We zijn aangekomen aan het einde van het jaar en we worden weer overspoeld door diverse overzichten. Er zijn mensen op social media, die terugblikken over de afgelopen 12 maanden. Ik denk dan altijd: Het jaar is nog niet om. Er kan in die laatste dagen van het jaar nog van álles gebeuren. Je moet dag niet prijzen voordat de avond gevallen is. Pas op 1 januari 2019 wil ik terugblikken over het jaar 2018. En misschien dan ook nog niet eens.

De eerste keer dat ik me bewust was van Oudejaarsavond, moet 31 december 1970 zijn geweest. Dit was dan in de Cornelis Riekelsstraat –waar ik ook ter wereld kwam- in de toen nog bijna 5 jaar oude woonwijk, De Schooten, van Den Helder. Ik kan me herinneren dat ik, als kleuter op Oudejaarsavond van dat jaar eerst in de avond naar bed moest. Ik was te jong om de hele avond op te blijven. Ja, het moet wel in 1970 zijn geweest, want ik was net 4 jaar oud geworden. Jonger zal ik niet geweest zijn, want als ik ouder was geweest, had ik meer kunnen herinneren.

Ik denk me nu te herinneren dat familie uit Friesland op visite was, maar of dat tante Klaske en oom Simon uit Sneek waren of tante Jo en oom Hampie uit Heerenveen, dat weet ik niet meer. Als ik er nog eens over denk, kan het ook zo zijn dat het de buren van nummer 20, buurman Maarten en buurvrouw Nettie, waren., en als dit zo was, dan waren vanzelfsprekend ook tante Bets en oom Gijs uit de Klaas Castercomstraat, een straat verderop aanwezig. Zij waren niet echt tante en oom, maar het was gebruikelijk om kennissen en vrienden van je ouders als familieleden aan te spreken. Mijn moeder en ‘tante’ Bets waren destijds beste vriendinnen, die de grootste lol met elkaar hadden in die jaren. Denk ik.

Rond half twaalf zal ik door mijn moeder of door mijn oudere zussen zijn wakker gemaakt om de jaarwisseling en het vuurwerk te mogen meemaken. Ik weet niet of het kwam door de spanning van het moment of dat ik op gewoon nodig moest, maar in de badkamer ontsnapte er een drol, ter grootte van een kroket, al rollend over de badkamervloer. Mijn zussen gilden in afschuw naar beneden, waar mijn vader, in gepaste dronkenschap de trap op kwam rennen. Geamuseerd bewonderde hij mijn kunstje. “Draytje kroket!”, riep mijn vader lachend. Verder kan ik me niets meer van deze Oudejaarsavond herinneren, maar de door mijn vader te enthousiast uitgeroepen bijnaam heb ik nog heel lang mogen aanhoren.

In een land hier ver vandaan, in de buurt van de poolcirkel, staat een grote groep sparrenbomen als onderdeel van een enorm groot bos. Deze bomengroep is de familie Pinaceae, met aan kop van de familie een oude reuzenboom en zijn directe nageslacht. Deze bestaat uit honderden sparren. Eén van deze jongere generatie bomen, de 15 jaar jonge Danny, staat eenzaam tussen de andere bomen. Eenzaam om zijn bijzondere karakter.

Danny is ook een buitengewoon sparrenboompje. Waar alle andere sparren dagenlang kunnen sparren en uren lang kunnen bomen over hoe zij -in tegenstelling tot de andere bomenfamilies in het bos, wel het hele jaar groen blijven, is Danny altijd stil. Hij is daarom vaak mikpunt van spot. Danny is altijd ergens anders met zijn gedachten. Voor de andere bomen in het bos is hij altijd afwezig. In de gedachten van Danny leeft hij in zijn eigen wereld.

In deze wereld van Danny is hij geen spar. In zijn wereld beleeft hij zijn droom en voelt hij zich een dennenboom. Waar Danny is, bestaat geen sneeuw en is er geen koude wereld. Hier mag hij zijn die hij wenst te zijn. Hier mag hij zeggen wat hij denkt, zonder uitgelachen te worden. In deze zelfgecreëerde droomwereld vindt niemand hem anders. Of abnormaal. In die gelukkige wereld is Danny doodgewoon.
Danny verlangt er naar opvallend onopvallend te zijn. Dan is hij voor de anderen in het bos geen uitzonderlijk type meer. Dan is hij geen uitzonderlijke boom, maar onderdeel van het bos. In de kille werkelijkheid ziet het woud hem toch als een uitzonderlijke boom. Een naaldboom die niet past tussen de andere sparren. Het komt voor niemand als een verrassing wanneer er begin december is besloten wat ze met Danny gaan doen.

Tijdens het jaarlijks familieberaad over wie als kerstboom in de brute mensenwereld mag optreden heeft de familie Pinaceae al snel beslist dat Danny, nu hij 15 jaar oud is, geofferd mag worden. Danny krijgt niets van dit besluit mee. Ondanks de koude om heen, droomt hij dat hij is omringd door warmte en liefde. Als uiteindelijk halverwege de maand, de grote dag aanbreekt en de kerstelfjes in het bos tussen de sparrenbomen staan, is het snelle afscheid van Danny al snel verleden tijd.

Danny weet niet wat hem overkomt. Met geweld wordt hij van de plek verwijderd waar hij al 15 jaar heeft staan wortel schieten. Hij komt los van de grond en in horizontale toestand wordt hij vervoerd naar een andere plek. De zwaartekracht doet rare dingen met zijn geest en wanneer hij met een klap op de laadbak van een truck terechtkomt, verliest hij het bewustzijn. Hij merkt niet dat hij kilometers ver wordt vervoerd.

Wanneer Danny langzaam bijkomt voelt hij dat het leven uit hem wegzakt. De stam waarop hij jarenlang heeft gestaan doet zeer, maar wanneer hij om zich heen kijkt, ziet hij dat hij daar is waarvan hij altijd heeft gedroomd. Hij is versiert met zilveren ornamenten en er hangen slingers tussen zijn takken. Hij begint nog meer te stralen wanneer hij bemerkt dat er een paar strengen van lichtjes zijn naalden laten glimmen.

De jonge Danny ervaart eindelijk geluk. Ondanks dat het leven langzaam uit hem stroomt, is het toch goed. Danny is geworden waar hij al jarenlang naar verlangde. De spar is eindelijk de dennenboom van zijn droom geworden. Het kan hem niets schelen dat hij binnenkort zijn naalden zal verliezen, en niet kort daarna het leven. Wanneer Danny straks in januari buiten wordt gezet en de stam en takken met hars zijn bedekt, dan zijn deze harstranen ook tranen van geluk.

Ik ben niet vaak ziek. Regelmatig ontspring ik de dans bij griepepidemieën, maar dat lukt niet altijd. Soms heb je iets onder de leden en wanneer dat moment zich voordoet wil ik alleen maar slapen. Ik ben van mening dat slapen het beste medicijn is. Tenminste voor griepachtige kwalen. Bij een schaafwond kan je een gat in de dag slapen, maar dat helpt niets aan een snel herstel van de wond. Ik kan het weten, ik heb het geprobeerd. Maar slapen bij een griepje werkt voor mij hartstikke goed. Vergeet de paracetamol. Slaap is alles wat ik nodig heb.

Of ik het leuk vind? Ziek zijn vind ik nooit leuk. Wanneer ik met een zwak gestel in bed lig, weet ik dat ik een demonenstrijd aan moet gaan. Waandromen of waanideeën houden me bezig. Gargouille-achtige wezens houden me uit mijn slaap. Honend proberen ze me wakker te houden en wanneer ik ze wil ontwijken door me op een andere zijde om te draaien, meldt zich een anders duivels beest. Op hoge poten en met een onooglijk gezicht lacht deze me waanzinnig uit. Ook proberen ze me aan het schrikken te maken door ineens vlak voor mijn gezicht op te duiken. In your face, zeg maar.

Ook wanneer ik ziek in bed lig, ben ik bewust van de onechtheid van deze storende demonen. Ik ben duidelijk niet goedgelovig. Zelfs niet wanneer ik helemaal helder kan denken. Ik probeer altijd een verklaring voor de dingen te vinden. Ook wanneer een nieuwe kwelgeest zich meldt. Voor mij staan deze waandromen gelijk aan het lichamelijk bestrijden van de ziektekiemen. Er bevindt zich een gevecht in mijn lichaam tussen de bacillen en het afweersysteem en dat uit zich door deze krankzinnige beelden in mijn hoofd te creëren.

Nadat ik een dagdeel heb liggen slapen, waarin de meest absurde dromen zijn voorbijgegaan, voel ik me altijd wel iets beter. Vast ritueel is inmiddels dat ik uit mijn bed ga om iets lichts te eten. Mijn lichaam heeft dat beetje energie nodig en wanneer ik dan weer terug in bed lig en mijn ogen sluit, melden de idiote dromen zich. Dan word ik geacht de meest onmogelijke handelingen uit te voeren, altijd steevast gehinderd door diverse demonen die mij nog niet los kunnen laten. Wanneer ik na enkele uren weer wakker wordt, voel ik me weer goed.

Vandaag ben ik alweer een flink aantal dagen hersteld. Ik voel me energiek en de kwelgeesten zijn inmiddels een vage herinnering geworden.

Op de vooravond van zijn vertrek, terug naar Spanje, heeft Sinterklaas even tijd voor een kort gesprek met mij. We ontmoeten elkaar op Schiphol. De terugreis naar het zuiden van Europa, waar hij de overige maanden van het jaar woont, zal niet per stoomboot gaan. Sinterklaas ziet er moe uit. De afgelopen weken waren vermoeiend voor de bisschop, maar wel succesvol. De winkels haalden de afgelopen weken een ruime omzet van 340 miljoen euro. Dat is niet verkeerd voor een man die bijna 1.740 jaar oud is.

Lieve Sinterklaas, uw bezoek aan Nederland dit jaar was zeer succesvol. De winkels  draaiden een recordomzet van miljoenen euro’s en zelfs op pakjesavond scoort u hoog. Op televisie, qua kijkcijfers. U bent ongekend populair.
‘Ja, ik sta er ook van te kijken. De afgelopen jaren zijn mijn bezoekjes steeds zwaarder. Ik word er tenslotte niet jonger op, en die onuitputtelijke discussie over het uiterlijk van mijn personeelsleden doen mij af en toe twijfelen of ik nog wel aan die rompslomp van het reizen naar Nederland moet beginnen.’

Maar u kom volgend jaar november toch wel weer naar Nederland?
‘Jazeker. Zolang mijn gezondheid mij niet in de weg zit ben ik van de partij. Daarbij sta ik er al honderden jaren om bekend dat ik vergevingsgezind ben. Dat sla je er niet zo maar uit met een aanhoudende discussie. Daarbij vraag ik u, heeft u de kindergezichtjes gezien, wanneer zij mij weer in Nederland zien? Heerlijk! Daar doe je het toch voor?’

Inderdaad. Kunt u uw eerste jaar als goedheiligman herinneren?
‘Ik kan het me natuurlijk niet meer precies herinneren. Ik leef nu langer in de jaren van mijn dood, dan dat ik ooit op deze wereld heb geleefd. Maar honderden jaren geleden wanneer vrouwen niet in staat waren om te trouwen, waren ze gedoemd om als slaaf voort te leven. Op een gegeven moment ben ik begonnen met het uitdelen van bruidsschatten. Ik gooide zakjes geld door de ramen van woningen. Men heeft een specifiek voorval onthouden. Het moment dat het geld bij een gezin in de schoenen, die hij de haard stonden, terechtkwamen. Zo is het idee ontstaan dat schoenen bij de haard gezet moeten worden, om zo mijn geschenken te kunnen ontvangen.’

Er is de jaren enorm veel veranderd. Wat valt u het meeste op wanneer u weer in Nederland bent?
‘De mensen zijn de laatste jaren enorm snel op de tenen getrapt. Als we het ergens niet mee eens zijn, zijn we ook meteen beledigd. Of het nu over het uiterlijk van Piet gaat, die overigens ook niet altijd zwart is geweest, of over het percentage vrouwen in de Top 2000 van dit jaar. Mensen hebben te veel vrije tijd. En dan heb je nog de mensen die alles aanpakken om hun agressie te uiten. Relschoppers die tegenwoordig iedere demonstratie gebruiken om vooral onrust te stoken. Wie gaat er demonstreren met wapens op zak? Wat dat betreft, lijken we weer op de mensen van zo’n 1.000 jaar geleden. Ongeletterde bollebozen, zijn het.’

Nogal een gewaagde uitspraak van Sinterklaas. Wat als straks iedereen, ook de ongeletterde bollebozen, niet meer in u geloven?
‘Ach, weet u wat het is? Wanneer je zo oud bent als ik, maak je je niet meer zo om wat er allemaal gaande is. Het klinkt misschien arrogant, maar ik weet dat ik een geliefd persoon blijf.’

Kunt u dat uitleggen?
‘Ik ben namelijk een fantastisch excuus. Voor de mensen in Nederland. Dankzij mij kunnen zij zichzelf schaamteloos verwennen. Dit jaar hebben de winkels een ruime omzet van 340 miljoen euro gehaald. Zo veel geld wordt er nooit opgehaald voor welk goed doel dan ook. De kans is enorm groot dat ik volgend jaar november gewoon weer van de partij ben.’

Onderstaande tekst (Kronkel) is van de hand van Simon Carmiggelt. Het is gepubliceerd op 18 november 1963. Het had ook vandaag in de krant kunnen staan.

“Uit een ingezonden stuk in de Volkskrant verneem ik dat Godfried Bomans, in een artikeltje over de heer Ras die, geloof ik, voortaan een witte Piet wil, te ver gegaan.
Dat is niet zo mooi.
Hij was onlangs, op het Grand Gala in het Kurhaus, óók al te ver gegaan. En nu wéér. Een bedenkelijk snelle recidive. Als er geen verbetering intreedt, gaat het slecht aflopen met deze arbeidzame jongen. En niet alleen met hem. Want wat deed Mies Bouwman? Zie de bladen: zij is te ver gegaan. En dat, terwijl Wim Sonneveld nog maar kort te voren ook te ver was gegaan. U ziet hoe het om zich heen grijpt. Ze doen maar. Ze gaan maar te ver. ’t kan me niets meer verdommen,geloof ik. Alleen Wim Kan is nog niet te ver gegaan. Maar dat komt, omdat hij nooit voor de televisie optreedt, doch in zalen. Daar gaat hij al jaren elke avond te ver, maar het publiek dat betaald heeft om hem te horen, vindt dat juist zo leuk. Ze gaan vrolijk mee. Toe maar, ’t kan niet ver genoeg wezen.
Maar bij de televisie kan dat niet.
O neen.
Iemand die voor de televisie puntig of satirisch waagt te zijn, verkeert ongeveer in de positie van een dromer, die in het uitverkochte stadion voor de microfoon treedt en een vers van Baudelaire voordraagt, terwijl hij gevoegelijk kan aannemen dat honderd van de zestigduizend aanwezigen Frans verstaan en vijftien van de honderd het vers begrijpen.
Wat gebeurt er met zo’n man?
Hij krijgt negenenvijftigduizend negenhonderdvijfentachtig kussentjes naar zijn hoofd.
Allicht.
Hij is te ver gegaan.
Hoewel je bij televisie gemakkelijk te ver gaat, gebeurt het toch niet iedere avond, Nee hoor. Ik draai herhaaldelijk om elf uur, na het laatste nieuws de knop om met gedachte: Zo, er is vanavond niemand te ver gegaan.
Ze zijn allemaal lekker dicht bij huis gebleven. Vlak bij de clivia. Vlak bij het kopje thee met het boterbiesje, Vlak bij pa, die alles ‘waardeloos’ vindt,als ’t geen kopbal is, die zit. Vlak bij ma, die pas opbloeit bij ‘Adieu mein kleiner Gardeoffizier’. Vlak bij Fred en Mientje die, met hun rug naar Bussum,hun huiswerk maken. Vlak bij het gemiddelde Hollandse binnenhuisje, waar men tevreden is op een wat ontevreden manier.
In een krant kun je ook wel te ver gaan.
Ik heb het herhaaldelijk gedaan.
Het is heel makkelijk.
Als ik een stukje schrijf over een kind, dat een schilderij van het laatste avondmaal ziet en zegt: ‘Die met het kadetje in zijn hand is Onze Lieve Heer,’dan weet ik met volstrekte zekerheid, dat de post mij des ander daags enige brieven van lezeressen brengen zal, die verklaren in hun diepste geloofsovertuiging te zijn geschokt en concluderen dat ‘Kronkel te ver is gegaan’. er zijn in elke lezerskring van elk dagblad nog een aantal eksterogen,waarnaar je slechts hoeft te wijzen, om het gekerm te doen opstijgen.
Wat moet je doen?
Al die eksterogen vermijden?
Dat wordt een zeer benauwde eierdans, die er alleen toe leidt, dat de lezerselke avond geeuwend zeggen: ‘Nou, hij is in ieder geval niet te ver gegaan.’Niet tot aan mijn tenen. En zelfs niet tot aan de tenen van tante Coba uitBreda, die zo lang zijn dat ze reiken tot boven Moerdijk.
Nu zegt u misschien: ‘Gaat jou dan nooit iets te ver? Natuurlijk. Sommige dagsluiters gaan me te ver als ze menen ernstige menselijke problemen te kunnen afhandelen met een flets, populair uit een opmerkelijke ongeïnspireerdheid opgeboerd causerietje. De sierhuppeltjes waarmee Vlaamse presentatrices schijnen te moeten zijn toegerust gaan me te ver. En de kir-interviewtjes met lachjes van opgespoten suiker gaan me te ver. Maar het mag allemaal van me, hoor. Als er maar tegenover staat dat er, de andere kant op, ook eens te ver mag worden gedaan.
‘Maar meneer. In uw blad van gisteren ging Kronkel te ver.’
Nou ja, ’t is pas de eerste keer deze maand. Maar Bomans moet uitkijken.
Kronkel [18 november 1963]

Mocht het zo zijn dat ik met het kopiëren van bovenstaande Kronkel te ver ben gegaan, in verband met copyrights en auteursrechten, laat het weten. Dan zal ik de tekst verwijderen. Maar om zo’n nostalgisch, evenwel actueel en grappige tekst alleen in boekvorm te willen delen, vind ik iets te ver gaan. Het is tenslotte al vijfenvijftig jaar geen 1963 meer.

In de meest donkere periode van de aidsepidemie in de jaren tachtig van de vorige eeuw, zorgde een vrouw voor honderden mensen wiens familie hen in de steek had gelaten. De persoon die het als een roeping zag om deze mensen te helpen is Ruth Coker Burks. Vandaag een grootmoeder die een rustig leven leidt in de stad Rogers, Arkansas.

Voor Burks was het een missie om in de jaren tachtig voor Aidspatiënten te zorgen. Ongeveer een decennium lang, tussen 1984 en het midden van de jaren negentig en voordat betere hiv-medicijnen en verlichte medische zorg voor Aidspatiënten, zorgde Burks voor honderden stervende mensen,veelal homoseksuelen die door familie in de steek waren gelaten. Ze had geen medische opleiding, maar ze nam ze mee naar hun afspraken, haalde medicijnen open hielp hen om de diverse  formulieren in te vullen. Ze was er voor hen. Burks heeft in deze periode tientallen moeten begraven, nadat nabestaanden hun lichamen weigerden op te eisen. Voor veel van die mensen is zij de enige die de locatie van de graven kent.

Het begon in 1984, in een ziekenhuisgang. Burks, nu 55, was 25 jaar en een jonge moeder toen ze naar het Universitair Ziekenhuis in Little Rock ging om te zorgen voor een vriend die kanker had. In die tijd bracht ze veel tijd door in het ziekenhuis. Zo zag ze opeen dag de deur met een grote, rode zak eroverheen. Het was de kamer van een patiënt. ‘Ik zag de verpleegsters strootjes trekken om te zien wie er naar binnen zou gaan. Vaak werd er smekend gevraagd: ‘Kunnen we niet opnieuw trekken?’’

Burks wist wat het waarschijnlijk was, het was de nieuwe ziekte met de naam GRID (gay related immune disease). Later bekend als AIDS (acquired immune deficiency syndrome). Ze had een homoseksuele neef op Hawaï en ze had hem eens eerder gevraagd naar de verhalen over de homoseksuele plaag. Hij had toen tegen haar gezegd: ‘Dat zijnde leernichten in San Francisco. Dit raakt ons niet, maak je geen zorgen.’ Toch had ze, in haar bezorgdheid over hem, alles gelezen wat ze de afgelopen maanden over de ziekte kon vinden, in de hoop dat hij gelijk had. Of ze nu vanwege nieuwsgierigheid of – zoals ze vandaag gelooft – een hogere macht haar heeft laten besluiten, negeerde Burks de waarschuwingen op de rode deur en sloop de kamer binnen. In het bed lag een zwaar vermagerde jongeman. Moeizaam vertelde hij haar dat hij zijn moeder wilde zien voordat hij stierf.

‘Ik liep naar buiten en de verpleegsters vroegen me: ‘Je bent toch niet die kamer ingegaan?’’ Burks herinnerde zich. ‘Nou ja, hij wil zijn moeder spreken,’ antwoordde ze. ‘Ze lachten en zeiden: ‘Lieverd, zijn moeder komt niet. Hij is hier nu zes weken ener is hier niemand geweest en niemand zal hier ook komen.’ Nee was geen antwoord voor Burks en wist een telefoonnummer van de moeder te achterhalen Ze heeft gebeld, maar voordat ze haar verhaal kon doen werd de verbinding verbroken.‘Ik heb meteen weer gebeld en ik vertelde de vrouw aan de lijn dat als ze nu weer ophangt, ik het overlijdensbericht van haar zoon in de plaatselijke krant zou plaatsen, inclusief de doodoorzaak. Toen had ik haar aandacht.’

Haar zoon was een zondaar, werd haar door de vrouw verteld. Ze wist niet wat er met hem aan de hand was en het kon haar niet schelen. Ze zou niet komen, omdat haar zoon wat haar betreft al dood was. De moeder verklaarde ze zijn lichaam niet eens op te eisen na zijn dood. Het was een uitspraak die Burks in het navolgende jaren keer op keer zou horen. Burks schat dat ze in de loop van de jaren met meer dan duizend mensen met AIDS heeft gewerkt. Daarvan zei ze dat slechts een handvol familieleden hun dierbaren niet de rug toekeerden. Of dit vanwege religieuze overtuiging of angst voor het virus is geweest, weet ze vandaag de dag nog steeds niet.

Burks hing op en probeerde te beslissen wat ze de stervende man zou vertellen. ‘Ik wist niet wat ik hem anders moest vertellen dan dat zijn moeder niet wilde komen. Er zat niets op om hem de waarheid te vertellen. Ik liep terug naar zijn kamer en toen ik naar binnen liep, zei hij: ‘Mama, ik wist dat je zou komen,’ en toen hief hij zijn hand op. Wat moest ik doen? Ik pakte zijn hand en zei: ‘Hier ben ik schat. Ik ben hier.’

Het was zeer waarschijnlijk de eerste keer was dat door een persoon werd aangeraakt, die geen handschoenen droeg, sinds hij in het ziekenhuis was aangekomen. Burks trok een stoel naar zijn bed en praatte tegen hem en hield zijn hand vast. Ze depte zijn gezicht met een vochtige doek en vertelde hem dat ze er was. ‘Ik bleef er 13 uur, terwijl hij zijn laatste adem uitblies.’ Burks heeft tot voor kort niet veel over deze dag gepraat. Mensen vragen haar altijd waarom ze geen angst had. ‘Ik heb werkelijk geen idee. De gedachte bang te zijn kwam nooit bij me op. Ik vroeg het me soms wel af, maar als dit is wat ik moet doen, dan zal ik het doen.

Lees hier het hele verhaal van Ruth Coker Burks.