A Family Affair

Na een weekje vrij te zijn geweest vind ik het altijd spannend om te weten wat je na een (korte) vakantie mag verwachten. Gelukkig viel het me maandagochtend allemaal mee. Mijn collega’s hebben mijn werkzaamheden goed overgenomen, waardoor ik deze week het werk dat ik ruim een week geleden had neergelegd, weer makkelijk kon oppakken. Ik kon weer gewoon aan de slag. Wel was het druk aan werkzaamheden. Ik hoefde me niet te vervelen. In de ochtend werd me gevraagd of ik een nieuwe collega wilde inwerken, in de zin van het uitleggen waar mijn werkgever voor staat en de verdere in & outs van het bedrijf. Dat wilde ik wel. Ik had de tijd, en ik vind het altijd leuk om nieuwe mensen enthousiast te maken.

Na de lunch kwam mijn nieuwe collega, Esther, naast me zitten en begon ik met behulp van het -fantastische- softwarepakket die het bedrijf waarvoor ik werk zelf heeft ontwikkeld, aan mijn uitleg c.q. kleine presentatie. Omdat ze andere werkzaamheden gaat doen dan ikzelf, hoefde ik niet inhoudelijk op mijn eigen bezigheden in te gaan. Naast de zakelijke gesprekken, heb je het natuurlijk ook over de bekende koetjes en kalfjes. Waar kom je vandaan? Kom je op eigen gelegenheid of met openbaar vervoer. Standaard meld ik dat ik met de trein en metro naar het werk kom, omdat de verbinding vanuit Almere prima is. Collega Esther komt dagelijks uit het Gooi en neemt de auto. Hierdoor moet ze wel heel vroeg op pad, anders zit ze haar kostbare tijd op de snelweg te verdoen.

En zo kom je langzaamaan op andere onderwerpen. Oorspronkelijk komt Esther uit het Noorden van het land. Daar sta je alleen stil met je auto wanneer er een brug openstaat. In gedachten kan ik het alleen maar bevestigen. Dat weet ik nog van vroeger wanneer we iedere schoolvakantie in de bus naar Friesland zaten. De langdurige busritten van en naar Sneek werden vaak verlengd door het stilstaan voor een brug. Dan was het vooral bij de sluizen van de Afsluitdijk vaak raak. Ik kan me de warme, lange zomers in Friesland goed herinneren. Als ik dan weer aan mijn huidige woon-werksituatie denk, ben ik blij met mijn treinverbinding. Per uur gaat er 4 keer een trein van Almere naar Amsterdam-Zuid. En vice versa. Heerlijk.

Collega Esther heeft het over Friesland. Ze komt er vandaan en kan, wanneer ze het wilt, ook Frysk praten. Ik zeg dat ik het alleen kan verstaan (in grote delen, dan) en vertel dat mijn familie ook uit Friesland komt. Grappig detail is dat zij dus oorspronkelijk uit Sneek komt. Nou, vrolijkheid alom en andere collega’s kijken een beetje curieus naar ons beiden. Wanneer ze me vertelt dat ze eigenlijk uit een klein gehucht vlakbij Sneek komt, herken ik de naam van het dorp en zeg: ‘Daar heb ik óók familie wonen.’ Het is zo dat mijn neef Tjeerd daar al jaren woont. Collega Esther vraagt me wie mijn familie is, want het dorp is niet groot. Ze moet mijn familie wel kennen. Wanneer ik de naam van mijn neef noem worden haar ogen als schoteltjes zo groot en zegt ze: ‘Dat is mijn vader!’

Achteraf herkende ik mijn achternicht Esther ook wel. Enigszins. Ik heb haar eerder op foto’s gezien op het facebookaccount van haar moeder, maar op het werk leg je die link niet zo snel. Daarbij is het contact met mijn familie in Friesland sinds de jaren 80 van de vorige eeuw niet meer zo regelmatig. Tegenwoordig zijn er niet meer zo veel bruiloften (of begrafenissen), waar je de familieleden nog tegenkomt. Maar wie weet? Wellicht komt daar nu verandering in.

Goede Buren

De buurman stond donderdagavond aan de deur. Ik deed zelf niet open, want ik lag in bad. Een moment van ontsnapping aan de dagelijkse routine. Alleen afgezonderd in het warme water tot jezelf komen. Geen televisie, radio of mobieltje. Wanneer het bad volloopt en de geur van lavendel de badkamer vult, maak ik voor mezelf de keuze: een boek mee of niets anders dan alleen mijn gedachten. Het is voor mij een ultiem meditatiemoment. Donderdagavond koos ik voor een boek. Deel 1 uit de Harry Potter-reeks. Als je dan toch zo nodig van alle realiteit moet ontsnappen …

Edo was beneden en deed de voordeur open. De buurman van een paar huizen verderop stond er met een pak kattenvoer in de handen. ‘Is je kat dood?’ kwam het er bot bij Edo uit. Gelukkig is deze buurman niet de persoon voor over-emotioneel gedrag, en kon hij deze directe vraag zonder tranen beantwoorden. Inderdaad, zijn kat was overleden. Het oude diertje was op. Een klagende Siamees, die vaak jammerend en flanerend in onze achtertuin kwam. Het was een aanwezig beest. Niet alleen door de opvallend helblauwe ogen, maar door het aanhoudende gemekker. Wanneer ik soms te dicht in de buurt van de buurkat kwam leek het vaak 12 uur op de eerste maandag van de maand te zijn.

Dit was deze week al de tweede keer dat er een nabuur aan de voordeur stond. Eerder deze week -toen Edo op zijn beurt in bad zat, belde de Chinese buurvrouw van nummer 57 aan. Ik zat op de bank te Netflixen en schrok op van de deurbel. Het ding rinkelt enorm luid, je verschiet zelfs wanneer je zelf aanbelt. Dus enigszins knorrig van de schrik liep ik naar de voordeur. ‘Wie belt er ‘s-avonds nog aan?’ vroeg ik binnensmonds aan niemand in het bijzonder. Ik deed open en zag eerst niemand staan. Onze Chinese buurvrouw is een kleine mevrouw en daarom zag ik haar eerst niet staan. Vrolijk, zoals ze altijd is, begroette ze me. ‘Goedenavond buu’man! Ik heb boontjes. Wilt u dat hebben?’ In beiden handen hield ze een portie sperzieboontjes op.

Nu is mij geleerd dat je een gegeven paard niet in de mond moet kijken, en wanneer je iets aangeboden krijgt, éérst instemt. Voor je het weet heb je een zekere reputatie en wordt je nooit meer iets aangeboden. Dus eerst ja zeggen. Later kan je het alsnog weggooien. Overigens heb ik dat niet met de aangeboden boontjes gedaan. Ik heb ze zeer vriendelijk in ontvangst genomen. De buurvrouw teelt haar groenten in de voortuin en hierdoor weet ik dat alle groenten die uit haar voortuin komt, 100% biologisch zijn. Na een kort praatje ben ik met een portie bonen weer naar binnengegaan. Heel toepasselijk hebben we gisteren een recept voor Chinese boontjes gebruikt. Genieten. Zo zie je maar weer: een goede buur is beter dan een verre vriend.

De Pisang

Afgelopen weekend was het Amsterdam Pride. Voorheen Gay Pride. Dit, volgens mij, omdat thans iedereen beledigd lijkt te zijn wanneer men denkt buitengesloten, of juist meegenomen wordt in een uitspraak, benoeming of mededeling. Vermoeiend. Het kan natuurlijk ook zijn dat de organisatie een breder publiek voor zich wil trekken. Ik vind het prima. Dit jaar was ik er niet bij. Volgend jaar wel. Mijn afwezigheid vergoelijkte ik met het slappe excuus dat ik dit jaar in april bij de demonstratie tegen de erbarmelijke toestanden in Tsjetsjenië aanwezig was. Smoesjes.

    Een smoes. Onwaar. Het draaien om een feit. Zo hield ik me vroeger voor dat homoseksualiteit niets voor mij was. Jawel. Ik was er 100% van overtuigd dat het een fase van mij was. Vooral na een bezoek aan een COC-avondje in Den Helder. Ik voelde mij daar totaal niet op mijn plaats. Als nieuweling kreeg ik naar mijn mening iets te veel aandacht en anderen gaven mij hierdoor een onwelkom gevoel. Ik vond deze avond vooral truttig. Het kan ermee te maken hebben dat het gezellig samenzijn in een basisschool werd gehouden, waardoor de avond veel van een klassenavond weg had. Mijn verwachtingen waren destijds niet reëel, denk ik.

    Van die avond kan ik me wel een oudere man herinneren. Een man die toen misschien wel jonger was dan ik nu ben. Hij hield een dialoog met zichzelf. Hij zat er niet alleen in hoekje, hij was het middelpunt tussen andere verzamelde jonge gasten. Hij hield een betoog waarbij een weerwoord niet wenselijk was. Hij hanteerde de bananen-theorie. Op afstand, tussen 2 nieuwe homovrienden in, heb ik deze theorie aangehoord. Zijn hypothese was dat mannen zijn te vergelijken met bananen. Wanneer bananen onrijp zijn, zijn ze groen en niet smakelijk. Flauw, zonder enig genot. Het enige voordeel, zo beweerde hij, was dat groene bananen zeer stevig waren.

    Volgens de man en zijn theorie waren de rijpe bananen wel smakelijk. Deze exemplaren waren niet te hard, niet te zacht en vooral zoet van smaak. Het was me duidelijk dat hij een avondje in bed met hem aan de groene banaantjes aan het verkopen was. Ik, als jonge twintiger was overtuigd dat deze man meer iets van een overrijpe banaan had: Papperig, vlekkerig en onwelriekend. De sfeer was bepaald en nadat de hit Daar Gaat Ze die avond voor een 4e keer werd afgespeeld, ben ik vertrokken. Teleurgesteld reed ik op mijn fiets naar huis. Lichtelijk onzeker, ondanks ik allang wist hoe ik in elkaar zat. Ik was gewoon niet eerlijk naar mezelf. Ongeacht het zwaar ontkennen was ik gewoon de pisang.

Kersensmaak

‘Weet je wat ik écht lekker vind?’ hoorde ik in de trein een meisje tegen een jongen zeggen. Zonder te wachten gaf ze zelf het antwoord al. ‘Alles met kersensmaak. Thee, snoep, cola. Alles.’
‘Kersensmaak! Werkelijk?’ reageerde de jongen met wie ze op reis was.
‘Ja, kersensmaak heerlijk. Ik vind kersensmaak eigenlijk nog lekkerder dan kersen zelf.’
‘Nou, ik moet je iets bekennen,’ de jongen klonk enthousiast. ‘Ik ben ook dol op kersensmaak. En wat je zegt, de kunstmatige kersensmaak ik echt veel lekkerder dan de kersen zelf.’
‘Ja, echt? Hoe grappig is dit?’
‘Kapót grappig,’ zuchtte de jongen.
Ze keken elkaar tevreden, breedlachend, aan, en daar bleef het een beetje bij. Beiden vonden kersensmaak lekker. Ze hadden hierdoor een verbintenis.
Het meisje zette haar rugtas op haar schoot en graaide er met een arm doorheen. Ze haalde een zak met winegums tevoorschijn.
‘Wil je ook?’ vroeg ze en keek hem daarbij heel doordringend aan.
‘Is het kersensmaak?’ vroeg de jongen.
‘Nee, het zijn gewone winegums.’
‘Nah, dan hoef ik niet.’
‘Er zijn geen winegums met kersensmaak, denk ik.’
‘Het zou kunnen,’ zei de jongen terug. Het was op een manier dat weet dat hij zijn schouders erbij ophaalde.
Even was het stil in de trein.
‘Toch wel grappig dat we beiden dol op kersensmaak zijn,’ zei ze hoopvol.
‘Inderdaad.’
‘Heb je meer dingen waar je dol op bent?’
‘Wat betreft smaak?’
‘Ja.’
‘Nee, niet echt.’
‘Ik ben verder dol op kauwgum met watermeloensmaak.’
‘Oh, dat lijkt me echt goor,’ zei de jongen ongeïnteresseerd.
‘Och, valt wel mee hoor,’ verdedigde het meisje. Ze wilde nog iets zeggen, maar ze hield haar mond.
Het was weer stil in de trein.
Ik was benieuwd naar de relatie van deze liefhebbers van de kersensmaak. Waren ze studiegenoten? Collega’s van het werk? Buren? Of was hij de trainer van het hockeyteam waar zij iedere week ging hockeyen? Ik vond haar wel het type meisje dat met een hockeystick over het veld rende, maaiend naar een bal. Misschien zaten ze nog in het prille begin van een relatie. Verkering. Wanneer de verliefden nog overeenkomsten moeten ontdekken. Wel, kersensmaak was er een begin van.
‘Grappig hoor,’ zei ze uiteindelijk.
‘Wat?’ vroeg hij.
‘Dat we allebei van kersensmaak houden,’ antwoordde ze.
‘Dat had je al gezegd,’ zei hij lomp.
En het bleef stil in de trein.

Zoete lucht – I

Het is gisteren een week geleden dat ik in de vroege ochtend voor een laatste keer ben gaan hardlopen. Nadien heb ik nog wel hardgelopen, maar niet op een creatieve manier. Ik wilde vorige week op tijd de deur uit, want er was die dag mooi weer voorspeld. Met al hoge temperaturen in de ochtend. Om me zelf niet te veel te kwellen had ik me voorgenomen om voor negen uur te vertrekken. Dan was ik na anderhalf uur weer thuis en hoefde ik ook niet moeilijk te doen met flesjes water voor onderweg. Rond kwart voor negen trok ik de deur achter me dicht om een rondje van 12 kilometer om de Noorderplassen, ten noorden van Almere-Stad, te lopen.

Na een kwartier wist mijn hardloop-app te melden dat ik 3 kilometer achter me had gelaten, en rende ik de woonwijk uit. Ik ging in een lekker tempo via de Von Draisweg richting de Trekvogelweg. Deze weg is ingesloten tussen water, met aan de westzijde de Noorderplassen en aan de oostelijke kant de Hoge Vaart. Een kudde van ongeveer 30 schapen stonden aan de zijkant achter schrikdraad te grazen. Een paar wollen exemplaren keken even op, maar waren niet onder de indruk. In de verte liep een andere hardloper me tegemoet en na een paar minuten bij het passeren begroetten we elkaar, als motorrijders. Met een opgestoken hand.

Met een glimlach op mijn gezicht liep ik richting het noorden, met muziek van Armin van Buuren in mijn oordopjes. Op deze muziek kon ik met gemak een halve marathon lopen, maar dat stond niet in de planning, want daar had ik deze ochtend geen tijd voor. Op een gegeven moment werd ik in mijn trance gestoord door een enorme knal. Ik voelde de druk van een enorme explosie door mijn hele lijf. Ik bleef verschrikt stilstaan. Min oren piepten aanhouden. Ik keek om me heen wat de oorzaak van deze knal moest zijn geweest. Voor mij leek het alsof er ergens een gebouw op een nabijgelegen industrieterrein was ontploft.

Vanachter de drie appartementenflats bij restaurant ‘The Boathouse‘, ten westen van mij zag ik een enorme hoge grote rookpluim ontstaan. Er moest iets ten hoogte van Amsterdam zijn gebeurd, tenminste dat dacht ik. Helaas ben ik niet zo goed in het inschatten van afstanden en mijn gevoel voor topografie is ook niet om naar huis te schrijven. Wel kleurde de lucht boven, waarvan ik dacht dat het Amsterdam was, een vreemde lila en oranje kleur. De hemel leek kunstmatig door een computers te zijn ingekleurd. De gekleurde lucht breidde zich uit, ook richting Almere. Als er een zoet gekleurde deken over ons heen trok.

Mijn lichaam herstelde zich enigszins van de enorme knal en ik besloot weer verder te rennen. Het klinkt nu idioot dat je na zo een grote knal gewoon doorgaat met het leven, maar het is net als bij iedere andere grote explosie of ramp. De impact komt later pas. Wanneer je de verhalen hoort en de beelden op televisie ziet. Daarbij ben ik net zo egoïstisch als ieder ander mens. Je gaat door met de persoonlijke dagelijkse dingen en hardlopen was wat ik op dat moment deed.

Ik rende verder, voorbij de trailerhelling en over de Schateilandbrug. De Trekvogelweg heet na die brug het Trekvogelpad. De reden hiervoor is me onbekend, maar het heeft vast iets te maken met die beroerde bestrating daar. Mijn hardloop-app gaf me door dat ik weer een kilometer verder was. Dat mijn gemiddelde snelheid iets van 5.45 minuten per kilometer was. Niet verwonderlijk, de laatste kilometer had ik stilgestaan. Een groepje jongens speelden bij een aanlegsteiger in het water. Ze riepen iets naar mij, maar Armin van Buuren overstemde het geschreeuw van deze jongens en het had zo kunnen zijn dat ze gewoon schreeuwden bij het spelen. Ik had ook geen zin om naar een paar kids te luisteren. Ik rende in mijn eigen tempo door. Hierdoor zag ik niet dat ze in paniek naar de lucht wezen.

Wordt binnenkort vervolgd..

Boos

Het is nu een paar maanden geleden dat ik met de metro in de omgeving van Rotterdam onderweg ben. Die middag schijnt de zon fel. Alsof die oude ster zich even wilt laten gelden, en dat lukt prima. Dat blijkt wanneer de drie gekoppelde rijtuigen op rij na het metrostation Kralingse Zoom weer bovengronds rijden. Met de zonnebril op mijn gezicht zit ik stilletjes te genieten van de warmte die de zon ons brengt. Bij een volgende station loopt er een scholiere van het type lomp en onbehouwen de metro in. Ik beweer niet breedgeschouderd te zijn, maar toch weet dit lompe wicht mij met een stoot tegen mijn schouders te passeren. Ik denk eerst: een overvolle schooltas. Zo’n hippe rugtas waar de gehele collectie van een kleine dorpsbibliotheek in past. Maar nee, het schoolgaand meisje blijkt heel gewoon enorm corpulent te zijn.

Ze neemt plaats, op enige meters afstand, schuin tegenover mij. Boos kijkt ze de metro in. Het kan niet anders dat haar ouders bang zijn wanneer ze met zo’n gezicht thuiskomt. Vanachter mijn donkere brillenglazen bekijk ik het monsterachtige mensenexemplaar. Hierop ervaar ik een gevoel van afkeer. De vormloze, paarse broek van versleten joggingstof moet maandenlang alleen maar over haar kont en een stoel hebben gehangen. Haar afgedragen sweater ziet er niet beter uit. Het blauw-wit gestreepte exemplaar lijkt uit een hondenmand te zijn geplukt, en het valt spontaan in gaten uit elkaar. Even denk ik dat ze me doorheeft. Dat ik haar observeer. Maar de ontevreden en chagrijnig blik in de ogen kijkt naar haar mobiel. Snel gaan de dikke vingers over het beeldschermpje. Ze houdt de telefoon tegen haar oor, om na een moment met blèrende stem de stilte in het rijtuig te verdrijven.

‘Ik ben boos! Ik ben zó boos!’ Ze luistert heel even of ze een respons krijgt. ‘Op de klas,’ balkt ze in haar mobiel. ‘Echt mega-boos!’
Een oudere vrouw die achter de scholier zit, herbeleeft vol afschuw de Tweede Wereldoorlog. Het was ruim 70 jaar geleden dat ze voor het laatst het luchtalarm in Rotterdam heeft gehoord.
‘Ik was de enige van de klas die stond te wachten bij gymles!’ loeit ze. ‘De hele klas zit in een groepschat en iedereen was op de hoogte van dat de gymles uitviel. En wie stond er als enige voor niks te wachten? Juist ja, ik! Ik ben er helemaal klaar mee,’ schreeuwt ze naar iedereen die het kan horen, en dat zijn alle inzittenden in het rijtuig.

In het fel aanwezig zijn verliest de zon het van de Rotterdamse Bessie Turf en schuilt beschaamd achter een breed wolkendek. In de metro wordt het donker. Toch houd ik mijn zonnebril op. Ik kan me ogen niet van de grote bek en haar zwaarlijvige verschijning houden. Ook iets afschuwelijks fascineert de mens blijkbaar. Het gesprek gaat door. Over dat een klasgenoot haar naar het metrostation heeft gebracht. Teleurgesteld geeft ze toe dat dit wel een aardig gebaar is. Dit laat de boosheid echter niet verdwijnen. Het aanhoudend geklaag verkrijgt een ritme. Een vervelend ritme. De verlossende omroepstem uit de speakers deelt mee dat ik mijn eindbestemming heb bereikt. Ik krijg de opdracht aan de rechterkant uit te stappen. Wanneer ik op het perron sta zoek ik de uitgang en volg ik meegaand de andere reizigers naar de uitgang, de trappen af. Wanneer ik me bij de poortjes uitcheck en naar buiten loop, gaat de zon weer schijnen. Heel scherp.