Het regent in Almere. Deze vrijdagmiddag zit ik aan een tafeltje in het leescafé van de Nieuwe Bibliotheek. Af en toe kijk ik op van mijn mobieltje, een beetje druilerig, net als de regen, naar buiten te kijken. Ik zit er bijna alleen. Samen met een medewerkster van het leescafé, en verderop een Surinaams jongedame. Ze is druk met haar smartphone. Haar grote bos haar met krullen beweegt mee in het ritme van haar duimen als ze zit te whatsappen.

Vanuit de verte zie ik een blonde, slungelachtige jongen lopen. Ik kijk even en doe alsof ik naar het scherm van mijn mobieltje kijk. Ik zie hem richting het leescafĂ© lopen. In zo’n zwart-wit moderne broek die het modebeeld de laatste tijd bepaalt. Een trainingsbroek, maar dan een die vanaf de knie tot aan de enkels op een legging lijkt. Vroeger zou ik zo’n broek vast een heel tof exemplaar hebben gevonden, maar ik ben nu 50 jaar oud en mijn smaak past zich daar op aan. Ik vind het een belachelijk en onooglijk model. Gelukkig word ik niet verplicht het model te dragen en die gedachte maakt me blij.

De blonde slungel stapt op de dame af en spreekt haar -tot mijn verbazing- aan met een heel zwaar Surinaams accent.
‘Hey meissie. Fawaka?’
De jongedame kijkt verrast op van haar mobiel. Heel even is ze in de war. Ze hoorde zojuist duidelijk het bekende accent en nu ziet ze daar een lange, bleke slungel bij haar tafeltje staan. Ze corrigeert haar verbazing.
‘Fawaka!? Ben je een boeroe dat je zo tegen me praat? Jongen, ik zou je een tjoerie geven, maar daar ben je me te min voor. Ga spelen.’
De Surinaamse kijkt hem doordringend aan en de slungel druipt af. Ze neemt een slok van haar koffie en wanneer de slungel op enige afstand is hoor ik dan toch een echte tjoerie. De minachting is duidelijk gemaakt. Buiten is het harder gaan regenen.