Afgelopen woensdag is mijn zus Gré overleden. 14 weken nadat haar geliefde man Hans is overleden, is ze nu weer met hem herenigd. 

Donderdagochtend.
Ik zit in de trein naar Den Helder, onderweg naar mijn moeder. Gistermiddag hebben we haar moeten vertellen dat haar oudste dochter is overleden. Ondanks de lange levenservaring, is het verdriet wat een moeder mag verwerken soms ondraaglijk. In de trein is het rustig en onderweg naar het Noorden schieten mij meer de herinneringen aan vroeger, dan het Noord-Hollandse landschap aan mij voorbij. In bijna al die herinneringen is mijn zus aanwezig.

Bij mijn moeder thuis aangekomen is zij nog emotioneel van het bericht dat haar de vorige middag is gebracht. Ik kan het me ook niet anders voorstellen. Ze zegt dat ze het bijna niet kan bevatten. ‘Vorige week zat ze hier nog tegenover me aan tafel,’ zegt ze bijna ieder half uur tegen me. Mijn moeder is 88 jaar en af en toe vergeetachtig, maar het bericht heeft haar ontdaan. Ze ziet op tegen de uitvaart, die aanstaande maandag plaatsvindt. Ik weet wat ze bedoelt, ik ben het met haar eens.

Donderdagmiddag.
Een klasgenootje van de basisschool, Brigitte, komt mijn moeder eten brengen. Zij en ik hebben elkaar bijna 40 jaar niet gesproken. Herinneringen zijn weer aan de orde. Nadat zij is weggegaan, leen ik de fiets van mijn neef Dennis en ga voor een klein rondje over de dijk. Ik heb behoefte aan de frisse, zilte zeelucht. Het weer werkt niet mee, het is druilerig regenachtig. Alsof de wereld er vandaag ook even geen zin in heeft. Ik rij door mijn oude straat en naar de woning waar ik met Edo in 1994 ging samenwonen.

Vandaag geniet ik van de nostalgische momenten. Deze middag mag het. Nadat ik bijna de gehele dijk rond Den Helder heb afgefietst rij ik bij bij de Donkere Duinen weer een woonwijk in. Ik had al lichtelijk besloten een laatste keer mijn zus te bezoeken en ik twijfel even wanneer ik het drukke parkeerterrein bij het uitvaartcentrum zie. Ik ben in korte broek en loop op mijn oude hardloopschoenen, maar ik denk: bekijk het maar, en parkeer de fiets. Even later loop ik met de medewerkster van het Oleahof mee naar de kamer waar Gré ligt.

Mijn zus ligt er vredig bij. We houden een kort praatje. Vanzelfsprekend zegt ze niets terug. In mijn hoofd wel, overigens. Ik vertel haar dat van veel van mijn eerste herinneringen zij vaak onderdeel was, en ik dank haar voor een laatste keer voor alles dat ze mij heeft geleerd. Vooral ook voor dat ze mij lang geleden op de trap van ons ouderlijk huis mij mijn veters heeft leren strikken. En dat is toch wel iets waarvan ik tot op de dag van vandaag nog iets aan heb.

Maandagochtend is het allerlaatste afscheid van mijn zus, maar deze donderdag is een persoonlijke afscheid tussen ons tweeën. Wanneer ik na een laatste groet even later weer naar buiten stap en naar de fiets loop, schijnt vandaag voor het eerst de zon. Het verzacht voor heel even mijn verdriet.

img_5733

De afgelopen tijd leek het bij ons thuis wel een distributiecentrum. Of een expeditie-ruimte. Ik weet niet precies hoe je het noemt wanneer er constant iets aan de deur wordt geleverd. In ieder geval werden we deze dagen bijna goede kennissen met de bezorgers van Post.nl.

De reden hiervoor is dat in onze jarenlange huishouding, na een flinke periode de diverse apparaten de figuurlijke geest gaven. Zo hield de weegschaal ons vorige week constant voor de gek door ons te melden dat we iets meer dan 10 kilo zwaarder wogen dan normaal. Nu begrijp ik dat je in de vrije zomerweken iets meer kan wegen. Doordat je het niet zo nauw neemt met het aantal calorieën, maar zoveel kilo zwaarder, van de een op andere dag is wel heel veel. Tijd om de oude leugenaar richting de vuilcontainer te verhuizen en in te wisselen voor een nieuwe, eerlijke weegschaal. Hoewel het nieuwe exemplaar ook niet helemaal eerlijk is. Maar dat kan ook aan mijn eigen ontkenning liggen.

Naast de personenweegschaal raakte ook ons strijkijzer vermoeid. Het apparaat was niet echt heet meer te krijgen. Het wegstrijken van de ongewenste plooien en kreukels uit de kleding kostte wel heel veel tijd, daarnaast was de strijkplank ook niet meer zo fris, en ook van het formaat dat er niet zo maar een nieuwe bekleding overheen getrokken kon worden, dus ook hiervoor moest vervanging komen. Nu hebben we inmiddels een nieuwe plank ontvangen en een stoomstrijkijzer. Zo’n strijkexemplaar met een waterreservoir, die blíjft stomen. Ik weet nu nog niet of ik dat zo prettig vind, maar dat weet ik wel op het moment wanneer het vel van mijn arm wordt afgestoomd. Maar dat zal wel meevallen, want zo onhandig stel ik mezelf niet voor.

Hoewel ik blij ben met de nieuwe aanschaf, kijk ik een beetje angstvallig om mij heen naar de andere apparaten die al aanwezig zijn sinds de intrek van ons huis in maart 2002. De vaatwasser hebben we eerder dit jaar mogen inruilen voor een nieuw exemplaar welke wel een programma afwerkt en de vaat droogt. De koelkast in de keuken houdt zich voorlopig nog wel koel, daar maak ik me niet druk over. Het fornuis toont wel een paar ouderdomseigenaardigheden, maar zolang het eten nog warm genoeg wordt blijven deze apparaten in gebruik. Daarnaast hebben we nog altijd thuisbezorgd-punt-nl.

Alleen thuis, aan het eind van de ochtend, had ik twee eieren voor mezelf geroerd. ‘Dat zal me een zorg wezen,’ zegt u nu. Maar geduld, want bij het lezen van De Da Vinci Code moet u ook eerst door half Europa reizen om te weten wat het wachtwoord is om de cryptex van Robert Langdon te kunnen openen. Ik had twee eieren geroerd en zou ze net gaan opeten, toen de telefoon ging.
Nadat ik ‘hallo’ had geroepen, vroeg een damesstem: ‘Met wie spreek ik eigenlijk?’
Veel mensen doen dat. Ze vallen telefonisch midden in je roereieren, en vertellen hun naam niet, maar vragen wel op hoge toon wie jij eigenlijk bent. Een beetje knorrig zei ik hoe ik heette en vroeg: ‘En wie is u dan?
‘Ja,’ vervolgde ze,’ die mevrouw Monique, die naast jou om de hoek woont, die grote blonde, jij weet wel, die is niet thuis.’ Ze zei het op een manier of ik het mens op straat had gezet.
‘Nou- en?’ vroeg ik.
‘Ik heb een boodschap voor d’r.’
‘Dan moet je haar opbellen,’ zei ik.
‘Dat kan niet, want ik vlieg vanmiddag voor de zomer naar Kreta,’ antwoordde ze triomfantelijk.
Uit de verte zag ik mijn bordje met roereieren en dacht: wat kan mij nou schelen dat een wilde-vreemde naar Kopenhagen gaat? Ik bedwong de spontane neiging deze verbinding te verbreken en vroeg: ‘Wat moet ik dan?
‘Vanavond even de boodschap aan haar overbrengen. Zeg maar van Ans.’ Het kraakte ergens in de slagaderen van het telefoonwezen. Later sprak de stem: ‘Hallo … is u daar nog? Mevrouw Blaaswinkel geeft niet thuis, ziet u, en ik vlieg vanmiddag nog voor de zomer naar Kreta, dus ik zou u willen vragen of u een boodsch… ‘
‘Ja-haaa,’ brulde ik.
‘Ah! Nu kan ik u weer goed verstaan,’ zei ze. ‘Ik ben naaister, weet u, en ik help haar met een jurkje die ze aan het maken is en die ze deze zomer aan wil. Als u nu alleen maar aan haar wil zeggen dat ze de bustenaad moet inknippen tot aan het afgetekende spietje.’
‘Versta ik: afgetekend spietje?’ vroeg ik.
‘Ja, dat is goed. Spietje. Maar weet u wat het is? ze kan ook gerust ruimte nemen. Laat mevrouw dat maar naar eigen smaak doen. Het is trouwens erg gemakkelijk voor haar, want ik heb het de laatste keer nog opgespeld en doorgeraderd. Als ze alleen het heupstukje maar een halve plooidiepte geeft en de onderkant goed bijtrekt, dan kan er niets gebeuren. De kloklijn heb ik namelijk zelf al voor haar gedaan, ziet u?’
En na een lichte aarzeling: ‘Uw vrouw is zeker niet thuis.’
‘Nee.’
Ik pretendeer niet dat ik het verhaal van de naaister zorgvuldig heb weergegeven. Ik heb wel eens vergaderingen en meetings genotuleerd, en ik kan best wel het een en ander goed onthouden, maar dit verhaal was voor mij niet echt samenhangend.
‘En zegt u dan ook nog even tegen de buurvrouw dat ze er vooral een tegenbelegje van vier centimeter aanknipt is, want dat wordt zo makkelijk over’ t hoofd gezien.’
‘Ik zal het doen,’ beloofde ik.
‘Dag meneer.’
‘Goede reis,’ heb ik nog geroepen.
Tegen buurvrouw Monique heb ik ‘s-avond gemeld dat de naaister heeft gebeld met de mededeling of ze zelf de jurk wilt afmaken.
‘Ik zal dit doen,’ zei de buurvrouw.
Nu hoop ik wel dat ze straks het tegenbelegje niet vergeet.


vrij bewerkt naar een Kronkel van Simon Carmiggelt.

Zo’n 40 jaar geleden, toen ik nog in Den Helder bij mijn ouders thuis woonde, was ik altijd gefascineerd door verhalen die ons eventueel in de toekomst stonden te wachten. Ik kan me nog een verhaal dat we op de basisschool van een leraar kregen te horen, herinneren, dat we in de toekomst niet meer met geld gingen betalen, maar met plastic pasjes. Dit heeft zich inmiddels vertaald naar het pinnen aan de kassa. Dat het zo zou gaan kon ik toen nog niet weten, maar het idee dat het anders zou gaan vond ik toen reuze interessant. Nu is het alledaags.

Zo werd in 1982 door middel van een klein artikel in een weekblad de compact disc in mijn leven geïntroduceerd, die dat jaar op de markt werd gebracht. In het artikel werd wel even gesuggereerd dat de cd de vinyl platen zouden verjagen. Dat idee leek me zeer onwaarschijnlijk. Tegenwoordig luister ik naar mijn muziek via wifi. Met mijn mobiele telefoon kan ik via de draadloze speakers overal in huis naar muziek luisteren. Oké, mijn liefde voor de oude platen is nooit echt weggegaan. Wanneer ik muziek aanschaf zijn het vinyl langspeelplaten.

Volgende maand is het 50 jaar geleden dat de mens de eerste stap op de maan zette. Deze vlucht van Apollo 11 deed men met behulp van de Apollo Guidance Computer (AGC). In vergelijking met mijn mobiele telefoon, heeft mijn iPhoneX zo’n 750.000 meer RAM-geheugen en heeft het 4 miljoen meer opslagruimte. Daarbij woog de ACG net zoveel als 217 iPhones bij elkaar. Waarom we inmiddels nog niet op meerdere en verdere planeten zijn geweest, is mij een raadsel. Je moet niet overal een antwoord op willen weten.

En zo gaat het door. De toekomst wacht op niemand. De compact disc uit de toekomst van de jaren 80, is inmiddels ingehaald door de mp3, die inmiddels alweer een tijdje is verdrongen door het digitaal streamen van muziek. Het zelfde geldt overigens ook voor de videobanden en dvd’s. We streamen vandaag de dag alles vloeiend via wifi naar onze afspelers. Daarnaast leerde ik een paar dagen geleden voor het eerst te betalen via gezichtsherkenning op mijn mobiele telefoon.

Er is al een tijdje een mobiele betalingsdienst ontworpen door Apple () waarmee gebruikers in Nederland kunnen betalen met o.a. hun iPhone, dat gekoppeld is aan een rekeningnummer van de ING. Apple Pay, zoals deze dienst heet, vereist geen speciale betaalautomaten, maar werkt op alle bestaande betaalterminals die contactloos betalen ondersteunen. Deze week was dit nog hartstikke opwindende en nieuw voor mij, maar ik durf te wedden dat ik over anderhalve week de toekomst ben ingestapt en ik niet meer anders wil.

Al jaren jeremieer ik er over. Over de activiteit die in Nederland uitsterft. Het betreft een passieve activiteit, waarvoor niemand moeite voor hoeft te doen, en toch kost het ons te veel moeite om te doen. Ik heb het over wachten. Het wachten is in Nederland (en de rest van de westerse wereld?) iets van vroeger. Waar vroeger nog speciaal vertrekken werden gecreëerd voor het wachten, kan men tegenwoordig online een afspraak maken zodat er bij de huisartsenpost of het gemeentehuis niet meer in een wachtkamer gezeten hoeft te worden. Meteen doorlopen naar de behandelend arts of de baliemedewerker (m/v) van burgerzaken. Snel en makkelijk.

We willen niet meer wachten en ik zie dat het overal gebeurt. Het niet wachten. Automobilisten die bij het afslaan de voetgangers op het zebrapad omver rijden. Laatst reed ik op de fiets, waarbij ikzelf op een kruising van rechts kwam en ik reed op een voorrangsweg. In principe had ik dus tot twee keer toe voorrang. Een vrouw, ouder dan ik, dus van over-gemiddelde leeftijd, stak toch vlak voor mijn voorwiel snel fietsend over. Ze wist dat ze fout was, maar had blijkbaar geen zin om te wachten. Ze keek me heel even pardonnerend aan, maar trapte toch stevig door. Bitch.

Het is niet meer bij te houden hoe vaak ik aan de kant ben gesprongen voor voetgangers en fietsers die mij niet willen zien. Gewoon omdat men het geduld niet meer heeft om even te wachten. Alles moet snel. Wanneer ik met het openbaar vervoer reis, kan ik bijna de trein of de metro niet uitkomen, omdat andere reiziger mij bijna omver lopen, die niet kunnen wachten om een zitplaats te bemachtigen. Het is ook niet wonderlijk dat hierdoor het openbaar vervoer steeds vaker met vertragingen te maken heeft, en een vertraging, daar heeft iedereen een hekel aan, want dan moet je weer langer wachten..

Toch is er bij mij nog de hoop dat er binnenkort iemand niet meer gehaast door het leven wil gaan en daarmee ook andere mensen het inzicht geeft dat het helemaal niet erg is om te wachten. Misschien dat het binnenkort een hype of een trend wordt om zo lang mogelijk geduldig te zijn. Hoe zal de wereld er dan uitzien? Iedereen is dan heel relaxt en gaat gemoedelijk met elkaar om? Ik kan haast niet wachten!

Iedereen kent wel een persoon die de mooiste en sterkste verhalen kan vertellen. Zo had ik vroeger een buurman die schitterend en in detail je dingen kon doen laten geloven. Of deze verhalen waar waren, daar moest je dan zelf maar achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog wel helder bij. De ouders van oudtante Boukje hadden vroeger een kroeg in Den Helder. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf, maar ook die van haar vader en moeder maken.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen, bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk, moest Boukje een paar eieren voor hen klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader de eerste keer gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had Boukje pas later begrepen. Omdat vader en moeder het lekker vonden deed Boukje ook een scheut uit het vaatje bij haar eigen eitjes. Oudtante verklaarde later: ‘Ik was acht jaar oud en ik kwam elke ochtend dronken in de klas.’ Hierbij keek ze iedereen die het lachende aanhoorde ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude en eenzame man die ze in haar café leerde kennen. Het was telkens een andere vent, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg Boukje een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was de treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Haar laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder enige twijfel vriendelijk voor haar zijn.

Het is over en voorbij. De relatie tussen mijn fiets en ik. Het ging de laatste maanden al niet meer zo lekker, toen ze een laatste keer weer eens haar ketting afwierp. Ik heb haar toen bij het metrostation achtergelaten. Weken, misschien wel maanden, ben ik haar voorbijgelopen, zonder haar een blik waardig te gunnen.

Afgelopen woensdag zag ik haar ‘s-ochtends tegen een tweetal andere fietsen staan, als een bundeltje fietsen, en dacht nog: ze staat er niet alleen bij. Een dag later heb ik mijn fiets niet meer zien staan. Vrijdag wist ik het zeker. Ze is gedeporteerd naar een plek waar alle andere achtergelaten fietsen van Amsterdam verzameld worden.

De zorgeloze jaren van plezier kwamen al in december 2014 ten einde toen een autobestuurder in Almere tegen haar aanreed. Gelukkig kon ikzelf vlak voor de klap van mijn zadel springen, maar de linkertrapper van mijn fiets heeft nooit meer soepel gedraaid. Dit heeft haar waarschijnlijk tot diep in het frame geraakt.

Deze klap heeft haar karakter veranderd. Dit uitte zich in meerdere lekke banden en het afwerpen van de fietsketting. Ze had er geen zin meer in. De fietsbel rinkelde op het laatst niet meer. Deze heb ik moeten vervangen. Het was voor mijn fiets vermoedelijk als een pleister op een slagaderlijke bloeding.

De verhuizing naar Amsterdam heeft het ook niet goed gedaan. Geen beschutting van de schuur meer en dit liet ze mij weten door het zadel constant nat te houden na een regenbui. Soms dacht ik dat ze er nog wel zin in had, maar zodra ik van een stoep afreed, wierp ze roekeloos haar ketting van de tandwielen. Maar ze heeft nu rust op een nieuwe plek in Amsterdam.

Ik weet niet waar dit terrein is, maar ik hoop dat ze het er naar haar zin heeft en wanneer ze geen fiets meer is, wens ik dat ze wordt gerecycled. Misschien wordt ze een speeltoestel voor op een kinderspeelplaats ergens in Nederland. Ze hoeft zich dan niet meer als een oud barrel te gedragen en zich niet meer druk te maken over een fietsbel, het zadel of de spanning in haar luchtbanden.

 

Wanneer u nu, op deze Koningsdag van 2019, naar buiten kijkt, geeft het niet het vermoeden dat we een week geleden, met Pasen, heerlijk zomerachtig weer hebben gehad. Even leek het erop dat deze zomer, net als vorig jaar in april ging beginnen, maar het mag niet zo zijn. Maar wie weet! Over een paar dagen kan het alweer mooi en zomerachtig weer zijn. We moeten de meteorologen goed in de gaten houden.

Het was wel weer even wennen, dat mooie weer. En dan vooral het wennen aan de Nederlanders en hun rare zomerrituelen. Alsof sommige mensen er op zaten te wachten. De completer zomergarderobe wordt tevoorschijn gehaald. Bij de eerste zonnestralen worden de benen meteen in shorts gestoken. De shirts worden mouwloos gedragen en de slippers worden aan tenen gehaakt.

Dat is voor mij een nadeel van het onverwachte mooie weer. Ik zie ongevraagd de onbedekte lichaamsdelen, die ik gewoon bedekt wil zien. Daarvoor is tenslotte de mode  uitgevonden. Bedek de armen, benen en vooral voeten met een leuk, trendy tenue. Ik kan me voorstellen dat wanneer je honderden euro’s hebt besteed aan een mooie tatoeage, je dit wilt delen, maar voor mij hoeft het niet.

Zo was ik van de week verbaasd over een lelijke tatoeage van een mevrouw in de metro. Ik kon niet wijs worden over de afbeelding die in haar onderarm was geprikt. Het leek op een grote blauwe plek en toen ik zo onopvallend mogelijk de moeite nam om de afbeelding beter te bekijken bleek het ook daadwerkelijk een blauwe plek te zijn.

Nu ben ik hoe dan ook niet de persoon die mensen aanspreekt op een tatoeage, zo van: ‘Nou, dat is wel een heel mooi plaatje dat je daar hebt laten prikken.’ Ik bewonder, of verafschuw de tatoeages die ik bij de mensen zie in stilte. Dit heb ik ook zo’n beetje met blauwe plekken. Daar spreek ik de mensen ook niet op aan.

Ik ben dan toch een beetje bang voor het antwoord, want een mooi verhaal over een grote blauwe plek zal het niet worden. Het zal misschien veroorzaakt zijn door een ongelukkige val, maar eerder nog is er een gewelddadige klap geïncasseerd, en daarom heb ik van de week de mevrouw in de metro toch maar niet aangesproken. Stel je voor dat zij daar niet van gediend was, en dat ze zelf losse handjes heeft, dan had ik nu ook met een blauwe plek Koningsdag mogen vieren.

Door een gebroken bovenleiding reden er dinsdagochtend bijna, tot geen treinen. Ik had die ochtend al vroeg op mijn app gezien dat mijn eigen treinreis kwam te vervallen. Daarom besloot ik een trein eerder te nemen. Snel tandenpoetsen en de deur uit. Op het station aangekomen merkte ik dat alle geplande treinreizen waren vertraagd of waren komen te vervallen. Het aantal mensen op het perron was veel. Het aantal emoties nog meer.

Veel gestrande reizigers kreunden, steunden, mopperden en vloekten. Ik baal ook van vertragingen, maar ik weiger om er chagrijnig van te worden. Het voegt niets toe en het lost ook niets op. Ik hoorde een paar mensen op samenzwerende toon zeggen dat er pas weer na 11:00 uur treinen gingen rijden. Welke memo heb ik niet ontvangen, vroeg ik mezelf af, en overwoog een misschien halve dag vrij te nemen. Deze gedachte liet ik varen toen er tot ieders verrassing een trein het station inreed.

Ik besloot, net als de rest van de meute, om ook in deze trein te stappen. In een overvolle trein (ik zag, ik rook, ik proefde, ik hoorde èn ik voelde de diverse aura’s van mijn medereizigers) en met een omweg van 2 uur, kwam ik laat op mijn werk aan. Het viel me mee, ik was maar een half uurtje te laat. Dat is dan weer het voordeel van vroeg van huis gaan, en ik zei tegen mezelf dat het zo best wel was meegevallen.

Gistermiddag stond ik op station Amsterdam-Zuid te wachten. Door werkzaamheden aan het spoor heeft een lijndienst de afgelopen weken niet gereden. Dit moet vanaf volgende week weer als vanouds gaan. Tot vandaag rijdt er 2 keer per uur een trein naar Almere. Door die werkzaamheden gebeurt het meer dan eens dat een trein vaak en minimaal 5 minuten vertraging heeft. Of langer. En ook hier geldt weer: ik vind het niet leuk, maar ik laat het mijn humeur niet beïnvloeden.

Dit in tegenstelling tot sommige van mijn medereizigers. Gisteren had de trein van 17:12 uur naar Almere een vertraging van 10 minuten, wat opliep tot maximaal 15 minuten. Dit tot groot ongenoegen van een medereizigster die schuin naast mij op het perron stond. Zij stond er een partij te mopperen tegen iedereen die het maar wilde horen, en iedere keer wanneer ze de app van de NS vanachter haar donkere bril checkte, begon ze weer opnieuw te jeremiëren.

In de 15 minuten van vertraging hield ze niet op met haar gefoeter. Alsof deze negatieve houding positieve invloed had op de aankomst van de trein. Ik moest er een beetje om grinniken. Bij het instappen van de trein, die maar 14 minuten later aankwam, was het drukker dan normaal, qua reizigers, en wilde iedereen dringend in de trein stappen. Ik kon me slinks nog net een zitplaats bemachtigen, maar de vrouw met de donkere bril heeft tijdens de reis, tot aan Almere Centrum staand staan mopperen.

Het is de nacht van zaterdag op zondag. De wintertijd heeft zojuist plaats gemaakt voor de zomertijd. Om 05:50 uur, nieuwe tijd, gaat mijn mobiele telefoon. Nog voordat ik weet wie er belt, weet ik waarom er wordt gebeld. Het gaat om mijn zwager Hans. Nadat ik heb opgenomen, hoor ik de emotionele stem van mijn jongste zus. Ik heb gelijk, maar ik wens dat ik geen gelijk had. De rest van de nacht slaap ik niet meer.

Mijn zwager Hans, de man van mijn oudste zus, is overleden. Hij kwam al sinds 1970 -toen ikzelf 3 jaar oud was, bij ons thuis over de vloer. Ik kan niet anders zeggen dat Hans mijn hele bewuste leven aanwezig is geweest. Tot aan de laatste dag van maart, 2019. Ik weet niet wat ik voel, en van wat ik voel, weet ik niet hoe het hoort te voelen. Ik ben in de war. En verdrietig.

 

img_1072_facetune_03-04-2019-20-02-00

Tijdens onze bezoek aan Parijs afgelopen weekend viel het me op dat een stad van dit formaat altijd in leven is. Nu was het dit keer wel heel opmerkelijk, omdat ons laatste bezoek aan de Franse hoofdstad in 2010 plaatsvond. Sommige dingen veranderen nooit. Zo blijft de Eiffeltoren een toren aan de Seine. Maar ondanks dat is er intussen wel iets veranderd. Zo is de toren niet zo toegankelijk meer dan voorheen. Het monument is omheind door een glazen wand en is voor haar bezoekers alleen nog toegankelijk om door de beveiligingspoortjes te lopen. Nadat je de inhoud van jas en tas aan de mannen van de beveiliging hebt laten zien.

Het zijn de moderne tijden van de afgelopen negen jaar die de stad hebben veranderd. Het is jammer, je wordt aan de littekens die Parijs heeft opgelopen herinnert. Het dak op Tour Montparnasse is inmiddels ook voorzien van glazen wanden en het gevoel dat je bovenop de 210 meter over Parijs kunt kijken en bovenop de hoge toren staat, wordt door het glas ontnomen. Gelukkig blijven de andere zaken die de hoofdstad bijzonder maken, gelijk. Het metrostelsel onder de stad is nog steeds een prima vervoersmiddel,. Zodra je weer weet hoe het werkt.

Het stadspark Jardin de Luxembourg is ook nog steeds hetzelfde gebleven. De oase van rust. Niet in de zin dat het er rustig is, er zijn altijd mensen in het park. Of ze zitten er heel relaxt in een van de vele stoeltjes langs de vijvers of ze zijn druk met andere activiteiten in het gras en onder de bomen. Het is er vooral genieten. Van de onthaasting en van de mensen die er rondlopen. En dan realiseer je dat het stadspark ook niet helemaal meer is zoals het een paar jaar geleden was.

De oude, kleurrijke Parisiennes lopen niet meer door het stadspark. De diva’s van weleer zijn uitgestorven. Letterlijk. Een decennium geleden paradeerden ze met valse trots en te veel make-up op door het stadspark. Met het opgeheven hoofd, inclusief de gekleurde, scheve kapsels. Op de afgedragen hakjes, in korte rokken en de iets te versleten bontjasjes. Afgelopen weekend heb ik ze niet gezien. De senioren van vandaag lopen in stevige stappers met klittenband. Het haar keurig gekapt in pittige, grijze lokken en de benen gestoken in degelijke pantalons. En dat is hun goed recht, maar toch mis ik de diva’s die binnensmonds in het Frans liepen te mopperen en daarbij het opgemaakte gezicht verscholen achter een te grote zonnebril. De vergane glorie is echt vergaan.

 

Op het Molenpad bij de Keizersgracht in Amsterdam zie ik tijdens een wandeling door het centrum een klein vrouwtje in een stenen raamkozijn zitten. Het raam is klein en smal met een paar tralies. Het vrouwtje zit voor de tralies en is zelf kleiner, want wanneer ze een normaal postuur heeft gehad, had ze nooit in het kozijn kunnen zitten. Ze zit er met haar armpjes over elkaar en kijkt een beetje nukkig voor zich uit. Dit gegeven, en haar kleine postuur -ze is nog geen 50 centimeter hoog- maakt mij nieuwsgierig, en ik trek de figuurlijke stoute schoenen aan.

‘Goedendag, is er iets aan de hand? U kijkt een beetje sikkeneurig,’ zeg ik met mijn meest vriendelijke stem. Het vrouwtje kijkt boos op. Mijn vriendelijkheid wordt niet door haar gewaardeerd.
‘Zeg! Bemoei jij je even lekker met je eigen zaken,’ bitst ze mij terug en vindt in mijn vriendelijke begroeting de aanleiding tot verder getier. ‘Ik raak een beetje geïrriteerd van het werk dat ik iedere nacht mag doen.’
Het vrouwtje draagt het blonde haar in een staartje en verder draagt ze een strak, lila tenue. Hierop een lichtgroen ponchootje over de schouders en zilveren laarsjes aan de voeten. Maar ze blijkt minder sprookjesachtig dan dat haar kleding mij doet geloven. Ze kijkt me aan alsof ik de oorzaak van al haar leed ben, en nog voordat ik kan vragen wat haar werk zo zwaar maakt, begint ze weer.

‘Iedere nacht mag ik tanden en kiezen van kleine kinderen verzamelen, en in ruil daarvoor krijgen deze tandloze kids een traktatie van hun ouders. Waren de kinderen vroeger nog tevreden met een beetje geld, wordt nu mijn goedheid ondermijnd door de ouders, die buiten proporties denken! Dat varieert van traktaties om mee te pronken tot belachelijk en jaloersmakende cadeaus. Man, ik ben er zó klaar mee.’
Ik kijk haar aan. Ze kijkt boos en gefrustreerd terug. Haar schouders hangen. Alsof ze de strijd al heeft opgegeven. Ik ben slecht in het lezen van lichaamshoudingen, want ze gaat rechtop zitten en tiert verder.

‘Echt, ik zeg het je. Ik ben nu zoveel langer bezig dan wanneer ik alleen muntstuk onder het kussen kan achterlaten. Op deze manier kom ik tijd te kort en iedereen verwacht maar dat ik al het werk in 1 nacht kan doen.’
Ik knik bevestigend en probeer haar een beetje tegemoet te komen. ‘Het lijkt me ook niet echt makkelijk om alles in je eentje te moeten doen.’
Ze kijkt naar me met een blik van “je-bent-niet-goed-bij-je-hoofd”, en ik heb gelijk.
‘Ben je wel goed bij hoofd?’ vraagt ze mij geïrriteerd. ‘Natuurlijk doe ik dit werk niet in mijn eentje. Niemand redt het om in één nacht een paar honderd kinderen te bezoeken. Ik ben toch zeker Sinterklaas niet?’

Ik besluit niets meer te zeggen. Ik heb het idee dat alles wat ik zeg wordt weerlegd met een spraakwaterval, waarbij het beledigen van anderen heel normaal is. Maar mijn zwijgen weerhoudt het kleine vrouwtje niet om door te gaan met schelden.
‘Ik heb er wel 32 muntstukken voor over om bij die idiote ouders al hun tanden en kiezen uit hun bakkes te slaan! Dan heb ik in één vuistslag mijn target gehaald!’
Licht geschrokken van deze agressiviteit, stap ik weg, de Keizersgracht op. Het is een klein vrouwtje, maar de felle boosheid is enorm.

‘Hé,’ roept ze mij na, wanneer ik wegloop. ‘Waar ga je heen? Kom terug!’
Ik negeer haar. Ik heb geen zin meer in de felle vermaning, en het is mijn vrije dag. Die wil ik beter besteden dan naar het luisteren van een verdicht persoon. Na een paar meter heeft ze me bijna ingehaald en haalde ze uit naar een van mijn broekspijpen.
‘Ik zei hé,’  roept ze me na. ‘Waar ga je heen? Ik ben nog niet klaar met jou!’
Wanneer ze een broekspijp te pakken heeft en in mijn benen wilt klimmen, schud ik haar van me af. Ze valt hierbij een paar meter verder op de grond, naast een transformatorzuil, bedekt met opzichtige reclameposters.

Snel staat ze weer op en met haar kleine, graaiende handjes uitgestoken rent ze op me af. Ik recht mijn rug, zet beide voeten stevig op de grond en wanneer het gewelddadige vrouwtje op een meter afstand van mij is, geef ik haar een berekende schop. Met een uitgestoten en schriele schreeuw vliegt ze in een mooie boog richting de gracht en belandt ze met een plons in het water. Ze komt meteen weer bovenwater waarbij het groene ponchootje half over haar gezicht hangt. Ondanks dat ze bijna verdrinkt blijft ze non-stop tekeer te gaan en slaat ze daarbij met haar vuisten op het wateroppervlak. Ik haal mijn schouders op en loop weg. Wanneer ik langs de gracht wandel, richting de Leidsestraat, hoor ik haar nog foeterend tekeer gaan.