Het is nu een paar maanden geleden dat ik met de metro in de omgeving van Rotterdam onderweg ben. Die middag schijnt de zon fel. Alsof die oude ster zich even wilt laten gelden, en dat lukt prima. Dat blijkt wanneer de drie gekoppelde rijtuigen op rij na het metrostation Kralingse Zoom weer bovengronds rijden. Met de zonnebril op mijn gezicht zit ik stilletjes te genieten van de warmte die de zon ons brengt. Bij een volgende station loopt er een scholiere van het type lomp en onbehouwen de metro in. Ik beweer niet breedgeschouderd te zijn, maar toch weet dit lompe wicht mij met een stoot tegen mijn schouders te passeren. Ik denk eerst: een overvolle schooltas. Zo’n hippe rugtas waar de gehele collectie van een kleine dorpsbibliotheek in past. Maar nee, het schoolgaand meisje blijkt heel gewoon enorm corpulent te zijn.

Ze neemt plaats, op enige meters afstand, schuin tegenover mij. Boos kijkt ze de metro in. Het kan niet anders dat haar ouders bang zijn wanneer ze met zo’n gezicht thuiskomt. Vanachter mijn donkere brillenglazen bekijk ik het monsterachtige mensenexemplaar. Hierop ervaar ik een gevoel van afkeer. De vormloze, paarse broek van versleten joggingstof moet maandenlang alleen maar over haar kont en een stoel hebben gehangen. Haar afgedragen sweater ziet er niet beter uit. Het blauw-wit gestreepte exemplaar lijkt uit een hondenmand te zijn geplukt, en het valt spontaan in gaten uit elkaar. Even denk ik dat ze me doorheeft. Dat ik haar observeer. Maar de ontevreden en chagrijnig blik in de ogen kijkt naar haar mobiel. Snel gaan de dikke vingers over het beeldschermpje. Ze houdt de telefoon tegen haar oor, om na een moment met blèrende stem de stilte in het rijtuig te verdrijven.

‘Ik ben boos! Ik ben zó boos!’ Ze luistert heel even of ze een respons krijgt. ‘Op de klas,’ balkt ze in haar mobiel. ‘Echt mega-boos!’
Een oudere vrouw die achter de scholier zit, herbeleeft vol afschuw de Tweede Wereldoorlog. Het was ruim 70 jaar geleden dat ze voor het laatst het luchtalarm in Rotterdam heeft gehoord.
‘Ik was de enige van de klas die stond te wachten bij gymles!’ loeit ze. ‘De hele klas zit in een groepschat en iedereen was op de hoogte van dat de gymles uitviel. En wie stond er als enige voor niks te wachten? Juist ja, ik! Ik ben er helemaal klaar mee,’ schreeuwt ze naar iedereen die het kan horen, en dat zijn alle inzittenden in het rijtuig.

In het fel aanwezig zijn verliest de zon het van de Rotterdamse Bessie Turf en schuilt beschaamd achter een breed wolkendek. In de metro wordt het donker. Toch houd ik mijn zonnebril op. Ik kan me ogen niet van de grote bek en haar zwaarlijvige verschijning houden. Ook iets afschuwelijks fascineert de mens blijkbaar. Het gesprek gaat door. Over dat een klasgenoot haar naar het metrostation heeft gebracht. Teleurgesteld geeft ze toe dat dit wel een aardig gebaar is. Dit laat de boosheid echter niet verdwijnen. Het aanhoudend geklaag verkrijgt een ritme. Een vervelend ritme. De verlossende omroepstem uit de speakers deelt mee dat ik mijn eindbestemming heb bereikt. Ik krijg de opdracht aan de rechterkant uit te stappen. Wanneer ik op het perron sta zoek ik de uitgang en volg ik meegaand de andere reizigers naar de uitgang, de trappen af. Wanneer ik me bij de poortjes uitcheck en naar buiten loop, gaat de zon weer schijnen. Heel scherp.

Brian Braat is een alleenstaande man. Hij is zeer tevreden met zijn leven maar hij heeft een hekel aan boodschappen doen. Hij vindt het een noodzakelijk kwaad en ondanks alle moderne mogelijkheden vertikt hij het om zijn boodschappen thuis te laten bezorgen. Het is niet dat hij niet weet dat je de boodschappen tegenwoordig tot in de keuken laten bezorgen, maar hij wil er af en toe ook eens uit. Noem het raar of vreemd, maar Brian is gelukkig als hij kan mopperen. Hij wil kunnen mokken dat hij op de fiets door de regen moet voor nieuw toiletpapier, wijn en andere noodzakelijke dingen. Ieder zijn ding.

Zo ook vandaag. Brian loopt binnensmonds mooperend door een voor hem vreemde supermarkt. Dankzij een verbouwing in zijn eigen buurtsuper wordt hij nu verplicht de boodschappen in een andere woonwijk te doen. Hij is niet autistisch, maar Brian is wel van slag omdat hij nu naar de koffiefilters of wijn moet zoeken. Nadat hij alles van de boodschappenlijst te hebben gevonden en in het mandje te hebben verzameld, loopt hij tevreden richting de kassa’s en sluit aan bij de kortste rij. Hij is verrast. Niet om wat er op de band aan boodschappen staat, maar om de jonge jongen achter de kassa. Hij kent hem en niet alleen van gezicht.

Deze jongen kent hij van Grindr. De dating-app voor homoseksuelen. Brian herkent hem aan de lichtblauwe ogen en verder nog iets. Zoals zijn nickname op de app. Just4U. Een paar dagen geleden nog hadden ze elkaar gesproken via de app. Het was een leuk gesprek. De andere jongen was een beetje kinderlijk, maar dat kan soms ook leuk zijn. Ze hadden leuk gechat en vlak voordat ze het gesprek beëindigden stuurde Just4U plagend een foto. Hierop stond hij bloot, waarbij alleen de billen bleek in beeld waren. Het zag er goed uit, maar verder niet heel bijzonder. Een tenger lichaam van een net twintigjarige.

Wanneer Brian de boodschappen op de band zet, wordt hij herkend. Hij wilt de jongen niet in verlegenheid brengen en doet zich voor als doorsnee klant. Wanneer Just4U Brian’s boodschappen langs de scanner haalt, groet hij verlegen. Brian groet vriendelijk terug en doet alsof foto nooit is ontvangen. Nadat alle boodschappen zijn afgerekend wenst de jongen hem met een rood gezicht een fijne dag toe. Brian knikt en wenst hem hetzelfde. Glimlachend doet hij de boodschappen in zijn tas.

Buiten loopt Brian naar zijn fiets en hangt de boodschappentas aan het stuur. Wanneer hij op de fiets stapt ziet hij Just4U om de hoek de supermarkt uitlopen. Hij staat tegen een muur en steekt een sigaret op. Hij inhaleert de rook. Na een paar seconden blaast hij de rook weer uit. Wanneer Brian wegfiets steekt de jongen zijn hand op en Brian zwaait terug. Just4U lacht breeduit. Op de fiets, onderweg naar huis beseft Brian dat die jongere jongens alleen nog maar op afstand kunnen communiceren.

Roos van der Park zit klaar voor een training Communicatie en Nieuwe Media. Ze heeft veel zin in de training. Zeker in haar functie als medewerkster Human Resources, de vroegere personeelsadministratie. Zo werd de afdeling genoemd toen ze jaren geleden als jonge blom in dienst kwam. Samen met Frits Luit, haar leidinggevende, mag ze de training vanmiddag volgen. De locatie is op het werk, in het kantoortje waar altijd de wekelijkse vergaderingen van de verschillende afdelingen worden gehouden. Roos is deze middag vooral benieuwd naar de mogelijkheden die de sociale media kunnen bieden. Het maken van nieuwsbrieven heeft ze altijd leuk gevonden, maar met een tweet via Twitter of een foto via Instagram bereik je veel meer mensen. Eerlijk gezegd heeft ze niet zoveel verstand van de nieuwe communicatiemiddelen.

Ze heeft altijd gedacht dat het een ding was waar alleen jongeren zich mee bezighouden, maar dat blijkt niet zo te zijn. Wilma Schathaard, die de training geeft, weet de beide cursisten te vertellen dat het verschil in percentages tussen jongeren en ouderen steeds kleiner wordt. Wel zijn er verschillen in de verschillende media die gebruikt wordt. Ouderen zitten meer op Facebook, terwijl jongeren meer kiezen voor snelle apps als Instagram of Snapchat. Roos neemt zich voor om thuis uit te zoeken wat het allemaal kan. Het is haar nog onduidelijk. Wat is godsnaam een snapchat? Ik snap snapchat niet, denkt ze. Ze moet grinniken. Fluisterend zegt ze tegen Frits: ‘Als je snapchat niet snapt valt er niets te chatten, snap je?’ Haar leidinggevende reageert met een flauwe glimlach. Een standaard reactie wanneer hij geconcentreerd bezig is.

Enigszins teleurgesteld dat haar grap niet aanslaat kijkt ze door het raam naar buiten. In de helblauwe lucht schiet in de verte een vliegtuig voorbij. Het toestel brengt de inzittenden naar andere oorden.   En niet alleen dat. Het brengt ook anderen naar verder gelegen plekken. In gedachten is Roos al in Griekenland. Het eiland Kreta is haar vakantiebestemming over 4 weken. Zo is ze al voorzichtig begonnen met het aankopen van vakantiebenodigdheden. Zonnebrandcrème met een niet te hoge factor, want ze wilt wel een bruin kleurtje op de huid als souvenir mee naar huis, en een nieuw badpak is al online besteld. De koffer staat al een paar dagen geopend op het logeerbed. Zo gooit ze af en toe in het voorbijgaan, dingen als teenslippers in de koffer. De dingen die echt niet vergeten mogen worden.

Ze geniet al van de momenten dat ze relaxt met een spannend boek op een strandbedje ligt en een cocktail binnen handbereik. Met een glimlach ziet ze de mooie mannen met ontbloot bovenlijf voorbij wandelen, terwijl haar eigen Henk met duikbril en snorkel op het hoofd verderop in zee de zeebodem afzoekt. Ze wuift de mannen na, en ze denkt aan de terrasjes die ze gaan bezoeken. Wandelen over de markten in de dorpjes ver van de toeristische oorden, om daar de ware cultuur op te snuiven. Dit alles zonder op de tijd te letten. De kunst van het vakantievieren is niet op de klok kijken. Roos schrikt op als Wilma haar een vraag stelt. Vanuit Griekenland is ze weer aanwezig op kantoor. Ze weet niet wat haar zojuist gevraagd werd. ‘Ik ben aan vakantie toe,’ geeft ze verontschuldigend als antwoord. Frits en Wilma kijken elkaar verbijsterd aan.

Sinds anderhalve week hebben we een nieuwe voiture. Een Renault Twingo. Let wel, voor ons is-ie nieuw. Het is een doodgewoon ‘tweedehandsje’. Een mooi geel vehikel dat al jaren lang anderen van A naar B heeft vervoerd, en daar zijn auto’s ook voor. Heen en weer, op en neer. We waren met recht aan vervanging toe, want met de vorige -een zwarte, van hetzelfde automerk, konden we niet meer zonder hulp van de handrem remmen. Niet echt zonder gevaar. Het droge, schriele geluid dat dit voortbracht overstemde elke andere claxon op de weg. Daarbij vertoonde de vorige rammelkast de laatste maanden steeds meer gebreken.

Voor eigen veiligheid moesten we uiteindelijk uitwijken naar een nieuwe bak. De nieuwe gele ‘bolide’ is zeer luxueus. Helemaal wanneer je ‘m vergelijkt met het zwarte rijtuig van vorig jaar, maar toch zijn we dankbaar voor het oude, zwarte bakkie dat ons bijna 10 maanden heeft rondgereden. De nieuwe gele Twingo heeft de ijdele luxe van een schuifdak, elektrische ramen en stuurbekrachtiging. Wat ons ook een veilig gevoel geeft, is dat dit nieuw karretje airbags heeft. Voor de bestuurder en de bijrijder. We waren al blij wanneer het vorig tweedehandsje genoeg air in de banden had.

De vorige had dit helemaal niet. Door het missen van de stuurbekrachtiging kreeg je wel gespierde onderarmen, maar dat is ook niet prettig wanneer je de auto door vele bochten moet manoeuvreren. Het blijkt maar: pas achteraf geef je toe aan de gebreken die het zwarte vehikel allemaal had. De kofferbak kon niet geopend worden, terwijl de tankklep constant open stond. De muffe lucht in de auto werd met behulp van kunstmatige luchtjes gemaskeerd, en daarnaast moest tijdens het autorijden altijd beide ramen open staan. Ook tijdens de wintermaanden. Wanneer we in koude avonden naar huis reden, hadden we extra sjaals en mutsen mee.

We vonden het ook wel grappig dat er standaard een aantal wintermutsen en extra warme dekens op de achterbank lagen, maar achteraf lach je er pas echt om. Dat komt door de wetenschap dat we deze ‘zwarte-auto-periode’ achter ons hebben mogen laten. De idiote mankementen van het afgelopen jaar vertellen we nu smeuïg. Zelfs de wetenschap dat de kilometerteller van de vorige auto toch minimaal 3 keer is teruggedraaid, is nu, na afloop, alleen nog maar een grappig gegeven. Niet te zwaar aan tillen. We kijken vooruit naar de toekomst, en die is -net als de kleur van onze nieuwe Twingo, zonnig gekleurd.

Vanmorgen schrok ik wakker uit een benauwde droom. Geen nachtmerrie, maar aangenaam was de droom niet. Ik was onderweg -zoals altijd in mijn dromen, naar een onbekende bestemming en dit keer zat er een onguur type achter me aan. Door de straten van Den Helder op de vlucht voor die enge vent die met een hakbijl mijn baard wilde afnemen. Eerst bleef ik hem voor, maar aangekomen bij de vuurtoren van Den Helder functioneerden mijn beide benen niet meer. Kruipend probeerde ik boven op de dijk te komen, maar ik werd al snel ingehaald. De engerd hief zijn bijl en net op het moment dat hij mijn onderkaak van baardgroei wilde verschonen, werd ik wakker van mijn eigen schreeuw.

Naast mij in bed hoorde ik een lichte zucht en de beslissende zin: ‘… nou, dan eet je geen sinaasappels…’ mijn echtgenoot droomde, zeer tevreden over deze beslissing, verder.  Maar bij mij sliepen alleen mijn beide benen -vandaar die droom. Ik keek even snel op mijn mobieltje, zag dat het zes uur was en constateerde een droge keel. Dorst. Koolzuurhoudend water, dacht ik. De bubbels lessen mijn dorst het beste. Toen ik weer wat gevoel in de benen terugkreeg, strompelde ik uit bed en verliet sloffende de slaapkamer om af te dalen naar de keuken, een verdieping lager.

In de gang  zaten onze katten naast elkaar. Harpo en Oprah. De nacht heeft voor hen geen betekenis, want ze verdelen de slaap heel schilderachtig uit over de hele dag en vinden het belachelijk dat wij mensen op gezette tijden naar bed gaan. Wanneer wij mensen ‘s-nachts een paar uur slaap pakken, zitten de katten zich klaarwakker te vervelen, waarbij ze zich opstellen als fanatieke festivalgangers, die ongeduldig wachten tot de deuren open gaan. Ze nemen ons die uren van slaap kwalijk, want katten eisen niet alleen voedsel en warmte, maar ook menselijke aandacht. Net als kinderen zijn ze van mening dat je aanwezig behoort te zijn.

De uren van stilte in de nacht zijn de misère van hun kattenleven. Echter zit er een gokelement in, want nooit kunnen de katten met zekerheid denken dat wanneer er een deur opengaat, en in hoeverre de persoon (echtgenoot of ik) daadwerkelijk aan de dag begint. Mij vonden ze, om zes uur in de morgen, een verbijsterende verrassing. Ze sprongen op en begonnen mijn benen zo heftige kopjes te geven, dat ik me aan trapleuning moest vastklampen om niet van de trap te vallen. Beneden stoven ze zenuwachtig voor me uit, de keuken in. Met intense aandacht zagen ze dat ik de fles met bubbelwater aan de mond zette.

Verbaasd over dat ik geen melk in mijn handen had, bleven ze toch aandachtig rondjes om mij heen lopen. Toen ik de fles water op het aanrecht terugzette en terug richting de trap liep, slopen ze achter me aan. Dit was geen gunstig teken, dat ik weer naar boven ging, maar wie weet, bleef ik tóch op…
    ‘Sorry, poeties,’ zei ik. ‘Maar ik pak nog even wat slaap.’
    Met scheve kopjes zaten ze me aan te kijken.
    ‘Het is pas zes uur,’ zei ik naar de klok wijzend.
    Daar schrokken ze een beetje van. Dat beetje hoop dat er nog was verdween met mij toen ik de deur van de slaapkamer achter me sloot.
    Het laatste dat ik door de kier van de deur zag, was hoe ze zich op de overloop verveeld uitstrekten -twee ontgoochelde beesten, die nooit het wonderlijke leven van de mens zullen begrijpen.

Vrij bewerkt naar een kronkel van Simon Carmiggelt.

Het is dinsdagmiddag en vandaag zie ik haar weer. De dame in het groen. Ik denk dat dit de derde keer is dat ik haar in de metro richting station Amsterdam-Zuid zie. De vorige keer was een paar maanden geleden. De dame is totaal niet aantrekkelijk. Eerder monsterlijk. Ze heeft een vale huid met ongezonde vlekken en het hoofd met een bos haar tot op haar schouders. Het is een dikke pluizige bos met een ongekamde pony, welke rust op haar voorhoofd. Toch raak ik gefascineerd. Het is de treurige, starend blik in haar ogen. Ze kijkt constant leeg naar buiten. De dame doet me aandoenlijk aan. Afschuw  maakt plaats voor medelijden. Ik kijk naar haar grauwe gezicht en vraag me af wat een mens moet meemaken om op zo’n manier de wereld in te staren.

De dame in groen lijkt zichzelf onzichtbaar te maken voor anderen. Ze straalt geen vrolijkheid uit. Ze straalt helemaal niet. Dit schijnt te werken, want niemand valt haar op. Haar outfit, waarin ik haar na 3 keer kan uittekenen, helpt daar prima bij. Ze draagt een olijfgroen jasje. Ook het afwijkend gekleurde knoopje op haar jas valt de anderen niet op. Het knoopje steekt met een kinderlijke appelgroene kleur af tegen de andere olijfkleurige knoopjes op een rij. Waarschijnlijk heeft ze geen reserveknoop kunnen vinden en heeft uiteindelijk dit gifgroene exemplaar op haar jas genaaid. Het lijkt haar allemaal niets te schelen. De anderen om haar heen al evenmin.

Ik probeer te bedenken wat de reden van deze troosteloze, maar intrigerende blik in haar ogen is. Is ze als kind gepest? Mishandeld? Je hoort tegenwoordig zoveel nare dingen die mensen overkomen. Een verhaal als die van de Oostenrijkse Natascha Kampusch, die 8 jaar lang door Wolfgang Přiklopil werd vastgehouden. Of de geschiedenis van Elisabeth Fritzl, ook uit Oostenrijk, die 24 jaar lang in de kelder van haar ouderlijk huis gevangen werd gehouden, en 7 keer zwanger was van haar eigen vader. Dit zijn afschuwelijke berichten die naar buiten komen. Het kan niet anders dat vandaag de dag kinderen, en ook volwassenen, die gevangen worden gehouden door monsters. Vreemden. Bekenden.

De metro neemt in vaart af. De lange rij wagons stopt bij metrostation Amstelveenseweg. De dame in groen blijft zitten. Dat wist ik al. De volgende halte is haar eindpunt. Dat was ook de vorige keer, en de keer daarvoor. Na een korte rit van enkele minuten stap ik samen met haar en tientalle andere reizigers uit op Amsterdam-Zuid. Een kort moment wil ik haar achtervolgen. De trap af en dan zien waar ze naartoe gaat. Om te weten dat ze door iemand wordt opgehaald of dat ze alleen woont. Wanneer ze onderaan de trap rechts afslaat, besluit ik de andere kant op te lopen. Haar nalopen is een slecht idee. Ik krijg daar nare beelden van. Creepy! Wellicht blijkt ze het type mens zonder diepgang te zijn. Die mensen heb je ook.

 

De mevrouw in een zomerse jurk, met de zonnebril op het opgestoken zwarte haar en sandaaltjes aan haar voeten, heeft haast op het station Almere Centrum. Het geklepper van haar schoeisel klinken luid over het perron. De aanhoudende warmte van de dag zorgt ervoor dat sommige reizigers zwaar geïrriteerd naar de zomers geklede dame op haar herrie makende sandaaltjes. Ze heeft het niet door. Met verbeten gezicht en snelle stappen loopt ze richting de trap om naar de hal van het station af te dalen. Ik vergeet altijd dat er reizigers zijn die verder moeten dan mijn eigen eindbestemming. Voor hen wacht een bus zonder geduld onder het station.

De mevrouw met de klepperende sandaaltjes loopt van de trappen en de akoestiek van deze nauwe doorgang maakt het geklepper als oorverdovend. Terwijl ik samen met de vrouw en tientalle anderen via de trap naar stationshal loop, ben ik door dat geklepper even in gedachten terug in de jaren 70 van de vorige eeuw. In de zomers dat iedere jonge moeder kleppers aan haar voeten had. Huishoudens werden gerund op van die houten slippers met een hakje en een voorgevormd orthopedisch voetbed. Vaak nog afgewerkt met een brede leren band en een grote gesp. Toen waren ze nog merkloos.

Zo liepen ze en fietsten alle jonge moeders over straat. Het haar om krulspelden gewikkeld, waarbij alle krulspelden verborgen werden onder het hoofddoekje. Sommige moeders maakten het bont. Die droegen een jasschort met een felgekleurde print over de eigen kleding. Alles was veelkleurig, maar ook somber. Het was ook de tijd van de autoloze zondagen. Daar moet de regering vandaag mee komen: een autoloze zondag. De mensen van deze eeuw pikken dat niet. Ze groeperen zich op Facebook en dreigen juist een auto aan te schaffen, om allemaal op alleen die autoloze zondagen rond te rijden. Maar het blijft bij het delen van ongenoegen op Facebook.

Er klinkt een schrille gil en ik ben weer terug in 2017. Waar de mevrouw op sandaaltjes nog net gedreven de trap afliep, vergeet ze nu twee traptreden en komt dramatisch ten val. Mensen reageren verschillend. Een gezette mevrouw in te strakke legging ontwijkt passief de vallende vrouw en een oudere man gilt geschrokken mee. Anderen reageren helemaal niet of anderen giechelen van de zenuwen. Iedereen reageert op een eigen manier. Een jongeman in een te strak t-shirt, of eigenlijk in een veel te strak lichaam, vangt haar op. Beschaamd ligt ze daar in de stevige armen van deze jonge, blonde god.

De zonnebril staat scheef op haar rode hoofd en de jurk is tot haar dijen opgekropen. Het is mij onduidelijke of ze zich opgelaten voelt om de val van de trap, of om in de gespierde armen van haar redder te liggen. De blonde god vraagt vriendelijk, en oprecht bezorgd, of alles goed gaat. Ze zegt oké te zijn. De gespierde adonis lacht opgelucht. De mevrouw ligt nog steeds in zijn armen. Ze zegt een sandaaltje te missen. Deze wordt haar haastig aangereikt door een vrouw met in haar linkeroor een flink rijtje piercings gestoken. Zonder de gespierde man aan te kijken of iets te zeggen loopt ze snel door. Ze heeft haast. Anders mist ze haar bus.

Wanneer ik 50 jaar geleden als meisje ter wereld was gekomen, had ik de naam Jacqueline gekregen. Dat is niet eens zo bijzonder, want een snelle zoekopdracht op de naam Jacqueline met mijn achternaam op het internet leert ons dat er alleen al op LinkedIn een top-10 bestaat van deze naam. Nu ik als jongetje ter wereld ben gekomen, ben ik naar de vader van mijn vader vernoemd. Anders naar de vader van mijn moeder. Mijn grootvader heette Izaak. En deze naam is makkelijk te vertalen naar de meisjesnaam Jacqueline.

De naam Izaak geeft wel weg dat mijn opa half-joods was. Tenminste, zijn vader was joods. Zijn moeder niet. Als kind vond ik dat interessant. Ik achtte mezelf een-achtste joods. Ik leerde als snel dat dit iets anders gaat. De bloedlijn kan alleen via de moeder worden doorgegeven. Ik was gebleven wat ik altijd al was geweest: een gezonde Nederlandse knul. Met Fries bloed door het lijf. Ik heb vast en zeker met trots de naam Izaak willen dragen, maar ik weet dat als ik daadwerkelijk Izaak had geheten, ik dan liever Dray (André) had willen heten. Zo menselijk: verlangen naar wat je niet hebt, of dat je niet bent.

Ik kom op dit onderwerp doordat ik vanmorgen in de trein een gesprek van twee jongemannen zat af te luisteren. Beiden droegen aparte brilletjes. Monturen van een paar decennia geleden. Het zal nu wel weer hot zijn. Ze zitten beiden op een theaterschool, denk ik zelf, en ze verzonnen een grappige act over joden in het algemeen. Wellicht waren ze zelf van joodse komaf. Dat hoop ik, dan is het wel grappig. Anders stinkt het toch lichtelijk antisemitisch. Racisme is nooit leuk. De grapjes van de mannen waren iets flauw en voor de hand liggend. Grappig was de manier waarop ze het vertelden. Wat ik hieronder doorvertel, kan wellicht op een later moment in de toekomst tijdens een voorstelling bekend voorkomen, maar ik denk niet dat het zal gebeuren. Géén spoiler-alert.

    ‘Grappen over joden die klagen, kunnen niet meer. Alle grappen zijn er al over gemaakt. Zelfs een grap over de klaagmuur in Jeruzalem is afgezaagd.’
    ‘Welke grap kan je nog over Anne Frank maken? Het moet iets over de oorlog zijn. Of onderduiken,’ zegt de jongeman met diepe inhammen en bril met ijzeren montuur.
    ‘Onderduikgrappen zijn niet grappig. Ik heb er altijd zo een onderduikgevoel bij,’ grapt de jongeman met lang donkerbruin haar.
    ‘Het kan gaan over Anne Frank die koekjes bakt voor de andere onderduikers.’
    ‘Flauw! Dat gaat over jodenkoeken. Dat is niet grappig. Net als de negerzoen of moorkop.’
    ‘Moorkop is nog steeds een geaccepteerd woord. Raar eigenlijk. Een negerzoen kan niet. Een moorkop, of een negerhoofd, wel. Lekker een negerhoofd uitlepelen. raar toch gast?’
    ‘En weer terug naar het Jodendom.’
    ‘Oh ja. Sorry.’
    ‘Die Anne Frank was wel een beetje een hooghartig meisje. Ze keek neer op haar klasgenootjes.’
    ‘Ja?’
    ‘Ja…’ Het woord komt er met een gespeelde zucht uit. ‘Dat meisje had echt jodenster-allures.’
De ander lacht. Ik rol met mijn ogen. Het gegrol gaat door, maar het niveau daalt naar de pies-en-poepgrappen. Uiteindelijk zijn ze helemaal niet meer leuk. Opgelucht merk ik dat de trein het station Amsterdam-Zuid binnenrijdt. Als ik even opschiet, haal ik mijn metro nog.

Na het eten loop ik even snel naar buiten om wat afval in de container, die bij de garagedeur staat, te gooien. We hebben in de gemeente Almere een drietal containers. Eentje voor papier, nog een voor het plastic en dan nog een bak dat men een duobak noemt. De helft van deze container is voor het groente-, fruit- en tuinafval, en de andere helft is voor het restafval. Het afval dat niet onder alle andere categorieën valt. Mocht je in Almere een saai leven hebben, dan kan je -wanneer je het wenst, jezelf toch nog uren vermaken met het scheiden van het huisvuil. Och, de uitdaging!

Nadat ik de container heb gevoerd met het plastic afval van mijn avondeten en een leeg melkpak, staat Harpo de kat achter me te miauwen. Het beestje heeft zijn aandacht nodig, en het is in de loop der jaren een soort van gewoonte geworden dat wanneer ik de hongerige containers heb gevuld, Harpo de kat op een van de gesloten containerdeksels springt. Zo kunnen we op gelijk niveau elkaar de nodige aandacht geven. Ik aai hem over de kop en rug en de kat geeft me dwangneurotische kopjes. De kat vind het leuk, en dan speel je het spelletje mee.

Zo staan we elkaar een beetje aandacht te geven. Met een herhaaldelijk ‘Dat vind je fijn hé?’ probeer ik de bevestiging te krijgen dat ik niet voor niets de kat sta te aaien en met een overtuigende miauw krijg ik mijn antwoord. Na een tijdje worden we het elkaar de aandacht geven een beetje beu. Hoe lang kan je een kat aaien en daarbij heeft Harpo de kat een beperkt aantal kopjes dat hij mij kan geven. Het is als een theeservies: meer dan 16 kopjes zitten er niet in. Harpo springt tevreden van de container en loopt met een vaartje naar het plantsoentje voor ons huis.

Ik loop achter de kat aan, richting voordeur en ik herken dan het geluid van plastic wieltjes van een afvalcontainer, die door iemand wordt meegezeuld. Vanachter het schuurtje van de buren komt een lange, donkere meneer om het hoekje lopen. Aangezien er heel vaak mensen voor en langs ons huis lopen, groet ik en schenk er verder geen aandacht aan. Ik word teruggeroepen. ‘Do you remember me?’ vraagt de man. Nu ik het vette Amerikaanse accent hoor herinner ik hem inderdaad. Het is de buurman van een paar huizen verderop, die ik in jaren niet heb gezien.

Ik word bijgepraat. Hij was de afgelopen 10 jaar in Engeland en is daar ook getrouwd. Dit wordt bevestigd nadat zijn vrouw er aan komt lopen. We begroeten elkaar. Hij heeft zijn huis jaren onderverhuurd en is nu weer terug. Samen met zijn Engelse vrouw. Hij vertelt dat hij benieuwd was naar wie er na al die jaren hier nog woonden, en vindt het leuk mij weer te zien. Nogmaals vraagt hij of ik hem herinner. Ik bevestig dat door middel van het kattenverhaal dat in 2004 mijn eerst geplaatste blogbericht was: ‘You came to our house to tell us that our cat pooped in your garden.’

Hij buldert het uit. Dat is juist wat ook hij zich kan herinneren. Hij is beduidend blij dat ik het kattenverhaal bevestig en heel even heeft hij oogcontact met zijn vrouw, alsof hij hiermee zegt: ‘told you so.’ Ik vertel hem dat hij zich geen zorgen meer hoeft te maken. De kat van toen is nu al jaren dood. Hij lacht, maar laat weten zich niet zomaar blij te laten maken met deze mededeling. ‘I know you have a black cat, now.’ Ik zeg dat dit waar is, maar deze zwarte kat poept in het plantsoentje voor ons huis.

Om te laten zien dat ik niet tegen de buurman sta te liegen komt Harpo de kat demonstratief uit de bosjes van het plantsoentje. Met de staart fier omhoog. Heel rustig wandelt hij verder naar het kattenluik naast de voordeur. De oude c.q. nieuwe buren en ik nemen afscheid met een groet. Als ik de voortuin inloop zit Harpo de kat op het houten bankje voor ons huis. Hij is zich aan het wassen en steekt ongegeneerd een van zijn achterpoten in de lucht. Ik stap naar binnen en wanneer ik de voordeur wil sluiten, rent de kat snel naar binnen.