met als resultaat dat ik steeds dieper in de grond geraakte. Het groepje vrienden moedigde me aan om toch maar snel hun kant op te komen. Ze reikten handen en stokken uit om mij zo weer op het vaste land te krijgen. De stokken kreeg ik wel in mijn handen, maar bij iedere beweging raakte ik dieper in de grond.

Een toevallige passant zou ons te hulp zijn toegeschoten, want er was pure paniek in de gezichten van deze pre-tieners te lezen. Toen ik tot aan mijn middel in de modder vastzat, voelde ik iets stevigs onder mijn linkervoet. In mijn herinnering voelde het als iemand mij een zetje gaf. Wellicht was het een groot stuk rots. Of misschien een spirituele behoeder. Ik kan er tot op de dag van vandaag nog geen zinnig antwoord op geven.

Zouden ongelovigen ooit ook naar de Hemel kunnen gaan?
Of is deze plek alleen gereserveerd voor de ‘goeden’.
Voor mensen die Heilig lezen, maar anderen laten bloeden.
Ik heb er nooit zo over nagedacht en kan alleen vermoeden,
dat, als dit zo is, de Hemel voor mij niet hoeft te bestaan.

Wie beslist er over de toegang naar het hemelse bestaan?
Is dat God, of beslissen de mensen hier op aarde,
over de anderen en veroordelen op normen en waarden.
Want wie let op de hoge priesters en eerwaarden?
Als die in hemel komen, hoef ik niet meer te gaan.

Ik wil me niet omringen met mensen die over God praten,
maar er vervolgens voor kiezen niet in te grijpen,
die heel stiekem de kat in het donker knijpen.
Nee, geen verlangen die mensen te willen begrijpen.
Dan heb ik liever dat ze me na mijn dood bij de hemelpoort achterlaten.

Van de week vond ik in de gang een klein fluwelen puntmutsje dat door niemand werd opgeëist. Toen ik de volgende nacht in bed lag en mij al een paar uur in dromenland bevond, werd ik plotseling gewekt door een aan aanhoudende pijn in mijn linkerschouder. Ik deed het nachtlampje aan en zag hoe dit kwam: er werd tegen mijn schouder gestompt door iemand die naast mijn bed stond. Een klein mannetje. Het droeg een mooie, witte baard en was gekleed in een groen fluwelen jasje en kanariegeel brokje van ouderwets kwaliteit.
‘Meneer,’ zei het ventje, ‘mag ik mijn muts terug?’
‘Maar u bent een kabouter!’ riep ik verrast.
‘Inderdaad meneer,’ luidde zijn antwoord. ‘Ik ben kabouter met honoraire titel, met de rang van dwerg eerste klasse. Maar als ik mijn muts niet terugkrijg, word ik gedegradeerd tot ongeschoold aardmannetje en dan is mijn pensioen naar de haaien. En dat is niet makkelijk meneer, als je er al zo lang voor gewerkt hebt.’
‘Maar natuurlijk krijgt u ‘m terug!’ zei ik, uit bed springend. ‘Hoe kwam ie eigenlijk in de gang’- als ik niet te vrijpostig ben?’
‘O, ik was even op bezoek in uw keuken,’ zei de kabouter. ‘Een van uw katten gaf een etentje, u weet wel…’
‘Ik weet dat niet echt,’ antwoordde ik. ‘Maar was het gezellig?’
‘Och, zoals zo’n avondje is…’ zei hij blasé. ‘Je bent nog niet binnen, of ze beginnen over de duurste blikvoer of hun angst voor blaffers, want al mauwen ze nog zo, ze hebben allemaal belang bij de maatschappij. Tegen het eind van de avond werd het pas echt leuk. Toen hebben we nog een paar honden in de straat voor de gek gehouden.’
‘En toen bent u uw puntmuts verloren?’ veronderstelde ik.
‘Nou, ik was een beetje ver heen, ziet u,’ zei de kabouter met een glimlach. ‘Ik had flink wat beukennoten op en ik herinner me niet zo precies meer hoe ik thuis gekomen ben. In het bos heb ik wel een paar uur staan zoeken naar waar mijn ondergronds huisje was. En pas de volgende dag miste ik mijn muts, en u was toen al uit bed en dan mogen wij, kabouters, ons niet meer laten vertonen door de kabouterbond.’
De kabouter zette zijn mutsje weer op.
‘Nou, ik zal maar zeggen, het beste met alles,’ sprak ik.
Hij verdween weer stilletjes.
Ik ging weer liggen en dacht: Wedden, dat ze morgen allemaal zeggen dat ik het gedroomd heb?

vrij bewerkt naar een stukje van Simon Carmiggelt

Haar naam is Elsemieke van Buuren. Een vrouw van net 30 jaar. Vernoemd naar haar beide oma’s, Els en Mieke. Ze is moeder van 2. Luuk en Bram. Een tweeling van 3 jaar oud. Elsemieke woont samen met Ronald van Leeuwen en 32 uur per week is ze werkzaam op kantoor. Naast haar drukke baan doet ze graag aan hardlopen en geniet ze van de ‘high wine-middagen’ met haar beste vriendinnen.

Gewoon wijn drinken bij haar vriendinnen, daar houdt ze ook van en wijn drinken zonder haar vriendinnen vindt Elsemieke ook prima. Als er maar wijn is. Ze doet het huishouden samen met vriend Ronald, maar inmiddels weet ze dat de meeste taken op haar schouders rusten. Ze heeft er vrede mee. Het overreden om de huishoudelijke taken uit te voeren vergt meer energie dan die paar handelingen zelf.

De derde woensdagmiddag van de maand doet ze steevast de maandelijkse boodschappen. Dit uitje staat vast in de agenda. Het hele jaar door. Het is geen opgave, zoals het jaren geleden was. Het is inmiddels onderdeel van het leven. En ze vindt het heerlijk. Niet meer zo vaak sjouwen met luiers en andere noodzakelijke artikelen. Boodschappen doet ze samen met haar beste vriendin Corine, want met 2 kleine kinderen redt ze dat niet alleen.

Elsemieke heeft een druk hoofd. Dan malen haar gedachten maar door. En door. Zo ook deze derde woensdag van de maand. Ze betrapt zich erop dat ze op de automatische piloot de boodschappen heeft gedaan, want ondanks een boodschappenlijstje zijn er toch een paar dingen vergeten. Ze vertelt haar vriendin of ze de boodschappen en de kinderen maar alvast in de auto moet zetten.

Na een snelle wandeling door de gangpaden van de supermarkt heeft ze haar mandje bijna vol. Ze vraagt zich af hoe ze deze artikelen heeft kunnen vergeten en dwaalt verder af naar de werkzaamheden die nog op haar wachten. Nadat ze de boodschappen heeft afgerekend loopt ze met de armen vol, want een plastic tasje heeft alleen nadelen, naar de auto van haar vriendin. Ze stapt in en zegt: ‘Rijden maar.’

Corine zegt niets en de auto komt niet in beweging. Als ze wilt vragen wat er loos is, hoort ze een mannenstem. ‘Mevrouw ik denk dat u in de verkeerde auto zit.’ Elsemieke draait haar hoofd naar links en kijkt in de blauwe ogen van een oude, gezette man. Langs het hoofd van de man, in de auto ernaast ziet ze de tweeling op de achterbank zitten en haar vriendin kijkt haar onbegrijpend aan.