Parijs, vijf uur in de ochtend. De zon is nog niet op, maar het belooft een mooie dag te worden. Ik voel me de koning te rijk wanneer ik hardloop over het Place Dauphine, op Île de la Cité in de Seine. Waar de Notre Dame al sinds de twaalfde eeuw ernstig imponerend staat. Verderop, bij de Moulin Rouge, aan de Place Blanche ziet de straat bleek. Een melkboer levert aan supermarkten en de straatvegers, gewapend met hun bezems, zijn druk. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het achttiende arrondissement van Parijs maken de mensen zich op voor weer een nieuwe dag. Travestieten scheren het gezicht glad en de stripteaseuses gaan gekleed over straat. Onderweg naar huis. Gekreukeld beddengoed achterlatend, net als de minnaars. Vermoeid met een glimlach op de mond in de doodse kamertjes, waar een paar uur geleden nog de lust en het leven de boventoon voerde. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Kleine kopjes op schotels zijn gevuld met zwarte koffie en in de cafés worden de glazen na een lange nacht weer schoongepoetst, waarin de koffiekopjes de warme drank afgespiegeld verdampen. In de buurt van boulevard Montparnasse kan je vanaf de hoge gelijknamige toren met gemak het station zien. Het is als een kaal karkas, gelijk de bewoners van Cimetière du Montparnasse. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In de voorsteden staan de forensen op de stations en in het grootse park La Villette ten noordoosten van Parijs wordt door haar bezoekers het spek op een van de grasvelden aangesneden. Nachtelijke bezoekers van de stad zoeken de bus op en de bakkers bakken in hun kleine bakkerijen de befaamde stokbroden voor het ontbijt van de bewoners en bezoekers van de stad. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het zevende arrondissement staan de in beton gegoten ijzeren poten van de Eiffeltoren nog in de schaduw van de omringende gebouwen en ten noorden van deze wereldberoemde toren, in het achtste arrondissement, wordt de Arc de Triomph weer omringt door het uitdijend verkeer. Rij vanaf hier de Champs-Élysées af naar de Place de Concorde, waar de Obelisk fier overeind staat bij het aanbreken van een nieuwe dag. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

De kranten zijn gedrukt en op het trottoir achtergelaten voor haar lezers, de arbeiders hebben voor vandaag huis en haard achtergelaten en lezen bedrukt de krant. De mensen in de stad ontwaken en in de vroege uren voelen ze zich meer geslagen en gekweld. Voor mij is dit het moment om huiswaarts naar mijn hotel te gaan. Daar waar mijn man wacht en ik mijzelf kan zijn. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Het is vijf uur. Ik heb mijn rondje gelopen.

 

In mijn bed bezoek ik een platenzaak. Zo’n zaak waar je ouderwetse muziekdragers als vinyl langspeelplaten, singletjes en muziekcassettes kunt aanschaffen. Nog voor de compact-discs en andere mp3-bestanden die je met je telefoon kunt beluisteren. Er staan grote bakken, gevuld met vinyl in vierkante hoezen waarvoor ik geen leesbril nodig hebt om op de achterzijde van de albums de tracklist te kunnen lezen. Men zegt dat platenzaken als deze weer in opkomst zijn. daarbij heeft bijna iedere zelf respecterende elektronicazaak tegenwoordig een hoekje in de zaak waar men vinyl kan kopen.

In bed struin ik in een gelukkige stemming langs de grote aantallen aan elpees en maxi-singles, de 12″-uitvoeringen van de grote hits van toen. De bak met vinyl bij de Mediamarkt valt erbij in het niet. De grote kleurrijke platenhoezen doen bijna zeer aan mijn ogen, maar ik geniet intens van het moment. Met mijn vingertoppen tik ik de platenhoezen naar voren, en bij iedere nieuw album dat tevoorschijn komt klopt mijn hart iets sneller.

Ik heb deze terugkerende droom al sinds de jaren 80, waarin ik de meest zeldzame uitvoeringen op vinyl van mijn muzikale idolen onder handen kreeg. Een bijzondere uitgave van de grootste hit van zanger Jacques Dutronc of een verzamelalbum van The Supremes, zonder Diana Ross. Het ene exemplaar blijkt nog mooier dan de ander! Alleen heb ik het nooit voor elkaar gekregen om deze buitengewone exemplaren te mogen bezitten. Het is me nooit gelukt het vinyl af te mogen rekenen. Ik heb geen idee wat deze terugkerende droom betekent. Daar mogen de dromenkenners over parlevinken.

In bed lig ik lichtelijk teleurgesteld en check de tijd op de wekker. Het is nog nacht. Dit betekent dat ik nog even kan blijven liggen. Heerlijk, en ik beloof mezelf dat ik morgen de app Discogs moet checken op mooi vinyl. Hier vind ik over een paar uur, in ontwaakte toestand, voldoende vinylalbums en nog meer -singletjes. Oude en nieuwe her-uitvoeringen. Een ding is zeker; bij de internetwinkel Discogs is er wel een kassa om af te rekenen.

In bed val ik uiteindelijk weer in slaap en droom ik over andere dingen. Ik ben aan het hardlopen in Parijs. Ik ren in de vroege ochtend langs de oevers van de Seine, richting de Eiffeltoren. De Veegmachines en travestieten gaan mij voorbij. De kranten zijn gedrukt en de voorbijgangers, onderweg naar het werk, kijken bedrukt. De Franse hoofdstad ontwaakt. Hardlopend draaf ik door de straten van Parijs en droom nog even.

We zijn aangekomen aan het einde van het jaar en we worden weer overspoeld door diverse overzichten. Er zijn mensen op social media, die terugblikken over de afgelopen 12 maanden. Ik denk dan altijd: Het jaar is nog niet om. Er kan in die laatste dagen van het jaar nog van álles gebeuren. Je moet dag niet prijzen voordat de avond gevallen is. Pas op 1 januari 2019 wil ik terugblikken over het jaar 2018. En misschien dan ook nog niet eens.

De eerste keer dat ik me bewust was van Oudejaarsavond, moet 31 december 1970 zijn geweest. Dit was dan in de Cornelis Riekelsstraat –waar ik ook ter wereld kwam- in de toen nog bijna 5 jaar oude woonwijk, De Schooten, van Den Helder. Ik kan me herinneren dat ik, als kleuter op Oudejaarsavond van dat jaar eerst in de avond naar bed moest. Ik was te jong om de hele avond op te blijven. Ja, het moet wel in 1970 zijn geweest, want ik was net 4 jaar oud geworden. Jonger zal ik niet geweest zijn, want als ik ouder was geweest, had ik meer kunnen herinneren.

Ik denk me nu te herinneren dat familie uit Friesland op visite was, maar of dat tante Klaske en oom Simon uit Sneek waren of tante Jo en oom Hampie uit Heerenveen, dat weet ik niet meer. Als ik er nog eens over denk, kan het ook zo zijn dat het de buren van nummer 20, buurman Maarten en buurvrouw Nettie, waren., en als dit zo was, dan waren vanzelfsprekend ook tante Bets en oom Gijs uit de Klaas Castercomstraat, een straat verderop aanwezig. Zij waren niet echt tante en oom, maar het was gebruikelijk om kennissen en vrienden van je ouders als familieleden aan te spreken. Mijn moeder en ‘tante’ Bets waren destijds beste vriendinnen, die de grootste lol met elkaar hadden in die jaren. Denk ik.

Rond half twaalf zal ik door mijn moeder of door mijn oudere zussen zijn wakker gemaakt om de jaarwisseling en het vuurwerk te mogen meemaken. Ik weet niet of het kwam door de spanning van het moment of dat ik op gewoon nodig moest, maar in de badkamer ontsnapte er een drol, ter grootte van een kroket, al rollend over de badkamervloer. Mijn zussen gilden in afschuw naar beneden, waar mijn vader, in gepaste dronkenschap de trap op kwam rennen. Geamuseerd bewonderde hij mijn kunstje. “Draytje kroket!”, riep mijn vader lachend. Verder kan ik me niets meer van deze Oudejaarsavond herinneren, maar de door mijn vader te enthousiast uitgeroepen bijnaam heb ik nog heel lang mogen aanhoren.

‘Ik zal mijzelf voorstellen. Mijn naam is Martinus van Tours. Ik ben eeuwen geleden, zo’n 1.700 jaar terug, geboren in West-Hongarije. In de stad Szombathely om precies te zijn. Nu ook bekend om de voetbalclub Szombathelyi Haladás, die op het hoogste niveau spelen. Gisteren hebben ze nog met 1-0 gewonnen van Ferencváros

De man tegenover me lacht genegen en buigt even naar voren. Hij reikt naar een oude, versleten drinkbeker. Hij neemt een slok uit de groene mok. Hij zit nu rechtop op de sofa. De man heeft een leeftijd van achter in de zeventig, misschien net tachtig jaar. Het grijze pak dat hij draagt lijkt hem niet comfortabel te zitten. Hij trekt constant aan zijn jasje. De knoop van zijn stropdas hangt losjes om zijn nek en zijn schoenen lijken een maatje te groot. Ik zit tegenover hem met een notitieboekje op schoot. Martinus wilt mij zijn verhaal vertellen. Het is niet dat niemand zijn verhaal kent, maar hij heeft de behoefte het na al die jaren na zijn dood nogmaals eens correct te vertellen.

‘Mijn vader was destijds een Romeinse magistraat. Een overheidspersoon, zeg maar. Als vijftienjarige tiener ging ik in dienst bij het Romeinse leger en kwam ik bij een ruiterij in Gallië terecht. In die tijd had je geen internet of verenigingsleven, dus enig vertier vond je in het Katholieke geloof. Dus op achttienjarige leeftijd heb ik me laten dopen, heb het leger verlaten en werd ik leerling van bisschop Hilarius van Poitiers. De belangrijkste theoloog van die tijd. Zijn geschriften vormen de oudste christelijke literatuur in Gallië.’

Martinus is een vriendelijke man. Wanneer hij spreekt doe hij dit met enthousiasme. Zijn blauwe ogen stralen als hij spreekt over zijn tijd dat hij besloot zich als kluizenaar terug te trekken in de Franse stad Ligugé. Hij vertelt me met schik dat hij juist toen veel volgelingen kreeg.
‘Het waren er zoveel, dat dit tot gevolg had dat hierdoor het eerste klooster op Franse bodem ontstond. Kort hierna werd ik door de bewoners tot bisschop verkozen. Ondanks flink verzet van de andere bisschoppen,’ knipoogt hij me toe.

‘Als bisschop hield ik me aan het vrome monnikenleven, in tegenstelling tot andere bisschoppen, en maakte ik vele uitgebreide missioneringsreizen. Op zestigjarige leeftijd stichtte ik, natuurlijk tezamen met anderen, een klooster te Marmoutiers. Ik vond dat ik dit op deze leeftijd wel kon regelen. Het klooster was enorm in omvang en werd al snel een centrum van studie en missionering voor geheel Gallië. Ondanks dit succes, waren velen niet gelukkig met mij en mijn keuzes,’ fluistert hij me serieus toe. Hij hoest even achter zijn gesloten hand. ‘Ondanks dat ik voorstander was van orthodoxie, en nog steeds ben, was ik voor een mildere houding ten opzichte van het Priscillianisme. Een beweging binnen de christelijke kerk.’

‘Dit werd mij niet in dank afgenomen. Mijn bemiddelingen tot een mildere houding creëerde niet alleen weerstand bij de bisschoppen uit mijn eigen clerus, maar ook bij de Spaanse. Niet dat dit gegeven me tegenhield om mijn missioneringswerk te blijven doen, maar het geeft me een licht bitter gevoel, dat ik hierin werd tegengewerkt. Het is vooral treurig dat na mijn dood, mijn lichaam in triomf, als een overwinning, naar Tours werd overgebracht en bijgezet.’ De oude man glimlacht bedroevend naar mij en haalt even zijn schouders op. ‘Na bijna tweeduizend jaar, ben ik er nog niet aan gewend.’

‘Maar laten we vooral niet treuren, of boos blijven. Daar is niemand bij gebaat.’ Martinus van Tours kijkt me aan en vraagt me of ik verder nog vragen heb. Zonder te antwoorden, weet ik dat hij mijn vraag al weet. Hij sluit zijn ogen en vertelt verder.
‘Het was in mijn tienerjaren, een paar jaar nadat ik in dienst bij het Romeinse leger ging. Aan de stadspoort van Amiens reden we op onze paarden voorbij een paar schooiers. Bedelaars, zeg maar. Eén van hen was van mijn leeftijd en ik bedacht toen hoe ik zelf had geleefd, wanneer mij geen keuzes in het leven waren gegeven. Het was toen dat ik zonder aarzelen mijn mantel in tweeën sneed en mijn helft van de mantel aan de  arme schooier gaf. Soms is spontaan handelen niet verkeerd. Het blijft bij de mensen hangen.’

Martinus pakt zijn mok van de tafel en ziet dat deze inmiddels leeg is. Hij haalt zijn schouders op en glimlacht. ‘Komen er vanavond nog kinderen aan de deur te zingen voor snoep?’