Grapjes

Wanneer ik 50 jaar geleden als meisje ter wereld was gekomen, had ik de naam Jacqueline gekregen. Dat is niet eens zo bijzonder, want een snelle zoekopdracht op de naam Jacqueline met mijn achternaam op het internet leert ons dat er alleen al op LinkedIn een top-10 bestaat van deze naam. Nu ik als jongetje ter wereld ben gekomen, ben ik naar de vader van mijn vader vernoemd. Anders naar de vader van mijn moeder. Mijn grootvader heette Izaak. En deze naam is makkelijk te vertalen naar de meisjesnaam Jacqueline.

De naam Izaak geeft wel weg dat mijn opa half-joods was. Tenminste, zijn vader was joods. Zijn moeder niet. Als kind vond ik dat interessant. Ik achtte mezelf een-achtste joods. Ik leerde als snel dat dit iets anders gaat. De bloedlijn kan alleen via de moeder worden doorgegeven. Ik was gebleven wat ik altijd al was geweest: een gezonde Nederlandse knul. Met Fries bloed door het lijf. Ik heb vast en zeker met trots de naam Izaak willen dragen, maar ik weet dat als ik daadwerkelijk Izaak had geheten, ik dan liever Dray (André) had willen heten. Zo menselijk: verlangen naar wat je niet hebt, of dat je niet bent.

Ik kom op dit onderwerp doordat ik vanmorgen in de trein een gesprek van twee jongemannen zat af te luisteren. Beiden droegen aparte brilletjes. Monturen van een paar decennia geleden. Het zal nu wel weer hot zijn. Ze zitten beiden op een theaterschool, denk ik zelf, en ze verzonnen een grappige act over joden in het algemeen. Wellicht waren ze zelf van joodse komaf. Dat hoop ik, dan is het wel grappig. Anders stinkt het toch lichtelijk antisemitisch. Racisme is nooit leuk. De grapjes van de mannen waren iets flauw en voor de hand liggend. Grappig was de manier waarop ze het vertelden. Wat ik hieronder doorvertel, kan wellicht op een later moment in de toekomst tijdens een voorstelling bekend voorkomen, maar ik denk niet dat het zal gebeuren. Géén spoiler-alert.

    ‘Grappen over joden die klagen, kunnen niet meer. Alle grappen zijn er al over gemaakt. Zelfs een grap over de klaagmuur in Jeruzalem is afgezaagd.’
    ‘Welke grap kan je nog over Anne Frank maken? Het moet iets over de oorlog zijn. Of onderduiken,’ zegt de jongeman met diepe inhammen en bril met ijzeren montuur.
    ‘Onderduikgrappen zijn niet grappig. Ik heb er altijd zo een onderduikgevoel bij,’ grapt de jongeman met lang donkerbruin haar.
    ‘Het kan gaan over Anne Frank die koekjes bakt voor de andere onderduikers.’
    ‘Flauw! Dat gaat over jodenkoeken. Dat is niet grappig. Net als de negerzoen of moorkop.’
    ‘Moorkop is nog steeds een geaccepteerd woord. Raar eigenlijk. Een negerzoen kan niet. Een moorkop, of een negerhoofd, wel. Lekker een negerhoofd uitlepelen. raar toch gast?’
    ‘En weer terug naar het Jodendom.’
    ‘Oh ja. Sorry.’
    ‘Die Anne Frank was wel een beetje een hooghartig meisje. Ze keek neer op haar klasgenootjes.’
    ‘Ja?’
    ‘Ja…’ Het woord komt er met een gespeelde zucht uit. ‘Dat meisje had echt jodenster-allures.’
De ander lacht. Ik rol met mijn ogen. Het gegrol gaat door, maar het niveau daalt naar de pies-en-poepgrappen. Uiteindelijk zijn ze helemaal niet meer leuk. Opgelucht merk ik dat de trein het station Amsterdam-Zuid binnenrijdt. Als ik even opschiet, haal ik mijn metro nog.