Corine zit bij de kapper. Haar haar is net door haar favoriete kapster Christel, met verf aangepapt en in de aluminiumfolie gewikkeld. Ze is toe aan een herfstig kleurtje in haar lokken. De mussen buiten laten zich deze middag figuurlijk van het dag vallen, maar Corine wil al jaren in de laatste week van augustus een andere haarkleur. Zo weet ze voor haarzelf dat de zomer voorbij is en dat de herfst er aan kan komen. Het ontdekken van de zakken pepernoten en de chocoladeletters in de schappen van de supermarkt staat gelijk aan het veranderen van haar haarkleur. ‘Bye, bye blondje en welkom terug rode Corine,’ knipoogt ze naar kapster Christel.

Kapster Christel is druk met haar handen en met haar mond kwebbelt ze lekker door tijdens het kappen van Corines haar.
‘Hoe lang zet je deze traditie nu al zo voort? Dat kleuren van je haar in de laatste week van augustus? Volgens mij had je deze traditie al voordat ik hier kwam werken, en dat is toch al zo’n 15 jaar geleden,’ ze neemt snel een slok uit haar koffiemok. ‘Gets, het is al lauw geworden,’ en Christel plaatst de koffiemok weer terug op het planchet onder de spiegel,  om het deze middag te vergeten.
‘Nou, toch wel al een hele tijd hoor Christel.’
‘Wanneer heb je je haar ooit voor het eerst laten kleuren?’
‘Dat moet in de jaren 80 geweest zijn. Kleuren en touperen. Vooral dat laatste. Hoe hoger het haar, hoe beter.’
‘Oh meis, hou op. Ik weet er alles van! Hoog haar, honderd kleurrijke sieraden en schoudervullingen. Die schoudervullingen! Met het juiste jasje aan kon ik een compleet ontbijt met alleen mijn schouders opdienen!’

Oh, de eighties! Ik wou dat ik ze mee had kunnen maken,’ roept de stagiaire Demi enthousiast. Ze heeft even niets heeft te doen. De telefoon is stil en alle haarlokken zijn van de vloer weggeveegd.
‘Hoezo?’ vraagt kapster Christel.
‘Ongeacht hoe belachelijk je er uitzag, was het leven allemaal zo veel simpeler. Naast goede muziek had je geen mobieltjes en geen internet. Je kon jezelf zijn, zonder zorgen te maken of iemand je blunder online plaatste.’
‘Ja, dat is waar,’ geeft Corine toe. ‘De jaren 80 hadden toen alleen maar voordelen.’
‘Nou, niet echt alleen maar,’ reageert stagiaire Demi. ‘Als je de eighties bewust hebt meegemaakt moet je nu kapot oud zijn.’
‘In de herfst van je leven,’ zucht Christel en kijkt weemoedig naar Corine.

Gisteren ontving ik een berichtje op mijn telefoon. ‘Ben er met een half uur.’ Er moest een boek opgehaald worden. Een zeer lichte vorm van paniek nam bezit van me. Ik had niets in huis. Niets om een goede gastheer te kunnen zijn. Ik wist niet of de persoon op de bank ging blijven hangen. Gelukkig woon ik in een stad als Almere waar de 24 uurseconomie algemeen is. Dus snel op de fiets naar de supermarkt om daar een paar flessen te halen. Rode wijn en rosé. Niet dat de persoon die haar bezoek per whatsapp aankondigde een alcoholistisch orgel is, maar ik wil niet bekend staan als de zuinige Nederlander. Wijn moet geschonken en gedronken worden. Het moet vloeien. Niet druppelsgewijs zuinig worden uitgeschonken.

Het berichtje ontving ik rond 8 uur en de supermarkt die ik gebruikelijk bezoek is tot 10 uur ‘s-avonds open. Enige haast was niet geboden, behalve dat ik wel binnen een half uur met alcohol in de rugtas weer thuis moest zijn. Op de fiets, onderweg naar de supermarkt, mocht ik me nog heel even verbazen over een volwassen man van het formaat Hagrid (een bekende reus, uit de Harry Potter-boeken), die het een uitdaging vond om constant op zijn fiets een wheelie te rijden. Een volwassen man die zijn stuur omhoog trekt en zo balancerend, alleen op het achterwiel doorrijdt. Je moet het maar kunnen. Ik kan het niet eens leuk vinden. Maar die man wel, en hij was nog goed ook. Tientalle meters reed hij op zijn achterwiel weg.

In de supermarkt waren de gewenste artikelen als snel gevonden en in het mandje gelegd. In no time stond ik bij de kassa de flessen wijn en een homp kaas af te rekenen. Ik vond het er verbazingwekkend rustig. Vaak zijn er mensen die op de meest onlogische tijden de weekboodschappen moeten inslaan. Zoals op een zondagochtend of op de maandagavond. Laat ze doen wat ze willen, als ik maar binnen een half uur een paar flessen wijn in huis heb. En ik was op tijd thuis. Met wijn. Het aangekondigd bezoek stond op afgesproken tijds voor de deur. Ik zag al aan haar lichaamstaal dat ze haast had, maar als een beleefde heer -zoals ik mezelf graag zie, vroeg ik haar toch binnen.

‘Het spijt me,’ excuseerde ze. ‘Ik heb echt geen tijd.’
‘Geeft niets,’ loog ik en trok daarbij mijn schouders op.
‘Een volgende keer blijf ik langer,’ werd me beloofd. ‘Echt,’ werd er benadrukt.
‘Dan zorg ik dat ik wat lekkers in huis heb.’
‘Gezellig!’
Ze draaide zich om, en met het boek in de hand stapte ze weer in de auto. Even zwaaien, en ze vertrok
Terug binnen liep ik naar de keuken en trok een fles rode wijn open.

Vrijdag, 18 maart 2005.

Vanmorgen ging de wekker om 04:50 uur. Ik wilde nog 10 minuten snoozen, maar Parijs gaf me net genoeg adrenaline om me uit het bed te laten springen. Vandaag zal ik voor het eerst de Franse hoofdstad bezoeken! Ik kon vanmorgen rustig aan doen. Alles stond al klaar (de avond ervoor al geregeld), dus heel relaxt liepen Edo en ik even voor 06:00 uur naar station Almere Centrum, om met de trein van 06:11 uur naar Amsterdam Centraal te rijden. Hier aangekomen konden we dan eindelijk overstappen naar de Thalys om richting Parijs af te reizen.

Hierboven een fragmentje uit een vakantiedagboek dat ik van het weekend terugvond. Je komt nog eens wat tegen bij het leegruimen van oude kastjes. In het dagboekje staat, zoals hierboven ingeleid, onze eerste stedentrip naar Parijs. Maar ook andere vakanties. Zoals de 3 weken durende roadtrip in 2001 door het zuiden van Frankrijk, waarin we liters heilig water in Lourdes hebben gedronken en geheime plekken van kruisridders hebben bezocht. Het is leuk om het weer terug te lezen. Vooral hoe je ruim 15 jaar geleden tegen de dingen aankeek. Of hoe netjes ik nog kon schrijven. Sinds we steeds vaker toetsenborden gebruiken, heb ik het schrijven een beetje verleert en lijkt een doktershandschrift op kalligrafie-kunst in vergelijking met mijn huidig handschrift.

Ik ben inmiddels begonnen om het vakantiedagboek digitaal te vertalen en online te zetten. Hierbij met toevoegingen van foto’s en andere plaatjes, die in het vakantieboekje zijn geplakt. Tegenwoordig is alles met een mobieltje te scannen (dat kon 16 jaar geleden nog niet met mijn Nokia 6210) en zo weer over te zetten naar dit weblog. Zo kan ik onze vakantie naar Nice (wederom Frankrijk) met de gehele schoonfamilie online zetten en de strandvakantie naar de Canarische Eilanden. Wanneer ik een ander vakantiedagboek (het vervolg op dit gevonden exemplaar) heb gevonden, zal ik ook deze digitaal vertalen. Maar dat is iets voor de lange, donkere avonden, over een paar maanden. Tegen die tijd plaats ik hier een link. Dan kan je onze vakanties -als je het wilt, meebeleven.

 

Zaterdagochtend, kwart over 6. Ik draai me om in bed, maar mijn blaas verplicht me tot opstaan. Slaapdronken strompel ik naar de badkamer. Iedere stap doet pijn. De 6 kilometers aan hardlopen straffen mijn lichaam af in de enkels, of misschien is het gewoon de leeftijd? Dat je zo oud wordt om te leren dat je lichaam langzaamaan aftakelt. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden, en is het een combinatie van beiden. Hardlopen en van gemiddelde leeftijd. Mijn blaas is leeg en ik loop weer naar de slaapkamer. Het was een kwestie van op gang komen. Ieder stap doet steeds minder pijn en zonder pijnlijke enkels stap ik weer in bed om nog even weg te dromen.

Om kwart over 9 schrik ik wakker. De deurbel. What the fuck?, denk ik. Maar meteen weet ik dat het de bezorger is. Edo heeft van de week een crosstrainer besteld en deze zou vandaag bezorgd worden. Lekker op tijd, dat wel. Ik spring (niet gracieus) in een korte broek en loop snel naar beneden. Mijn enkels doen toch aardig mee, dus ik hoef niet als een senior van de trap te sjokken. Ik open de deur en de bezorger staat met een grote kartonnen doos bij de voordeur. Er wordt getekend voor ontvangst en we zijn een crosstrainer rijker. Met zijn tweetjes tillen we de doos naar boven, waar Edo het in elkaar mag zitten. Een jarenlange relatie heeft geleerd dat apparaten als deze niet samen in elkaar gezet gaan worden.

Ik zet koffie en parkeer mijn kont op de bank. Op mijn mobiel check ik wat social media. Ik lees het verdriet van Roos Schlikker en verder nog wat columns. Eén van een vriend over roze vakanties en de wekelijkse column van Youp. Ik vraag me af waarom er vaak in columns mensen of dingen, grappig bedoeld, afgezeken moeten worden? Sinds de jury van Idols bestaat is het doodnormaal om iemand te verguizen. Wat weer resulteert in mensen die beledigd zijn. Youp heeft het over ‘die getatoeëerde beroepspuber en de Nijmeegse krottenmelker’. Nu kan ik op mijn beurt een wijze opmerking hierover maken, maar kunnen we het over leuke dingen hebben? Misschien moet ik nog goed wakker worden, maar er is al genoeg ellende in de wereld. Doe eens aardig.

Inmiddels is het half elf en op Twitter meld ik mijn volgers dat ik iets ga doen. Ik ga douchen om daarna een paar regels op mijn laptop in te tikken, welke ik om 12 uur wil plaatsen. Net wanneer ik denk klaar te zijn, gaat de deurbel weer. Ik doe open en een stoere knul van Post.nl staat met een doosje in zijn handen in de voortuin. De door mij bestelde hardloopbroek wordt me overhandigd. Misschien dat ik vandaag een rondje ga hardlopen. Maar dat zie ik de zaterdagmiddag wel.

Na een weekje vrij te zijn geweest vind ik het altijd spannend om te weten wat je na een (korte) vakantie mag verwachten. Gelukkig viel het me maandagochtend allemaal mee. Mijn collega’s hebben mijn werkzaamheden goed overgenomen, waardoor ik deze week het werk dat ik ruim een week geleden had neergelegd, weer makkelijk kon oppakken. Ik kon weer gewoon aan de slag. Wel was het druk aan werkzaamheden. Ik hoefde me niet te vervelen. In de ochtend werd me gevraagd of ik een nieuwe collega wilde inwerken, in de zin van het uitleggen waar mijn werkgever voor staat en de verdere in & outs van het bedrijf. Dat wilde ik wel. Ik had de tijd, en ik vind het altijd leuk om nieuwe mensen enthousiast te maken.

Na de lunch kwam mijn nieuwe collega, Esther, naast me zitten en begon ik met behulp van het -fantastische- softwarepakket die het bedrijf waarvoor ik werk zelf heeft ontwikkeld, aan mijn uitleg c.q. kleine presentatie. Omdat ze andere werkzaamheden gaat doen dan ikzelf, hoefde ik niet inhoudelijk op mijn eigen bezigheden in te gaan. Naast de zakelijke gesprekken, heb je het natuurlijk ook over de bekende koetjes en kalfjes. Waar kom je vandaan? Kom je op eigen gelegenheid of met openbaar vervoer. Standaard meld ik dat ik met de trein en metro naar het werk kom, omdat de verbinding vanuit Almere prima is. Collega Esther komt dagelijks uit het Gooi en neemt de auto. Hierdoor moet ze wel heel vroeg op pad, anders zit ze haar kostbare tijd op de snelweg te verdoen.

En zo kom je langzaamaan op andere onderwerpen. Oorspronkelijk komt Esther uit het Noorden van het land. Daar sta je alleen stil met je auto wanneer er een brug openstaat. In gedachten kan ik het alleen maar bevestigen. Dat weet ik nog van vroeger wanneer we iedere schoolvakantie in de bus naar Friesland zaten. De langdurige busritten van en naar Sneek werden vaak verlengd door het stilstaan voor een brug. Dan was het vooral bij de sluizen van de Afsluitdijk vaak raak. Ik kan me de warme, lange zomers in Friesland goed herinneren. Als ik dan weer aan mijn huidige woon-werksituatie denk, ben ik blij met mijn treinverbinding. Per uur gaat er 4 keer een trein van Almere naar Amsterdam-Zuid. En vice versa. Heerlijk.

Collega Esther heeft het over Friesland. Ze komt er vandaan en kan, wanneer ze het wilt, ook Frysk praten. Ik zeg dat ik het alleen kan verstaan (in grote delen, dan) en vertel dat mijn familie ook uit Friesland komt. Grappig detail is dat zij dus oorspronkelijk uit Sneek komt. Nou, vrolijkheid alom en andere collega’s kijken een beetje curieus naar ons beiden. Wanneer ze me vertelt dat ze eigenlijk uit een klein gehucht vlakbij Sneek komt, herken ik de naam van het dorp en zeg: ‘Daar heb ik óók familie wonen.’ Het is zo dat mijn neef Tjeerd daar al jaren woont. Collega Esther vraagt me wie mijn familie is, want het dorp is niet groot. Ze moet mijn familie wel kennen. Wanneer ik de naam van mijn neef noem worden haar ogen als schoteltjes zo groot en zegt ze: ‘Dat is mijn vader!’

Achteraf herkende ik mijn achternicht Esther ook wel. Enigszins. Ik heb haar eerder op foto’s gezien op het facebookaccount van haar moeder, maar op het werk leg je die link niet zo snel. Daarbij is het contact met mijn familie in Friesland sinds de jaren 80 van de vorige eeuw niet meer zo regelmatig. Tegenwoordig zijn er niet meer zo veel bruiloften (of begrafenissen), waar je de familieleden nog tegenkomt. Maar wie weet? Wellicht komt daar nu verandering in.

De buurman stond donderdagavond aan de deur. Ik deed zelf niet open, want ik lag in bad. Een moment van ontsnapping aan de dagelijkse routine. Alleen afgezonderd in het warme water tot jezelf komen. Geen televisie, radio of mobieltje. Wanneer het bad volloopt en de geur van lavendel de badkamer vult, maak ik voor mezelf de keuze: een boek mee of niets anders dan alleen mijn gedachten. Het is voor mij een ultiem meditatiemoment. Donderdagavond koos ik voor een boek. Deel 1 uit de Harry Potter-reeks. Als je dan toch zo nodig van alle realiteit moet ontsnappen …

Edo was beneden en deed de voordeur open. De buurman van een paar huizen verderop stond er met een pak kattenvoer in de handen. ‘Is je kat dood?’ kwam het er bot bij Edo uit. Gelukkig is deze buurman niet de persoon voor over-emotioneel gedrag, en kon hij deze directe vraag zonder tranen beantwoorden. Inderdaad, zijn kat was overleden. Het oude diertje was op. Een klagende Siamees, die vaak jammerend en flanerend in onze achtertuin kwam. Het was een aanwezig beest. Niet alleen door de opvallend helblauwe ogen, maar door het aanhoudende gemekker. Wanneer ik soms te dicht in de buurt van de buurkat kwam leek het vaak 12 uur op de eerste maandag van de maand te zijn.

Dit was deze week al de tweede keer dat er een nabuur aan de voordeur stond. Eerder deze week -toen Edo op zijn beurt in bad zat, belde de Chinese buurvrouw van nummer 57 aan. Ik zat op de bank te Netflixen en schrok op van de deurbel. Het ding rinkelt enorm luid, je verschiet zelfs wanneer je zelf aanbelt. Dus enigszins knorrig van de schrik liep ik naar de voordeur. ‘Wie belt er ‘s-avonds nog aan?’ vroeg ik binnensmonds aan niemand in het bijzonder. Ik deed open en zag eerst niemand staan. Onze Chinese buurvrouw is een kleine mevrouw en daarom zag ik haar eerst niet staan. Vrolijk, zoals ze altijd is, begroette ze me. ‘Goedenavond buu’man! Ik heb boontjes. Wilt u dat hebben?’ In beiden handen hield ze een portie sperzieboontjes op.

Nu is mij geleerd dat je een gegeven paard niet in de mond moet kijken, en wanneer je iets aangeboden krijgt, éérst instemt. Voor je het weet heb je een zekere reputatie en wordt je nooit meer iets aangeboden. Dus eerst ja zeggen. Later kan je het alsnog weggooien. Overigens heb ik dat niet met de aangeboden boontjes gedaan. Ik heb ze zeer vriendelijk in ontvangst genomen. De buurvrouw teelt haar groenten in de voortuin en hierdoor weet ik dat alle groenten die uit haar voortuin komt, 100% biologisch zijn. Na een kort praatje ben ik met een portie bonen weer naar binnengegaan. Heel toepasselijk hebben we gisteren een recept voor Chinese boontjes gebruikt. Genieten. Zo zie je maar weer: een goede buur is beter dan een verre vriend.

Afgelopen weekend was het Amsterdam Pride. Voorheen Gay Pride. Dit, volgens mij, omdat thans iedereen beledigd lijkt te zijn wanneer men denkt buitengesloten, of juist meegenomen wordt in een uitspraak, benoeming of mededeling. Vermoeiend. Het kan natuurlijk ook zijn dat de organisatie een breder publiek voor zich wil trekken. Ik vind het prima. Dit jaar was ik er niet bij. Volgend jaar wel. Mijn afwezigheid vergoelijkte ik met het slappe excuus dat ik dit jaar in april bij de demonstratie tegen de erbarmelijke toestanden in Tsjetsjenië aanwezig was. Smoesjes.

    Een smoes. Onwaar. Het draaien om een feit. Zo hield ik me vroeger voor dat homoseksualiteit niets voor mij was. Jawel. Ik was er 100% van overtuigd dat het een fase van mij was. Vooral na een bezoek aan een COC-avondje in Den Helder. Ik voelde mij daar totaal niet op mijn plaats. Als nieuweling kreeg ik naar mijn mening iets te veel aandacht en anderen gaven mij hierdoor een onwelkom gevoel. Ik vond deze avond vooral truttig. Het kan ermee te maken hebben dat het gezellig samenzijn in een basisschool werd gehouden, waardoor de avond veel van een klassenavond weg had. Mijn verwachtingen waren destijds niet reëel, denk ik.

    Van die avond kan ik me wel een oudere man herinneren. Een man die toen misschien wel jonger was dan ik nu ben. Hij hield een dialoog met zichzelf. Hij zat er niet alleen in hoekje, hij was het middelpunt tussen andere verzamelde jonge gasten. Hij hield een betoog waarbij een weerwoord niet wenselijk was. Hij hanteerde de bananen-theorie. Op afstand, tussen 2 nieuwe homovrienden in, heb ik deze theorie aangehoord. Zijn hypothese was dat mannen zijn te vergelijken met bananen. Wanneer bananen onrijp zijn, zijn ze groen en niet smakelijk. Flauw, zonder enig genot. Het enige voordeel, zo beweerde hij, was dat groene bananen zeer stevig waren.

    Volgens de man en zijn theorie waren de rijpe bananen wel smakelijk. Deze exemplaren waren niet te hard, niet te zacht en vooral zoet van smaak. Het was me duidelijk dat hij een avondje in bed met hem aan de groene banaantjes aan het verkopen was. Ik, als jonge twintiger was overtuigd dat deze man meer iets van een overrijpe banaan had: Papperig, vlekkerig en onwelriekend. De sfeer was bepaald en nadat de hit Daar Gaat Ze die avond voor een 4e keer werd afgespeeld, ben ik vertrokken. Teleurgesteld reed ik op mijn fiets naar huis. Lichtelijk onzeker, ondanks ik allang wist hoe ik in elkaar zat. Ik was gewoon niet eerlijk naar mezelf. Ongeacht het zwaar ontkennen was ik gewoon de pisang.

‘Weet je wat ik écht lekker vind?’ hoorde ik in de trein een meisje tegen een jongen zeggen. Zonder te wachten gaf ze zelf het antwoord al. ‘Alles met kersensmaak. Thee, snoep, cola. Alles.’
‘Kersensmaak! Werkelijk?’ reageerde de jongen met wie ze op reis was.
‘Ja, kersensmaak heerlijk. Ik vind kersensmaak eigenlijk nog lekkerder dan kersen zelf.’
‘Nou, ik moet je iets bekennen,’ de jongen klonk enthousiast. ‘Ik ben ook dol op kersensmaak. En wat je zegt, de kunstmatige kersensmaak ik echt veel lekkerder dan de kersen zelf.’
‘Ja, echt? Hoe grappig is dit?’
‘Kapót grappig,’ zuchtte de jongen.
Ze keken elkaar tevreden, breedlachend, aan, en daar bleef het een beetje bij. Beiden vonden kersensmaak lekker. Ze hadden hierdoor een verbintenis.
Het meisje zette haar rugtas op haar schoot en graaide er met een arm doorheen. Ze haalde een zak met winegums tevoorschijn.
‘Wil je ook?’ vroeg ze en keek hem daarbij heel doordringend aan.
‘Is het kersensmaak?’ vroeg de jongen.
‘Nee, het zijn gewone winegums.’
‘Nah, dan hoef ik niet.’
‘Er zijn geen winegums met kersensmaak, denk ik.’
‘Het zou kunnen,’ zei de jongen terug. Het was op een manier dat weet dat hij zijn schouders erbij ophaalde.
Even was het stil in de trein.
‘Toch wel grappig dat we beiden dol op kersensmaak zijn,’ zei ze hoopvol.
‘Inderdaad.’
‘Heb je meer dingen waar je dol op bent?’
‘Wat betreft smaak?’
‘Ja.’
‘Nee, niet echt.’
‘Ik ben verder dol op kauwgum met watermeloensmaak.’
‘Oh, dat lijkt me echt goor,’ zei de jongen ongeïnteresseerd.
‘Och, valt wel mee hoor,’ verdedigde het meisje. Ze wilde nog iets zeggen, maar ze hield haar mond.
Het was weer stil in de trein.
Ik was benieuwd naar de relatie van deze liefhebbers van de kersensmaak. Waren ze studiegenoten? Collega’s van het werk? Buren? Of was hij de trainer van het hockeyteam waar zij iedere week ging hockeyen? Ik vond haar wel het type meisje dat met een hockeystick over het veld rende, maaiend naar een bal. Misschien zaten ze nog in het prille begin van een relatie. Verkering. Wanneer de verliefden nog overeenkomsten moeten ontdekken. Wel, kersensmaak was er een begin van.
‘Grappig hoor,’ zei ze uiteindelijk.
‘Wat?’ vroeg hij.
‘Dat we allebei van kersensmaak houden,’ antwoordde ze.
‘Dat had je al gezegd,’ zei hij lomp.
En het bleef stil in de trein.

Het is gisteren een week geleden dat ik in de vroege ochtend voor een laatste keer ben gaan hardlopen. Nadien heb ik nog wel hardgelopen, maar niet op een creatieve manier. Ik wilde vorige week op tijd de deur uit, want er was die dag mooi weer voorspeld. Met al hoge temperaturen in de ochtend. Om me zelf niet te veel te kwellen had ik me voorgenomen om voor negen uur te vertrekken. Dan was ik na anderhalf uur weer thuis en hoefde ik ook niet moeilijk te doen met flesjes water voor onderweg. Rond kwart voor negen trok ik de deur achter me dicht om een rondje van 12 kilometer om de Noorderplassen, ten noorden van Almere-Stad, te lopen.

Na een kwartier wist mijn hardloop-app te melden dat ik 3 kilometer achter me had gelaten, en rende ik de woonwijk uit. Ik ging in een lekker tempo via de Von Draisweg richting de Trekvogelweg. Deze weg is ingesloten tussen water, met aan de westzijde de Noorderplassen en aan de oostelijke kant de Hoge Vaart. Een kudde van ongeveer 30 schapen stonden aan de zijkant achter schrikdraad te grazen. Een paar wollen exemplaren keken even op, maar waren niet onder de indruk. In de verte liep een andere hardloper me tegemoet en na een paar minuten bij het passeren begroetten we elkaar, als motorrijders. Met een opgestoken hand.

Met een glimlach op mijn gezicht liep ik richting het noorden, met muziek van Armin van Buuren in mijn oordopjes. Op deze muziek kon ik met gemak een halve marathon lopen, maar dat stond niet in de planning, want daar had ik deze ochtend geen tijd voor. Op een gegeven moment werd ik in mijn trance gestoord door een enorme knal. Ik voelde de druk van een enorme explosie door mijn hele lijf. Ik bleef verschrikt stilstaan. Min oren piepten aanhouden. Ik keek om me heen wat de oorzaak van deze knal moest zijn geweest. Voor mij leek het alsof er ergens een gebouw op een nabijgelegen industrieterrein was ontploft.

Vanachter de drie appartementenflats bij restaurant ‘The Boathouse‘, ten westen van mij zag ik een enorme hoge grote rookpluim ontstaan. Er moest iets ten hoogte van Amsterdam zijn gebeurd, tenminste dat dacht ik. Helaas ben ik niet zo goed in het inschatten van afstanden en mijn gevoel voor topografie is ook niet om naar huis te schrijven. Wel kleurde de lucht boven, waarvan ik dacht dat het Amsterdam was, een vreemde lila en oranje kleur. De hemel leek kunstmatig door een computers te zijn ingekleurd. De gekleurde lucht breidde zich uit, ook richting Almere. Als er een zoet gekleurde deken over ons heen trok.

Mijn lichaam herstelde zich enigszins van de enorme knal en ik besloot weer verder te rennen. Het klinkt nu idioot dat je na zo een grote knal gewoon doorgaat met het leven, maar het is net als bij iedere andere grote explosie of ramp. De impact komt later pas. Wanneer je de verhalen hoort en de beelden op televisie ziet. Daarbij ben ik net zo egoïstisch als ieder ander mens. Je gaat door met de persoonlijke dagelijkse dingen en hardlopen was wat ik op dat moment deed.

Ik rende verder, voorbij de trailerhelling en over de Schateilandbrug. De Trekvogelweg heet na die brug het Trekvogelpad. De reden hiervoor is me onbekend, maar het heeft vast iets te maken met die beroerde bestrating daar. Mijn hardloop-app gaf me door dat ik weer een kilometer verder was. Dat mijn gemiddelde snelheid iets van 5.45 minuten per kilometer was. Niet verwonderlijk, de laatste kilometer had ik stilgestaan. Een groepje jongens speelden bij een aanlegsteiger in het water. Ze riepen iets naar mij, maar Armin van Buuren overstemde het geschreeuw van deze jongens en het had zo kunnen zijn dat ze gewoon schreeuwden bij het spelen. Ik had ook geen zin om naar een paar kids te luisteren. Ik rende in mijn eigen tempo door. Hierdoor zag ik niet dat ze in paniek naar de lucht wezen.

Wordt binnenkort vervolgd..