Momenteel lees ik het boek ‘Het Andere Hollywood: Gays, Lesbo´s en Bi´s in de filmstad.´Het is van de hand van de Nederlandse schrijver Adrian Stahlecker, en op de achterzijde van het boek staat de volgende informatie:

Hollywood werd in de twintigerjaren opgeschrikt door een reeks van seksschandalen. Filmmagnaten besloten toen moraalclausules op te nemen in de filmcontracten. Als een ster in opspraak was geraakt kon de studio het contract annuleren. Als echter een kasmagneet betrof betaalde men soms de politie om de zaak in de doofpot te krijgen. In de vijftiger jaren stond Hollywood op z’n kop toen het roddelblad Confidental verscheen om het privéleven van sterren bloot te leggen. Veel stoere, knappe idolen waarover vrouwen droomden, bleken homo/ of biseksueel te zijn. Hun seksuele geaardheid zou het einde van hun carrière kunnen betekenen. Velen gingen daarom surrogaathuwelijken aan terwijl anderen er aan ten ondergingen.

Met deze achterflap-tekst wordt ook meteen de toon en de aard van het boek gezet. Het is een voortzetting van de roddelverhalen zoals deze vroeger in bladen als Confidental gepubliceerd werden. Een homoseksueel uit de figuurlijke kast trekken en hiermee afkraken. De verhalen zijn allemaal net als toen: aannames. Er zijn weinig bevestigingen en wanneer je het boek leest, krijg je af en toe het idee dat destijds in Hollywood iedereen homoseksueel was. Iedereen kent natuurlijk het verhaal van Rock Hudson. Of het verhaal van de ‘speciale‘ vriendschap tussen de samenwonende acteurs Cary Grant en Randolph Scott. Die -zoals ook in het boek staat vermeld- na publicatie van de beroemde fotoreportage, beiden in rap tempo het huis verlieten om vervolgens hals-over-kop in het huwelijk met hun nieuwe, vrouwelijke liefdes te stappen.

Ook vertelt het boek over de acteur Farley Granger, bekend van film als ‘The Rope’ en ‘Strangers on a Train’. Granger had geen zin in gekonkelfoes aan zijn adres en stiekem gedoe over zijn geaardheid. Hij kwam openlijk uit voor zijn homoseksualiteit. In 2007 publiceerde hij zijn memoires in het boek ‘Include Me Out’, mede-geschreven met zijn levenspartner, producer Robert Calhoun. In het boek bespreekt hij zijn carrière en persoonlijke leven. Sinds 1959 waren de beide heren door liefde aan elkaar verbonden. Calhoun stierf in mei 2008 aan longkanker in New York, Farley Granger stierf drie jaar later, op 27 maart 2011. Ondanks dat Farley niet voor de makkelijke weg heeft gekozen door openlijk voor zijn liefde voor Robert uit te komen, was hij, tezamen met zijn partner, gelukkiger dan menig acteur en actrice, die na de opnames ook achter de camera moesten blijven doen alsof.

Farley Granger as Phillip Morgan
Farley Granger, 1948.
Farley poseert in 2010.
Farley Granger, 2010.

Laatst liep ik in een park en ik vroeg me af: waar zijn alle bloemen gebleven, het lijkt zo lang geleden. Toen bedacht ik dat kleine meisjes ze hadden geplukt. Alle bloemen van het veld. Kleine meisjes, zullen ze het ooit leren?

Laatst liep ik in het centrum en vroeg me af: waar zijn alle jonge meisjes gebleven, het lijkt zo lang geleden? Toen bedacht ik dat kleine meisjes opgroeien. Alle kleine meisjes klaar om te trouwen. Jonge bruidjes, zullen ze het ooit leren?

Laatst zat ik op de fiets en vroeg me af: waar zijn alle jongemannen gebleven, waar zijn ze nu? Toen bedacht ik dat de jongemannen nu allemaal soldaat zijn. Alle jongemannen in gevecht aan het front. Jongemannen, zullen ze het ooit leren?

Nu vraag ik me soms hardop af: waar zijn alle soldaten gebleven, waar zijn ze naartoe? Maar eigenlijk wist ik het antwoord al, alle soldaten liggen op het kerkhof. Allen gestorven voor hun land. Soldaten, zullen ze het ooit leren?

Waar zijn alle begraafplaatsen gebleven, ik zie ze niet meer terug. Door iedereen vergeten en overgroeid door alle wilde bloemen. Het zijn nu verborgen monumenten.
Mensen, ze zullen ze het nooit leren.

vrij bewerkt naar: ‘Where Did All The Flowers Go?

Bij ons in de straat, een paar huizen verderop, woont een gezin die er hartstikke goed in is om mijn echtgenoot en ik compleet te negeren. De oorzaak hiervan ligt zeer waarschijnlijk in het feit dat wij (mijn echtgenoot en ik) homoseksueel zijn. Dit doen ze overigens al jaren, en inmiddels doen mijn echtgenoot en ik ook maar alsof deze mensen lucht zijn. Na hen in het verleden een paar keer te hebben gegroet, om vervolgens geen reactie te krijgen, zie ik het groeten aan hen als een vage herinnering. Wees gegroet en toedeloe. De reden van deze zwijgzame behandeling komt ook door hun geloofsovertuiging’.

Deze ‘lieve’ buren zijn bijbelgelovigen, maar ik denk dat het exemplaar op hun nachtkastje de hoofdstukken Mattheus 22:36-40  (daar waar de bijbel het heeft over ‘hebt uw naaste lief’) mist. Ook kan de reden van de homofobe ontkenning worden veroorzaakt door de seksuele onzekerheid van de buurman zelf. Ik heb geen zogenaamde gay-dar, maar de man straalt wel regenboogkleuren uit.

Buren. Je zoekt ze niet uit. Ze worden je toegewezen. Net als familie. De groep mensen waarvan je het maar moet hebben, volgens de tegeltekst. Zo heb ik neef en tevens naamgenoot (voor- en achternaam) die in de hoofdstad van IJsland, Reykjavik, woont. Een paar jaar geleden kwam ik hem op Facebook tegen, en ik dacht: leuk, even een vriendschapsverzoekje doen. Ook hier heb ik, net als het groeten aan mijn buren een paar huizen verder, geen reactie op mogen ontvangen. Aardig detail: mijn zussen werden nog in diezelfde week Facebookvriend met deze homofobe neef op IJsland. Dat zijn momenten waarbij ik een modern en populair woord van verbazing binnensmonds mompel:  Dafuq?.

Natuurlijk voel je je op zulke onverwachte momenten gekwetst. Het is een mes in de rug. Maar gelukkig niet in de letterlijke zin van het woord. Persoonlijk laat het bij mij geen littekens achter. Het is wel een openbaring. De mensheid is helemaal niet zo vroom. Deze snobistische homofoben vinden de seksuele geaardheid van homoseksuelen angstig, maar eigenlijk is de aard van hun angst vele malen ernstiger.

 

Vroeger, nog voordat ik mijn melkgebit mocht inwisselen voor een volwassen exemplaar, was ik een echte zoetekauw. Met groots plezier en het grootste gemak maalde ik al het snoepgoed en al die andere suikerzoete versnaperingen met mijn melkkiezen weg. Op tweejarige leeftijd wist ik op een vroege zondagochtend stiekem een doos met tompoezen uit de koelkast weg te pakken, om vervolgens, veilig op mijn slaapkamer, twee exemplaren weg te werken en de resterende tompoezen onder mijn bed te verstoppen. Het consumeren van alle zoetigheid hield mij meer dan alleen zoet.

Natuurlijk werden nog diezelfde dag de resterende tompoezen door mijn moeder of door een van mijn zussen teruggevonden, en zal ik ook op die jonge leeftijd mijn verantwoording hebben moeten afleggen voor het verduisteren van de gebakjes. De jacht naar zoetigheid heeft zich gedurende mijn hele jeugd voortgezet. Tot grote ergernis van mijn ouders. Ik kon me in de jaren zeventig van de vorige eeuw als een suikerjunk gedragen wanneer ik van mening was dat mijn suikerspiegel op peil moest blijven.

Ik heb me ooit thuis, totaal misdragen in de aanwezigheid van visite, toen ik van mening was dat ik recht had op (nog) een abrikozenflap. Als een debiele dwaas riep ik constant dat ik een abrikozenflap wilde, en bij het negeren door mijn ouders (en de visite) eindigde dat bij mij in het herhaaldelijk roepen van het woord: Abrikozenflap. Wanneer ik mijn eigen kind was geweest, had ik mijzelf destijds een flink pak rammel gegeven in plaats van een zoethouder.

Voor de rest was ik tijdens mijn jeugd een heel lief, rustig en zoet kind, en wordt er tegenwoordig alleen nog maar smakelijk en vermakelijk over mijn dwaze uitspattingen gesproken. Snoepen is inmiddels niet meer aan mij besteed. Sinds 2007 ben ik bewust gestopt met het gebruik van suiker, maar zo af en toe heb ik een terugval. Dat uit zich eigenlijk alleen in het ‘trek hebben’ van toetjes. Waar ik vroeger al kon genieten van chocoladevla uit de fles, geniet ik nog steeds van vla uit geplastificeerd karton .

Thuis genieten we van ons toetje. We gebruiken het nagerecht om de dagelijkse maaltijd met een zoete voldoening te sluiten. Dat gebeurt met de eerder genoemde chocoladevla, maar ook met een schaaltje yoghurt of een pudding. Het laatste vooral wanneer Albert Heijn weer eens een aanbieding heeft van ‘tweede artikel gratis’. Dan eten we graag ieders een Mona-pudding, maar vaak vallen we terug op het schaaltje aardbeienyoghurt of chocoladevla.

Sinds anderhalve week hebben we de gewoonte om de maaltijd af te sluiten met kookpudding. Zelfgemaakt met de hulp van Dokter Oetker (wiens naam ik nog steeds uitspreek met een lange oe-klank). Heel makkelijk, heel lekker en lekker goedkoop. Gewoon een halve liter melk aan de kook brengen, pakje kookpudding erbij gieten en vervolgens twee minuten op laag vuur blijven roeren en in dessertschaaltjes uitgieten. Wanneer je ongeduldig bent kun je de pudding warm opeten, maar wij laten het een paar uur afkoelen.

dessert