Ruzie

Om negen uur in de avond kregen ze ruzie. Ik weet niet waarover, maar dat doet er niet toe, want als het in de lucht zit, dan is iedere aanleiding te gebruiken. Het begon met het over-en-weer van kleine verwijten, maar na een minuut of vijf was zij al aan: ‘En dan zeg jij altijd…’

Dan wordt er gezegd wat hij altijd lijkt te zeggen, en als ik haar imitatie mag geloven, spreekt hij altijd heel lijzig, waarbij de tong ver uit mond hangt. Hij blijft koel en reageert hier niet op, wat haar mateloos irriteert, zodat al spoedig de situatie rijp wordt om op te staan en waardig te zeggen: ‘Goed, als mijn aanwezigheid je dan zo hindert, zal ik je daarvan verlossen’.

Opstaan, kamer verlaten en jas aantrekken. Als hij de buitendeur opent, hoort hij haar nog iets roepen. Op een compromistoon. Maar hij zet door en loopt even later op straat. De nare herinnering aan de idiote ruzie glijdt onmiddellijk van hem af, om plaats te maken voor het prettige, mobiele gevoel van een man die met een reden van huis is gegaan. Onder normale omstandigheden ga je een eindje om en moet je binnen een uur weer thuis zijn, maar wanneer je van mening bent dat je onrecht is aangedaan loop je door, omdat hij daarmee een missie uitvoert.

Hij bezoekt een kroeg waar hij al heel lang niet meer is geweest. Hij stapt binnen en als anonieme bezoeker staat hij tussen de andere gasten. De kastelein herkent hem toch en vraagt of hij het gebruikelijke wenst. Later staat hij er met een biertje in zijn hand en loopt naar een plek in de kroeg waar het rustiger is. Er wordt door de bezoekers gelachen, gediscussieerd en vooral veel gedronken. Een licht aangeschoten jongedame spreekt hem aan en vertelt een heel lang verhaal, over haar kind dat dit weekend bij haar ouders uit logeren is. Hij hoort haar gelal glimlachend aan. Na zijn derde biertje besluit hij naar huis te gaan. Zijn woede is weg. Die van zijn vrouw zeer waarschijnlijk ook.