Tijdens onze bezoek aan Parijs afgelopen weekend viel het me op dat een stad van dit formaat altijd in leven is. Nu was het dit keer wel heel opmerkelijk, omdat ons laatste bezoek aan de Franse hoofdstad in 2010 plaatsvond. Sommige dingen veranderen nooit. Zo blijft de Eiffeltoren een toren aan de Seine. Maar ondanks dat is er intussen wel iets veranderd. Zo is de toren niet zo toegankelijk meer dan voorheen. Het monument is omheind door een glazen wand en is voor haar bezoekers alleen nog toegankelijk om door de beveiligingspoortjes te lopen. Nadat je de inhoud van jas en tas aan de mannen van de beveiliging hebt laten zien.

Het zijn de moderne tijden van de afgelopen negen jaar die de stad hebben veranderd. Het is jammer, je wordt aan de littekens die Parijs heeft opgelopen herinnert. Het dak op Tour Montparnasse is inmiddels ook voorzien van glazen wanden en het gevoel dat je bovenop de 210 meter over Parijs kunt kijken en bovenop de hoge toren staat, wordt door het glas ontnomen. Gelukkig blijven de andere zaken die de hoofdstad bijzonder maken, gelijk. Het metrostelsel onder de stad is nog steeds een prima vervoersmiddel,. Zodra je weer weet hoe het werkt.

Het stadspark Jardin de Luxembourg is ook nog steeds hetzelfde gebleven. De oase van rust. Niet in de zin dat het er rustig is, er zijn altijd mensen in het park. Of ze zitten er heel relaxt in een van de vele stoeltjes langs de vijvers of ze zijn druk met andere activiteiten in het gras en onder de bomen. Het is er vooral genieten. Van de onthaasting en van de mensen die er rondlopen. En dan realiseer je dat het stadspark ook niet helemaal meer is zoals het een paar jaar geleden was.

De oude, kleurrijke Parisiennes lopen niet meer door het stadspark. De diva’s van weleer zijn uitgestorven. Letterlijk. Een decennium geleden paradeerden ze met valse trots en te veel make-up op door het stadspark. Met het opgeheven hoofd, inclusief de gekleurde, scheve kapsels. Op de afgedragen hakjes, in korte rokken en de iets te versleten bontjasjes. Afgelopen weekend heb ik ze niet gezien. De senioren van vandaag lopen in stevige stappers met klittenband. Het haar keurig gekapt in pittige, grijze lokken en de benen gestoken in degelijke pantalons. En dat is hun goed recht, maar toch mis ik de diva’s die binnensmonds in het Frans liepen te mopperen en daarbij het opgemaakte gezicht verscholen achter een te grote zonnebril. De vergane glorie is echt vergaan.

 

Parijs, vijf uur in de ochtend. De zon is nog niet op, maar het belooft een mooie dag te worden. Ik voel me de koning te rijk wanneer ik hardloop over het Place Dauphine, op Île de la Cité in de Seine. Waar de Notre Dame al sinds de twaalfde eeuw ernstig imponerend staat. Verderop, bij de Moulin Rouge, aan de Place Blanche ziet de straat bleek. Een melkboer levert aan supermarkten en de straatvegers, gewapend met hun bezems, zijn druk. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het achttiende arrondissement van Parijs maken de mensen zich op voor weer een nieuwe dag. Travestieten scheren het gezicht glad en de stripteaseuses gaan gekleed over straat. Onderweg naar huis. Gekreukeld beddengoed achterlatend, net als de minnaars. Vermoeid met een glimlach op de mond in de doodse kamertjes, waar een paar uur geleden nog de lust en het leven de boventoon voerde. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Kleine kopjes op schotels zijn gevuld met zwarte koffie en in de cafés worden de glazen na een lange nacht weer schoongepoetst, waarin de koffiekopjes de warme drank afgespiegeld verdampen. In de buurt van boulevard Montparnasse kan je vanaf de hoge gelijknamige toren met gemak het station zien. Het is als een kaal karkas, gelijk de bewoners van Cimetière du Montparnasse. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In de voorsteden staan de forensen op de stations en in het grootse park La Villette ten noordoosten van Parijs wordt door haar bezoekers het spek op een van de grasvelden aangesneden. Nachtelijke bezoekers van de stad zoeken de bus op en de bakkers bakken in hun kleine bakkerijen de befaamde stokbroden voor het ontbijt van de bewoners en bezoekers van de stad. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het zevende arrondissement staan de in beton gegoten ijzeren poten van de Eiffeltoren nog in de schaduw van de omringende gebouwen en ten noorden van deze wereldberoemde toren, in het achtste arrondissement, wordt de Arc de Triomph weer omringt door het uitdijend verkeer. Rij vanaf hier de Champs-Élysées af naar de Place de Concorde, waar de Obelisk fier overeind staat bij het aanbreken van een nieuwe dag. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

De kranten zijn gedrukt en op het trottoir achtergelaten voor haar lezers, de arbeiders hebben voor vandaag huis en haard achtergelaten en lezen bedrukt de krant. De mensen in de stad ontwaken en in de vroege uren voelen ze zich meer geslagen en gekweld. Voor mij is dit het moment om huiswaarts naar mijn hotel te gaan. Daar waar mijn man wacht en ik mijzelf kan zijn. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Het is vijf uur. Ik heb mijn rondje gelopen.

Op het Molenpad bij de Keizersgracht in Amsterdam zie ik tijdens een wandeling door het centrum een klein vrouwtje in een stenen raamkozijn zitten. Het raam is klein en smal met een paar tralies. Het vrouwtje zit voor de tralies en is zelf kleiner, want wanneer ze een normaal postuur heeft gehad, had ze nooit in het kozijn kunnen zitten. Ze zit er met haar armpjes over elkaar en kijkt een beetje nukkig voor zich uit. Dit gegeven, en haar kleine postuur -ze is nog geen 50 centimeter hoog- maakt mij nieuwsgierig, en ik trek de figuurlijke stoute schoenen aan.

‘Goedendag, is er iets aan de hand? U kijkt een beetje sikkeneurig,’ zeg ik met mijn meest vriendelijke stem. Het vrouwtje kijkt boos op. Mijn vriendelijkheid wordt niet door haar gewaardeerd.
‘Zeg! Bemoei jij je even lekker met je eigen zaken,’ bitst ze mij terug en vindt in mijn vriendelijke begroeting de aanleiding tot verder getier. ‘Ik raak een beetje geïrriteerd van het werk dat ik iedere nacht mag doen.’
Het vrouwtje draagt het blonde haar in een staartje en verder draagt ze een strak, lila tenue. Hierop een lichtgroen ponchootje over de schouders en zilveren laarsjes aan de voeten. Maar ze blijkt minder sprookjesachtig dan dat haar kleding mij doet geloven. Ze kijkt me aan alsof ik de oorzaak van al haar leed ben, en nog voordat ik kan vragen wat haar werk zo zwaar maakt, begint ze weer.

‘Iedere nacht mag ik tanden en kiezen van kleine kinderen verzamelen, en in ruil daarvoor krijgen deze tandloze kids een traktatie van hun ouders. Waren de kinderen vroeger nog tevreden met een beetje geld, wordt nu mijn goedheid ondermijnd door de ouders, die buiten proporties denken! Dat varieert van traktaties om mee te pronken tot belachelijk en jaloersmakende cadeaus. Man, ik ben er zó klaar mee.’
Ik kijk haar aan. Ze kijkt boos en gefrustreerd terug. Haar schouders hangen. Alsof ze de strijd al heeft opgegeven. Ik ben slecht in het lezen van lichaamshoudingen, want ze gaat rechtop zitten en tiert verder.

‘Echt, ik zeg het je. Ik ben nu zoveel langer bezig dan wanneer ik alleen muntstuk onder het kussen kan achterlaten. Op deze manier kom ik tijd te kort en iedereen verwacht maar dat ik al het werk in 1 nacht kan doen.’
Ik knik bevestigend en probeer haar een beetje tegemoet te komen. ‘Het lijkt me ook niet echt makkelijk om alles in je eentje te moeten doen.’
Ze kijkt naar me met een blik van “je-bent-niet-goed-bij-je-hoofd”, en ik heb gelijk.
‘Ben je wel goed bij hoofd?’ vraagt ze mij geïrriteerd. ‘Natuurlijk doe ik dit werk niet in mijn eentje. Niemand redt het om in één nacht een paar honderd kinderen te bezoeken. Ik ben toch zeker Sinterklaas niet?’

Ik besluit niets meer te zeggen. Ik heb het idee dat alles wat ik zeg wordt weerlegd met een spraakwaterval, waarbij het beledigen van anderen heel normaal is. Maar mijn zwijgen weerhoudt het kleine vrouwtje niet om door te gaan met schelden.
‘Ik heb er wel 32 muntstukken voor over om bij die idiote ouders al hun tanden en kiezen uit hun bakkes te slaan! Dan heb ik in één vuistslag mijn target gehaald!’
Licht geschrokken van deze agressiviteit, stap ik weg, de Keizersgracht op. Het is een klein vrouwtje, maar de felle boosheid is enorm.

‘Hé,’ roept ze mij na, wanneer ik wegloop. ‘Waar ga je heen? Kom terug!’
Ik negeer haar. Ik heb geen zin meer in de felle vermaning, en het is mijn vrije dag. Die wil ik beter besteden dan naar het luisteren van een verdicht persoon. Na een paar meter heeft ze me bijna ingehaald en haalde ze uit naar een van mijn broekspijpen.
‘Ik zei hé,’  roept ze me na. ‘Waar ga je heen? Ik ben nog niet klaar met jou!’
Wanneer ze een broekspijp te pakken heeft en in mijn benen wilt klimmen, schud ik haar van me af. Ze valt hierbij een paar meter verder op de grond, naast een transformatorzuil, bedekt met opzichtige reclameposters.

Snel staat ze weer op en met haar kleine, graaiende handjes uitgestoken rent ze op me af. Ik recht mijn rug, zet beide voeten stevig op de grond en wanneer het gewelddadige vrouwtje op een meter afstand van mij is, geef ik haar een berekende schop. Met een uitgestoten en schriele schreeuw vliegt ze in een mooie boog richting de gracht en belandt ze met een plons in het water. Ze komt meteen weer bovenwater waarbij het groene ponchootje half over haar gezicht hangt. Ondanks dat ze bijna verdrinkt blijft ze non-stop tekeer te gaan en slaat ze daarbij met haar vuisten op het wateroppervlak. Ik haal mijn schouders op en loop weg. Wanneer ik langs de gracht wandel, richting de Leidsestraat, hoor ik haar nog foeterend tekeer gaan.

De trein staat stil op station Duivendrecht. Enkele reizigers stappen uit en er stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Hij is druk in gesprek met een voor ons onzichtbare gesprekspartner. Mijn ogen blijven gericht op mijn telefoonscherm, maar mijn oren luisteren stiekem mee naar wat de jongen heeft te melden. Hij vertelt enthousiast wat hem vandaag is overkomen. Hij houdt hierbij het witte snoertje van zijn oordopjes met zijn vingertoppen fijngevoelig vast.

Hij heeft vandaag een vertrouwenscursus gehad. Het standaard vertrouwensverhaal wordt verteld. Alle kandidaten op deze cursus moesten zich met het volste vertrouwen achterover laten vallen, in de armen van de andere cursisten. Hij vond het echt fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus. Om te weten of de voor ons onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’ Ik weet het inmiddels ook.

Op een gegeven moment schelt er een hoog aanhoudend gepiep uit zijn oordopjes. Zelfs ik en andere reizigers schrikken ervan. Hij ervaart het zeer waarschijnlijk als een enorme aanslag op zijn gehoor, en geschrokken roept hij wat de fokking hel er aan de hand is. We vernemen even later uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is. De jongen geeft hem het vertrouwelijke advies om bij het koken alles goed voor te bereiden.

‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, klinkt er bijna wijs uit zijn mond. Hij spreekt het uit met een Almeers accent uit. Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft de focus verplaatst naar het kookplaat. Er klinkt luide muziek uit de oortjes. Het zijn hedendaagse, vette en zware beats, waar een man van mijn leeftijd niet op kan dansen zonder verdacht te worden van een epileptische aanval te hebben.

Verveeld draai ik met mijn ogen en mijn gezicht draait naar het raam. Het zicht naar buiten is wazig. Een vette afdruk van een voorhoofd, zeker van een persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten, ontneemt me een helder uitzicht. Door de vetvlek heen zie ik in de verte de skyline van Almere, en even later rijdt de trein het station van Almere Centrum in.

‘Sinds een zomer in mijn jeugd heb ik ontmoetingen gehad met een bijzonder persoon. Onze eerste bijzondere ontmoeting, waarvan niemand het wist, was op het landgoed van vrienden van mijn ouders. Deze vrienden waren de ouders van deze vrouw. Tijdens een van de feesten die iedere zomer werden gegeven. Het was op een zomerfeest dat ik net 17 jaar was geworden dat ik een kaartje vond met hierop mijn naam geschreven. Op de binnenkant stond in een mooi handschrift een geheimzinnige boodschap geschreven.

“Kom in de Tuin en ga onder de Klimop.
Onder de Bladeren. Weg van het Feest.
Kom recht naar de Roos.
Ga door naar de Witte Roos.
Vind Mij.”

Ik wist niet precies wat de boodschap op de kaart inhield, maar ik was wel nieuwsgierig naar de persoon achter de afzender. Op het feest en na de welkomst-toast van de vriend van de familie, verliet ik het gezelschap en liep de tuin in. Op het terras was het nog druk, maar naarmate ik meer de tuin inliep, kwam ik al snel minder gasten tegen. Ik zocht naar een klimop, maar kon deze niet vinden. Er waren geen hagen waarop verder andere begroeiing te vinden was. Ik liep dieper de tuin in, tussen een paar oude bomen, tot de dichte begroeiing om een oude wilg mij opviel.

Nerveus liep ik om de klimop die de oude wilg vanaf de grond tot ruim 2 meter hoog omhelsde. Naast een paar oranje gladiolen zag ik een smalle opening in de klimop. Voorzichtig trok ik de lange klimopslierten aan de kant en ontsloot de opening. Ik bukte voorover en kroop onder het bladerdek door. Het was er zeer lommerrijk en ik moest mijn ogen laten wennen aan het duister. Een lichte helling liep onder de wilg naar beneden. Voorzichtig deed ik een paar stappen naar voren en stond ik even daarna in een doorgang van groen.

De zon scheen met moeite door het dichte bladerdek. Het was er vredig en rustig. Zachtjes hoorde ik een paar vogels zingen. Links van mij leek de doorgang te eindigen. Verderop, rechts van mij, zag ik -zoals het kaartje beloofde, een rozenstruik vol bloeiende witte rozen. Ik liep er heen, en achter de rozenstruik bevond zich een lage opening. Ik moest door mijn knieën om er doorheen te komen. Eenmaal door de opening zag ik, dat ik me in een kleine laar, een natuurlijke tuinkamer tussen de dichte begroeiing, bevond. Ik stond rechtop en stond tegenover mijn convoceer. Zittend op een bankje, verstopt tussen het groen.

Ze keek me verlegen, maar lachend aan en zei met zachte stem: “Ik wist dat je het wel kon vinden. Hier trek ik me graag terug. Het is mijn meest favoriete plek, een perfecte schuilplaats. Ik ben hier dagelijks, ongeacht het weer. Het geeft verkoeling tijdens de hitte en genot wanneer het regent. Soms zit ik hier tijdens onweer en voel ik de verkoeling aan mijn voeten van de grijze tegels in het groen.”
Ik knikte, want ik begreep goed wat ze bedoelde. Ik voelde het overal om me heen. “Weten anderen van deze plek?” vroeg ik  haar.
Ze schudde van niet en zei: “Het is niet makkelijk om dit geheim te delen. Het voelt niet veilig. Kan ik je vertrouwen?”

Ik glimlachte, liep naar haar toe en nam naast haar plaats. We spraken beiden niet. Haar intrigerende ogen spraken voor zich. Ik schoof naar haar toe en zij leunde tegen mij aan. Haar rechterhand in mijn linker. Zo hebben we een hele tijd zwijgend gezeten. Ik streelde langzaam haar hoofd en zij kroop dichter tegen mij aan. Ik voelde haar lichaamswarmte en haar ronde vormen tegen mijn lichaam. Ik voelde me gelukkig. Hier wilde ik altijd blijven. Uiteindelijk gaven we toe aan het lichamelijk verlangen en waren we voor een heel lang moment één.

Deze speciale ontmoetingen hebben we hierna jaarlijks herhaald. Iedere zomer bezochten we elkaar op de bijzondere plek in de tuin. Aan het einde van iedere zomer groeiden we uit elkaar, om het volgende jaar elkaar weer te ontmoeten. We raakten bedreven van elkaar en wisten al onze geheimen. Zo bleven we op de hoogte van wat ons in het leven interesseerde, en ondanks dat we het niet altijd met elkaar eens wilden zijn, waren we één tijdens de bijzondere momenten achter de klimop. Iedere zomer.

Vandaag loop ik weer de tuin in. Ik ga achter de klimop, onder het bladerdek en bij de witte rozen. Ik voel de ijzige kou van de groen, grijze ondergrond en alles is nog steeds overgroeid met klimop. Ik ga niet meer zo makkelijk door de knieën, maar wanneer ik de tuinkamer betreed, verdwijnt de pijn uit de benen bij het zien van het oude, vertrouwde gezicht en de sprekende, intrigerende ogen die mij na al die jaren nog steeds verlegen aankijken. Ik lach naar haar en ik ben gelukkig.’