Van de week voelde ik me ineens ongeveer 94 jaar oud op mijn werk. Het begon allemaal toen een collega per ongeluk een faxnummer belde. Een paar seconden later klonk uit haar telefoon een hard, schel en buitenaards piepgeluid, alsof een boze robot uit 1987 contact probeerde te maken met de aarde. Ze schrok zich rot en trok haar telefoon weg alsof die ieder moment kon ontploffen.
“Wat ís dit?” vroeg ze.
Ik keek op van mijn scherm en zei vrij achteloos: “Dat is een fax.” Daarna gebeurde iets prachtigs. Twee collega’s, beiden geboren in dit millennium, draaiden zich nieuwsgierig mijn kant op. Alsof opa eindelijk ging vertellen hoe vroeger de dinosaurussen werden gevoerd.
Dus begon ik uit te leggen hoe een faxapparaat werkte. Dat je vroeger een papieren document in zo’n apparaat schoof, een telefoonnummer intoetste en het papier vervolgens via de telefoonlijn naar een ander faxapparaat werd gestuurd. Geen e-mail, geen pdf, geen cloud. Gewoon papier dat via telefoonsignalen aan de andere kant van het land weer uit een machine kwam rollen. Inclusief dat beroemde gepiep en gekraak, alsof twee magnetrons ruzie maakten.
Ik zag tijdens mijn uitleg precies dezelfde blik die ik vroeger had wanneer oudere mensen vertelden dat er ooit voor het eerst een vliegtuig overvloog. Nadat ik mijn spoedcursus “Faxen voor beginners” had afgerond, kwam de echte genadeklap.
“Hoe was het eigenlijk toen internet opkwam?”
Dat is dus zo’n vraag waarbij je spontaan je knieën voelt kraken.
Ik vertelde dat ik eind jaren negentig op het internet kwam. Dat ging toen niet draadloos, niet snel en zeker niet ongemerkt. We hadden een modem nodig. Een apparaat dat eerst minutenlang geluid maakte alsof iemand een stofzuiger door een synthesizer had gehaald. Pas daarna had je verbinding. Soms.
En dat modem gebruikte de gewone telefoonlijn. Dat betekende dat zolang jij op internet zat, niemand thuis kon bellen. Of andersom: als iemand belde, kon jouw internet eruit vliegen. Hele gezinnen leefden destijds in een soort passief-agressieve wapenstilstand rondom de telefoonlijn.
“Niet bellen hoor, ik zit op internet!”
Een zin die tegenwoordig klinkt alsof iemand zegt dat hij de paardentram nodig heeft.
Ik vertelde ook dat internet merkbaar sneller was tijdens belangrijke voetbalwedstrijden; vooral als het Nederlands elftal speelde. Dan zat half Nederland voor de televisie in plaats van achter de computer. Dat merkte je echt. Websites laadden sneller, chatprogramma’s reageerden beter en je had ineens minder kans dat alles vastliep. Tegenwoordig klinkt dat bijna absurd. Alsof de snelheid van internet afhankelijk was van een corner of penaltyserie.
Wat me vooral opviel tijdens dat gesprek, was iets anders. Mijn collega’s luisterden niet alleen uit nieuwsgierigheid. Er zat ook een soort verlangen in. Alsof ze heimwee voelden naar een tijd die ze nooit hebben meegemaakt. Naar een periode waarin techniek nog niet perfect was. Waarin dingen soms traag, onhandig en frustrerend waren, maar daardoor misschien juist menselijker aanvoelden.
Geen constante meldingen. Geen sociale media die om aandacht schreeuwen. Geen algoritmes die al weten wat je wilt voordat je het zelf weet.
Het internet voelde toen nog als een ontdekking. Rommelig, traag en soms irritant, maar ook avontuurlijk. Je klikte ergens op en wist totaal niet waar je terechtkwam. Een digitale zwerftocht zonder routeplanner.
Terwijl ik mijn collega’s aankeek, realiseerde ik me ineens hoe snel techniek eigenlijk verandert. Voor hen is internet net zo vanzelfsprekend als stromend water. Voor mij blijft er ergens altijd nog dat geluid van een modem bestaan. Dat krijsende, ratelende welkom naar een nieuwe wereld.
Overigens ben ik blij dat het faxgebruik is uitgestorven. Dat faxgeluid mogen ze houden. Sommige vormen van nostalgie klinken beter in je herinnering dan in het echt.
