Relatiedag

Het is relatiedag op de militaire vliegbasis Woensdrecht en dankzij een uitnodiging van neefje Martijn, de jongste zoon van mijn zus, die bij defensie in opleiding is, staan Echtgenoot en ik op vrijdagochtend om half tien voor de poort van de vliegbasis aan de Kooiweg in Hoogerheide. We zitten beiden in de auto en overhandigen onze identiteitskaarten. Altijd een spannend moment. Staan we op de gastenlijst? Het is alsof je ‘Bingo!’ hebt geroepen en je kaart wordt door een strenge dame gecheckt of je ook daadwerkelijk in de prijzen bent gevallen.

We hebben bingo, en de prijs is dat we mogen doorrijden. Ik ben nooit eerder op een vliegbasis geweest en ik kijk mijn ogen uit. Links van mij zie ik appartementengebouwen van drie etages hoog, in vrolijke primaire kleuren en op bijna iedere rotonde staat er een vliegtuig geparkeerd. Of eigenlijk geëtaleerd. Een eenmansvliegtuigje schuin en leunend op een stalen balk. Ik vind het leuk. Verder is de vliegbasis als een doodnormaal Hollands dorp, met dat verschil dat het militaire dorp achter kilometers lange omheining en prikkeldraad ligt verscholen.

We worden ontvangen in de ‘huiskamer’ van de militairen in opleiding, wat in mijn ogen gewoon een buurthuis van dit omheinde dorp is. Het is praktisch ingericht, met een bar, een biljarttafel en gezellige zitjes. Veel relaties van de militairen in opleiding zijn aanwezig. Ze drinken koffie en zijn in afwachting van wat gaat komen. Er is een programma opgesteld, maar door het winterse weer en de hierdoor ontstane files, wordt deze met dertig minuten uitgesteld.

Uiteindelijk begint de dag met een informatiebijeenkomst, waarbij de militairen in opleiding nog niet aanwezig zijn. De commandant van de opleiding heet ons, de genodigden, welkom en vertrekt na een korte introductie, om plaats te maken voor de mentoren die beknopt vertellen wat de leerlingen de afgelopen twee weken hebben geleerd en meegemaakt. Hierna volgt een film die de gehele opleiding van begin tot het einde volgt en tot slot is het een vragenronde die deze bijeenkomst beëindigt.

Hierna moeten we per bus naar de opleidingsplek in het bos. Deze is verlaten en we zien de tenten, besneeuwd tussen de bomen, waar de militairen in opleiding de afgelopen twee weken hun bivak hebben gehad. Ik benijd hen niet. We moeten (want in het leger moet je, en daar mag je niets) nog even wachten en dan uiteindelijk komen de stoere mannen en vrouwen, in strakke legergroene uniformen en stevige kistjes onze kant op marcheren. Strakke gezichten die met de ogen het publiek scannen in de hoop bekenden te zien. Enkelen zullen teleurgesteld zijn, want veel familieleden staan nog in de file.

Na een korte ceremonie die bij defensie standaard is (commanderen en in de houding staan) mogen de leerlingen naar de bezoekers. Martijn loopt trots naar ons toe en begroet ons. Na een klein kwartier komen dan ook zijn moeder (mijn zus) en zijn broer (mijn neefje Rick) aan bij de opleidingsplek. Na een korte rondleiding door de diverse tenten, in mijn ogen zeer primitief, maar mijn Echtgenoot vind het allemaal maar luxe, gaat iedereen per bus naar het restaurant, waar we van een uitgebreide lunch kunnen genieten.

Na de lunch krijgen we een korte rondleiding in het complex waar Martijn zijn vrije tijd doorbrengt. Veel in legergroene kleding gestoken mannen en vrouwen laten het trots aan hun visite zien. Het is een van de appartementengebouwen die ik vlak nadat we de basis opreden al had gezien. Ik vind het binnen maar grauw en grijs, ter vergelijking met de vrolijke primaire kleuren aan de buitenkant en ik bedenk dat een paar plantenbakken niet zouden misstaan in de trappenhuizen. De kamer is klein en biedt plaats aan drie personen. ‘Dat is wel heel anders dan de slaapzalen van vroeger’, stelt mijn Echtgenoot.

Om kwart over twee moeten de militairen in opleiding zich melden bij de sergeant voor een laatste appèl en even na twee uur lopen ze samen met de bezoekers naar het pleintje waar de sergeant wacht. De bezoekers worden verteld elders te wachten en na ongeveer een half uur moeten we terug naar het plein waar de militairen in opleiding nu in burger in het gareel staan. De uniformen hebben plaats gemaakt voor trendy en kleurrijke kleding. En ineens valt het me op: De stoere mannen en vrouwen van daarnet zijn nu getransformeerd in jongens en meisjes.

Vliegbasis Woensdrecht

Dromen

Ieder mens droomt. Ikzelf ben een mens, dus ik droom. Ik kan je zeggen dat ik vaak en veel droom. Iedere nacht droom ik meerdere dromen. Gelukkig kan ik me niet alle dromen herinneren (ik denk dat ik gek zou worden), maar vaak weet ik mijn droom de volgende dag wel te onthouden. Mijn dromen zijn altijd kleurrijk, geurrijk en ik durf te beweren dat ze ook avontuurlijk zijn. In mijn dromen ben ik altijd onderweg. Altijd doelloos op reis naar ergens. Dit zal voor de dromenkenners en droomfanaten hoogstwaarschijnlijk iets kunnen betekenen, maar ik zoek er niets achter. Ik droom lekker door, zeg maar.

Ik kan me nog een droom voor de geest halen van toen ik nog een zesjarig kind was. In die droom zat ik in een schoolbus (wederom onderweg) met andere klasgenootjes en we reden door de duinen bij de Noord-Hollandse kust. Waarom ik me deze droom nog kan herinneren is zeer waarschijnlijk omdat er, bij het wakker worden na deze droom, een grobbenbol (van de toen populaire kindertelevisieprogramma Tita Tovenaar) aan het voeteneind van mijn bed zat. Natuurlijk was het geen echte grobbenbol. Het was een doe-het-zelfpakket. Samengesteld van lappen jute, wol en kralen voor de handen en ogen. Het was het groene exemplaar, niet die met een punthoofd en een hoog irritant stemmetje, die constant “Hupsakee!” riep. Ik kan nu niet bedenken wat de namen van de grobbenbollen zijn, maar het zal me niet verbazen wanneer ze gewoon Groentje en Geeltje heten. Maar dat terzijde.

Vannacht was ik in mijn droom, samen met Echtgenoot op vakantie naar een tropischachtig eiland en op een gegeven moment, zoals dat altijd in dromen gaat (bij mij wel) ben je dan ineens op een totaal andere plaats. Echtgenoot speelt dan geen rol meer in de droom en heeft nu plaats gemaakt voor een jong gezin. Vader, moeder en twee kleine jongetjes, die mij in steenkool-Engels aanspreken. In mijn droom vertellen ze me waar ze vandaan komen, maar in mijn droom kan ik ze niet verstaan. Of ik begrijp ze niet. Op mijn droomlocatie (de plek in mijn droom, niet te verwarren met een favoriete plek in real life) ben ik druk bezig met het schieten van diverse foto’s en ik loop vervolgens samen met het gezin, waarvan ik nog steeds niet weet waar ze vandaan komen, over een brede steiger, een loopplank tussen twee eilandjes. De hoge golven slaan tegen de steiger en onzichtbare rotsen, Ze blenden hierdoor met de strak blauwe hemel, waarbij alleen witte schuimkragen tegen de hemel afsteken. Diverse kleuren blauw tekenen een werkelijk spectaculair beeld en opgewonden, als een bezetene, schiet ik tientalle foto’s. We zien in de verte een tweetal vossen voorbij rennen (het blijft tenslotte een droom) en met mijn mobieltje leg ik deze twee dieren vast op de geheugenkaart.

Dan word ik wakker van een van onze katten, omdat ze over mij heen loopt. Het dier heeft honger en aangezien ze het vertikt om zelf het kattenvoer in een bakje te doen, maakt ze mij wakker om haar ontbijt klaar te maken. Het opgewonden gevoel uit mijn droom is nog niet helemaal weg en ik reik snel naar mijn mobieltje om daar mijn foto’s te bekijken. Teleurgesteld dringt het tot me door dat de foto’s die ik in mijn droom heb geschoten er niet te vinden zijn en ik vraag me af: Zou het niet fantastisch zijn wanneer we de in een droom geschoten foto’s, wanneer we wakker zijn, terug kunnen zien?

Naaktstrand

 Het is eind januari en ik zit op het Bliek-bankje aan het Leperlaarpad, het fietspad in het natuurreservaat De Noorderplassen, gelegen tussen de waterplassen de Noorderplassen en de Lepelaarplassen in Almere. Met de muts op, sjaal om de nek gebonden en ikzelf diep in mijn winterjas weggekropen, kijk ik over het water en moet ik denken aan de maand juli van vorig jaar.

Toen lag ik zonder een zwembroek aan het water elders in Almere. Op het Almeerderstrand, helemaal aan de zuidelijke kant. Daar, tegen het hek met het verbodsbord met de tekst ’Verboden toegang voor onbevoegden, Art. 461 Wetb. v. Strafrecht’, waar vele andere naaktrecreanten op hun handdoekje liggen te genieten van de zon.

Ik doe het niet vaak, maar wel graag. Naakt zonnebaden. Buiten in je blote kont met als enig textielstuk het strandlaken waar je op zit. Vorig jaar juli hadden we in Nederland een paar weken met mooi weer en dan ging ik aan het begin van de middag op de fiets naar het Almeerderstrand. Nadat ik mijn fiets veilig en op slot had achtergelaten liep ik naar een rustig plekje nabij het hek waar je volgens het Wetboek van Strafrecht niet verder mocht gaan. Je begroette een paar andere naaktrecreanten met een ‘goedemiddag’ of een vriendelijke knik om daarna heerlijk relaxt op je handdoek te gaan liggen.

Met de ogen dicht. Je voelt de warmte van de zon op je huid, je ruikt de geur van de zonnebrandcrème die de huid indringt, het geluid van de kleine golven op het IJmeer die door de wind ruisend en suizend neuriën en het gezang of gekwetter van de vogels in de bomen, welke om een tiental minuten worden verstoord door een voorbijrazende sprinter of intercity van de NS. Officieel is dit stuk strand niet bedoeld om er naakt te liggen. Door de verbreding van de A6 is het naaktstrand dat Almere vroeger had, komen te vervallen. Er is geen alternatief.

De gemeente Almere heeft toen niet aan een alternatief gedacht of ze vond het niet belangrijk genoeg. Dat is me onduidelijk. Behalve het feit dat er helemaal niet meer naakt gelegen mag worden op de stranden van Almere. Op elke openbare plek in Almere mag het niet. Voor het komend jaar heeft de gemeente Almere een alternatief aangeboden, maar daar is nog veel onduidelijkheid over. Voorlopig hoef ik me nog niet druk te maken om in mijn blootje in de buitenlucht te mogen zitten, want het duurt nog wel een paar maanden voordat de zon met hoge temperaturen aan de hemel staat.

Ik sta op van het Bliek-bankje en ik trek mijn handschoenen aan. De wind waait me guur in het gezicht en ik bedenk dat een half jaartje geleden zo kort lijkt, maar dat een half jaar te gaan nog zo enorm ver weg is.

Aanklooien

Vroeger was alles beter! Het is zo een gevleugelde uitspraak die tegenwoordig te vaak en door veel mensen wordt geroepen. Het is een soort van begeerte naar vroeger. Een ongezond, nostalgisch verlangen naar een tijd die we soms niet eens bewust hebben meegemaakt. Kleine kinderen roepen te verlangen naar een witte kerst. Net als vroeger. Zoals het kerstfeest werd omschreven in A Christmas Carol, de novelle van Charles Dickens. We verlangen tegenwoordig naar de beelden uit oude vertellingen. Het maakt niet uit of we dit via een boek of een verfilming hebben meegemaakt.
   Het was vroeger niet allemaal beter. Het kon ons vroeger alleen niet zo veel schelen. En dat is waar veel mensen naar verlangen. Aanklooien. Doen waar je zin in hebt. Autorijden zonder gordels om. Brommeren zonder valhelm op en roken waar we wensen te roken. Een sigaretje op het werk, een shagje in de trein of op kraamvisite, waar we vrolijk een sigaar opsteken om te vieren dat er een nieuw mens is geboren. Dat is wat we willen. Datgene doen waarvan we denken dat het heus niet zo slecht voor ons is. We wensen geen confrontatie met een verheven vingertje. Geen overheid die ons vertelt wat we moeten doen en vooral wat we niet moeten doen.
   We willen dat we zelf kunnen beslissen wat goed en slecht voor ons is. Ik heb zelf mogen ondervinden dat het roken van een sigaret slecht voor je is. Dat het naast ongezonde longen en een ongezond uiterlijk, vooral ook een stinkende omgeving oplevert. Om hier achter te komen heb ik op twaalfjarige leeftijd, samen met enkele klasgenootjes van basisschool De Torp, shagjes staan draaien in het fietsenhok op het schoolplein. De enige waarschuwing die wij als kinderen kregen was om onze broekspijpen dicht te binden. Tegenwoordig worden de kinderen door de overheid gewaarschuwd met onsmakelijke longfoto’s en confronterende, waarschuwende teksten.
   Dat ik ooit een aantal jaren heb gerookt vind ik spijtig. Ik heb er een soort van lichte jaloezie naar de mensen die nimmer een sigaret aan de mond hebben gehad, aan overgehouden. Maar spijt is voltooid verleden tijd. Je moet niet lang naar spijt omkijken. Je kunt beter spijt hebben van je ervaringen, dan aan het gebrek ervan. Wanneer je vroeger een gat in je hoofd viel, omdat je zonder valhelm op, met de brommer over de kop vloog, is dat niet iets waarop je met nostalgische tevredenheid terug zult kijken. Hiermee wil ik zeggen dat vroeger niet alles beter was, maar vroeger konden we gewoon wat aanklooien. Misschien moeten we dat weer eens wat vaker doen.

Goddelijk

In het verleden heb ik het wel eens gedaan. Bidden. Niet om religieuze redenen, maar meer tijdens de periodes waarin ik niet lekker in mijn vel zat. Om mijzelf op te beuren, steun te vinden of het idee te krijgen dat alles goed komt. Dat was toen ik nog thuis, en later als alleenstaande op een flatje in Den Helder woonde. Sindsdien bid ik niet meer. Het leven gaat prima. Maar soms wanneer ik nare berichten hoor, vraag ik me wel eens af: Waarom.
   In gedachte krijg ik soms een antwoord of opmerking. Natuurlijk weet ik dat het een stemmetje in mijn hoofd is. Ik ben niet echt gek. Maar misschien heb ik het mis. God is ooit, volgens een van de bijbelverhalen, als een brandende bramenstruik aan Mozes verschenen. Dan is een stem in mijn hoofd niet minder ongeloofwaardig. Zo krijg ik af en toe ingevingen of geruststellende gedachten om mijzelf en anderen goede moed in te spreken. Wanneer ik via mediaberichten, meer dan eens, verneem over de religieuze organisaties of de overheden in het buitenland over hoe zij homoseksualiteit in het algemeen -en daarmee ook mij persoonlijk- afkeuren en veroordelen, denk ik: Waarom.
   En laatst hoorde ik ineens een stem. Niet in mijn hoofd. Gewoon op enige afstand. Ik keek op en daar zag ik op een paar meter van mij, iemand staan. De persoon vroeg mij waarom ik een vraag stelde waarop te veel antwoorden konden gegeven worden. Ik verklaarde dat het mij verbaast dat er mensen zijn die een heilig boek gebruiken om vooral anderen te veroordelen. De persoon zuchtte en zei: “Er zijn mensen die te vaak in een boek van duizenden jaren oud kijken. Ze vergeten om zich heen te kijken om te zien wat er tegenwoordig leeft.”
   De persoon vervolgde: “Mensen hebben vrije wil gekregen en kunnen niet verplicht worden in God te geloven. Zo kan God hen ook niet verplichten iedereen lief te hebben”. Ik vond dit een redelijk antwoord, maar was toch ook nieuwsgierig naar het idee of God daadwerkelijk bepaalde volkeren of sommige mensen haat. De persoon tegenover mij glimlachte, haalde de schouders op en verklaarde dat God geen haat kende. De mens is gecreëerd naar Gods evenbeeld. Hoe kan Hij de mens haten? Haat is een negatieve energie die de mens achter zich moet laten. Het oordelen over anderen en veroordelen van anderen is een van de grootste zonden.

Ochtendmensen

Zondagochtend en de weersverwachting voor vandaag is niet positief. Tenminste, als je van koud winterweer houdt is het wel goed nieuws. De temperatuur ligt rond het vriespunt en er zijn lichte regenbuien voorspelt. Het is nog droog wanneer ik in bed mijn weer-app check. Ik neem het besluit om nu mijn hardlooprondje te gaan lopen en niet langer te wachten. Mijn echtgenoot slaapt en mompelt de twee woorden ‘is goed’ als een bevestiging op mijn mededeling dat ik zo dadelijk een half uurtje ga hardlopen. Normaal gesproken loop ik minimaal drie kwartier, maar Buienradar heeft een weerswaarschuwing gegeven voor gladde wegen en ik wil voor de regenbuien weer thuis zijn.
   Om negen uur loop ik buiten over het Spoorbaanpad. Het valt mee met de koude temperatuur. Net als het wegdek van de fietspaden. Hier en daar zie ik wat brokken opgevroren sneeuw, maar verder vind ik het wel te doen. Gewoon alert blijven, denk ik. Onderweg kom ik een paar tienerjongens op de fiets tegen. De een kijkt nog slaperig uit de ogen, maar de ander is druk aan het woord. Grote sporttassen worden op de bagagedragers meegezeuld. Ik neem aan dat ze onderweg zijn naar de sportvelden bij Muziekwijk. Bij twee kilometer meldt de mannelijke stem van mijn hardloop-app dat ik constant en in mijn eigen tempo loop. Ik sla af en loop de woonwijk Tussen de Vaarten-Noord in, over het van Eyckpad. Hier moet ik in het gras lopen, want er liggen grote plassen op het fietspad en het is waarschijnlijk glad.
   Een oudere man met een opvallend grote blauwe sjaal om zijn nek trekt ongeduldig zijn hond mee. De foxterriër wil overal aan ruiken en moet daar een plasje met opgetrokken poot achterlaten. Wanneer de hond een mens was geweest, dan zou men hem een dwangneurose diagnosticeren. De man met de blauwe sjaal heeft geen geduld en rukt stevig aan de hondenriem. Wanneer ik hem voorbijloop, kijkt hij me chagrijnig aan.
   Ter hoogte van het gezondheidscentrum ‘Het Perspectief’ passeer ik een oudere vrouw met licht nicotinegeel haar, verstopt in de kraag van haar grijze winterjas en een te kleine zwarte muts. In haar rechterhand houdt ze de hondenriem vast en in haar linkerhand een sigaret. Haar bruine teckel loopt enkele meters voor haar uit en zelf sjokt ze nu onder de busbaan door. Ze kijkt om wanneer ze me hoort lopen. Ik loop langzaam, want overal liggen er opgevroren sneeuwhoopjes. Ik wens haar een goedemorgen toe en met een zware rokersstem zucht ze mij een goedemorgen terug.
   Het lijkt me dat niet iedereen vrijwillig naar buiten is gegaan, deze zondagochtend.