Uit 1977

Onderweg naar mijn metrostation haal ik hem op de Henk Sneevlietweg in. Hij is een man van middelbare leeftijd. Het pak dat hij draagt heeft ruim de tand des tijds doorstaan. Zijn jasje zit iets te krap en de broekspijpen zijn iets te wijd. Daarbij is de lange broek te kort. Hoog water. Als een kalenderjaar een persoon kan zijn, dan had het jaar 1977 de man gebeld en aan hem gevraagd het pak te retourneren. Voor een moment slaat mijn fantasie op hol. Ik verzin dat de man wel eens een tijdreiziger kan zijn. Eentje die in het verkeerde jaar, 41 jaar te laat, terecht is gekomen. Bij aankomst van mijn metrostation ben ik de tijdreiziger alweer vergeten.

Op het perron mag ik een paar minuten op de metro wachten. Met lichte verwondering kijk ik naar de zomerse kleding van mijn medereizigers. Of eerder het gebrek er aan. Vanuit het werk loopt men tegenwoordig in de stad rond in strand- of zwemkleding. Ik zie meer door inkt gekleurde huid dan kleurrijk textiel. Noem me ouderwets, maar in korte broek en op teenslippers naar je werk gaan, vind ik persoonlijk niet kunnen. Maar het is 2018 en mijn mening zegt alles over mij, dan dat het iets over de bijna blote mensen in Amsterdam zegt. En dan onthoud ik me van enig commentaar over het gebrek aan lichamelijke verzorging en de geur van de mensen.

Om 16:45 uur brengt de metro ons allen in de wagon naar station Amsterdam-Zuid, waar ik mag overstappen naar de trein die me naar Almere brengt. Het voelt bijna als een geluksdag. De trein rijdt het station binnen wanneer ik via de roltrap het perron op stijg. Een zitplaats is al snel gevonden. Ik neem plaats op een klapstoeltje op het balkon van de trein, en ik app naar huis dat ik er aankom. Andere reizigers lopen door naar een zitplaats in de coupé. Eén reiziger loopt niet door en komt op het stoeltje naast mij zitten. Vanuit een ooghoek herken ik de te korte lange broek. Het is de man uit 1977. Ik kijk hem aan en hij kijkt terug.

‘Wat een heerlijk weer is het toch, vind u niet?’ vraagt hij mij.
‘Nou,’ antwoord ik, en ik hoor mijn vader via mijn mond praten. ‘Deze zomer duurt nu al langer dan de zomer van vorig jaar.’
‘Ja. Dat zei ik vanmorgen precies zo tegen mijn vrouw!’
Het laatste woord komt er een beetje geforceerd uit. Schreeuwerig. Ik schrik er zelfs een beetje van. Denkt hij dat ik hem niet wil geloven? Ik kan niet bedenken waarom hij geen vrouw kan hebben getrouwd. Ik kan even geen antwoord geven en val stil. Ondanks het door mij verzonnen mysterie van het pak uit 1977 heb ik de man niets te vragen, en mijn vader houdt ook zijn mond.

D-Day

Het is me niet duidelijk of het de schoorsteenveger is geweest of dat het een vandaal was die -eerder dit jaar- het nodig vond om op het dak van de garage te gaan staan. Dat er uiteindelijk een scheur en een gat in het garagedak door een manspersoon is ontstaan, is een feit. Een onaangename verrassing waar je nooit op voorbereid bent. Lijkt me ook niet logisch. ‘Vandaag maar eens kijken wie er als laatste een gat in ons garagedak heeft getrapt,’ is een vraag die men niet dagelijks stelt.

Maar ineens is het er dan. Heel aanwezig. Een scheur c.q. gat in het dak. Eerst ben je boos, daarna ontmoedigd en uiteindelijk reken je uit wat een reparatie je gaat kosten. Een gat in je dak is niet zo maar te verhelpen met een stukkie dakbedekking. Wanneer je dan de rekensom hebt gedaan ga je denken aan alle leuke dingen die je met zo’n bedrag kunt doen, en heel even reken je het bedrag terug naar de Nederlandse gulden. Een lichte infarct is het gevolg.

Je troost jezelf met de gedachte dat je blij mag zijn dat je het bedrag voor een reparatie kunt uitgeven, terwijl het duiveltje op de andere schouder je influistert dat je ook een luxe vakantie had kunnen boeken. Het is niet anders. Het dak moet worden hersteld naar originele staat. Je vraagt een paar offertes aan en besluit uiteindelijk voor een aannemer te kiezen die de opdracht mag uitvoeren. Hierna volgt de klus om de garage te ontdoen van inhoud, want een ingrijpende dakreparatie houdt in dat het hele dak er af moet.

Zo ben je op je vrije zaterdag een paar uur druk met het uitruimen van de garage, en ben je verrast van alle troep die je in de loop van jaren hebt verzameld. Gelukkig is het zomer en is het deze maanden ook echt zomers weer geweest, waardoor de troep -weliswaar onder een zeiltje- droog kan blijven staan. De katten in de buurt vinden het allemaal heel interessant, want die lopen constant door onze verzameling. Vooral de tuinkussens worden uitgebreid getest. De kattenharen zijn het bewijs.

Dan is eindelijk die dag aangekomen. D-Day. Dak-dag. De mannen trekken ‘s-ochtends in no-time het dak eraf, om daarna het dak weer op te bouwen. Het is warm deze dag en de stoere mannen ontdoen zich van onnodige kleding waardoor ze met ontbloot, gespierd en getatoeëerd bovenlijf aan het werk zijn. Dit beeld is een buurvrouw van een paar huizen verderop niet ontgaan. Ze komt zeer zomers gekleed aan met ijsjes voor de mannen, om later nogmaals met koude drankjes langs te komen.

De mannen accepteren de koude traktaties. Wanneer de buurvrouw weg is worden er een paar seksistische machograpjes gemaakt. Het is iets waar deze, voor ons onbekende, buurvrouw zeer waarschijnlijk op had gehoopt. Het is duidelijk: de beweging die #metoo heeft losgemaakt is haar helemaal voorbijgegaan. Ondanks de hitte werken de mannen stug door, en aan het einde van de dag is alles gedaan. De buurvrouw kreeg haar aandacht, de mannen de vergoeding voor hun werk en wij zijn trotse eigenaars van een nieuw garagedak.

Kleinhartige Killer

De afgelopen week heeft het niet veel geregend. Dat is helemaal niet zo erg. Dat wordt naast het dagelijks genieten van het droge weer, ‘s-avonds de tuin besproeien. Daar knapt het groen van op. Onze poezen daarentegen vinden dat maar niets. Plaatselijke regenbuien die vanaf de grond spetteren. De katten mekkeren, maar dat gezeur laat me niet weerhouden van achtertuingespetter.

Van de week lag ik in de avond op de bank. Een beetje bankhangen met een opengeslagen boek voor mijn neus, toen Harpo zich bij mij meldde. Hij is een zwarte, uit de kluiten gewassen je-weet-wel-kater, met een aparte vacht die wellicht het meest doet lijken op het stekelige haar van Barbabob. De tuin was gesproeid en Harpo had iets te klagen. Dat mag, ik luister toch niet naar kattengeklaag.

Ik moet bekennen, Harpo is een aparte kat. Als je hem voor het eerst ziet lijkt hij een grote gevaarlijke kater met zijn beschadigde linkeroor. Zeer waarschijnlijk tijdens een gevecht ontstaan. Maar dat maakt hem nog geen stoere kat. Zijn bekje staat altijd wel een beetje open en daarbij kijkt hij altijd een beetje afwezig. Dat er heel soms er een druppel kwijl uit zijn bekje valt, geeft het hem eerder een sukkelig uiterlijk.

Zo zit hij van de week naast mij op de bank. Zijn koppie dicht bij de mijne. Hij kijkt me aan (zo lijkt het) en dan komt er een idioot hoog geklaag uit. Het past totaal niet bij zijn grote postuur. Alsof hij aan het heliumgas heeft gezeten. Zijn gemiauw is te vergelijken met de stemmen van Betty Boop en Mickey Mouse. Dat maakt hem bijzonder. Een stoere kat, maar toch ook weer helemaal niet.

‘Een sukkel eerste klas,’ hoor ik u zeggen? Dat is niet helemaal waar. Misschien in de ogen van de mens, maar vanuit de beleving van een veldmuis is het een monster. Een wreedaard, waar Godzilla nog iets van kan leren. De grootste hobby van Harpo is op muizenjacht gaan. Hij doet het graag, en vaak. Dat kan ook prima met het grote grasveld voor ons huis. Gisteravond vrat hij 2 veldmuizen op. Binnen 15 minuten. Dat is toch best stoer? Mij ziet u het niet doen.

Onaardigheden

Waar ik mijn hele leven altijd heb gedacht dat ik wel een aardig persoon ben, raak ik er de laatste tijd steeds meer van overtuigd dat het waarschijnlijk niet zo is. Ondanks dat ik de laatste jaren glimlachend door het leven ga (van fronzen krijg je rimpels, en ja, ik ben hier te laat mee begonnen) maakt dat niet altijd alle mensen blij. Dat geeft niets. Er zijn veel mensen die mij niet blij maken, maar daar heb ik het wel eens een andere keer over. Ik maak de mensen niet blij. Het zij zo.

Een maand geleden haalde ik dankzij een kort sprintje op station Amsterdam-Zuid nog net de trein naar thuis. De conducteur floot zijn fluit op het moment dat ik de trein in schoot. Zwaar ademend liep ik de coupé in op zoek naar een zitplaats. Er was nog plaats bij een meisje en een oudere vrouw. Ik ging zitten en het meisje keek mij heel teleurgesteld aan. Met een trillend stemmetje zei ze dat ze deze plek, waar ik zat, voor haar zusje en haar vader was.

Met een ‘In de trein hebben we geen gereserveerde plaatsen,’ bleef ik zitten. Het meisje liep weg en de mensen in de coupe keken mij aan. De oudere vrouw schuin tegenover mij mompelde mij het woord flauw toe. ‘Hoezo flauw,’ vroeg ik haar. ‘Ik heb net zo veel recht op een zitplaats als iedereen.’ De vrouw viel in de herhaling, ze mompelde mij hetzelfde woord toe en verschool zich achter haar e-reader. Van het meisje, haar zus en vader heb ik trouwens niets meer vernomen.

Diezelfde week reageerde ik op social media op een tweet met de opmerking dat de term homohuwelijk  inmiddels achterhaald is. Het is een huwelijk, ongeacht wie er trouwt. Ik antwoordde bevestigend met een vergelijking van andere huwelijken die juist niet specifiek benoemd worden. Ik sprak over een gehandicaptenhuwelijk en een moslimhuwelijk, maar ook over een huwelijk waarbij ik, zonder na te denken, het n-woord heb gebruikt. Hierop werd mij door een andere twittergebruiker de titel racist toebedeeld.

Mijn uitleg dat men mijn woorden uit de context haalde, werd juist als de superioriteit van een typisch blanke man gezien. Dat vond ik zelf dan een beetje racistisch, maar enige verdere uitleg van mij kwam gewoon niet goed over. De vrouw was zeer stellig. Ik wilde haar graag overtuigen omdat ik mezelf helemaal niet als racist zie, maar toen er meerdere twitteraars ook tegen mijn ageerden, haakte ik af. Dit was iets dan ik niet kon, en ook niet meer wilde winnen.

Zo blijkt maar weer dat je onbedoeld toch als een onaardig persoon kan worden ervaren. Zo bleek van de week op Amsterdam-Zuid. Vanuit het werk was het weer een uitdaging om mijn verbinding naar Almere te halen. Vanuit de metro moest ik versneld naar perron 1 lopen. Tijdens deze spits was er een mevrouw met een beker koffie in de linker- en een koffer op wieltjes in de rechterhand, die hierdoor de toegang tot de roltrap belemmerde. Licht geïrriteerd glipte ik langs haar.

De mevrouw met koffie en koffer schrok hiervan en tetterde verwijtend dat ik haar aan de kant duwde. Een paar treden hoger hield ik mijn pas in (ik zag dat mijn trein er nog niet was), en zei haar dat er veel dingen zijn die ik niet doe, en het aan de kant duwen van mensen hoort daar zeker bij. ‘Laten we vooral normaal met elkaar omgaan,’ zei ik voordat ik het perron op steeg. Mevrouw met koffie en koffer zocht schetterend bijval van medereizigers, maar mijn aandacht had ze niet meer.

Hierbij biecht ik het dan maar op. Ik ben een onaardig persoon. Ik steel de zitplaats van jonge meisjes in de trein, ik gebruik foute woorden die nu niet meer kunnen en ik geef mensen het idee dat ik hen aan de kant zet. Al deze handelingen waren geen opzet. Ik vind mezelf nog steeds de knul van een toen, die denkt vriendelijk naar anderen te zijn. Ondanks dat ben ben ik toch een zeer onsympathieke man. Juist wanneer ik geen rekening houd met de ervaring van anderen. Het is iets waarmee ik moet leren leven.