Onderstaande tekst (Kronkel) is van de hand van Simon Carmiggelt. Het is gepubliceerd op 18 november 1963. Het had ook vandaag in de krant kunnen staan.

“Uit een ingezonden stuk in de Volkskrant verneem ik dat Godfried Bomans, in een artikeltje over de heer Ras die, geloof ik, voortaan een witte Piet wil, te ver gegaan.
Dat is niet zo mooi.
Hij was onlangs, op het Grand Gala in het Kurhaus, óók al te ver gegaan. En nu wéér. Een bedenkelijk snelle recidive. Als er geen verbetering intreedt, gaat het slecht aflopen met deze arbeidzame jongen. En niet alleen met hem. Want wat deed Mies Bouwman? Zie de bladen: zij is te ver gegaan. En dat, terwijl Wim Sonneveld nog maar kort te voren ook te ver was gegaan. U ziet hoe het om zich heen grijpt. Ze doen maar. Ze gaan maar te ver. ’t kan me niets meer verdommen,geloof ik. Alleen Wim Kan is nog niet te ver gegaan. Maar dat komt, omdat hij nooit voor de televisie optreedt, doch in zalen. Daar gaat hij al jaren elke avond te ver, maar het publiek dat betaald heeft om hem te horen, vindt dat juist zo leuk. Ze gaan vrolijk mee. Toe maar, ’t kan niet ver genoeg wezen.
Maar bij de televisie kan dat niet.
O neen.
Iemand die voor de televisie puntig of satirisch waagt te zijn, verkeert ongeveer in de positie van een dromer, die in het uitverkochte stadion voor de microfoon treedt en een vers van Baudelaire voordraagt, terwijl hij gevoegelijk kan aannemen dat honderd van de zestigduizend aanwezigen Frans verstaan en vijftien van de honderd het vers begrijpen.
Wat gebeurt er met zo’n man?
Hij krijgt negenenvijftigduizend negenhonderdvijfentachtig kussentjes naar zijn hoofd.
Allicht.
Hij is te ver gegaan.
Hoewel je bij televisie gemakkelijk te ver gaat, gebeurt het toch niet iedere avond, Nee hoor. Ik draai herhaaldelijk om elf uur, na het laatste nieuws de knop om met gedachte: Zo, er is vanavond niemand te ver gegaan.
Ze zijn allemaal lekker dicht bij huis gebleven. Vlak bij de clivia. Vlak bij het kopje thee met het boterbiesje, Vlak bij pa, die alles ‘waardeloos’ vindt,als ’t geen kopbal is, die zit. Vlak bij ma, die pas opbloeit bij ‘Adieu mein kleiner Gardeoffizier’. Vlak bij Fred en Mientje die, met hun rug naar Bussum,hun huiswerk maken. Vlak bij het gemiddelde Hollandse binnenhuisje, waar men tevreden is op een wat ontevreden manier.
In een krant kun je ook wel te ver gaan.
Ik heb het herhaaldelijk gedaan.
Het is heel makkelijk.
Als ik een stukje schrijf over een kind, dat een schilderij van het laatste avondmaal ziet en zegt: ‘Die met het kadetje in zijn hand is Onze Lieve Heer,’dan weet ik met volstrekte zekerheid, dat de post mij des ander daags enige brieven van lezeressen brengen zal, die verklaren in hun diepste geloofsovertuiging te zijn geschokt en concluderen dat ‘Kronkel te ver is gegaan’. er zijn in elke lezerskring van elk dagblad nog een aantal eksterogen,waarnaar je slechts hoeft te wijzen, om het gekerm te doen opstijgen.
Wat moet je doen?
Al die eksterogen vermijden?
Dat wordt een zeer benauwde eierdans, die er alleen toe leidt, dat de lezerselke avond geeuwend zeggen: ‘Nou, hij is in ieder geval niet te ver gegaan.’Niet tot aan mijn tenen. En zelfs niet tot aan de tenen van tante Coba uitBreda, die zo lang zijn dat ze reiken tot boven Moerdijk.
Nu zegt u misschien: ‘Gaat jou dan nooit iets te ver? Natuurlijk. Sommige dagsluiters gaan me te ver als ze menen ernstige menselijke problemen te kunnen afhandelen met een flets, populair uit een opmerkelijke ongeïnspireerdheid opgeboerd causerietje. De sierhuppeltjes waarmee Vlaamse presentatrices schijnen te moeten zijn toegerust gaan me te ver. En de kir-interviewtjes met lachjes van opgespoten suiker gaan me te ver. Maar het mag allemaal van me, hoor. Als er maar tegenover staat dat er, de andere kant op, ook eens te ver mag worden gedaan.
‘Maar meneer. In uw blad van gisteren ging Kronkel te ver.’
Nou ja, ’t is pas de eerste keer deze maand. Maar Bomans moet uitkijken.
Kronkel [18 november 1963]

Mocht het zo zijn dat ik met het kopiëren van bovenstaande Kronkel te ver ben gegaan, in verband met copyrights en auteursrechten, laat het weten. Dan zal ik de tekst verwijderen. Maar om zo’n nostalgisch, evenwel actueel en grappige tekst alleen in boekvorm te willen delen, vind ik iets te ver gaan. Het is tenslotte al vijfenvijftig jaar geen 1963 meer.

In de meest donkere periode van de aidsepidemie in de jaren tachtig van de vorige eeuw, zorgde een vrouw voor honderden mensen wiens familie hen in de steek had gelaten. De persoon die het als een roeping zag om deze mensen te helpen is Ruth Coker Burks. Vandaag een grootmoeder die een rustig leven leidt in de stad Rogers, Arkansas.

Voor Burks was het een missie om in de jaren tachtig voor Aidspatiënten te zorgen. Ongeveer een decennium lang, tussen 1984 en het midden van de jaren negentig en voordat betere hiv-medicijnen en verlichte medische zorg voor Aidspatiënten, zorgde Burks voor honderden stervende mensen,veelal homoseksuelen die door familie in de steek waren gelaten. Ze had geen medische opleiding, maar ze nam ze mee naar hun afspraken, haalde medicijnen open hielp hen om de diverse  formulieren in te vullen. Ze was er voor hen. Burks heeft in deze periode tientallen moeten begraven, nadat nabestaanden hun lichamen weigerden op te eisen. Voor veel van die mensen is zij de enige die de locatie van de graven kent.

Het begon in 1984, in een ziekenhuisgang. Burks, nu 55, was 25 jaar en een jonge moeder toen ze naar het Universitair Ziekenhuis in Little Rock ging om te zorgen voor een vriend die kanker had. In die tijd bracht ze veel tijd door in het ziekenhuis. Zo zag ze opeen dag de deur met een grote, rode zak eroverheen. Het was de kamer van een patiënt. ‘Ik zag de verpleegsters strootjes trekken om te zien wie er naar binnen zou gaan. Vaak werd er smekend gevraagd: ‘Kunnen we niet opnieuw trekken?’’

Burks wist wat het waarschijnlijk was, het was de nieuwe ziekte met de naam GRID (gay related immune disease). Later bekend als AIDS (acquired immune deficiency syndrome). Ze had een homoseksuele neef op Hawaï en ze had hem eens eerder gevraagd naar de verhalen over de homoseksuele plaag. Hij had toen tegen haar gezegd: ‘Dat zijnde leernichten in San Francisco. Dit raakt ons niet, maak je geen zorgen.’ Toch had ze, in haar bezorgdheid over hem, alles gelezen wat ze de afgelopen maanden over de ziekte kon vinden, in de hoop dat hij gelijk had. Of ze nu vanwege nieuwsgierigheid of – zoals ze vandaag gelooft – een hogere macht haar heeft laten besluiten, negeerde Burks de waarschuwingen op de rode deur en sloop de kamer binnen. In het bed lag een zwaar vermagerde jongeman. Moeizaam vertelde hij haar dat hij zijn moeder wilde zien voordat hij stierf.

‘Ik liep naar buiten en de verpleegsters vroegen me: ‘Je bent toch niet die kamer ingegaan?’’ Burks herinnerde zich. ‘Nou ja, hij wil zijn moeder spreken,’ antwoordde ze. ‘Ze lachten en zeiden: ‘Lieverd, zijn moeder komt niet. Hij is hier nu zes weken ener is hier niemand geweest en niemand zal hier ook komen.’ Nee was geen antwoord voor Burks en wist een telefoonnummer van de moeder te achterhalen Ze heeft gebeld, maar voordat ze haar verhaal kon doen werd de verbinding verbroken.‘Ik heb meteen weer gebeld en ik vertelde de vrouw aan de lijn dat als ze nu weer ophangt, ik het overlijdensbericht van haar zoon in de plaatselijke krant zou plaatsen, inclusief de doodoorzaak. Toen had ik haar aandacht.’

Haar zoon was een zondaar, werd haar door de vrouw verteld. Ze wist niet wat er met hem aan de hand was en het kon haar niet schelen. Ze zou niet komen, omdat haar zoon wat haar betreft al dood was. De moeder verklaarde ze zijn lichaam niet eens op te eisen na zijn dood. Het was een uitspraak die Burks in het navolgende jaren keer op keer zou horen. Burks schat dat ze in de loop van de jaren met meer dan duizend mensen met AIDS heeft gewerkt. Daarvan zei ze dat slechts een handvol familieleden hun dierbaren niet de rug toekeerden. Of dit vanwege religieuze overtuiging of angst voor het virus is geweest, weet ze vandaag de dag nog steeds niet.

Burks hing op en probeerde te beslissen wat ze de stervende man zou vertellen. ‘Ik wist niet wat ik hem anders moest vertellen dan dat zijn moeder niet wilde komen. Er zat niets op om hem de waarheid te vertellen. Ik liep terug naar zijn kamer en toen ik naar binnen liep, zei hij: ‘Mama, ik wist dat je zou komen,’ en toen hief hij zijn hand op. Wat moest ik doen? Ik pakte zijn hand en zei: ‘Hier ben ik schat. Ik ben hier.’

Het was zeer waarschijnlijk de eerste keer was dat door een persoon werd aangeraakt, die geen handschoenen droeg, sinds hij in het ziekenhuis was aangekomen. Burks trok een stoel naar zijn bed en praatte tegen hem en hield zijn hand vast. Ze depte zijn gezicht met een vochtige doek en vertelde hem dat ze er was. ‘Ik bleef er 13 uur, terwijl hij zijn laatste adem uitblies.’ Burks heeft tot voor kort niet veel over deze dag gepraat. Mensen vragen haar altijd waarom ze geen angst had. ‘Ik heb werkelijk geen idee. De gedachte bang te zijn kwam nooit bij me op. Ik vroeg het me soms wel af, maar als dit is wat ik moet doen, dan zal ik het doen.

Lees hier het hele verhaal van Ruth Coker Burks.

Ik heb een haat-liefdeverhouding met de mens. Ik kan enorm genieten van de mensen om mij heen, maar af en toe bedenk ik dat de wereld beter af is zonder de mens. Dan doel ik vooral op de schreeuwende, luidruchtige en egoïstische personen, en daarbij heb ik een speciale exitplek voor de conventionele xenofoben onder ons. Gelukkig is niets zo zwart/wit als ik het hier opschrijf, want ieder slecht mens heeft ook iets goeds. Op zijn minst wanneer ze uit het oog zijn.

Om de meeste mensen kan ik wel grinniken en sommigen zijn dolkomisch bezig. Het is niet aardig te lachen over anderen, maar sommige mensen vallen buiten de norm en vallen daarom juist op. Ik lach ze niet uit, ik lach ze toe. Zo is er een meneer die op metrostation Henk Sneevliet in Amsterdam niet kan stilstaan. Hij wacht niet geduldig op de metro, maar loopt in stevige pas rond over het perron. Soms zie ik hem wel tot vier keer toe voorbijlopen. Pas wanneer de metro op een paar meter afstand van het station is wil hij stilstaan, om hierna rap in te stappen.

Afgelopen donderdagavond stapte ik op station Amsterdam-Zuid op de trein, richting huis. Het was druk en er waren niet veel zitplaatsen over in de coupe. Een mevrouw was van mening dat haar grote handtas naast haar mocht plaatsnemen. Hiermee was ik het niet helemaal eens en ik vroeg beleefd of ik op de plek van haar tas mocht plaatsnemen. Zonder iets te zeggen trok ze de grote tas van de zitting, plaatste deze tussen haar benen en ging verder met wat ze bezig was. Het kijken naar een serie via Netflix op haar mobiele telefoon.

Natuurlijk was het mogelijk geweest dat ze een OV-chipkaart speciaal voor haar handtas had aangeschaft, en dan was de tas volkomen rechtvaardig naast haar geplaatst. Dit was niet het geval, want mevrouw bleef stil. Hoewel niet helemaal stil. Mevrouw kon niet stilzitten. Ze vond het niet fijn dat onze beide benen tegen elkaar aankwamen. Constant draaide ze haar kont om mijn bovenbenen zo min mogelijk aan te raken. Dit was een mission impossible, want mevrouw was in het bezit van een paar stevige benen.

Toen ik in Almere uitstapte, hoorde ik een opgeluchte zucht uit de vrouw ontsnappen. Ik lach er maar om. Ik word ook wel eens ongelukkig van sommige mensen. Dit heb ik met de meneer die alleen op de donderdagen in de trein zit. Hij is te herkennen aan het slonzige uiterlijk. Hij is van het type ouderwetse leraar. Stoffig, en zo ruikt hij ook. Als een lerarenkamer van vroeger. Tegenwoordig ruikt zo’n lerarenkamer fris. Dat komt natuurlijk ook omdat er tegenwoordig bijna geen leraren meer zijn. Dat vind ik kwalijk. Er zijn nu zo veel mensen die denken zonder opleiding intelligent te zijn. Ja, zo raak ik nooit over mensen uitgepraat en misschien is dat maar goed ook.

Het treintje rijdt gestaag de berg op. Boven aan de top bevindt zich een adembenemend uitzicht over Oostenrijk. Zo hebben we ons laten vertellen, maar zo ver zijn we nog niet. Het oude voertuig kraakt en schud over de rails naar boven. Een Hemelvaart van een Jezus die de pensioengerechtigde leeftijd heeft behaalt. Tussen de bomen door gaan we omhoog. De berg is te steil om iets van omgeving mee te krijgen, behalve de bomen die traag voorbij gaan.

‘Zijn jullie twee broers?’ raadt de vrouw tegenover mij met een begrijpend lachje. Ze is het type dat er plezier in heeft dat men haar een geheim onthult.
‘Nee, we zijn getrouwd,’leg ik haar uit. Ze denkt een geheim te hebben onthult.
De vrouw knikt tevreden. Tussen de bomen zie ik een paar geiten op de rotsen staan. Wie heeft deze beesten ooit geleerd om zo te kunnen klimmen? Of zijn ze zonder er zelf bij nagedacht te hebben, zelf aan begonnen? Door niet te denken kom je wel voor verrassingen te staan. Dat zie ik bij te veel mensen tegenwoordig. Ze denken niet na en de verrassing komt altijd wanneer de batterij van hun telefoon nog maar 20% aangeeft.

‘Zijn jullie al lang getrouwd, met elkaar?’ vraagt ze vriendschappelijk, maar zeker wel indringend.
‘Sinds april 2000,’ zeg ik.
‘Ik niet,’ betuigt ze, met een gespeelde droevige blik. ‘Ik ben geen relatiemateriaal, lijkt het.’
Het treintje mindert vaart. Ik hoop dat we bij de top van de berg, onze bestemming aankomen. Weg van dit gesprek en de mevrouw.
‘Mannen gaan mij uit de weg, weet u? Misschien moet ik ook maar lesbienne worden,’ lacht ze theatraal.
Ze lijkt mij een persoon die iedere ochtend jammerend wakker worden en iedere avond mopperend in slaap valt.
‘Langer dan zes maanden houden ze het niet met me uit. Stuk voor stuk.’
En ik weet waarom, denk ik.

Ik glimlach en kijk door het raam naar buiten. Het uitzicht wordt ons door bergmist ontnomen, en ik draai mijn gezicht weer terug. Mijn niet-broer-maar-echtgenoot fingeert alsof hij iets heel interessants leest in een folder over deze trip.
‘Het nadeel van alleen reizen is niet dat je alleen bent, maar je betaalt ook nog eens toeslagen voor het alleen zijn. Je wordt dubbel gestraft.’
‘Dat wist ik niet,’ jok ik.
Het voertuig schudt alle inzittenden heen en weer, en we staan stil op het kleine station. We lijken ons doel te hebben bereikt. De top van de Oostenrijkse berg. De mist is weg en het uitzicht is daadwerkelijk adembenemend. Of de adem wordt ons ontnomen door de ijle lucht op deze hoogte.

Bovenop de berg staat een restaurantje waar versnaperingen voor een paar Oostenrijkse schillingen gekocht kunnen worden. Helaas geen broodjes kroket. De vrouw die geen mannen kan houden staat tussen een paar andere vakantiegangers. Ze is druk aan het praten. Of de toeristen aandachtig luisteren weet ik niet. Het zijn vast geen Nederlanders en laten ze haar beleefd doorpraten.
Mijn niet-broer-maar-echtgenoot en ik lopen weer terug naar het kleine station. Na drie kwartier is een uitzicht wel gezien, vinden wij.
In het treintje zitten we tegenover een grote, stoere meneer. Leren jack en dikke baard. Hij kijkt ons voor een korte tijd aan, en ik verwacht dat hij ons zal vragen of wij zijn motorfietser hebben gezien, maar nee.
‘Zijn jullie twee broers?’ gist de man.
Met een schreeuw schiet ik wakker. Mijn echtgenoot schrikt even op, maar ronkt daarna rustig verder en ik blijf voorlopig wakker.

Halverwege dit jaar was ik om. Ik zei thuis: ‘Vanaf nu eet ik geen dieren meer.’ Ik liep al langer met het idee om vegetariër te worden. Ik vind dieren veel leuker (en aardiger) dan mensen. Daarbij vraag ik me af wat het verschil tussen rundvlees en bijvoorbeeld hondenvlees is. De ethiek heeft ons geleerd om bepaalde dieren wel te eten, en andere dieren niet. Het is dierenracisme.

Het leven als vegetariër bevalt me prima. Ik voel me gelukkiger zonder het eten van dieren. Er zijn mensen die dat niet begrijpen en zijn soms bang dat ik ze wil overhalen om ook geen dieren meer te eten, maar het is voor mij geen religie. Ik wil niet overtuigen om geen dieren meer te eten. Ondanks die mededeling schieten mensen toch in de verdediging of erger, in de aanval.

Het is maar net waar je boos om kunt worden. Mensen raken geïrriteerd wanneer anderen geen vlees eten, maar wel bijvoorbeeld vleesvervangers. Ik ben niet gestopt met het eten van dieren omdat ik ineens geen vlees meer lust. Ik verlang soms naar een rookworst of een gehaktbal, maar gelukkig heb je tegenwoordig prima alternatieven in de schappen van de supermarkt liggen. De omnivoor waarmee ik ben getrouwd eet af en toe graag plantaardig vlees mee.

Vleeseters en vegetariërs kunnen dus prima samenleven, ondanks dat het soms niet zo lijkt. Enkelen zijn de mening toebedeeld dat wanneer je geen dieren eet, je ook geen dierenhuid aan de voeten mag dragen. Het nuttigen van zuivelproducten en eieren mag ook niet. Toen ik afgelopen zomer besloot geen dieren meer te eten, heb ik geen memo met (spel)regels voor vegetariërs ontvangen.

Ik doe wat in mijn beleving het beste is. Daarmee ben ik niet beter dan een ander. Doe wat je zelf graag wilt. Dat gemeld te hebben, deel ik graag de uitspraak van Ronald Leopold die vanmorgen in een Amsterdamse krant werd geplaatst. ‘Mensen zijn te veel bezig met hun eigen mening en willen die met windkracht 10 de wereld in blazen, maar we mogen wel wat meer oog hebben voor elkaar.’

Het sporten gaat me weer goed af! Je zou denken dat ik goed bezig ben, maar eigenlijk doe ik het hartstikke verkeerd, want in de maand november werken aan een zomerlichaam gaat niet goed wanneer je strakke lijf in het voorjaar alweer uitdijt naar een winterlichaam. Het voornemen is er om dit vol te blijven houden. De sportschool waar ik me uitsloof ligt nog geen 400 meter van huis. Wanneer ik straks de kerstkaarten op de bus mag doen, ben ik langer onderweg, dus die afstand naar de sportschool mag geen excuus meer zijn.

De afgelopen week ben ik bijna dagelijks naar de sportschool geweest. Op de dagen dat ik er afwezig was, ben ik buiten gaan hardlopen. Op de lopende band indoor hardlopen lukt me niet. Het apparaat gaat dan ineens op de rem, waardoor ik bijna naar voren wordt gekatapulteerd. Dan ga ik liever een stukje stilstaand fietsen. Verder besteed ik de meeste tijd aan het roeien. Met een heerlijk gemak peddel ik zo een paar kilometer weg. Ik wordt er enthousiast van, maar nog niet enthousiast genoeg om me aan te melden bij de plaatselijke roeivereniging.

Het roeien in de sportschool is populair. Er zitten altijd wel mensen op de roeimachines. Zo ook vandaag. Twee dames van tegen de 30 jaar bewegen synchroon op de apparaten. Alle spieren zijn in beweging. Vooral de kaakspieren, want ze zitten druk te praten. Over de andere sportschoolbezoekers. Er wordt commentaar gegeven over de corpulente dame in haar felroze tijgerlegging en de mannelijke sportschoolbezoeker gaan ook over de tong. Ik besluit om nog een paar kilometer door te roeien. Ik wil nog even niet nagekeken en becommentarieerd worden.

Het is te laat voor de mannen achter in de zaal. Zij staan bij de zwaardere apparaten, waar de biceps en de triceps worden opgepompt. Ik plaats de mannen in de categorie Peppie en Kokkie, maar de dames naast mij hebben een internationale benaming. Beavis en Butthead. Er wordt nog even een vinnige opmerking gegeven over de kleinere man van de twee. ‘Hij kan nu wel 100 kilo’s wegdrukken, maar hij zal nooit 1.70 meter worden.’ Het is een lelijke opmerking. Deze vrouwen zijn in staat om met alleen hun commentaar een man te castreren. Met samengeknepen billen roei ik een paar honderd meter stilstaand door.

‘Kook je vaak voor jezelf?’ vraagt ze nieuwsgierig wanneer hij een teentje knoflook en een handje grof gesneden kastanjechampignons in de wok gooit.
‘Ja, hoezo? Jij niet?’
‘Bijna niet. Een magnetronmaaltijd of thuisbezorgd werkt prima voor mij.’
‘Dat is niet echt gezond te noemen.’ Hij roert even in de pan met tagliatelle.
‘Ik weet het, maar ik vind het gewoon niet leuk, koken. Jij wel?’
‘Jazeker. Helemaal nu ik geen vlees eet, kook ik meer gevarieerd.’
Verrast kijkt ze op, terwijl hij verse spinazie in de wok doet.
‘Eet je geen vlees meer? Waarom? Sinds wanneer? Vind je het zielig voor de dieren? Eet je nog wel vis?’
Het zijn de inmiddels bekende vragen die hij de afgelopen maanden te horen krijgt, nadat hij een paar maanden geleden heeft besloten geen dieren meer te eten.
‘Ik eet geen vlees meer, want ja, ik vind het zielig en het voelt voor mij niet goed dat ik dieren eet. Ik eet dus ook geen vis, al een paar maanden niet. Het eten van dieren is zo van voor 2018,’ licht hij glimlachend toe.
‘Joh, ik weet niet of ik dat kan, hoor!’
‘Dat hoeft ook niet,’ reageert hij lachend en voegt de roomkaas toe aan de spinazie in de wok. ‘Het is geen religie voor mij, ik hoef en wil je niet overtuigen.
‘Gelukkig maar,’ laat ze opgelucht weten.
Hij haalt de tagliatelle van het vuur en voegt nog wat peper en zout toe aan het spinazie-roomkaas-champignonmengsel.
De borden worden opgeschept met de pasta en de spinaziesaus. Nog even bestrooit hij het eten met wat geraspte kaas.
‘Klaar om lekker te eten?’ Hij loopt naar de eettafel en zij volgt hem.
‘Jazeker! Zonder vlees?’ informeert ze overbodig.
Hij glimlacht naar haar en zegt: ‘Zonder vlees, maar met smaak.’
300 gram tagliatelle
1 teen knoflook
250 gram kastanjechampignons
3 eetlepels olijfolie
600 gram spinazie
100 gram roomkaas (naturel)
geraspte pittige kaas

Nadat ik mijn eigen fiets van woonplaats Almere naar mijn werk in Amsterdam heb verhuisd, heeft het fietsplezier precies een week geduurd. Sindsdien is de relatie gespannen. Alsof het vervoersmiddel ineens een ziel heeft verkregen en mij wel eens karma zal leren. Omdat het rijwiel in Almere altijd droog in de schuur heeft mogen staan, verblijft het nu ‘s-nachts, ongeacht de weersgesteldheid, onbeschermd bij metrostation Henk Sneevliet. Daar wordt een fiets niet blij van en ik kan bij wijze van, het rijwielgeroddel in de fietsenstalling al horen. ‘Een man verkast toch niet zo maar ongevraagd zijn rijwiel?’

Het idee om mijn fiets te gebruiken als vervoersmiddel tussen het metrostation en mijn werkadres, is een prima plan geweest. Ik win er per dag gemakkelijk 20 minuten mee en reken dat maar uit: Dat scheelt per half jaar 40 uur, en dat zijn twee werkweken in een jaar. Voorlopig kom ik niet aan dat getal, want constant ligt mijn fietsketting eraf. De eerst keer was vorige week, dinsdagavond. De enige dag in de week dat ik tot 20:00 uur moet werken. In de avonden rijdt de metro niet meer zo vaak en is een fiets een uitkomst. Gejaagd, maar als een volleerde chirurg, trek ik fel de kettingkast open om het binnenste van de kettingkast te bekijken.

De fietsketting hangt er ongeïnteresseerd en levenloos bij. Geïrriteerd over de onverschilligheid trek ik de ketting los van haar raderen om deze met precisie weer op de juist plek terug te leggen. Na wat gepriegel en wild draaien van de trappers ligt de ketting er weer op en draait ze als een kermisattractie het achterwiel rond. Het schijnt een zware operatie van een paar uur te zijn, maar mijn horloge geeft aan dat ik nog geen twee minuten bezig ben geweest. Snel dicht ik de kettingkast en spring op mijn fiets. Met mijn vingers zwart van het oude vet fiets ik naar het metrostation. Vervolgens heb ik na deze dinsdagavond nog een paar keer de kettingkast mogen openen. Mijn fiets en ik zijn zo hecht niet meer.

Ik heb me van de week aangemeld bij de sportschool. Onder het mom van liever hardleers dan standvastig, ga ik er weer voor. Ik weet echt wel dat het iets is dat niet altijd tot me doordringt. Ik ga altijd fanatiek sporten, maar na een maand spoelt mijn enthousiasme voor het sporten als het water tijdens het douchen weg via het doucheputje. Daarnaast is mijn planning voor het sporten altijd hartstikke verkeerd. Ik ga altijd fanatiek sporten wanneer de zomer net voorbij is. Hierdoor zit ik rond mijn verjaardag tussen Sinterklaas en Kerstmis, strak in mijn zomerlichaam, dat met de kerstdagen en tegen oudejaarsavond weer teniet wordt gedaan door al het lekkere eten.

Juist om die reden lig ik tijdens de zomermaanden als een Jabba the Hutt op mijn bedje aan de rand van het zwembad of in de achtertuin. Ik hou van eten. Dat nog meer dan van sporten. Daar ben ik geen uitzondering in, want ik zie overal Obesitas-look-a-likes om me heen. Voor mij zal dat binnenkort weer veranderen, want zoals hierboven gemeld; ik ga weer sporten. Over een paar weken wordt er in de buurt een sportschool geopend, waarvan de maandcontributie gelijk staat aan 2 pakjes sigaretten, en ik mag mijn sportpas met iedereen delen. Aangezien de nieuw sportschool ongeveer 200 meter van mijn huis ligt, wordt de door mij gecreëerde drempel vernietigd.

Zo verkoop ik het sportschoolverhaal heel goed aan mezelf. Ik moedig mezelf fanatiek aan, maar ik weet dat ik in november alweer ben bevorderd tot sportschoolsponsor. De te korte periode van reguliere sportschoolbezoeker ligt dan achter me. Zo is het altijd gegaan. Maar misschien moet ik het dit keer anders aanpakken. Een schema voor een langere periode, waardoor ik langer dan een maand actief bezig ben. Ik ben tenslotte ook ooit met een schema begonnen voor hardlopen, terwijl ik de hardlopers in opzichtige kleding eerder lachwekkend vond dan inspirerend. U mag me in december weer eens aanspreken over mijn sportschoolbezoeken.

‘Bent u een fan?’
Ik kijk op van de menukaart in mijn schoot en ik kan niet zien van wie de vraag komt. Op een terras op de Grote Markt in Almere wacht ik op mijn lunchafspraak. Deze is een paar minuten te laat.
‘Bent u een fan?’ hoor ik weer. Ik kijk op en zie dat de vraag van een ander tafeltje, rechts van mij, komt.
Een man van ongeveer mijn leeftijd kijkt mij vrolijk en indringend aan. Hij gebaart met prikkende wijsvinger naar mijn borstkas.
‘Of u een fan bent van Harry Potter,’ vraagt hij me lachend toe.
Ik kijk naar mijn t-shirt. Het heeft een afbeelding van een das met daarboven het Engelse woord voor HUFFELPUF. Het is een shirt dat ik ooit via eBay heb besteld. Op het shirt staat vermeld Team Captain van het door J.K. Rowling verzonnen zwerkbalteam van HUFFELPUF. Ik vond het shirt destijds wel leuk. In ieder geval leuk genoeg om via het internet te bestellen.
‘Nee, ik ben geen fan. Gewoon een liefhebber,’ antwoord ik beleefd.
‘Maar u heeft de boeken wel gelezen?’
‘In het Nederlands en in het Engels,’ antwoord ik met een vriendelijk gezicht.
‘Toe maar,’ zegt de man. ‘Ze staan ook bij u in de boekenkast? Of heeft u ze geleend van de bibliotheek.’
‘In de boekenkast,’ antwoord ik de man, die zijn stoel nu richting mijn tafeltje schuift. Ik vraag me af waar mijn lunchafspraak blijft.
‘Ik heb ze destijds van de bibliotheek geleend. Mooie boeken.’
Ik knik bevestigend.
‘En de films? Heeft u die ook gezien?’
‘Jawel,’ zeg ik zonder van de menukaart op te kijken.
‘Die staan ook thuis bij u in de kast?’
‘Nee,’ lieg ik. Ik kijk de man lichtelijk geïrriteerd aan. Ik heb helemaal geen zin in deze ondervraging, of ook maar iets te delen met de nieuwsgierige man. Hij krijgt dit niet mee.
‘Leest u meerdere boeken, en wat leest u zoal?’ vraagt hij.
Ik zie in de verte mijn lunchafspraak aanlopen. Ik verontschuldig me, sta op en loop naar mijn afspraak. Ik begroet deze en stel voor dat we elders gaan lunchen.
Dat vind hij prima en we lopen naar een nabij gelegen terras op de Grote Markt.
‘Leuk shirt,’ zegt mijn lunchafspraak.
‘Dank je,’  zeg ik.
‘Beetje kinderachtig, vind je niet?’ vraagt mijn lunchafspraak.
‘Niet echt,’ antwoord ik, en besluit het shirt alleen nog te dragen wanneer ik alleen ben.

Op Samos lagen we een paar dagen bij het zwembad te relaxen, toen we het idee kregen om toch wat meer van het eiland te willen zien. Omdat het hotel net iets te ver van alles lag om andere dingen te ondernemen dan het relaxen bij het zwembad zelf, besloten we een auto te huren. Het idee van 1.405 kilometers te vliegen om daar vervolgens alleen maar een paar boeken te lezen en onze lichamen in te smeren tegen zonnebrand ging ons tegenstaan. Zo hadden we al snel via de receptie van het hotel een rode auto (vraag me niet naar het merk) voor 2 dagen geregeld.

Op de eerste dag van het autohuren besloten we naar de hoofdstad van het eiland te gaan. We hadden er zin in en ik was er helemaal klaar voor. De juiste muziek voor een lange autorit klonk er uit de speakers en de airco gierde mee op de muziek. Het lukte me nog net het gevoel van enige teleurstelling te onderdrukken toen we na nog geen 10 minuten al in de hoofdstad aankwamen. Ik was even vergeten dat een niet al te groot eiland als Samos in no time is overgestoken. Na een klein rondje door de hoofdstad waren we weer enthousiast en besloten door te rijden naar Kokkari, ten noorden van het eiland.

Weg waren we. ‘Doei Samos-Stad, tot ooit,’ riep ik boven de muziek uit. Het ultieme zomergevoel! Het duurde nog even voor we in de badplaats Kokkari zouden aankomen en toen we uiteindelijk aankwamen in het stadje Mitilinii wist ik dat we een verkeerde afslag hadden genomen. Dit stadje in het midden van het eiland ligt iets van 8 kilometer van Kokkari af. In plaats er voor te kiezen om er meerdere orthodoxe kerken te bezoeken, gingen we voor onze eerste keuze: Kokkari. Google Maps moest ons naar het Noorden van het eiland leiden. Na wat rondjes te hebben gereden door het noordelijk gedeelte van Mitilinii hadden we de weg naar het noorden gevonden.

Deze route bleek al snel off-the-road te zijn. We negeerden heel stoer de woorden van de autoverhuurder eerder deze ochtend, over dat we niet meer verzekerd zijn wanneer we over de onverharde wegen rijden. ‘Soms moet je het avontuur aangaan,’ zei ik stoer. De weg was onverhard, maar verder prima te berijden. Nadat we -achteraf kwamen we hier achter, de watervallen van Theopoíēto hadden gepasseerd werd het wegdek minder, en dit werd met iedere afgelegde kilometer slechter. Na ongeveer 4 kilometer was het wegdek gelijk aan het wegennet ten tijde van de Bijbelse verhalen. De gevaarlijkste weg van de wereld vindt u op het eiland Samos. Echt waar.

Het moment dat we dachten dat het wegdek niet meer slechter kon worden, leek het nu of we over een droge rivierbedding reden. Stugge prikkelbosjes schuurden flink over de autolak en de gaten in de weg lieten ons op de muziek uit de speaker flink meedeinen. Het was goed dat we in de gordels zaten. Nadat we nog eens 2 kilometer in wandeltempo hadden afgelegd, ben ik uitgestapt en voor op de huurauto uitgelopen. Zo kon ik zien hoe stijl we naar beneden gingen en welke afslag we moesten nemen. Zo kon ik ook aangeven waar de diepe geulen en greppels zich bevonden. Toen we in de verte een paar huisjes zagen staan, stapte ik weer in de auto.

Uiteindelijk zijn we over privéterreinen en sluipweggetjes bij Kokkari aangekomen. De huurauto reed inmiddels op benzinedampen, het vinden van een tankstation had onze prioriteit. Deze vonden we in Kedros, ten oosten van Kokkari. Na het vullen van de tank bezochten we daar een orthodox kerkje en werden we op een klein strandje geattendeerd. Hier hebben we onze kleren uitgetrokken en zijn de zee ingedoken. Na ruim een kwartier van dobberen op de golven van de zee, waren we voldoende afgekoeld en weer helemaal zen. Dat we onderweg een paar wieldoppen hadden verloren, daar kwamen we pas veel later achter.

We zitten nu een paar dagen op het Griekse eiland Samos, vlakbij de oudste Europese haven in Pythogoreio, de geboorteplaats van Pythagoras (wiskundige: a2+b2=c2) en Epicurus (filosoof: ‘De dood gaat ons niet aan’). Na vier dagen van relaxen bij het zwembad zijn we aardig gewend aan dit actieve vakantieleven. Ineens niets doen kan heel vermoeiend zijn. Ik heb er overuren van slaap aan overgehouden.Ons verblijf ligt een beetje afgelegen van alles dat dichtbij ligt. Voor een bezoek aan een dorpje of een winkeltje aan de weg ben je toch al gauw drie kwartier aan de wandel. Daarom blijven we ‘thuis’ bij ons hotel. Samen met de andere hotelgasten. Zij komen voornamelijk uit Scandinavië, met een paar Vlaamse gasten en hier en daar een paar Nederlanders. Heel gemoedelijk en rustig.

Totdat het gezin uit de buurt van Rotterdam zich meldt. De vader en moeder en hun dochter van net geen twintig jaar laten onbedoeld weten dat zij op het eiland zijn gearriveerd, en de rust is onmiddellijk vertrokken. De moeder heeft een stem die de opstijgende vliegtuigen van het vliegveld even verderop met gemak overstijgt. Daarbij delen ze ook nog álles wat ze gaan doen.
‘Ik ga nu even mijn luchtbedje halen.’
‘Dat is goed. Ik ga de buurvrouw even appen dat we er zijn.’
‘Doe ‘r de groetjes. Ik ga straks het water in.’
En dat gaat zo maar door.

Het is niet alleen dat, maar ze denken ook alles te weten. Ze zijn nog geen 20 minuten aanwezig bij het hotel en moeder weet al zeker dat het pad naar het strandje verderop een klein stukje lopen is (wat zeker niet waar is) en de dochter, met een stem alsof ze zojuist acht slagroompatronen heeft geinhaleerd, vind alles super! Behalve dat wat haar vader zegt. Hij is al weggebonjourd naar een andere parasol. Wanneer hij meer dan eens een vraag stelt, wordt dit door de beide dames beantwoord met een lacherige ‘wat-moet-je-nou?’

Wanneer ik die vader was geweest, dan had ik een auto gehuurd en was meteen met beide wijven hier op het eiland een ravijn ingereden. Daarmee kom je in Nederland ook nog eens in het nieuws, vinden vrouw en kind hartstikke leuk! Maar nee, vader houdt zijn mond en lacht mee met de ongrappige grollen. Moeder beslist dan dat ze met zijn allen iets gaan eten bij de poolbar. Al weet ze nu al dat er niet veel keuze naar haar smaak zal zijn. De dochter denkt hetzelfde, en de vader houdt wijselijk zijn mond.

Bij terugkomt van de poolbar, is moeder -vanzelfsprekend- aan het woord. Ze wilde graag naar het strandje lopen, maar haar hoofdpijn is teruggekonen. Die van mij ook. Ondanks haar hoofdpijn tettert ze door en gaat ze dan toch met de dochter het pad naar het strandje, lager gelegen bewandelen. Ik blijf nu zeker bij het zwembad zitten, want ik wil, ik móet, haar ervaring hier over horen. Het pad is namelijk geen wandelpad. In een zeer steile gang loop je over losse keien, langs gevaarlijke prikkelbosjes.

Ik hoef niet lang te wachten. Na 10 minuten zijn ze terug.
‘Dat is niet te doen!’ roept ze naar haar man.
‘Nee, belachelijk,’ voegt de dochter toe.
Moeder wilt de huurauto een dag naar voren verplaatsen, want ze is echt geen zwembadmens. Waarop de dochter toevoegt dat moeder een echt strandmens is.
Ik glimlach om zoveel zelfgecreërd drama en denk aan een citaat van de filosoof die hier duizenden jaren geleden werd geboren. ‘De mens moet teleurgesteld worden in de kleine dingen van het leven, voordat hij de volle waarde van het grotere kan beseffen.’ Ja, Epicurus kon het goed zeggen. Hij wel.