Echt genoten

Toen ik van de week een oud-collega tegenkwam hadden we het even over de bekende koetjes en kalfjes, en over hoe het leven tegenwoordig met ons omgaat. Net toen ik dacht dat alle beleefdheidszinnen waren uitgesproken, zei hij: ‘De vakantie is ook weer achter de rug.’
‘Mooie vakantie gehad?’ vroeg ik hem.
‘Ach Dray, het was zo mooi,’ zei hij enthousiast. Zijn gezicht lichtte op bij de herinnering van zijn vakantie.
‘Griekenland?’ vroeg ik. Ik dacht me te herinneren dat hij altijd naar een van de Griekse eilanden vloog om zijn vakantiedagen te slijten.
‘Nee. België. Ik ben een drietal weken met mijn vrouw naar de Belgische Ardennen geweest, zei hij en haalde zijn mobieltje tevoorschijn. Ik dacht eerst dat hij een berichtje had ontvangen, maar hij ging verder.

‘Het is daar mooi hoor. Heel heuvelachtig, mooie wandelingen gemaakt, ook. Heerlijk. Niet echt veel regen gehad. Dat viel ons hartstikke mee.’
Hij reikte zijn mobieltje naar mij uit. Ik kreeg de eerste foto van zijn vakantie te zien. Fijn.
‘Deze heb ik in de trein gemaakt, onderweg naar België,’ zei hij. Dat is mijn vrouw. Hier in de trein.’
Hij wees op een corpulente dames in een iets te gele jas. Haar zure glimlach hoorde niet helemaal bij de vrolijke, zomerse kleur van haar jas.

‘Ja, ze kijkt een beetje sip,’ sprak mijn oud-collega. ‘Maar, kijk, dat komt een beetje door mij. Ze had een nieuwe reistas gekocht, waaraan ik nog niet gewend was. Daardoor was ik ‘m vergeten mee de trein in te nemen. Dus we zijn een uurtje onderweg naar de Belgische Ardennen, zegt mijn vrouw: ‘Waar is de nieuw Louis Vuitton?’ Daar zat ik dan. Daar wordt een vrouw niet vrolijk van. Niet dat er belangrijke dingen in zaten. Geen dingen die we niet in België konden aanschaffen, maar het drukt toch een beetje een stempel op de reis.’

Hij swipete door naar een andere foto.
‘Hier, dit is mijn vrouw voor ons hotel,’ vertelde hij verder. ‘Een prima hotel. Niets te klagen. Het eten was er fantastisch en met de regen kon je op de overdekte veranda zitten. Kijk, hier zit mijn vrouw links, zie je? Ze ziet er wel wat bleekjes uit, we hadden net daarvoor vis gegeten en die was mijn vrouw niet zo goed gevallen. Een gevoelige maag, begrijp je? Het drukt dan toch weer een beetje de stemming…’

Hij swipete verder en begon te lachen.
‘Dit is een leuke foto,’ riep hij. ‘Die heb ik gemaakt tijdens een wandeling in de buurt van de grotten van Han. Het was een flinke wandeling. Heel heuvelachtig allemaal. Ik hou er wel van, maar mijn vrouw heeft nogal last van overgewicht. Hier rust ze even uit op een boomstam. Ze kijkt een beetje ontstemd, want ze was gevallen. Ja, ze heeft zwakke knieën. Het was even pijnlijk, dus moest ze even uitrusten’

Hij swipete een andere foto tevoorschijn. Met een glimlach op zijn gezicht zat hij even voor zich uit te staren.
‘Waar is deze foto gemaakt?’ vroeg ik hem.
Het was er weer een waar zijn vrouw op stond, voor het eerst met een relaxt ontspannen glimlach.
‘Die?’vroeg hij onverschillig. Die had ik per ongeluk geschoten bij thuiskomst. Zie je wel. dat bij ons voor de deur, toen we na een week weer terug waren.’

Dylan

Vrijdag

Ken je het gevoel dat als je iets te lang duurt, het gevoel plaats maakt voor bezorgdheid? Een lichte paniek slaat toe. Wanneer je te lang op iemand moet wachten, zonder enig bericht. Denise had hetzelfde gevoel toen haar vijfjarige zoon, Dylan, afgelopen vrijdagmiddag na schooltijd nog steeds niet vanuit het klaslokaal op het schoolplein tevoorschijn kwam. Sinds het overlijden van haar vriend Robin, Dylan’s vader, twee jaar geleden, had ze volgens haar moeder de neurotische tik dat ze altijd wilde weten waar Dylan zich bevond. Denise stond al minutenlang bij het schoolplein en het was koud voor de tijd van het jaar. Elf maanden geleden was ze weer bij haar oude werkgever begonnen en haar collega’s waren vol van het aankomend weekend. De bomen verloren snel de bladeren.
De bomen op het schoolplein waren hier geen uitzondering op. Het schoolplein was bedekt door een bladerdek. Het leek eerst nog dat het een mooie, lange nazomer zou worden, maar in een tijd van een paar dagen had de herfst uiteindelijk haar intrede gemaakt. De gure wind van de afgelopen dagen had iedere herinnering aan de mooie nazomer weggewaaid. Denise ergerde zich aan deze verandering. Zo had ze geen rekening gehouden met deze kou, waardoor haar knokkels rood en verder kleurloos waren. Ze had zich vanuit het werk gehaast om op tijd bij school te zijn en nu moest ze buiten in de kou op haar zoon wachten. In gedachten zag ze hem in de gang bij de kapstokken staan treuzelen. Dylan was een spontaan en open kind. Hij kon met iedereen een gesprek aan gaan, en dat deed hij vaak. Hij was als haar jongere broer; een echte kwebbelkous. Denise was al te vaak de discussie met Dylan aangegaan over dat hij op tijd moest zijn en niet zoals gebruikelijk, lopen dralen na schooltijd.
Ze keek voor de zoveelste keer over het hele schoolplein en zag hoe de laatste kinderen uit de bovenbouw het plein verlieten. Denise keek op haar horloge, zuchtte en zette haar fiets tegen het hek. Ze sloeg haar tas over haar schouder en liep het schoolplein op. Ze zag door het raam van Dylan’s klaslokaal juffrouw Aziza bezig met het opruimen van de dagelijkse spullen. De onrust was weg. Paniek was aanwezig. Naast Juffrouw Aziza was er niemand in het klaslokaal. Een misselijk gevoel en een soort van zenuwaanval veroorzaakte een kleine, heftige adrenaline-rush in haar lichaam. De laatste meters voor het klaslokaal versnelde ze haar pas. Terwijl ze de deur opentrok riep ze haar zoon’s naam.
‘Dylan!’ Haar stem sloeg over. Ze zwaaide de deur van het klaslokaal open en struikelde naar binnen. Aziza stond alleen bij het schoolbord en veegde met een bordenwisser een tekening van de Nederlandse vlag van het zwarte bord.
‘Waar is Dylan?’ snauwde ze naar de kleuterleidster. Ze schrok van haar eigen agressie. Dylan’s juffrouw, een in Denise’s ogen te jonge vrouw die nooit in haar eentje de verantwoordelijkheid van een kleuterklas met 20 kinderen aankon, liep haar tegemoet.
‘Mevrouw de Waal, Dylan is meteen na schooltijd met William meegelopen,’ vertelde ze met een rustige en in Denise’s oren iets te kalmerende stem. Meerdere gedachten schoten door haar hoofd.
Was ze vergeten dat Dylan na schooltijd met een vriendje mee zou gaan? Ze dacht aan de ochtend, toen ze samen met Dylan aan de ontbijttafel zat. Niets schoot haar te binnen over een afspraak met een vriendje.
‘Dank je wel,’ zei ze haastig tegen de juffrouw en draaide zich om, om weer naar buiten naar haar fiets te gaan.
‘Ze hadden het erover dat ze bij William op de computer zouden spelen,’ riep juffrouw Aziza, terwijl ze zonder te kijken een lijmpot tussen de andere potten op de plank achter haar zette.
Denise hoorde haar al niet meer toen ze het schoolgebouw verliet.

Bij het huis van William aangekomen zette ze haar fiets op de standaard tegen de heg van Dennis’ ouders aan. Bijna hyperventilerend stond ze voor de deur en belde ze aan. Het geblaf van honden aan de andere kant van de deur gaf haar geen geruststellend gevoel. Sinds haar jeugd was ze al niet gek van honden. Een enkele keer was ze gebeten en sindsdien had ze een respectvolle angst voor deze huisdieren. Het misselijke gevoel bleef. De voordeur werd door Gijs, de vader van William geopend. Hij was een man van middelbare leeftijd. Volgens haar moeder was hij te oud om de vader van een 5 jarige zoon te zijn. Denise had hem een paar keer op een schoolavond ontmoet. Ze vond hem wel aardig, maar daar deed hij dan ook te goed zijn best voor. Een beetje een uitslover vond Denise. Ze beantwoorde zijn lach met een zenuwachtige glimlach, terwijl Gijs de honden naar achteren duwde. Hij keek haar verheugd en vragend aan.
‘Hey, ik kom voor Dylan. Ik was vergeten dat we vanmiddag nog een andere afspraak hadden staan. Vandaar dat ik hem nu kom ophalen,’ zei ze verrassend kalm.
‘Dylan?’ vroeg Gijs haar, en keek haar niet begrijpend aan. ‘Die is hier vandaag niet geweest. William kwam vanmiddag alleen thuis. Hij is nu bij de buren. Die hebben namelijk een nieuw computerspel’
Denise zakte bijna door haar knieën. Ze klampte zich vast aan de sponning van de voordeur.
‘Hoe bedoelt u? Juffrouw Aziza vertelde mij nog geen vijf minuten geleden dat Dylan met William mee naar huis ging.’ Haar stem brak bij de laatste woorden. Tranen welden op. Ze had moeite om niet in huilen uit barsten.
‘Denise, William is alleen thuisgekomen,’ zei Gijs. ‘Misschien is Dylan nu al thuis.’ Hij reikte zijn rechthand naar haar linkerarm, maar ze schudde deze weg. Denise luisterde niet meer. In paniek liep ze naar haar fiets, nam het stuur in handen en wilde opstappen. Haar fiets bleef staan. Geïrriteerd keek ze naar het fietsslot. Ze was vergeten dat ze deze op slot had gedaan. Onhandig deed ze pogingen om de fietssleutel in het slot te krijgen.
‘Gaat het? Zal ik meelopen?’ vroeg Gijs en liep al naar haar toe..
‘Het gaat!’ zei ze toen het fietsslot met een klik opensloeg. Ze sprong op de fiets en trapte snel naar haar huis. Haar tas gleed half van haar schouder, deze trok ze weer terug op de plaats. Ze liet zich door niets vertragen.

Thuis aangekomen smeet ze haar fiets tegen de schuurdeur en liep al graaiend naar de sleutels in haar tas naar de achterdeur. Ze stak de sleutel in het slot en opende de deur. Eenmaal binnen wist ze dat Dylan niet thuis kon zijn. Het idee dat haar kind als sleutelkind moest opgroeien was voor haar nooit een optie geweest. De gedachte brachten alleen maar nare herinneringen naar boven. Thuiskomen was voor haar jarenlang het gevoel van eenzaamheid, vandaar dat ze er op stond om thuis te zijn als haar eigen kind van school thuiskwam. Roepend door het huis bezocht ze ieder vertrek. Ze gaf uiteindelijk toe aan de gedachte dat Dylan niet thuis kon zijn, want ze had hem nooit een sleutel van het huis gegeven. Kijkend naar haar trillende handen dacht ze dat ze nu wel kalm genoeg was om voor een tweede keer alle kamers te doorzoeken. Overal waar ze ook keek, er was geen teken van Dylan. Ze liep terug naar de woonkamer waar de telefoon stond. In de woonkamer aangekomen merkte ze dat er iets anders was dan wanneer ze deze vanmorgen verliet. Het was niet rigoureus, maar kleine details vertelden haar dat er iets veranderd was. Haar ogen schoten door het vertrek en voor even kon ze geen adem halen. Alle foto’s van Dylan waren weg. Geen enkele afbeelding waar haar zoon op stond was terug te vinden. Denise liet met een jammerende kreun haar armen zakken, wilde door haar knieën zakken, maar ze vond de kracht om naar het wandmeubel te lopen om de laden te checken. Er móesten wel foto’s van Dylan aanwezig zijn. Nadat ze de tweede lade had omgegooid en de inhoud had doorzocht, hoorde ze zichzelf zeggen dat het niet om missende foto’s ging, maar om Dylan zelf. Ze moest onmiddellijk de politie bellen. Ze stond op en liep naar de telefoon. Nog voordat ze bij het toetstel aankwam zag ze de witte enveloppe. Deze was met plakband aan het toestel geplakt. Zonder enige aarzeling greep ze naar de enveloppe en scheurde het open. Het bevatte een klein wit kartonnen kaartje met een geprinte tekst. Ze las de tekst nogmaals. Ze zag wat er stond, maar na een tweede keer begreep ze de tekst.

‘ALS HET LEVEN VAN JOUW ZOON JE HEILIG IS, SCHAKEL JE GÉÉN POLITIE IN. OM ZIJN LEVEN ZEKER TE HOUDEN CHECK JE VANDAAG JE EMAILBOX. ENIG CONTACT MET EEN DERDE PERSOON (POLITIE OF ANDERE INSTANTIE) LEIDT TOT HET EINDE VAN DYLAN’S BESTAAN.’

Denise lachte hardop. Van de zenuwen. Gedachten schoten haar door het hoofd.
‘Wat is het nummer van 112?’ Met een misplaatste grap deed ze een poging haar angst te vergeten. Ze pakte haar telefoontoestel om het alarmnummer in te toetsen, maar ze deed het niet. Ze las de tekst op het kaartje nog een keer. Van het kaartje keek ze naar de klok. Ze liet een korte, bijna maniakale lach ontsnappen, liep naar boven waar de computer stond en startte hem op. Normaal gesproken vond ze het ding al veel te traag bij het opstarten, maar vandaag leek het apparaat werkelijk supertraag te werken. Ze begon te snikken en ze kon niet meer stoppen met huilen. Met lange halen huilde ze om het gemis van haar zoon. Haar zoon waar ze de afgelopen periode zoveel troost in had gevonden. Een piep van de computer bracht haar weer terug naar de realiteit. Ze was bijna online om haar emailaccount van hotmail te checken. Ongeduldig keek ze naar het computerscherm, na een paar minuten kreeg ze het bureaublad te zien en klikte ze op de icoon van Chrome. Haar startpagina van internet was haar emailaccount en na het invoeren van haar emailadres en het wachtwoord opende een nieuw tabblad waarop ze zag dat ze een tweetal nieuwe e-mails in haar inbox had. Ze klikte met de muis en er werd een nieuwe pagina geopend. De twee e-mails betrof een aanbieding van webshops. Ze zag een aantal e-mails in haar spam box. Een email bleek afkomstig van Dylanskeeper. Ze klikte op de regel met het onderwerp ‘Eerste dingen eerst’ en er werd weer een nieuwe pagina geopend. Ze negeerde de bewegende, zeer aanwezige reclamebeelden en las ademloos haar email.

‘Hallo Denise,

Zoals je al in een eerdere boodschap in de woonkamer hebt kunnen lezen is het van belang dat je de politie niet informeert over wat er momenteel gaande is. We wijzen je er op dat wanneer je de politie (of andere instantie) inschakelt het leven van Dylan wordt uitgeschakeld. Om zijn leven te garanderen willen wij dat je voor ons een paar opdrachten uitvoert. Het is niet dat wij hem willen doden. Het is meer dat jij hem in leven wilt houden. Geef het zoeken naar je zoon op. Hij is momenteel (nog) veilig.
We willen dat je vanavond naar de kinderboerderij gaat. Om 19:00 uur moet je bij het varkenshok staan. Daar volgen verdere instructies. Mocht je alsnog beslissen dat je niet wilt doorgaan, dan is het leven zoals je het kende met Dylan op dat moment beëindigd.

Met de aller, allervriendelijkste groet,
Dylan’s Keeper

Denise las het bericht nog een keer. En nog een keer. Ze wist waar ze deze avond om zeven uur werd verwacht. De afgelopen jaren was ze vaker dan lief op de kinderboerderij geweest. Toen Dylan net drie jaar oud was, liep ze wekelijks, bijna dagelijks door het bos om het verdriet van het overlijden van haar maatje te doen vergeten. Niet dat dit lukte, maar ze kon heerlijke gesprekken over onbelangrijke dingen met Dylan bespreken. Er schoten een paar namen door haar hoofd van personen die ze met de kinderboerderij in verband bracht, maar geen persoon zag zij in staat om deze idiote actie te ondernemen. 90% waren zelf jonge moeders geweest. Denise keek op haar horloge en zag dat het half vijf was. Normaal gesproken was ze opgelucht als ze extra tijd had als ze ergens onverwachts naar toe moest, maar vandaag was het anders. Ze besloot dat het nooit ging lukken als ze op de fiets naar de kinderboerderij zou moeten. Het was te afgelegen. Te gevaarlijk. Ze lachte in gedachte. ‘Gevaarlijk, alsof het nu allemaal zo lekker veilig is.’ Zelf had ze geen auto, maar haar vriendin Kim had vaak genoeg aangeboden dat ze de auto kon lenen. ‘Die ene is toch een leasebak van de baas en verder hebben we onze eigen Megane. De laatste kan je altijd gebruiken hoor.’ Denise besloot haar vriendin te bellen. Nooit was ze eerder op het voorstel ingegaan. Haar vader had altijd de wijsheid meegegeven: ‘Leen nooit de auto of de partner van een goede vriend. Het is gedoemd om mis te gaan’.
Denise pakte het telefoontoestel en drukte een knop een paar keer in totdat de naam Kim Mulder in de display tevoorschijn kwam. Ze nogmaals een knop in en bracht het toestel naar haar oor. Aan de andere kant van de lijn ging het toestel een paar keer over. Na een derde keer werd er opgenomen.
‘Kim hier!’ zei een uitbundige stem.
‘Ha Kim, met Denise.’
‘Hey ‘Nise! Ik zag je naam al in het scherm staan. Alles goed?’
‘Bijna wel,’ zei ze.
‘Hoezo bijna?’
‘Ik moet vanavond om zeven uur ergens zijn’.
‘Leuk! Zal ik voor je rijden?’ Kim wist dat Denise een hekel aan autorijden had.
‘Nee, ik moet zelf. Alleen.’
‘Oh, maar zeg dan meteen dat ik op Dylan moet passen! Dat is toch geen probleem? Met veel plezier zelfs!’ ratelde de stem van Kim door.
‘Nee, Nee. Ik neem Dylan mee,‘ loog ze.
‘Oh? Alleen jullie twee?’
‘Ja, gewoon wij tweetjes. Ik kom naar jou toe, haal de auto op en neem daarna Dylan mee.’
Aan de andere kant van de lijn was het stil, totdat ze de stem hoorde zeggen: ‘Okay, dat is goed. Hoe laat kom je hierheen?’
‘Ik kom zo op de fiets naar je toe.’
‘Doe niet zo gek, ik breng de auto wel naar jullie toe.’
‘Nee, dat is niet nodig!’ reageerde ze snel en zeker te fel.
‘Oh, okay,’ klonk de stem verbaasd. ‘Wat jij wilt.’
Zonder nog verder een antwoord te geven of het gesprek af te ronden verbrak Denise de verbinding.
Hopeloos ging ze weer zitten, ‘ik heb het verpest,’ dacht ze. ‘Kim gelooft nooit dat ik eerst naar haar fiets en vervolgens naar huis ga om Dylan op te halen.’

Grappig als je denkt dat de mensen jouw gedachtegang doorzien. Het lijkt dat de mensen helemaal niet altijd alert zijn als het om jouw gedrag gaat. Ze gaan er niet meteen van uit dat je iets in je schild voert. Zeker niet als het een vriend betreft. Het plaatsen van vraagtekens bij of in bepaalde situaties doet iedereen wel eens, maar ook zij zijn mensen met hun eigen eigenaardige gedachten en zien het gedrag als iets dat er bij hoort.

Om zes uur kwam Denise op haar fiets aan bij Kim. Ze kon de auto zonder vragen meenemen.
‘Wel de tank bijvullen, voordat je terugkomt,’ zei Kim met een brede lach.
‘Natuurlijk,’ riep Denise toen ze de autosleutels in het contactslot omdraaide. Ze gaf gas en reed de straat uit, richting kinderboerderij.
Het was veel te vroeg. Denise stond met de auto op de parkeerplaats bij het aangelegde bos. Ze zat achter het stuur van de Megane en keek naar de tijd op haar horloge en die op het dashboard. Beiden gaven aan dat het twee minuten over half zeven was. Ze keek over de parkeerplaats en zag niets bijzondders. Ze keek, maar zag niets. Het werd donkerder en haar gedachten waren bij Dylan. Haar zoon van 5 jaar. Vijf jaar geleden hield ze hem voor het eerst in haar armen en nooit leek het meer alsof ze een leven zonder hem had gehad. Nu leek dit allemaal teruggedraaid tot voor het moment van zijn geboorte. Denise zag in gedachten zijn gezicht voor haar. Zijn donkerbruine ogen, zijn wipneus (die hij van zijn vader had), zijn krullend haar en voor een kort moment hoorde ze zijn schaterlach. Tranen trokken een lijn over haar wangen. Met de rug van haar hand veegde ze deze weg. Ze draaide de autosleutels om en haalde deze uit het contactslot. Haar schoudertas stak ze onder haar arm en verliet de auto. Ze drukte in de autosleutel en het knipperen van de autolichten en het klikgeluid van de sloten gaven haar de bevestiging dat de auto nu op slot was. Ze keek over het parkeerterrein en zag niets bijzonders. De schoudertas hing ze nu over haar rechterschouder en liep in rustige, grote stappen richting de kinderboerderij. Toen ze bij de ingang van het bos aankwam begon het lichtjes te regenen.
Het akelige gevoel was nog steeds aanwezig en ze keek nog een laatste keer over het parkeerterrein. Nog steeds zag ze niets bijzonders of verdachts. Ze draaide zich om, om het bos in te gaan. Ze voelde haar hartslag in haar hoofd en haar slapen deden pijn. De vorige keer had ze deze plek in een totaal andere stemming bezocht. Het was tijdens een verjaardagspartijtje van een klasgenootje van Dylan.
Haar schoenen zakte diep weg in de zanderige grond bij iedere stap die ze nam. Door de regen ontstond er een drassig wandelpad. Na 50 meter kwam ze aan bij het hek van de kinderboerderij. Even leek het of ze achter een boom een gestalte zag staan. Toen ze haar ogen samenkneep en probeerde te focussen op de figuur was deze weg, maar vanuit haar ooghoeken zag ze weer iets bewegen. Ze draaide haar hoofd in de richting van waar ze dacht iets te zien bewegen, maar zag nu verder niets meer dan alleen maar bomen en struiken. Haar hart sloeg over toen ze in de verte een pauw hoorde schreeuwen in de buurt van de kinderboerderij.
Ze dacht er over om Martin, de broer van Robin te bellen. Hij was rechercheur bij de politie en zag hem meer als een familielid dan als een officiële instantie. Ze liet deze gedachte varen. Ze had ze zijn nummer niet en ze kon toch niet bellen. Haar handen trilden van de kou en zenuwen. Het lukte haar niet de komende minuten om deze stil te houden. Ze liep verder naar het gedeelte waar overdag kinderen vrolijk tussen de dieren lopen. Ze liep voorbij de volières waar diverse semi-exotische vogels opvlogen door haar bezoek. Via de hokken, bewoond door de konijnen en cavia’s die daar vaak door jonge gezinnen werden achtergelaten, kwam ze aan bij het gebouw waar de iets grotere dieren overnachten.
De lucht werd nu donkerder en een zwakke verlichting van een licht gehavende buitenlamp aan de wand tussen twee deuren van het dierenverblijf gaf haar voldoende licht om enigszins nog iets te kunnen onderscheiden. De diverse geluiden van de dieren hielden haar alert. Het gemekker van een geit of een knor van het grote varken dat de naam Junior van de plaatselijke bevolking had gekregen. Een van de deuren van het grote dierenverblijf was half geopend. De deur bestond uit twee delen, waarvan het bovenste deel half geopend was. Toen ze het bovenste deel helemaal naar achteren opende om meer licht van de verlichting te krijgen zag ze een bruine A4 enveloppe op een spijker gehaakt op het bovenste deel van deur. Op de enveloppe stond in hoofdletters ‘VOOR DENISE’. Weer keek ze achterom om te zien of iemand naar haar keek. Zelf had ze niet het gevoel dat ze bekeken werd, maar de wetenschap dat achter alleen maar zwarte ruimte bestond maakte haar heel angstig. Ze draaide haar hoofd langzaam naar de grote enveloppe. Met trillende handen trok ze de stevige, zware enveloppe van de spijker. Haar handen bleven trillen en de koude vingers probeerden met moeite de enveloppe te openen. Het voelde zwaar aan. ‘Er moet meer dan alleen een briefje in zitten,’ dacht ze. Ze draaide de opening van de enveloppe naar de verlichting toe en keek in de enveloppe. Ze zag een metaalachtig voorwerp in de enveloppe verschuiven, samen met het zelfde soort kaartje wat eerder bij haar thuis aan de telefoon bevestigd was. Ze stak haar hand in de enveloppe en ze wist nu ook wat er in de enveloppe lag. Een slagersmes.
‘Vast niet eentje van de Blokker,’ mompelde ze.
Voorzichtig kromde ze haar koude vingers om het lemmet en nam het mes uit de enveloppe. Het mes had een lengte van 20 centimeters. Ze klemde de enveloppe onder haar arm en met haar linkerhand haalde ze het kaartje uit de enveloppe. In het zelfde schrift als op het eerste kaartje kon ze de tekst in het zwakke licht van de buitenlamp lezen.

‘HET BESLISSEN OVER LEVEN EN DOOD IS ALLEEN AAN GOD. VANDAAG MAG JE GOD ZIJN. DE KEUZE IS AAN JOU. LAAT HET VARKEN LEVEN EN DYLAN STERFT. DOOD JIJ HET BEEST DAN BLIJFT JOUW ZOON LEVEN. GEBRUIK HET VOORWERP IN DE ENVELOPPE. VOOR MIDDERNACHT MOET JE HET VARKEN LEVENLOOS ACHTERLATEN. GEBEURT DIT NIET DAN VIND JE DYLAN NOOIT MEER TERUG.’

Denise nam de tekst nogmaals door. Diverse gedachten schoten er door haar hoofd. Haar eerste gedachte was dat ze het varken de keel door ging snijden, wat ze meteen tegensprak, omdat het allemaal pure waanzin was. Ze stak de enveloppe in haar tas en deed een stap naar voren. Voorzichtig keek ze over het onderste deel van de deur. Hierachter moest het varken liggen slapen. De ammoniakgeur van modder, urine en uitwerpselen vulde haar neusgaten. Meteen had ze de gedachten weer op een rij. Er was geen twijfel meer in haar hoofd over haar keuze. Ze verstevigde de greep om het lemmet en zocht met haar linkerhand naar een slot of hendel om de deur te openen. Ze vond niets en geïrriteerd besloot ze dan maar over het onderste deel van de deur te klimmen. Ze legde haar tas tegen het houten gebouw op de grond en sloeg haar rechterbeen over de deur. Met een sprongetje zat ze met haar volle 66 kilo’s aan gewicht op de deur. Ze leunde naar rechts en trok nu haar linkerbeen over de deur. Ze zette zich af en stond aan de binnenzijde van het varkenshok. Het varken liet hierdoor een kort gesnurk los, maar bleef verder gewoon liggen. Denise voelde dat ze diep in de drab stond. Ze moest kracht uitoefenen om een stap in de richting van het grote beest te nemen. Een soppend geluid vulde het vertrek toen ze haar linkervoet uit de modder trok. Het varken schrok op en stond binnen enkele seconden op zijn poten. Het liet een onaangenaam geknor horen. Denise’s ogen wenden sneller aan het donker dan haar neus aan de sterke, penetrante geur. Na een tijd kon ze de muren in het vertrek waarnemen. Ze zag diepte en afstand. Links van haar stond het stinkende dier. Het was enorm groot en leek met gemak een kleine 100 kilo te wegen. Denise balanceerde om haar rechtervoet uit de moddervloer te halen. Weer verstevigde ze haar grip om het mes en liep moeizaam naar het varken. De stank leek heftiger te worden en tot aan een halve meter voor het dier bleef ze stilstaan. Ze boog langzaam voorover en liet haar handen op het dier rusten. Ze voelde de warmte van het varken. Ze kon de stank via haar mond proeven en kokhalsde. Het dier leek het contact met de handen aangenaam te vinden en Denise deed een stapje dichterbij. Langzaam liet ze zich zakken tot ze met haar borst op het lichaam van het dier rustte. Langzaam legde ze haar rechterarm om de hals van het varken. Met haar linkerhand aaide ze het beest achter het oor. Met een ferme haal plaatste ze het mes in de keel van het varken. Ze schrok hevig van de reactie van het dier. Het wilde steigeren en het schreeuwde hevig. Verstijfd van de schrik liet Denise het mes los. Het varken rende nu met het mes nog in de keel door het hok. Het gekrijs bleef en was oorverdovend. Totaal van slag stond Denise met de handen over haar oren. Ze nam een stap richting het dier, maar verloor haar evenwicht en viel voorover. Op tijd kon ze haar val breken, maar ze zat onder de modder. Ze stond op en schreeuwde alle frustratie van de afgelopen uren uit haar lichaam. Haar longen en keel deden er zeer van. Het verwonde dier bleef om haar heen rennen. Met een onsierlijke sprong lukte het haar om half over het varken te hangen. Ze sloeg weer haar rechterarm om de hals van het dier en liet zich achter het dier aanslepen. Ze pakte het lemmet dat uit de keel stak en met een laatste ferme haal voelde ze het scherpe mes door de keel van het dier gaan. Haar verkleumde handen werden door het warme bloed verwarmd. Het gekrijs werd voor een kort moment luider en hield daarna op. Uiteindelijk viel het uitgeputte dier neer. Denise stond zwaar hijgend op en ruste voorovergebogen met haar handpalmen op haar knieën. Alleen zwaar gehijg was nog in het dierenverblijf te horen. Gehijg van Denise en van het varken. Na een tijd alleen het gehijg van Denise. Het dier had de laatste adem uitgeblazen.
Zwaar hijgend stond ze op en keek naar het levensloze dier. Zelden had ze zich zo rot gevoeld. Ze wreef het natte vocht van haar voorhoofd. Het kon haar niet meer schelen of het zweet, modder, bloed of stront was. Ze boog voorover, pakte het mes en liep naar de opening van het varkenshok. Vermoeid sloeg ze een been over de halve deur en klom er overheen. Ze pakte haar tas van de grond, stopte het mes er in en liep door de regen richting de parkeerplaats. Bij de blauwe Megane aangekomen was ze zich door de natte, vuile en stinkende kleren bewust dat ze nu niet in de auto kon stappen. Ze begon aanhoudend te huilen. Het snot liep uit haar neus toen ze besloot naar huis te lopen. Snikkend veegde ze met de rug van hand haar gezicht schoon en liep naar huis.

Uitgeput kwam ze thuis en liep meteen door naar de badkamer. In de wit betegelde ruimte stapte ze uit de kleren, gooide ze haar kleding in het bad en liet de kraan lopen. Het water kleurde donkerroze door de met modder en bloed doordrenkte kleding. Ze deed er wat koud water bij en nadat de kleding onder water lag, draaide ze de kraan dicht. Ze stapte nu zelf in de douchecabine en vervolgens onder de straal. Het water spoelde haar schoon.
Na het douchen gooide ze op zolder de vuile kleding in de wasmachine en liep daarna in haar oude joggingbroek en sweater naar de keuken op de begane grond. Ze was toe aan wijn. Ze bond haar vochtig haar in een staart, pakte een plak kaas uit de koelkast, stopte het in haar mond, ze nam een glas uit het keukenkastje en een fles uit het wijnrek. Uitgeput plofte ze zich neer op de bank en opende de fles. Met opgetrokken benen nam ze plaats op de bank. Met de afstandsbediening deed ze de TV aan, de beelden kwamen voorbij, maar ze zag niets. Ze nam de pasfoto van Dylan uit haar portemonnee en keek minutenlang naar zijn gezicht. De foto was genomen in de tijd dat hij net zijn tanden aan het wisselen was. Ze voelde de liefde in haar hart stromen toen ze zich zijn tandloze lach op de kleine foto zag. Ze dronk het glas in één keer leeg en schonk het glas nog eens vol. Honderden gedachten schoten door haar hoofd, zonder dat ze echt kon nadenken. Na een vierde glas vertrok ze met benevelde gedachten naar boven om de komende nacht zonder dromen onrustig te slapen.

Zaterdag

De volgende ochtend werd ze onrustig wakker. De onaangename, sterke gewaarwording voelde ze in bijna elke spier van haar lichaam. ‘Dat wordt nog wat aan het einde van deze dag,’ verzuchtte ze. Met pijn in haar lichaam stond ze langzaam op en liep naar de slaapkamer van Dylan. Alles zag er nog zo uit als gisteren. Toch had ze een ongemakkelijk gevoel toen ze in de kamer stond. Haar ogen gleden over de muur naar de kleurrijke krassen van Dylan, die als 3-jarige peuter op de muur een kunstwerk achterliet. Op die jonge leeftijd vond hij het nodig om zijn eigen graffiti van rode, blauwe, groene en gele strepen achter te laten. Dylan’s vader zou vlak na deze kunstuiting van hun zoon overlijden. Ze glimlachte en genoot van de herinnering van het moment dat ze twee jaar geleden het gekras op de muur hadden ontdekt. Robin vond het juist wel komisch. Denise totaal niet en wilde Dylan hier streng op aanspreken, maar Robin had gezegd dat het heel normaal was. Hij maakte de opmerking dat ze een lijst om de eerste muurschildering van hun zoon moesten maken. Ze had Dylan toen maar gezegd dat het een beter idee was als hij voortaan gewoon om tekenpapier zou vragen. Na het ongeval van Robin was ze er niet meer aan toegekomen om de kamer opnieuw te behangen en eerlijk gezegd wilde ze het nu ook niet meer. Dat die paar bonte krassen nu een extra betekenis hebben gekregen was haar duidelijk. Ze zag een tweetal pluche dieren op de vloer naast het bed liggen. Ze wilde ze van de vloer oprapen, maar bedacht dat ze beter kon kijken of er nog een emailbericht was binnengekomen. Ze liep naar Robin’s oude werkkamer om de computer op te starten. Als Denise de moeite had genomen om de pluchen dieren op te rapen had ze wellicht het gezicht van de indringer onder het bed gezien.

De computer zoemde af en toe onderbroken door een luid gepiep. Het was een oud exemplaar, maar het werkte nog goed. Ze gebruikte het apparaat alleen voor internet, e-mail en telebankieren. Nadat ze het Microsoftlogo in het scherm kreeg, reutelde de computer voor een korte tijd verder. Ze keek naar buiten. Op straat kwam deze zaterdagmorgen het één en ander langzaam in beweging. De buren van een paar huizen verderop zag ze met lege boodschappenkratjes naar de zilverkleurige Skoda lopen. De buurman aan de overkant liep met zijn poedel terug naar huis. Een laatste luide piep van de computer gaf aan dat deze nu helemaal opgestart was. Ze liep naar het bureau en pakte de muis. Ze klikte een paar keer en las een nieuw emailbericht van de persoon die zichzelf sinds gisteren Dylan’s Keeper noemde.

‘Beste Denise,

Gefeliciteerd! Hoe voelt het om God te spelen? Jouw actie van gisteravond zal hoogstwaarschijnlijk in de krant komen te staan. Of op het internet. Natuurlijk wordt jouw daad als onmenselijk omschreven, maar men is natuurlijk niet op de hoogte van jouw reden om deze misselijke actie te ondernemen. Jouw keuze was natuurlijk al snel gemaakt. Toch?
Het slagen van jouw eerste opdracht heeft me nieuwsgierig gemaakt. Hoe ver ga jij om het leven van Dylan te redden? Vanavond staat er weer genoeg actie op stapel. Ben je er klaar voor? Kom vanavond rond de klok van 11 uur naar de begraafplaats in het oude centrum. Ik denk dat jij wel weet waar je de volgende opdracht kunt vinden.

Met de aller, aller-vriendelijkste groet,
Dylan’s Keeper.’

Denise printte het bericht uit. Ze wist waar ze vanavond heen moest. Het graf van Robin. Dylan’s vader. De eerste weken na het overlijden van Robin kwam ze dagelijks bij zijn graf. Na een paar maanden iedere week en uiteindelijk na een jaar bezocht ze het graf maandelijks. Nog steeds. Het idee dat nu Robin ook een rol ging spelen gaf haar een dubbel gevoel. Troost en onzekerheid. Ze griste het A4’tje van de printer. Ze las het bericht nogmaals en liep al lezend de trap af naar beneden.

Wat staat me in Godsnaam verder nog te wachten en wat heeft Robin hier mee te maken, dacht ze. Ze opende de deur naar de woonkamer en Denise werd met stomheid geslagen. Over haar hele lijf kippenvel. De woonkamervloer was bezaaid met foto’s van Dylan en Robin. Dylan alleen of met Robin samen. Er zaten ook foto’s van Robin alleen bij. De twee mannen, haar grootste liefdes keken haar vanaf de grond vanuit de foto’s naar haar. Als een nieuw tapijt bedekten de foto’s de laminaatvloer. Ze ging op haar hurken zitten om de foto’s beter te bekijken. Een paar foto’s vlogen hierdoor weg. Ze was er zeker van dat ze dit niet lang meer kon volhouden. Iemand moest vannacht in haar huis zijn geweest terwijl zij boven lag te slapen. Het suizen in haar oren klonk luider. Toen niets meer. Denise was flauwgevallen.

Het geklepper van de brievenbus wekte haar. De post viel op de mat en langzaam kwam Denise overeind uit de stapel foto’s. Ze keek naar de klok aan de wand en zag dat het 12 uur was geweest. Ze had de hele ochtend op de woonkamervloer gelegen. Ze krabbelde op en liep naar de keuken voor een glas water. Eerst checkte ze of de keukendeur afgesloten was en voor alle zekerheid deed ze de voordeur op slot. Terug in de keuken opende ze de kraan en zag dat het buiten regende. Druilerig. Ze dacht aan waar ze vanavond werd verwacht, gooide met enige twijfel het glas water leeg en schonk zichzelf een glas wijn in. ‘Ik denk dat ik nu beter even wat slaap kan pakken om vanavond iets fitter te zijn,’ zei ze tegen niemand. In één teug sloeg ze de inhoud van het glas achterover en liep naar boven om te slapen. Toen ze op haar rug op het bed lag en naar het plafond staarde, zonk ze langzaam weg in een droomloze slaap.

Ze werd gewekt door de wekker en een kleine glimlach stond op haar gezicht. Ze kreeg hierdoor een schuldgevoel, maar de lach was niet om de pijnlijke, vermoeiende situatie met Dylan, maar omdat ze voelde dat het allemaal goed ging komen. Een blik op de wekker gaf 9 uur aan. Ze had nog twee uur te gaan voordat ze op het kerkhof werd verwacht. Met spierpijn in heel haar lichaam liep ze naar de badkamer. Ze miste haar zoon, maar ze wist dat ze hem na vandaag weer in haar armen kon houden. Ze draaide de kraan open en later stond ze onder de straal. Ze nam de tijd. De straal gaf een had en kalmerende werking. Na het douchen trok ze haar meest comfortabele kleren aan. Beneden nam ze een appel en liep naar buiten, naar het centrum van de stad.

Hoewel de wind en de aanhoudende regen de wandeling onaangenaam zouden moeten maken had Denise rekening gehouden met het weer. Ze had haar winterjas vanavond van zolder gehaald. Na een klein half uur kwam ze aan bij de ingang van het kerkhof. Overdag gaf deze plek haar rust en troost, maar op dit moment sloeg haar hart in de keel. Ze probeerde het grote smeedijzeren hek te openen, maar deze kwam niet in beweging. Ze deed een paar stappen achteruit om te zien of er ergens anders een opening te vinden was, maar de stenen muur was massief. Denise besloot een paar meter naar links te lopen, het stond haar bij dat de muur na een paar tientallen meters overging in heg of hekwerk. Ze begon sneller te lopen en na honderd meter zag ze dat de muur daadwerkelijk overging in een heg met hierin een gaas verwerkt. Denise liep door tot ze op een plek kwam die het minst door de straatbelichting werd verlicht. Ze keek snel naar links en naar rechts en toen ze dacht dat niemand haar zag plaatste ze haar handen boven haar hoofd in het gaashek en trok zich op. Na een paar snelle klimbewegingen was ze bovenop het hekwerk gekomen. Voorzichtig het prikkeldraad ontwijkend wierp ze haar rechterbeen over het hek. Helaas voor haar waren haar benen iets te kort. Ze bleef met haar linkerbroekspijp in het prikkeldraad hangen. Denise zuchtte, maar liet zich nu door niets of niemand meer tegenhouden. Met een ferme ruk kwam haar linker broekspijp los. Door de kracht van de ruk kwam al haar gewicht aan de andere kant van hek waardoor ze naar beneden viel. Ze viel met haar rug op de natte mosgrond waardoor ze even geen adem kon halen. Na een paar pogingen zogen haar longen zich vol met zuurstof waardoor Denise een hoestbui kreeg. Ze inspecteerde haar broekspijp en zag dat er een grote scheur in zat.
‘En ik maar denken dat een duur merk meer kwaliteit had,’ zei ze zacht en bedacht dat niet een duur merk tegen prikkeldraad was bestand.
Het was gestopt met regenen. Ze stond op en vroeg zich af waar ze precies was. Normaal kwam ze op het kerkhof door de hoofdingang. Ze wist dat ze het hele kerkhof moest overlopen om bij het graf van Robin te komen. Ze aarzelde niet langer en met flinke stappen liep ze langs alle graven. Het kerkhof zag er onvriendelijk uit. Niet dat ze ooit had gedacht dat er ooit een pretparksfeer op een begraafplaats te vinden was, maar door de maan beschenen glom alles wat nat was geregend. Het leek als een ouderwetse griezelfilm. Ze liep nu over het oudste gedeelte van deze plek. Denise huiverde en versnelde haar pas.
‘Geen nare dingen bedenken,’ riep ze zich herhaaldelijk toe. Na vijf minuten kwam ze aan bij het gedeelte waar het graf van Robin was. Ze ging langzamer lopen en zocht nu naar details. Ze herkende deze plek, ondanks dat het nu nacht was. Verderop stond de grafsteen van Robin. Ze deed twee sprongetjes tijdens het lopen en hierdoor kon ze de plek van het graf zien. Ze zag ook meteen dat er een enveloppe, bezwaard met een kei, bovenop het graf lag.
Denise zag aan de enveloppe dat er weer meer dan alleen een briefje in moest zitten. Ze ging naast het graf staan en pakte de enveloppe. Ze voelde aan de enveloppe dat er iets in zat. Een schepje. Ze sloot haar ogen en zuchtte diep, scheurde de rechterkant van de enveloppe open en zag de inhoud. Haar vermoeden werd bevestigd. Een tuinschepje. ‘Ze willen me gewoon laten graven,’ zei ze verontwaardigd. Ze haalde het kleine gereedschap uit de enveloppe en liet deze op de grond vallen. Ze opende de enveloppe verder en haalde het kaartje tevoorschijn.

‘HET BESLISSEN OVER HERRIJZENIS OF DOOD BLIJVEN IS ALLEEN AAN GOD. MAAK JEZELF GEEN ILLUSIES. ROBIN BLIJFT WAAR HIJ IS. DE SLEUTEL VAN JE OPDRACHT VIND JE BOVEN HET HOOFD VAN, DE HELAAS TE VROEG OVERLEDEN, ROBIN. GEBRUIK HET VOORWERP IN DE ENVELOPPE. VOOR MIDDERNACHT MOETEN JE OPDRACHTEN VOLTOOID ZIJN. GEBEURT DIT NIET DAN BLIJFT DYLAN WAAR HIJ IS. DIT IS JE OPDRACHT. CAN YOU DIG IT?’

Voordat Denise het kaartje had gelezen wist ze al wat haar te wachten stond. Can you dig it eindigde de tekst. Natuurlijk wist ze dat ze moest graven. Met gestrekte benen pakte ze het tuinschepje in haar rechterhand en schatte in waar het hoofd van Robin moest liggen. Ze voelde zich vernederd en heel ongelukkig. Ze stak het schepje in de grond en begon met graven. Na een paar minuten voelde ze de zeurderige pijn in haar rug. Ze zakte door de knieën. De spieren in haar bovenbenen protesteerden, maar liet zich toch in het natte, modderige zand zakken. Ze ging door met graven. Het gegraven gat had een doorsnee van 30 centimeter, maar was nog niet eens 20 centimeter diep. Haar knieën voelde koud en het vocht trok in haar spijkerbroek. In gedachte had ze een gesprek met Robin. Ze verweet hem dat hij er nu niet was. Dat hij nooit bij de diploma-uitreiking van Dylan aanwezig kon zijn. Als hij niet dood was, was ze nu ook niet alleen. Op een kerkhof. Verwijtend, huilend en vloekend ging ze door met graven tot het houten handvat van de tuinschep afbrak. Een luide vloek galmde over het kerkhof en Denise gooide het kapotte schepje aan de kant en begon met haar handen te graven. Als een kind in de zandbak zat ze op haar knieën. Ze stopte even om op adem te komen. Ze veegde met haar arm het nat van haar voorhoofd, maar haar mouwen waren vochtig van regen en modder zodat haar voorhoofd er nat en nu ook vies en modderig was. Ze wilde verzitten, verloor haar evenwicht en viel zijdelings op het graf van Robin. Ze voelde zich enorm eenzaam en verlaten. Ze lag op de grond te huilen. Ze ging verder met graven en toen ze een gat van ongeveer 40 centimeter diep had gegraven voelde ze iets hards. Het was een hoek van een plastic voorwerp. Met haar handen groef ze nu sneller en ging met haar vingers door het zand en over het plastic. Al snel had ze het geval in haar handen. Het was een luxe lunchtrommel. Ze schudde het heen en weer en hoorde dat er dingen in zaten. Ze veegde haar handen af aan haar broek en opende de lunchtrommel. Ze voelde dat er een zaklantaarn in zat. Ze legde het trommeltje op de grond en pakte de zaklantaarn eruit. Ze draaide het bovenste gedeelte naar links en het apparaat gaf een zwak licht af. Ze scheen het licht in de oranje lunchtrommel en zag een sleutel liggen en nog een kaartje. Ze pakte het vast en las zachtjes hardop.

‘GEFELICITEERD. DIEP GRAVEN GEEFT JE DE SLEUTEL. DEZE GEEFT TOEGANG TOT EEN KISTJE. HIERVOOR MOET JE HET ECHTER HOGER ZOEKEN. GA NAAR DE WESTERLIJKE KANT VAN DE KERK. HIER VIND JE EEN WEG NAAR BOVEN EN NAAR HET KISTJE. VOOR ALLE DUIDELIJKHEID: VOOR MIDDERNACHT MOETEN JE OPDRACHTEN VOLTOOID ZIJN. GEBEURT DIT NIET DAN VIND JE DYLAN NIET TERUG.’

Ze gooide de zaklantaarn in het trommeltje en veegde met haar arm het opgegraven zand terug in de kuil. Ze stond op, stampte het zand snel en achteloos aan en nam het trommeltje in haar handen. Ze liep weg van het graf en keek niet meer om. Ze keek naar de tekst op het kaartje zonder te lezen en liep naar de kerk naast het kerkhof. Ze probeerde te achterhalen wat de westzijde van kerk was, maar hoefde zich hier niet druk over te maken, want ze zag de ladder al tegen het gebouw staan.

Onder aan de ladder keek ze omhoog. De ladder reikte tot aan de dakrand. Een kleine 4 meter boven haar. Sinds haar jeugd had ze last van hoogtevrees. Denise haalde diep adem en pakte met beide handen de ladder. Ze zette haar rechter voet op de onderste laddersport en begon langzaam aan haar klim naar het dak. Haar blik bleef gefocust op de dakrand, aan het einde van de ladder. Het viel haar wel mee en eenmaal bij het dak aangekomen klom ze langzaam het dak op. Het was schuin, nat en glad. Ze keek links en rechts, op zoek naar het geldkistje. Ze zag in eerste instantie niet iets vreemds of opvallends en besloot verder schuin omhoog te klimmen, richting de kerktoren. Toen ze dichterbij de toren kwam zag ze uiteindelijk een touw hangen aan de toren. Deze was bovenaan bevestigd en bungelde naar beneden tot een meter boven het schuine dak waar ze op stond. Op handen en voeten kroop ze richting het slingerende touw. Op haar hurken balanceerde ze op de middenrand van het dak. Aan beide kanten liep het dak af naar een donkere diepte. Ze reikte met trillende armen naar het touw, kreeg het te pakken en trok zichzelf er naar toe. Met het touw in haar handen geklemd stond ze tegen de kerktoren aangedrukt. Ze bekeek de omgeving. Ten westen van haar zag ze het kerkhof. De diverse graven werden nog steeds spookachtig belicht en in het oosten zag ze de verlichting aan de gevels in de winkelstraten. Ze wierp een blik omhoog en 3 meter boven het dak zag ze het kistje boven in het touw bungelen. Ze trilde. Niet van de kou, maar van angst. Ze bleef minuten lang naar het kistje aan het touw kijken en bedacht dat ze het nooit voor elkaar zou krijgen om in het touw te klimmen.

In de verte hoorde ze een andere kerktoren slaan. Alsof dit een startschot was kwam Denise in beweging. Beetje bij beetje stond ze rechtop. Ze zette haar voet tegen de stenen muur en begon in het touw te klimmen. Af en toe keek ze door de spleten van haar dichtgeknepen ogen. Ze was een halve meter hoog geklommen. Ze bungelde boven het dak, haar voeten zochten grip tegen de bakstenen kerktoren en haar handen deden zeer van het krampachtig vasthouden. Met haar laatste krachten en wanhoop bereikte ze de afstand om het kistje te kunnen pakken. Ze reikte er naar en verrassend genoeg gaf het meteen mee. Hier had ze niet op gerekend waardoor het kistje uit haar vingers glipte en naar beneden viel. Ze keek naar beneden om het te volgen, maar zag de donkere diepte onder haar. Door de schrik verloor ze haar grip op het touw en kwam met een klap met haar linker zij op het dak terecht. Even leek ze naar beneden te glijden, maar greep zich vast aan de middenrand. Ze keek achterom en zag het geldkistje in de dakgoot liggen. Nog geen meter van de ladder. Ze wilde zich langzaam naar beneden laten glijden, maar door de natte ondergrond gleed ze heel snel naar de dakgoot. Haar voeten raakten de regenpijp en als in een instinctieve reactie strekte ze de benen en bleef ze languit op het dak liggen. Even later stapte ze in rustig tempo naar het gedeelte waar de ladder stond, daar zakte ze door de knieën om daarna de benen over de dakrand te steken en via de ladder naar beneden te gaan. Ze steunde met haar ribben op de dakrand, pakte het kistje met haar linkerhand en begon langzaam de ladder af te dwalen.

Beneden aangekomen ging ze op de grond zitten. Ze pakte de zaklantaarn uit de lunchtrommel, draaide deze aan en stak het als een ervaren inbreker in haar mond. Ze nam het sleuteltje uit de plastic trommel en stak deze in het slot van het kleine kistje. Ze was nieuwsgierig naar de inhoud. Ze opende het kistje en wat ze zag had ze de afgelopen dagen al een paar keer gezien. Een kartonnen kaartje met tekst.

‘NU HET JE DE AFGELOPEN DAGEN IS GELUKT OM TE BEWIJZEN DAT JE HEEL VER KUNT GAAN. DAT JE DIEP EN OOK TOT ZEKERE HOOGTE KUNT GAAN, ZIJN DE OPDRACHTEN SUCCESVOL UITGEVOERD. JE VINDT JE ZOON ACHTER HET ALTAAR IN DE KERK WAARVAN JE NET HET DAK HEBT BEKLOMMEN. GEFELICITEERD!’

Ze lachte hardop. Ze stond rap op, liet alle dingen achter en liep naar de ingang van de oude kerk. De oude, hoge deur was niet op slot en zonder na te denken liep ze in versnelde pas naar binnen. Ze opende de volgende deur en liep langs de kerkbanken naar het altaar. Het interieur werd zwak verlicht door lampen die aan de zijkanten waren bevestigd. Ze versnelde haar pas en riep emotioneel de naam van haar zoon. Ze moest haar pas afremmen om bij het altaar te stoppen. Ze keek er achter en alle blijdschap was in een keer omgeslagen naar frustratie en wanhoop. Dylan was er niet. Ze keek nog een keer goed in de omgeving van het altaar, maar het enige dat ze op het altaar vond was de jas van haar zoon en het bekende kartonnen kaartje. Dit keer was de tekst handgeschreven. Ze las het en het ze kreeg het gevoel dat alle ellende van de afgelopen dagen in een moment nog eens over haar werd gestort. De tekst op het kaartje bestond uit enkele woorden.

‘Het is 12 uur geweest. Je bent te laat trut!’

Zondag

Ze lag wakker in bed. Ze had de afgelopen nacht niet geslapen. Ondanks het aanhoudend huilen voelden haar ogen, net als haar mond droog aan. Ze was over haar vermoeidheid heen. Beneden ging de deurbel en ze zat meteen rechtop. Een dof gevoel had plaatsgenomen in haar hoofd en moeizaam stapte ze uit bed. Ze liep naar de slaapkamerdeur, pakte haar ochtendjas van de vaste plek aan de muur en liep naar beneden. Halverwege de trap hoorde ze dat het bellen werd afgewisseld door hard gebonk op de deur. Denise liep door naar de voordeur. Ze zag de mannen in haar achtertuin niet. Ze deed open en een bekend persoon stond voor haar deur. Ze kende hem. Het was Martin, de broer van Robin. Sinds het overlijden van Robin, twee jaar geleden had ze hem maar een enkele keer gesproken. Ze wilde vertellen dat ze afgelopen vrijdag er nog aan had gedacht om hem te bellen, maar hij keek haar zo doordringend aan dat ze alleen nog maar kon vragen wat de reden was van zijn bezoek.
‘Hoi Denise, volgens onze informatie heb je gisteren bij de kinderboerderij een blauwe Megane achtergelaten.’
Shit! dacht ze. Denise was Kim’s auto vergeten terug te halen van de parkeerplaats bij de kinderboerderij. Martin wachtte niet op haar antwoord.
‘Je vriendin, mevrouw Mulder heeft ons verteld dat zij de auto aan jou heeft uitgeleend.’
Ze liet haar hoofd zakken en keek hem even schuldig aan. Agenten stapten langs Martin haar woning binnen. Denise wilde vragen wat ze van plan waren. Martin liet haar een document zien.
‘Een huiszoekingsbevel. We ontvingen een anonieme tip over een vermissing en hierbij werd jouw naam op een meest merkwaardige manier in verband gebracht.’
‘Hoezo merkwaardig?’ vroeg Denise. ‘Een huiszoekingsbevel voor een gedood varken?’ Ze keek haar zwager niet begrijpend aan. Achter haar liepen enkele mannen door haar woonkamer en keuken. Ze werd er onrustig van. Twee mannen liepen naar boven.
Martin keek Denise strak aan. ‘Denise, vertel.. Waar is Dylan?’
Door zijn directe vraag leek het als ze een klap in haar gezicht kreeg. Ze kuchte om wat tijd te rekken en wilde weten waarom hij dat vroeg. Ze greep zich vast aan de deur. Denise was er klaar voor om alles te vertellen. Over haar wanhoop. Over dat ze er aan gedacht had om hem te bellen en ook over de belachelijke opdrachten van de afgelopen dagen. Nog voordat ze iets kon opbiechten werd ze verstoord door twee opgewonden stemmen die van een etage hoger kwamen. Martin stapte naar binnen en liep door naar boven. Denise keek in de tuin, zag daar nog meer mannen staan en deed de voordeur half dicht. Ze liep Martin achterna de trap op. Halverwege de trap zag ze de twee eerdere rechercheurs met een bleek gezicht bij de slaapkamerdeur van Dylan staan. Martin had het huiszoekingsbevel nog in zijn hand en wierp een blik in de slaapkamer. Vervolgens keek hij om naar Denise. Zijn ogen keken haar teleurgesteld en beschuldigend aan. Denise liep de overloop op en duwde hem aan de kant en stond in de kamer. Ze dacht dat haar wereld ging instorten. Alles deed pijn. Een onbeschrijfelijke pijn. Ze kon niet meer ademen door wat ze zag. De kamer was helemaal leeg. De vloer en alle muren waren rood gekleurd van het bloed.

Denise zat in een verhoorkamer. Urenlang was ze overhoord over de afgelopen dagen. Iedere keer vertelde ze opnieuw haar verhaal. Ze had diverse tests moeten ondergaan. Haar verhaal bleek niet overeen te komen met de verklaringen van andere niet genoemde getuigen. Dit maakte haar verhaal ongeloofwaardig.
Martin, de broer van Robin stond op. Ze kon hem niets anders meer vertellen. Hij deed een stap richting de deur en draaide zijn hoofd naar haar om. Hij sloot zijn ogen en keek haar brutaal aan.
‘Weet je? Je hebt het allemaal aan jezelf te danken.’
Ze ging rechtop zitten. ‘Hoezo, heb ik dit allemaal aan mijzelf te danken? Wat heb ík in Godsnaam verkeerd gedaan?’
Martin draaide zich naar haar toe, plaatste zijn handen op de tafel waaraan Denise zat, en keek haar strak aan.
‘Je was te laat, trut.’

In de supermarkt

 

‘Mam?’
‘Nee.’
‘Maar mammie..’
‘Nee, Lotte!’

Zes woorden in vier zinnen. Het is geen gesprek te noemen, eerder een woordenwisseling en toch weet je waar het gesprek over gaat en je hebt een zwaar vermoeden waar het heen gaat.Ik sta tussen de schappen met einde-jaars-snoepgoed van een Albert Heijn in Almere en ik zie een moeder met haar dochter bij de zakken pepernoten en de chocoladeletters staan.

Lotte is een meisje van ongeveer zes jaar oud. Ze heeft twee bruine paardenstaartjes bovenop haar hoofd en deze schieten alle kanten op bij elke beweging die ze met haar hoofd maakt. Ze draagt een olijfgroene winterjas met een dikke, en ik mag hopen, een namaak-bontkraag aan de capuchon. Verder draagt ze een spijkerrokje, met daaronder een dikke roze maillot, gestoken in witte enkellaarsjes, gepimpt met een paar vrolijke franjes.

De naamloze moeder is een vrouw die qua leeftijd stevig tegen de veertig aanleunt. Ze heeft donkerblond, halflang haar, dat bij de wortels een iets donkere, originele kleur verraad. Ze draagt haar grijze manteljas open en daaronder draagt ze een blauw mantelpakje. De benen zijn gestoken in iets te donkere panty en ze staat in de supermarkt op donkerblauwe schoenen met een degelijk hakje. Duidelijk een moeder en een carrièrevrouw.

Eerst jarenlang gewerkt aan een professionele carrière en toen ze haar doel had bereikt, zocht ze wellicht naar een andere uitdaging. Geen loopbaan bij een nieuwe werkgever, maar iets totaal anders. De uitdaging van het moederschap. Wellicht in de veronderstelling dat als ze in het verleden al zoveel collega’s kon passeren en vertellen welke strategie ze moesten volgen, dan was het moederschap vanzelfsprekend een nieuwe uitdaging.

‘Maar mammie, waarom dan niet? Ik heb vandaag heel netjes gegeten.’ Lotte probeert het nogmaals.
‘Lotte, we hebben het hier al eens eerder over gehad. Ik wil niet dat je te veel snoept. Suiker is slecht voor je en je hebt aanleg voor obese.’ Het woord wordt door moeder in het Engels uitgesproken.
O-bies. Ik vind dat grappig. Negatief geladen worden minder erg wanneer deze niet in het Nederlands worden uitgesproken.

Lotte weet heel goed wat moeder met het woord bedoelt en ze heeft haar weerwoord klaar.
‘Nou, zo dik als tante Emma zal ik echt niet worden hoor.’
De moeder schiet in de lach en corrigeert zichzelf snel. ‘Niemand is zo dik als tante Emma,’ zegt ze op fluistertoon tegen haar dochter. ‘Maar dat mag je tegen niemand zeggen.’
Lotte kijkt met een mysterieus, samenzwerend lachje op haar gezichtje naar haar moeder. Zeer waarschijnlijk onder de indruk van hun geheim.
‘Behalve een olifant. Die is misschien nog dikker dan tante Emma,’ flapt ze eruit.

Beltegoed

Ik vond laatst een USB-stick in een laatje die ik al een tijdje niet had geopend. Het vinden van zo’n stick is toch een beetje alsof je een oud schatkistje hebt gevonden. Vooral nieuwsgierig over wat de inhoud betreft. Er opende op mijn laptop een map met allemaal oude stukjes tekst die ik jaren geleden heb geschreven. Zoals een verhaal uit 2010, die ik ooit had ingediend voor een schrijfwedstrijd van een tijdschrift. Ik kreeg het later zonder enig commentaar retour. Misschien dat ik de grote lap tekst hier ooit eens publiceer, wellicht dat ik dan wel commentaar krijg. Dan wel in een weekend, dan hebben de bezoekers van dit weblog iets meer tijd om het door te lezen. Onderstaande tekst vond ik wel grappig om hier te delen. Het is een dialoog die ik in juni 2009 heb geschreven. Je leest het zo door, het is een kort verhaal van nog geen 150 woorden.

‘De Romeinse beschaving ging destijds ten onder aan het te hoge loodgehalte in het water. Men werd langzaamaan gek.’
‘Dus?’
‘Door onwetendheid stierf een beschaving uit.’
‘Okay, en dat heeft betrekking op?’
‘Op vandaag de dag. Het is niet zo dat we niet weten wat er in ons water zit, maar we hebben geen duidelijkheid over wat de mobieltjes, infrarood en bluetooth voor ons betekenen.’
‘Het houdt in dat we bereikbaar zijn en niet op hoeven te staan wanneer we de televisie op een andere zender willen zetten.’
‘Nee, stel je voor dat de stralen van je mobieltje of je bluetooth schadelijk blijken te zijn voor je hersenen en dat we net als de Romeinse beschaving ten einde komen. Dat kan hoor!.’
‘Ben je gek of zo, hoe lang heb je zojuist zitten bellen?’

Vrijdagmiddag

Vrijdagmiddag. Het is vrijdag de 13e en toch ben ik blij. Niet alleen omdat een collega van mij deze middag voor het eerst vader is geworden, maar ook omdat ik een goed gesprek heb gehad met mijn leidinggevende. Even na 16:30 uur stap ik vrolijk op de pendelbus die mij naar metrostation Henk Sneevliet brengt. De metro rijdt op tijd en ik heb op station Amsterdam-Zuid een vlot aansluitende verbinding met de trein naar Almere. Heerlijk.

Onderweg naar huis krijg ik van het thuisfront een appbericht met de mededeling dat er enige consternatie op het veldje voor ons huis is ontstaan. Een foto en video bevestigen dit. Een traumahelikopter is ingevlogen, in wat wij onze voortuin noemen. Ik denk dat het wel eens serieus kan zijn. Meer dan 2 ambulances is geen grap. En dat blijkt. Wanneer ik met een omweg thuiskom, zie ik op social media dat het een serieuze kwestie is.

Het blijkt dat bij een schietincident op het veldje iemand om het leven gekomen. Ondanks langdurige reanimatie is de persoon uiteindelijk ter plekke overleden. Naast het assisteren bij de reanimatie heeft de brandweer schermen geplaatst om het zicht van omstanders te ontnemen. De politie weet later aan de media te vertellen dat het om een zelfmoord gaat. Het is een raar verhaal. Ik denk dat het om een conflict in relationele sfeer is geweest, waarbij het dodelijk slachtoffer geen andere uitweg meer wist.

De ware reden zullen we wellicht nooit weten. Een aantrekkelijk politieagent informeert later aan de deur of wij vooraf iets hebben meegekregen, maar ik moet hem teleurstellen. Ik was op dat tijdstip nog niet thuis. Verder forensisch onderzoek is nog in volle gang wanneer de pizzabezorger ons eten komt bezorgen. Voor ons gaat het leven door. We genieten van het avondeten en kijken naar een nieuwe serie op Netflix. Wanneer ik later de lege pizzadoos in de papiercontainer achterlaat en de zon ondergaat zie dat men nog steeds druk is met onderzoek.

Jij en Wij

Afgelopen zondag was het 19 jaar geleden dat Matthew Shepard, vastgebonden aan een hek, waar hij door Aaron Kreifels werd gevonden. Een kilometer buiten het stadje Laramie in de Amerikaanse staat Wyoming. Wat Aaron eerst aanzag voor een vogelverschrikker, bleek de 21-jarige Matthew te zijn, die 18 uur daarvoor op de vorige avond door Aaron McKinney en Russell Henderson was beroofd, in elkaar geslagen en vastgebonden aan het hek om daar vervolgens voor dood te worden achtergelaten.

Morgen, 12 oktober, is het 19 jaar geleden dat Matthew Shepard overleed aan zijn verwondingen. Het nieuws maakte destijds veel los in de westerse wereld. Er was een homoseksuele man vermoord om wat hij was. Een haatmisdaad. Waren we inmiddels zo diep gezakt? Helaas was dit niet de eerste keer dat een persoon om zijn (of haar) geaardheid was vermoord, maar dit keer werd het nieuws mondiaal opgepakt. De wereld was in shock -en vooral boos, om wat er was gebeurd met Matthew Shepard.

De daders verklaarden tijdens het proces dat ze in paniek waren geraakt toen ze door Matthew werden verleid. Later vertelden ze dat ze hem alleen wilden beroven. Op 5 april 1999 bekende Henderson schuld in ruil voor strafvermindering van de doodstraf naar twee keer levenslang. McKinney werd schuldig bevonden aan moord met voorbedachten rade, maar zijn straf werd omgezet van doodstraf in een levenslange gevangenisstraf. Beiden beweren dat hun daad door de Bijbel wordt gerechtvaardigd.

In 2013 publiceert journalist Stephen Jimenez The Book of Matt waarin hij het officiële verhaal betwist. Hij schetst aan de hand van getuigenverklaringen een geheel ander beeld van de zaak. Shepard zou verslaafd zijn en door een medegebruiker en dealer te zijn vermoord. Bovendien komt naar voren dat de moordenaars zelf uit de homoscene kwamen en er sprake was van een vermeende seksuele relatie tussen de twee. Het idee dat dit een haatmisdrijf is wordt hiermee onderuitgehaald.

De moord op Matthew Shepard symboliseert de kwetsbare, onzekere plaats in onze wereld. Gelijkheid en vrijheid blijkt door haatmisdaad niet langer waarheid te zijn. Wanneer je anders bent dan de gemiddelde medemens, dan ben je een buitenbeentje. Een zonderling, waarbij een vogelvrijverklaring een logisch gevolg is. Een verbanning uit de gemeenschap. Daarom is het belangrijk om iedereen te accepteren zoals ze zijn. Geen mens verdient het apart gezet te worden.

Vandaag zal ik zo min mogelijk oordelen over anderen. Zolang het mogelijk is. Het zal niet makkelijk zijn, want mensen houden graag vast aan de hokjesgeest, en ook ik ben maar een mens. Mensen die vandaag chagrijnig over straat lopen en mopperen zal ik vragen of ze ook eens vrolijk kunnen zijn. We mensen zijn nu eenmaal ingedeeld in diverse rassen, maar ik zal mijn best doen ze niet langer in groepen of hokjes in te delen. We zijn tenslotte allemaal één volk, met zijn allen woonachtig één planeet.