Sneeuwval. Het vallen van sneeuw gebeurt vaak en overal. Zo was het laatst nog in het nieuws dat er zeldzame sneeuwbuien vielen in de woestijn van het Saguaro National Park in Arizona, één van de Amerikaanse staten van Amerika. Wanneer het hier in Nederland sneeuwt is het ook meteen nieuwswaardig. Niet omdat de sneeuw zo bijzonder is, maar omdat wij niet met sneeuw kunnen omgaan. Als kinderen kunnen we dat juist wel. Ik heb het dan over sleerijden, sneeuwpoppen maken en het houden van sneeuwbalgevechten.

Nederlanders zijn bij het melden van waarschuwingen voor extreem weer in twee groepen in te delen. Je hebt een groep die zich door niets laat weerhouden en zelfs bij windkracht 11 nog op de fiets boodschappen gaat doen, en je hebt een groep die bij hevige regenval meteen thuis blijft en daarbij meteen alle ramen en deuren in de woonwijk willen barricaderen. Het is het een of het ander. Hoe dan ook: beide groepen weten altijd te zaniken over het advies. Of het is overdreven, of het is niet duidelijk genoeg.

De Nederlandse Spoorwegen nam laatst het zekere voor het onzekere en besloot minder treinen in te zetten, nadat het KNMI code geel had uitgegeven. Dit werkte goed. Of dat door dit besluit van de NS kwam of omdat er bijna geen sneeuw is gevallen, is niet echt duidelijk geworden. Ik ben in ieder geval blij dat ik zonder een omweg of een te lange vertraging van thuis naar het werk (en andersom) kon afreizen. Dat men door mindere inzet van de treinen in een overvolle trein moet reizen, dat neem je dan maar op de koop toe. Je wilt toch meereizen. Ik vind het wel gezellig zo tussen de verschillende mensen te forenzen.

Wederom zijn de Nederlanders ook tijdens deze dagen op het spoor in twee groepen in te delen. De partij die het allemaal prima vindt om geïmproviseerd te reizen (zolang zij maar naar Netflix op het scherm van hun mobiel kunnen kijken) en de andere partij die humeurig, bijna nijdig, in de trein stapt (zij die iedereen beschuldigend aankijken). Emoties zijn er op momenten als deze in overvloed! Zo ook bij de conducteur die laatst zijn geërgerde mening via de intercom aan de reizigers moest delen.

‘Dit is een bericht voor de reiziger die zojuist op station Duivendrecht op het allerlaatste moment de trein binnen sprong. Dit was heel erg gevaarlijk. Ook voor jezelf,’ zei hij geïrriteerd. Daarbij liet hij een dramatische pauze vallen. Alle reizigers in de trein waren bijna verheugd en zeker nieuwsgierig naar de vergelding die hierop zou volgen, maar de conducteur eindigde zijn mededeling via de intercom met de boodschap: ‘Niet meer doen hè!’

Ik zit in een redelijk volle trein richting thuis. Het is koud buiten en de verwarming in de trein blaast hete lucht rond mijn enkels. Hierdoor kom ik weer aangenaam op temperatuur. Nadat de brandblaren in mijn sokken zijn opgekomen. Buiten is het gelukkig nog schemerig, en dit is voor mij een teken dat het voorjaar er aankomt. Het is een beetje overdreven positief, maar ik word er blij van. Glimlachend kijk ik naar de ondergaande zon.

Op station Duivendrecht stopt de trein en nadat er enkele passagiers de trein verlaten, stappen er ook weer een paar reizigers in de trein. Een geestelijk afwezige reiziger komt er achter dat dit zijn eindstation is, en loopt tegen de inkomende passagiers in. Tegenover mij gaat een oudere man zitten, van mijn leeftijd. Zo oud nu ook weer niet. Ik kijk weer op het scherm van mijn telefoon. Ik voel dat er naar mij gekeken wordt, en wanneer ik van mijn scherm opkijk, kijkt de man tegenover mij aandachtig aan.

‘Dray! Dray Bosma?’ Vragend wordt mijn naam genoemd.
In een fractie van een milliseconde schieten er tientalle namen door mijn hoofd. Driftig gaan mijn gedachten mijn verleden af. Wie is deze man?
‘Dray, ik ben het. Evert!’
Mijn hersenen zoeken in mijn geschiedenis en al snel is het in mijn bovenkamer senang. Ik hoef niet langer na te denken. Het is Evert. Een oud-collega van meer dan 10 jaar geleden.
‘Hallo Evert,’ zeg ik. ‘Hoe gaat het?’
Evert leunt achterover en gaat er even voor zitten. “Ja, het gaat lekker man! Het leven is goed. Ik heb een goede baan,’ zegt hij. ‘Verdient hartstikke goed!’

Ik bedwing mijn ogen het rollen in de kassen. Weer zo’n type die het belangrijk vind om met de hoge lonen rond te strooien, denk ik. Grappig ook, dat het noemen van het exacte te ontvangen salaris altijd achterwege blijft. Hoogstwaarschijnlijk bang dat ze door een andere aanhoorder overruled worden. Semi-geïnteresseerd kijk ik naar mijn oud-collega terwijl hij doorgaat over zijn goede en geslaagde leven. Geen moment vraagt hij mij hoe het leven is vergaan, maar dat vind ik prima.

Ik luister niet meer naar het eenrichtingsgesprek en denk terug aan de tijd dat Evert mijn collega was. Het verbaast me dat ik me helemaal niet zo veel meer kan herinneren van Evert. Het gesprek sterft een beetje af. Een man met een grijze Inca-muts op zijn hoofd en met open laptop in de handen loopt door de coupé en staat vervolgens bij ons stil.
‘Hoi Evert! Alles goed, man?’ groet de man met in Inca-muts. De man is mij onbekend, maar duidelijk een bekende van Evert.
‘Hey gast. Hier is alles flex,’ zegt mijn oud-collega.
Ik grinnik om de woorden ‘alles flex’ en ik vraag me af of ik ook bij het flex-gebeuren behoor, of betreft het juist de Inca-muts, die zo alles flex is? Evert en zijn gast, die Henry heet, raken in gesprek.

Ik weet niet wanneer ze elkaar voor het laatst hebben gesproken, maar er wordt flink met goede en vette salarissen in het gesprek gestrooid. Het gaat maar door. Zonder bedragen te noemen, natuurlijk. Ik haak langzaam af en kijk quasi-geïnteresseerd naar het scherm van mijn telefoon. Evert en gast zijn nog steeds in gesprek. Ze praten met kernwoorden die ze -ik weet het bijna zeker- in een training op het werk hebben opgestoken, en wanneer de trein later Almere inrijdt ben ik met mijn gedachten bij het avondeten.

Mijn fiets en ik hebben een vreemde relatie. Sinds ik haar in september naar Amsterdam heb verhuisd is het eigenlijk niet meer goedgekomen. Ik merkte het toen mijn fiets me dwarszat door constant haar ketting van de tandwielen te werpen en ook mijn zadel constant doorweekt achterliet. Inmiddels berijd ik haar constant met plastic protectie op het zadel en zorg ik er voor dat wanneer ik de stoep op- of afrijd de pedalen in constante beweging zijn, anders wordt de fietsketting geheid van de tandwielen geworpen.
Ik heb haar nog wel even onder controle, maar het is duidelijk een race tegen de tijd. Door haar opstandig gedrag heb ik haar kettingkast meer dan eens moeten openen, waardoor deze er inmiddels zeer gehavend uitziet. Ik ben van mening dat het de fiets wel enig karakter geeft, maar meer dan eens wordt haar de beschrijving ‘oud barrel’ toegeschreven. Mij doet het niet zoveel, maar ik kan vanzelfsprekend niet spreken voor mijn fiets.
Sinds afgelopen week, toen het zo stormachtig weer was, is haar geplastificeerde canvaskettingkast door de stevige wind kapot gewaaid. Hierdoor werd er bij iedere draaiing van de trappers een kapotte lap van de kettingkast tegen mijn rechtervoet aangeslagen. Om haar voor verdere aftakeling, èn van beschimpingen en bijnamen te behoeden, heb ik met chirurgische precisie die losse lap van het nep-canvas met een kniptangetje verwijderd. Thuis had ik al een kniptang in mijn rugtas gestoken, want met een doorsnee huis-tuin-en-keuken-schaar lukte mij dit eerder niet.
Nu verplaatsen we ons samen weer blij door Amsterdam, van het metrostation naar het werk. En omgekeerd, maar de ketting houd ik nog steeds in de gaten, want een fiets moet je nooit vertrouwen. Mijn fiets heeft, voor je er erg in hebt, zo haar ketting weer van haar tandwielen afgeworpen. Maar vooralsnog gaat ze vreugdevol met mij mee, met haar stoere, gifgroene fietsbel. Voorlopig. We kunnen beiden dan wel in ontkenning leven, maar de mooiste jaren van mijn fiets liggen achter ons. Zo is de rek inmiddels wel uit haar snelbinders en haar twee bandjes staan ook niet meer zo strak als voorheen.

 

Een heel nieuw jaar staat er sinds een paar dagen voor ons klaar. Net als ieder jaar. Meer dan 360 dagen en nog meer kansen zijn ons deel. Ik heb voor mijzelf niet zo veel goede voornemens in het verschiet, want deze uitspraken zie ik meer als ideeën die toch bijna nooit worden uitgevoerd of enorm lang worden volgehouden. Ik doe nu wel sinds een paar dagen, per 1 januari mee met de actie ikpas. Een maand lang doorbrengen zonder alcoholische versnaperingen. Dertig dagen is nog overzichtelijk en een maand zonder wijn, whiskey of bier moet mij toch wel lukken?

Maar met dit ‘goede voornemen’ vind ik het wel genoeg. Ik kan nu wel kwelen dat ik in augustus zo’n 8 kilo minder wil wegen, maar daar kan ik nu niets zinnigs over zeggen. Mijn vader zei over het ver vooruitplannen altijd: ‘Tegen die tijd kan ik wel een geitenkop hebben,’ en zo is het. Pa Bosma was daarin heerlijk nuchter. Nuchter en recht-door-zee. En ongeduldig. Heel ongeduldig. Hij was, zoals ze het in Den Helder zeggen, een rissige man. Druk en gehaast bezig. Wanneer mijn moeder ooit op een ochtend opperde dat een slaapkamer wel nieuw behang kon gebruiken, dan waren de muren van de slaapkamer rond lunchtijd alweer voorzien van een fris behangetje. Zo was Pa Bosma.

Pa Bosma kon niet stilzitten. Ook niet bij het kijken naar vriendschappelijke voetbalwedstrijd bij Studio Sport. Altijd wel door iets kleins. Als kind van een altijd bedrijvige vader weet je niet beter. Als mijn vader thuis even niets te doen had, dan zat hij op zijn volkstuin. Daar heeft hij heel wat uren van zijn leven gesleten. Op zijn tuin was hij in zijn element en kon hij doen wat hij zelf wilde, zonder dat iemand tegen hem zei: ‘Doe eens rustig aan, joh!’ Iedere lente, wanneer de vorst in de grond net verdwenen was, had hij al de hele volkstuin omgespit. Klaar om te zaaien voor een overdadige oogst in het nieuwe jaar.

Ik ben niet zoals mijn Pa Bosma was, maar soms is het niet verkeerd om ‘in de geest van mijn vader’ de zaken meteen aan te pakken en tot uitvoering te brengen. Zo heb ik van de week het voornemen die ik al jaren had, omgezet tot een actie. Het plan om de stad Parijs weer eens te bezoeken. Ik heb het jarenlang uitgesteld. Het boeken van een trip bleef maar uit, er zijn altijd excuses om iets niet te doen. Tot een paar dagen geleden. Aanstaande lente rijd ik samen met Edo naar de hoofdstad van Frankrijk. Een collega van mij (elle est française de Paris) heeft een overzicht beloofd met bezienswaardigheden die de Parijzenaren zelf graag bezoeken. Ik heb er zin in. Ontdekkingsreiziger Abel Tasman zei -geloof ik- ooit eens: ‘Een voornemen is leuk, maar het uitstippelen van een reis is leuker.’?