Uiteten

Vrijdagavond en thuis heeft geen van ons tweeën zin om te koken, of iets te kiezen om te laten bezorgen. Het is de laatste vrijdag van de maand. Laten we er dan maar voor kiezen om een nieuwe traditie te creëren. Uiteten. Er even uit, en we vinden het beiden een fantastisch idee. We weten ook waar we willen eten. Edo wilt altijd het liefst naar sushirestaurant Sake. Natuurlijk is dat het verst afgelegen sushirestaurant in Almere op loopafstand van ons huis, maar dat heeft ook weer een voordeel: de ingenomen calorieën loop je er na afloop ook weer zo van af.

Op de bonnefooi wandelen we ernaartoe, en bij aankomst hebben we geluk. Er zijn voor dit moment van de avond niet veel reserveringen en mogen plaats nemen. Aan een minuscuul tafeltje, iets groter dan een dambord, nemen we plaats. Gelijk met ons is een klein gezin naar een tafel gebracht. Een Indiase familie. Een vader, een moeder en een klein jongetje met grote bril. Het kind gaat eerst braaf in een kinderstoeltje zitten, maar wanneer de avond vordert, kan het toch niet zo lang stilzitten. Of stil zijn. De familie is er wellicht van overtuigd bij de McDonald’s te zitten.

Na een uurtje wordt het drukker binnen en gaat het buiten harder regenen. Zo heftig dat het hemelwater via het plafond binnenkomt. Gasten worden onder begeleiding naar andere en droge tafels gebracht. Het water stroomt via de kroonluchters in de grote plastic emmers. De verlichting gaat uit, waardoor donder en bliksem nog indrukwekkender overkomen. Het schept een vreemde band met de andere gasten. Je maakt grapjes. Met elkaar verbonden door de consternatie. Alleen de oorzaak verbindt, want morgen herkennen we elkaar niet meer.

Na 4 rondjes van bestellingen zitten we vol, de ogen waren wederom groter dan de maag. Beiden zijn we ervan overtuigd dat we genoeg gegeten hebben. We drinken onze glazen leeg en wachten op de rekening. Bij het afrekenen wordt ons -net als iedere keer, gevraagd of we een stempelkaart hebben. Die hebben we wel, maar deze ligt thuis. We krijgen een nieuwe stempelkaart mee en wij beloven deze bij een volgend bezoek mee te nemen. Net als iedere keer.. Buiten zien we in de verte dat het nog onweert. Het is inmiddels gestopt met regenen wanneer we naar huis lopen.

50+

Age is just a number.’ ‘Je bent zo oud als je je voelt.’ Het zijn 2 clichés waar ik het helemaal mee eens ben. Sterker nog: ik roep deze uitspraken al jaren. Nu ik sinds afgelopen december de heilige leeftijd van 50 jaar heb bereikt, is mijn lichaam het niet helemaal eens is met de geest.

Afgelopen zondagochtend ging ik voor een rondje hardlopen om het Weerwater in Almere. Het Weerwater is een grote plas tussen Almere-Stad en Almere-Haven. Het rondje om de plas behelst een afstand van een kleine 10 kilometer. Men is daar druk met verbouwen en verleggen van asfalt. Dit in verband met de Floriade van 2022. Nieuwsgierig naar hoe het er allemaal uit gaat zien, maar door de dichte mist van zondagochtend heb ik er alsnog niet veel van gezien. Ik weet nu alleen dat er een verhoogde geasfalteerde langs de A6 ligt.

Na ruim 5 kilometer gerend te hebben, kwam ik weer op een oud en vertrouw stuk wandelpad langs het Weerwater, en daar begon de ellende. Ik kreeg een naar en pijnlijke steek in mijn rechterkuit. Ik wilde gewoon doorlopen, maar de heftige kramp besloot anders. Ik kon niet meer hardlopen. Het wandelen ging zelfs moeizaam. Ik hoefde nog net niet te strompelen. Ik had de ijdele hoop na 1 kilometer wandelen weer te gaan hardlopen, maar dat ging niet. Met een sms’je liet ik het thuisfront weten dat ik iets langer onderweg zou zijn.

Mijn lichaam doet zich mogelijkerwijs voor als een jonge god (daar ben ik van overtuigd), maar ik weet inmiddels dat het vooral bezig is met verval en dat het meer op een ruïne gaat lijken. Een blessure die vroeger met een paar dagen voorbij was, duurt nu een paar weken langer. De herstelperiode is al enige tijd verlengd in tijd. In gedachten blijft alles zoals het was, maar in belevenis wordt je op een harde manier aan de waarheid herinnerd. Daar waar ik in gedachten nog alles wil en kan, is alleen de wilskracht nog aanwezig. Het kunnen is een ander verhaal.

Op een sportdag van het werk, afgelopen zomer, was een stormbaan onderdeel van het sportieve gebeuren, en ik had er zin in. Ik had anderen al eerder die dag zien rennen, klimmen, kruipen, hangen en sluipen. Ik dacht even de dienstplicht, waarvoor ik ooit was uitgeloot, in die paar minuten alsnog te kunnen beleven. De eerste hindernis was een nauwe opening in een schutting op een hoogte van 2 meter. Vol overgave rende ik er op af. In de overtuiging om er sierlijk doorheen te klimmen. Daar liet mijn lichaam me in de steek. Als een enorm groot en lomp stuk vlees klapte mijn lichaam tegen de schutting aan.

De adem werd me ontnomen en de pijn in borstkas, heupen en knieën lieten alle pijnzenuwen gieren. Langzaam gleed mijn lichaam langs de schutting in het gras. Door de adrenaline herstelde ik snel, maar al het elegante was ver te zoeken. Traag, als een massa, ging ik verder over de stormbaan. De hindernissen werden genomen, maar alles ging als in slo-mo. Uiteindelijk haalde ik dan toch als eerste de finish lijn (de twintigers van nu zijn de twintigers van toen niet meer), maar mede ook door hier en daar vals te spelen door een hindernis te vergeten. De pijn in mijn lichaam was te dragen, maar mijn ego heeft er nog dagen last van gehad.

De kramp in mijn kuit, sinds afgelopen zondagochtend, is nog steeds niet over en ik zal de komende dagen (weken?) even niet kunnen hardlopen. Daar baal ik van, en ik begrijp nu wat mijn vader bedoelde met de uitspraak: ‘Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn.’

img_5387
Sportdag 2017.

Spijt

‘Spijt is voltooid verleden tijd,’ zeg ik soms tegen iemand wanneer de persoon aangeeft ergens spijt van te hebben. Dit om aan te geven dat je geen invloed hebt op wat reeds is gebeurd. Spijt is een negatieve emotie met de wens dat je achteraf anders had gehandeld bij het besef dat een andere handeling een beter resultaat tot gevolg had gehad. Ik heb niet vaak spijt en tegenvallers geef ik niet te veel energie. Natuurlijk betreur ik weleens een paar zaken, maar zoals het al jaren wordt bezongen in de evergreen My Way: ‘Tegenvallers. Ik had er een paar, maar dan nog te weinig om te melden.’

Ik bezorg mezelf geen hartenpijn door stil te staan bij de dingen die anders moesten gebeuren. Gedane zaken nemen geen keer. Maar moet ik dan toch een ding benoemen waarvan ik enigszins spijt heb, dan is het dat ik wellicht 5 jaar eerder had moeten beginnen met hardlopen. Mijn vader, die in 2009 is overleden heeft het nooit mogen meemaken dat ik nu een fanatiek hardloper ben, en ik weet bijna zeker dat hij een van mijn grootste supporters zou zijn geweest. Vandaar dat ik af en toe spijt heb van het feit dat mijn vader niet heeft meegekregen dat ik een sportieve zoon ben.

Een lang stuk

Zondagochtend. Het is de dag van mijn tweede hardlooprondje langer dan 15 kilometer, van dit jaar. De Dam tot Damloop 2017. Nog voor de wekker gaat ben ik aan het wakker worden. Half slapend droom ik dat ik het startbewijs van zangeres Anouk met de post heb ontvangen. In de droom vraag ik me af hoe dit kan, en tevens bedenk ik dat via een persoonlijk bericht op Facebook kan doorgeven dat ik haar startbewijs heb ontvangen. Zoals het in dromen gaat (bij mij wel), staat Anouk dan ineens naast me om het startbewijs in ontvangst te nemen. Als dank wil ze wel met mij op de foto. Ik vind dat een vreemd idee en bedankt haar vriendelijk. Dromen. Ze zijn lang niet allemaal als die van Martin Luther King.

Ik schud de droom van me af en begin aan mijn ontbijt. Voedzaam, maar niet te zwaar. Mijn start is om 11:00 uur in Amsterdam. Geen tijd voor getreuzel deze ochtend! Als bij iedere officiële run ben ik vooraf lichtelijk gespannen. Dat is vaak het geval wanneer ik met de trein moet reizen. Ben ik zelf op tijd op het station, en zorgt de NS er ook voor dat de trein op tijd rijdt? Piekeren. Ik haat het, het is negatief fantaseren. Dat blijkt, want ik ben ruim op tijd op station Almere Centrum en de trein naar Amsterdam Centraal is ook op tijd. Om 10:30 uur komen we aan in hartje Amsterdam. Het is druk op het station. Veel mensen in korte broek en lange hardloop-tights, in vooral schreeuwende neonkleuren lopen er rond.  lopen Edo grapt een oude mop dat iedereen op de vlucht is voor goede smaak van kleding.

Om ongeveer 10:45 uur sta ik met honderden andere hardlopers in het startvak. We worden allemaal enthousiast gemaakt om een soort van ochtendgymnastiek te doen. Velen doen fanatiek mee. Ik niet. Ik moet straks nog ruim 16 kilometer hardlopen. Rustig aan beginnen, is mijn motto. Dan ga ik niet als een debiel op eenzelfde plek staan springen en zwaaien. Edo staat buiten het hek, aan de oostelijke kant van de Prins Hendrikkade en maakt nog een paar foto’s. Een paar minuten voor 11:00 uur begint het serieus te worden. Het duurt niet lang en dan mogen we! Bijna iedere hardloper zet de hardloop-app, gps-horloge of timer op stand by, want wanneer straks het startschot klinkt moet alles geregistreerd worden. Stel je eens voor dat de tijdsregistraties van Event Timing niet werkt!

Om 11:00 gaan we dan! Het startschot, genomen door de roeikampioenen Tycho en Vincent Muda heeft geklonken. Ik ben vol verwachting! Ga ik het halen? Ben ik fit genoeg om deze afstand in 1 keer uit te lopen of zal ik er onderweg een paar verplichte wandelingetjes moeten tussenvoegen? Na de eerste 800 meter rennen we enthousiast de IJtunnel in. Het asfalt loopt af en ik merk al direct dat ik te snel ga, ik probeer mijn snelheid te minderen, maar voel de pijn al in mijn scheenbenen opkomen. Ik pers een vierletter-scheldwoord ik uit mijn mond. Ik vertel mijn innerlijke dat ik echt niet in de IJtunnel ga wandelen. Deze ochtend nog, en de jaren hiervoor, heb ik wandelaars in deze tunnel voor watjes uitgemaakt. Ik besluit eerst de IJtunnel uit te lopen en dan nog een stukje langs de Leeuwarderweg.

Steeds weet ik een korte wandeling voor me uit te schuiven. Eenmaal bij het 5 kilometer punt aangekomen, is mijn lichaam genoeg warmgelopen en verdwijnt de pijn in de benen. Onderweg, in Molenwijk, moet ik lachen om de nuchtere opmerking van een van de toeschouwers. ‘Vanochtend vond je het nog een goed idee,’ wordt ons in het plat Amsterdams verteld. Het publiek van deze run is een van de beste. Ik raad iedere hardloper aan om minimaal een keer aan de Damloop mee te doen. Het is een feest! Na ruim 9 kilometer te hebben gelopen, rennen we Amsterdam uit, over de Verlengde Stellingweg. Een stuk van 1 kilometer het stukje naast de A8, waar we langs de Kolkweg, via de Noorder IJ- en Zeedijk eindelijk Zaandam in lopen. We passeren bijna de 12 kilometer.

Nog 4 kilometer te gaan. Ik voel een persoonlijke overwinning. Het moet heel raar lopen*, wil het nu nog misgaan. Vandaag ga 16 kilometer in 1 stuk uitlopen! Geen wandelingen voor mij. Op de dijk is het bewolkt en er staat een koude wind, maar het deert me niet. Herhaaldelijk haal ik andere hardlopers in. Het tempo zit er goed in en op de Zuiddijk is het gezelligheid alom. Een laatste scherpe bocht en ik weet uit ervaring dat we de 14 kilometer aangetikt hebben. Nu nog een recht stuk richting het centrum van Zaandam. Nu kan het alleen nog maar leuker worden. Het duurt nu niet meer lang voor we de medaille om de nek krijgen gehangen. Nog een paar bochten te gaan. Ik had gehoopt de run uit te lopen. Misschien na anderhalf uur hardlopen. Wanneer ik gefinisht ben blijkt dat ik hieronder zit. 01:23:38 uur. Ik ben blij. Een medaille én mooie ervaring rijker.

*woordspeling

DTD 2017

Achtergronden

Ik ken de man al een tijdje. Ik weet niet hoe hij heet, maar ik kom hem vaak tegen. Af en toe in de trein op de heen- en terugreis tussen Almere en Amsterdam-Zuid, maar ook zie ik hem soms in het weekend in het centrum van Almere wandelen. Hij kijkt me dan glimlachend aan. Ik glimlach beleefd terug. Hij is, denk ik, ouder dan ik. Een grote man met een dikke neus in het gezicht, welke wordt geaccentueerd door een zilverkleurige bril. De man is niet lelijk. Wel een beetje opzichtig.

Fred van Leer, de -naar mijn mening- altijd aanwezige stylist, zal de man zeer waarschijnlijk omschrijven als een vitrinekast-homo: iedereen ziet dat hij in de kast zit, behalve de man zelf. En dat de kleding die de man draagt weliswaar van een duur merk is, maar er te verlept uitzien om nog iets uit te stralen. Dit omdat ze door de drager niet gewaardeerd worden. ’s Avonds stapt de man meer dan waarschijnlijk uit zijn pantalon, om deze op de slaapkamervloer te laten liggen, en deze de volgende dag weer aan te trekken.

Wanneer de man ’s ochtends in de trein zit, valt het op dat hij soms twee verschillende sokken aanheeft. Of hij is een verward persoon of hij vind het leuk om excentriek te zijn. Die mensen zijn er genoeg. Ik heb ooit dagenlang gympies in 2 verschillende kleuren gedragen. Mijn excuus is dat ik toen 15 jaar was en het was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Een periode waarin 2 verschillende kleuren schoenen niet het meest excentrieke was dat je kon dragen.

Soms probeer ik te achterhalen wat het verhaal van de man is. Werkt hij net als ik in Amsterdam of reist hij voor de lol heen en weer met de trein? Het zal me niet verbazen wanneer het laatste het geval blijkt te zijn. Hij is volgens mij vermogend genoeg om de duurdere kleding te kopen, maar net niet rijk genoeg om een goede kledingadviseur in te huren. Ik ben niet nieuwsgierig genoeg om de man te achtervolgen waar hij woont. Of werkt.

Zo zijn er meer mensen met wie ik meereis van Almere naar Amsterdam (en andersom) die me  opvallen. Zoals de kalende man, altijd in joggingbroek, die steevast -wanneer we station Weesp passeren- zijn blikje Red Bull in een paar slokken leegdrinkt. Of die corpulente dame met dun haar en haar versleten schoenen, die iedere reis een aflevering van haar favoriete televisieserie op de tablet bekijkt. Waarom een blikje Red Bull? En welke serie bekijkt de dikke dame? Het is beslist geen comedy, want ze lacht nooit.

Een ontmoeting

Dinsdagavond. Ik loop van station Almere Centrum naar huis. Ik heb deze dinsdag het klokje rond gewerkt, van 8- tot 8 uur. Oké. Ik bedoel van kwart voor 8 ‘s-ochtends tot kwart voor 8 in de avond, als we dan toch gaan ziften. Ik vertrek een kwartiertje eerder, dat scheelt me een half uur om thuis te komen. Kortom, het is inmiddels al donker wanneer ik naar huis wandel. Op het Spoorbaanpad, een lang fiets- en voetpad net voorbij het station zie ik een man op een heuveltje van zand zitten. Een zielig hoopje. Ineengedoken, met de ellebogen rustend op zijn schoot en het hoofd treurig hangend. Ik wil in principe doorlopen en doen alsof ik niets zie, maar ineens komt de vraag ‘Is er iets?’ uit mijn mond. Ik verbaas mezelf. Hoort dit bij het ouder worden? Dat je dingen zegt voordat je besluit om ook maar iets te zeggen?

‘Och, hou maar op,’ zegt de man op de heuvel.
Ik weet niet wat me er toe drijft, maar ik loop in een rechte lijn naar de man op de heuvel.
‘Hoezo?’ vraag ik hem. De man ziet er vief, krachtig uit. Daarnaast toch ook gekrenkt.
‘Ik ben de duivel, en het is de laatste tijd niet leuk om mij te zijn.’
‘De duivel,’ itereer ik de man. ‘Als in Satan, Beëlzebub en de anti-Christ?’ Het voelt als een raar toneelstuk, waarin ik me bevind.
‘Die ben ik,’ en hij richt zijn rug.
Ik deins achteruit. Ik zie nu ook de kleine hoorntjes op zijn hoofd. Als van een jong geitje. Bijna vertederend. Maar ik blijf op mijn hoede. Het is toch een ontmoeting met een demon. Ik heb deze figuren niet eerder ontmoet, maar ik ken de huiveringwekkende verhalen. Ik heb meteen spijt dat ik het gesprek ben aangegaan.

‘Vroeger had ik er nog een beetje lol in om de psyche van argeloze mensen over te kopen. In ruil voor wat rijkdom en een beetje macht. Tegenwoordig met social media, voelt iedereen zich al machtig en rijkdom vinden ze in de vele ‘likes‘.
‘Ik denk dat jij, als duivel wel in je element moet zijn de laatste maanden. Zeker wanneer je het nieuws een beetje volgt,’ Ik ben een beetje stoutmoedig. ‘De Aarde staat in brand. Een perfecte plek waar de duivel zich thuis moet voelen!’
De duivel staat op en zijn lichaam torent zich boven mij uit. Ik schrik.
Niet dan?’ vraag ik hem met een trillende stem.
‘Nee,’ antwoord de duivel met een grom in de keel. ‘Ik heb er geen vat meer op. De verdorvenheid in deze wereld glipt me als los zand door de vingers. ‘
‘Is het zo erg?’ ik probeer het gesprek een beetje luchtig te houden. Het is tenslotte de duivel die voor me staat.
‘Wanneer de mens niet bang is voor de hel, en deze zelf creëert op deze planeet, heb ik er geen plezier meer in,’ de duivel kijkt beledigd voor zich uit. ‘Dan is voor mij de lol eraf, Dray.’

Nog voordat ik kan reageren, is de duivel weg. Ik sta alleen naast het zandheuveltje bij het Spoorbaanpad in Almere. Een schroeilucht vult mijn neus en ik kan niet bevatten wat me zojuist is overkomen. Was het een illusie? Een beleving of een dagdroom … Ik kom weer bij zinnen en loop door het zand terug naar het fietspad. Een fietser zonder fietsverlichting passeert mij. Ik kijk hem achterdochtig na. Na een paar honderd meter gelopen te hebben, wanneer ik bijna thuis ben, besef ik dat de duivel zojuist mijn naam noemde, en ik weet niet of ik daar blij mee moet zijn.