DRAY BOSMA

"Je moet niet alles willen meemaken."

Nadat mijn vorige ‘On the Road’ fiets tijdens de grote fietsenrazzia van mei 2019 werd opgepakt en afgevoerd heb ik niet lang zonder een vervoersmiddel gezeten. Anderhalve week nadat mijn oude fiets voor recycling was afgevoerd, had ik al een zo goed als nieuwe, maar toch wel een oude herenfiets in Amsterdam staan. Het is de oude ‘Medley’-fiets van Edo, die er niet langer op wenste te fietsen. De achterband stond constant leeg en dat was iets om moedeloos van te worden. Ik besloot de Medley mee te nemen naar de fietsenmaker die er om de wielen van de fiets een bijna-niet-lek-te-krijgen-binnenband van zeven millimeter dikte 7 mm om wilde leggen. Al snel was een fietsenadoptie een feit en op de zomerse eerste dag van juni 2019 nam ik mijn Medley met de trein mee naar zijn nieuwe woonomgeving in Amsterdam Nieuw-West.

Hier heeft mijn Medley-fiets het heerlijk naar zijn zin. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger. Waar mijn vorige ‘On the Road’ fiets onafgebroken haar banden in het zand zette en er alles aan deed om duidelijk te maken dat ze niet gelukkig was met de verhuizing naar Amsterdam, doet mijn Medley het heel goed. Medley neemt mij mee naar mijn werk en van mijn werk terug naar het metrostation. Toen het nodig was bracht hij mij zonder tegenstribbelen naar familieleden zo’n zesenhalve kilometer verderop in Amsterdam. Daar heeft hij zelfs nog een paar dagen mogen logeren in de kelderbox, totdat ik hem nodig had voor het traject metrostation en werklocatie. Dat hij daarna weer dag en nacht bij Metrostation Sneevliet in de buitenlucht moest staan, heeft hem niet in karakter veranderd.

Wel heeft mijn Medley een afvallige periode van dunne bandjes gehad. Ik dacht eerst dat het een lekke achterband betrof, maar dat leek juist onmogelijk, omdat de fietsenmaker de bijna-niet-lek-te-krijgen-binnenband om de wielen had gelegd. Toch hebben we samen ruim een anderhalve week met samengeknepen billen de dagelijkse drie kilometer tussen het metrostation en mijn werklocatie (en terug) afgelegd. Tot het moment dat ik besloot de hulp van een fietspomp in te schakelen. Ik nam de pomp mee van huis en al ras waren we in opperste stemming. Mijn fiets met volle banden en ik vol goede moed. Het was samen genieten, in volle vaart fietsend over de Johan Huizingalaan en de Henk Sneevlietweg.

Tot afgelopen maandagochtend. Ik dacht even dat mijn fiets een plan had beraamd, tezamen met zijn rijwielomstanders. Ontsproten uit de frames van de andere rijwielen bij het metrostation, natuurlijk. Wanneer je slechte ervaringen hebt opgedaan met een eerdere fiets, in dezelfde omgeving, dan ben je al snel vooringenomen in je oordeel. Het werd al snel duidelijk dat de fiets het sleuteltje niet langer in het slot leek te accepteren. Het fietsslot bleef wel open, maar verder werd er niets gepikt of geslikt. Ondanks mijn stinkende best kreeg ik geen beweging in het sleuteltje, en met enig geweld brak de fietssleutel tot mijn grote schrik in tweeën. Wilde mijn herenfiets hiermee aangeven dat de relatie tussen ons over was?

Met licht betraande ogen peuterde ik het restant van het fietssleuteltje uit het slot. Mijn fiets moest ik aan de reling van de brug laten staan, terwijl ik verder lopend naar mijn werk mocht. Nu moest ik alleen nog op zoek naar het reservesleuteltje. Het geluk was aan mijn zijde die avond; het reserve fietssleuteltje was snel gevonden. De volgende ochtend stak ik met een kloppend hart en trillende vingers het sleuteltje in het slot. Het gaf mee en met een luide klap schoot het fietsslot open. Mijn herenfiets had toegegeven en ik kon weer plaatsnemen op het zadel. Samen waren we snel onderweg, waar ik niet meer aan twijfelde of het een geplande vergelding van mijn rijwiel was geweest.

Categorieën:Read

Waar ik heel blij mee ben tijdens deze koude dagen, is mijn baard. Het is een natuurlijke koude-beschermer. Ooit ben ik gestopt met het dagelijks scheren van mijn gezicht en ben ik begonnen met het groeien van mijn baard. In het begin wilde ik na vijf á zes weken af van gezichtsbegroeiing, even zonder baard en schoor ik mijn kin en kaaklijn weer helemaal glad, maar sinds enige tijd ben ik in het bezit van een baardtrimmer en heb ik sindsdien niet echt nog een blotebillengezicht gehad.

Het is niet zo dat ik nu groepslid ben van ‘Kamp Baard’ en dat alles wat niet baard is, per definitie stom of ongepast is. In de zomer draag ik de baard korter dan in de winter en wanneer er aankomende zomer een hittegolf heerst, overweeg ik vast en zeker de baard weer eens helemaal voor de volle honderd procent weg te scheren. Maar daar kan ik nu nog geen beloftes over maken. Mijn vader zou dan een van zijn vaste uitspraken hebben gezegd: ‘Tegen die tijd kan je wel een geitenkop hebben.’ Mijn vader had soms rare, maar ook rake uitspraken.

Nu ik er zo over nadenk, bedenk ik dat mijn vader nooit een baard heeft gehad. Wel heeft hij ooit een snor laten groeien. Dat was toen we, mijn ouders en ik, op vakantie in Nijverdal waren. Het was in de zomer van 1981. Mijn ouders hadden een huisje gehuurd op het erf van een ondernemer aan de Boomcateweg, die hiermee een aardig zakcentje verdiende. Het toeval wilde dat diezelfde zomer ook een vakantiekamp van Turnlust, de drumband van Den Helder op hetzelfde erf vakantie vierden. Enkele familieleden waren lid van deze drumband en via, via was er zeer waarschijnlijk het een en ander geregeld om mijn ouders daar vakantie te laten vieren.

Mijn vader was deze zomer waarschijnlijk toe aan verandering. Of wilde gewoon even iets anders. Op een ochtend deelde mijn moeder me tijdens het ontbijt mede dat mijn vader zijn snor liet groeien. Waarschijnlijk was deze beslissing in goed overleg gegaan en vond mijn moeder dat haar bijdrage in deze, de mededeling moest zijn. Natuurlijk wilde ik de snor meteen van dichtbij bekijken, maar dat was een teleurstelling. Daar waar bij mijn vader vooral alles snel moest gaan, liet de snor zich niet meteen zien. Daar ging wel even een flinke tijd overheen. Aan het eind van de vakantie zag ik eindelijk iets van een schaduwachtige snor op mijn vaders bovenlip staan.

De snor heeft overigens geen eerlijke kans gekregen. Op de laatste vakantiedag reden we vanuit Nijverdal naar de hoofdstad van Drenthe, omdat mijn nicht Clara ging trouwen. Mijn vader ging sinds die dag weer snorloos door het leven. Zijn gezicht schoon en glad. Ik heb het nooit gevraagd en hierdoor is het mij nooit duidelijk geworden of het afscheren van vaders snor een beslissing van mijn moeder was of dat mijn vader het zelf een jeukend onding vond.

‘Ik doe het niet.’
‘Maar ik wil het…’
‘En toch doe ik het niet.’
‘Maar ik heb er speciaal een afspraak voor gemaakt!’
‘Het is te oppervlakkig. Je maakt er meer mee kapot, dan dat het iets oplevert.’
‘Maar ik heb pijn.’
‘Dat is geen reden. Wil je van de pijn af, dan moet je de oorzaak weten, en van daaruit gaan werken aan een oplossing.’

Het was een discussie met mijn huisarts die ik niet ging winnen. Al weken had ik last van een ontsteking in mijn rechterelleboog en Google had bij mij een tennisarm gediagnosticeerd. Op het moment dat ik vergat dat ik een ontsteking had, probeerde ik bij metrohalte Van Sneevliet in Amsterdam een fiets bij het stuur op te tillen. Big mistake. Een enorme pijnscheut schoot er door mijn rechterarm en er keken kort een paar mensen naar mij toen ik het eventjes uitschreeuwde van de pijn. Dat was het moment dat ik besloot om een afspraak te maken voor een cortison-injectie.

Wanneer ik die avond verder had gegoogeld, had ik zelf ook kunnen lezen dat een cortison-injectie in je arm nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor het kapsel, pezen en het kraakbeen. Dat bedoelde mijn huisarts waarschijnlijk. Toch maar goed dat er huisartsen zijn die niet alleen even snel op Google een ziektebeeld checken. Geen snelle oplossing voor mijn pijn. Om de pijn in mijn arm te verlichten kreeg ik het advies om twee keer daags mijn rechterelleboog in te smeren met Voltaren Emulgel. Hiermee was de discussie met de huisarts gesloten.

‘Zijn er verder nog klachten?’ vroeg de huisarts mij.
‘Ik heb dagelijks pijn aan mijn voet door de artrose,’ zei ik. ‘Ik heb inmiddels de pijn een plaatsje kunnen geven, maar kunt u er eens naar kijken?’
‘Natuurlijk,’ zei ze vriendelijk lachend.
Ze vroeg me de schoenen en sokken uit te doen en plaats te nemen op de behandeltafel en nam mijn voeten onder handen. Ze bekeek de bult op mijn rechtervoet en bewoog mijn grote teen heen en weer, en op en neer.
‘Doet het zeer wanneer ik dit doe?’
‘Nee,’ zei ik naar waarheid.
‘Ik denk niet dat het artrose is. Het is een drukpunt.

Vervolgens gaf de huisarts mij wat advies over het aanschaffen van goede en ondersteunende schoenen. Tips waar ik niets aan heb, want gezien het feit dat ik al 10 jaar lang het idee -of de pretentie, dat ik artrose aan mijn rechtervoet heb, hou ik jarenlang rekening met de pasvorm van mijn schoenen. Ik loop constant op hetzelfde merk hardloopschoen om vooral geen last van mijn artrose-knobbel te hebben en mijn ‘normale’ schoenen lijken eerder op de schoenen van Katrien Duck, omdat deze altijd zo breed mogelijk moeten zijn.

Enigszins teleurgesteld verliet ik het gezondheidscentrum van Filmwijk. Geen cortison-injectie. Dit betekende dat ik nog even met pijn in mijn arm mag doorlopen en de gedachte dat ik artrose in mijn voet heb, blijkt nu een illusie te zijn! Wat ik vreemd vind, want op 14 mei 2007 is er toch echt wel artrose in mijn voet gediagnosticeerd. Dokters. Kan je de geneesheren en -dames tegenwoordig nog wel vertrouwen?

 

Categorieën:Read

Ik was vorige week maandagmiddag op bezoek bij mijn moeder, die nu een kleine maand woonachtig is in een verzorgingshuis voor licht dementerende bewoners. Deze middag was er een eerste evaluatiegesprek, tevens kennismakingsgesprek ingepland. De huisarts, de apotheker en de vaste begeleidster waren hierbij aanwezig.
Na een paar weken in het verzorgingshuis woonachtig te zijn is mijn moeder tevreden met haar nieuwe onderkomen en heeft ze het erg naar haar zin. Ook het contact met de andere bewoners is goed. Gezellig.
Ondanks dat ze vergeetachtig is, is ze niet onnozel. Zo weet mijn moeder dat het verzorgingstehuis haar laatste station is. Zoals ze dat beeldend aan ons kan melden. Ze zegt zich er wel bij neer te leggen en laat de dingen gebeuren zoals ze komen.
‘Uiteindelijk went alles,’ zegt ze me wanneer we in afwachting zijn van de huisarts, de apotheker en de begeleidster. Ik vind het heel verdrietig wanneer je beginnend dementerend bent en je er bewust van bent dat je de dingen begint te vergeten. Wanneer ik mijn moeder spreek vraagt ze iedere keer om een bevestiging betreffende het overlijden van mijn oudste zus, dat een paar maanden geleden is gebeurd.
‘Gré is er toch niet meer?’ vraagt ze dan.
Ik wil niet verzachtend of ontkennend antwoorden en leg haar uit dat haar oudste dochter alweer een enige tijd geleden is overleden.
‘Ach, wat is dat toch snel gegaan,’ zucht ze dan. ‘Inderdaad,’ antwoord ik en vertel haar grenzeloos voor de zoveelste keer dat we het allemaal heel verdrietig vinden. Mijn moeder weet het dus wel. Ze vergeet het gewoon af en toe.
Het evaluatiegesprek verloopt vlot. De nodige dingen, zoals de te gebruiken medicijnen en eventuele klachten, worden besproken, en vragen worden gesteld en beantwoord.
Mijn moeder zit er een beetje terughoudend bij. Af toe grapt ze komische opmerkingen. Op haar achtentachtigste leeftijd heeft ze soms toch nog de lachers op haar hand. Maar alle aandacht voor haar vindt ze helemaal niet nodig. Aan haar lijf geen polonaise. Wanneer de bezoekers met elkaar in gesprek zijn over pillen, recepten of alarmeringen zoekt ze oogcontact met mijn zus of met mij en knipoogt ze even. Het is niet dat ze het wonen in een verzorgingshuis niet serieus neemt, ze houdt niet van poeha en blabla. Mijn moeder doet graag haar eigen ding.
Zolang dat mogelijk is.

Categorieën:Read

Vorige week zondag, de dag na de hittegolf -toen de buitentemperatuur niet meer gelijk of hoger lag dan de menselijke lichaamstemperatuur, zijn we na een afwezigheid van ongeveer 20 jaar weer eens op het strand nabij Den Helder gaan liggen. Ik weet het; het was die zondag niet echt een stranddag, maar de combinatie van een bezoek aan het strand nabij Den Helder is ook een bezoek aan mijn oude moedertje, die net een paar weken in het verzorgingshuis Dyckzicht woont.

Het was druk op het strand. Niet dat er hier en daar met zonnebrand ingesmeerde zonaanbidders lagen, maar het was druk met wandelaars en hondenuitlaatmensen. Het zonnetje brak door en wij besloten ons strandtentje uit te klappen. Met één greep uit de hoes stond het tentje meteen klaar voor gebruik. Wat een verschil met het opzetten van een windscherm, zoals we voor het laatst in het jaar 2000 deden. Dat was de tentstokken in elkaar schuiven, die vervolgens door de plooien van het schermdoek gestoken moesten worden, om vervolgens de lijnen aan te trekken totdat het scherm alle wind kon tegenhouden.

Eenmaal rustend met de blote billen op onze strandlaken, zagen we dat er meerdere strandgasten hetzelfde idee hadden. Niks wandelen, gewoon luierend op het zand. Bijna allemaal met de nieuwerwetse strandtentjes, als die van ons. Op een ouder echtpaar van net over de 70 na. Zij waren minutenlang bezig met het opzetten van het windscherm. Hoewel het eigenlijk de meneer was die druk was met het opzetten van het scherm. Mevrouw ging meteen op haar handdoek liggen. Soms zijn de taken niet helemaal gelijk gedeeld, maar wie ben ik om te oordelen?

Tijdens het mijmeren in het zonnetje gingen mijn gedachten naar het strand waar we ons nu bevonden, maar dan in de tijd dat we nog in Den Helder woonden en in de zomermaanden bijna dagelijks naar het strand gingen. Dat waren hele gebeurtenissen. Met vrienden van het in Den Helder niet meer bestaande café Chez Nous waren we geroutineerde strandbezoekers. Met flink gevulde boodschappentassen en koelboxen hebben we er uren doorgebracht.

Het was de tijd dat we als twintigjarigen dachten het strand te beheren. De wereld was van ons. We vermaakten ons met geanimeerde gesprekken, roddels en discussies. We speelden en zwommen in de zee en we hadden altijd te eten en te drinken. Honger was er alleen naar meer plezier. We verveelden ons nooit. We lachten luid en hielden ons niet in. We kenden geen zorgen over dat dit ooit voorbij kon gaan.

Categorieën:Read

De man schuin tegenover mij in de trein is me niet geheel onbekend. Ik heb hem vaker gezien. Hij is ongeveer van mijn leeftijd. Hij is altijd gekleed in een nette spijkerbroek met gestreken overhemd en fris gepoetste schoenen. Zijn kapsel is kort, ziet er verzorgd uit en is een beetje grijs bij de slapen. Verder heeft hij bolle hamsterwangen en een zuinig, samengeknepen mondje, waarmee hij een klein kind zou kunnen uitdagen om met de vingertjes in zijn wangen te laten prikken, zodat er een straaltje water uit zijn mond spuit. Wanneer ik deze man in de trein of op het perron zie, staat of zit hij altijd een beetje in elkaar gebogen. Als een bedeesd persoon dat verlegen opkijkt en om zich heen loert.

Ik kom de man, die ik voor het gemak Jan noem, niet iedere werkdag tegen. Ik weet ook niet of hij fulltime werkt of niet. Jan is een mysterieus mens. Ooit, toen de NS ons onbedoeld met een omweg naar onze bestemming wilde laten reizen, zag ik hem op ander station staan. Toen zag ik dat Jan ook mij herkende van het reizen. De eerste keer dat Jan mij opviel was op een terugreis in een volle trein, waarbij  3 moslima’s in gesprek waren met een oudere heer over het dragen van hijaabs. Jan ergerde zich aan het gesprek, want hij draaide constant met zijn ogen en mompelde onverstaanbaar.

Vandaag zit Jan met een koffie to go in zijn hand en kijkt vanuit zijn ooghoeken de trein in. Als door een wesp gestoken reageert hij op oogcontact. Ik denk dat Jan, ondanks zijn leeftijd, nog thuis bij zijn ouders woont. Het klopt met het idee dat ik van hem heb. Het tegenspreken van zijn ouders is uit den boze, vandaar het binnensmonds gemompel. Thuis, op zijn eigen kamer, waar hij beschikt over luxe gebruiksvoorwerpen waar zijn ouders helemaal geen weet van hebben, spreekt hij uit over het onrecht dat de wereld hem aandoet. Alleen op zijn kamer is hij de baas. Alleen daar is Jan de man.

In de trein zit Jan weer onverstaanbaar en binnensmonds te mopperen. Vooral nu, nadat uitzendkrachten in witte NS-jasjes, kaartjes hebben uitgedeeld met de mededeling dat er binnenkort weer werkzaamheden op het traject zullen zijn. Jan schudt in ontkenning en boosheid zijn hoofd. Hij is het er duidelijk niet mee eens. Hij is echt boos, want ik hoor duidelijk, ondanks dat het fluisterend uit zijn mond geperst worden, de woorden: tyfus en teringzooi. Vanavond wanneer hij thuis is, zal Jan op zijn kamer wel even duidelijk vertellen wat híj er allemaal van vindt.

De afgelopen weken was ik door familieomstandigheden vaak in mijn oude geboortestad Den Helder te vinden. Mijn moeder van 88 jaar, mocht haar intrek nemen in het verzorgingshuis Dyckzicht. Een thuis voor bewoners met een vorm van lichte dementie, zoals het verzorgingshuis het op haar website aan de bezoekers meldt. Dit hield in dat ik, in plaats van de reguliere familiebezoekmomenten, voor een langere periode in Den Helder aanwezig was.

De afgelopen jaren moest ik bij bezoek aan Den Helder een beroep doen op mijn geheugen, omdat al het nostalgische er niet meer aanwezig is (daar waar ik in de stad herinneringen heb opgedaan, is alles gesloopt), ben ik de weken op plaatsen geweest die er nog uitzagen zoals ik ze vroeger voor het laatst heb gezien. Zo fietste ik, samen met mijn zus Yvonne, door de diverse buurten waar ik allemaal herinneringen van 30 jaar geleden, of eerder, heb opgedaan. Toen ik vorige week woensdag door de Stakman Bossestraat reed was ik weer de tiener van toen en ervoer ik de herinnering van mijn jas, die in 1982 altijd zwaarder was door de vele buttons die ik erop had geprikt.

En zo kwam het dat tijdens het inrichten van mijn moeders nieuwe onderkomen en het verhuizen van haar oude inboedel dat ik constant met mijn gedachten in de vroege jaren 80 aanwezig was. De herinneringen aan de lp’s van Adam & the Ants, Culture Club en andere artiesten van toen, beantwoorde ik met afspeellijsten in Spotify. Tijdens het in elkaar zetten van de nieuwe linnenkast voor in mijn moeders nieuwe slaapkamer en tijdens het winkelen in mijn oude leefomgeving, schoten de herinneringen aan de oud-klasgenootjes en -collega’s door mijn hoofd, en dacht ik ineens aan de winkels in Den Helder van toen (zoals de niet meer bestaande stripwinkel Suske & Wiske aan de Middenweg en het bakkertje op de hoek Ooievaarstraat, Reigerstraat).

Ik vind het grappig dat je door de kleine ervaringen, evenwaardig aan die van vroeger, de herinneringen naar boven komen schieten en dan ook worden ervaren als een handeling die je de vorige dag nog gedaan zou kunnen hebben (terwijl dat voor mij ruim 35 jaar geleden is). Het blijft verwonderlijk hoe die hersenen van ons, ons ook zo voor de gek kunnen houden. Dat gebeurt niet alleen met de hersenen van mij, maar ook die van mijn moeder. Haar herinneringen van vroeger komen steeds vaker naar de voorgrond, waardoor ze het heden af en toe niet meer zo helder meemaakt.

Ik kwam er van de week op het werk achter dat ik en de collega’s waarmee ik altijd lunch, naast onze werkgever nog een overeenkomst hebben. We blijken allen godloochenaars te zijn. Ik vind dat wel iets illusionistisch hebben. Het woord godloochenaar lijkt op goochelaar, terwijl de godloochenaar juist niets van de illusie wil weten. God bestaat niet en religie is een aanname. Daar zijn wij het over eens.

Het is nu niet zo dat we en ook meteen een atheïstenclub willen oprichten dat zich fanatiek bezighoudt met het ontkennen van god. We hebben niet zo een behoefte om anderen te overtuigen van ons denkbeeld, zoals andere groeperingen of partijen anderen dat wel graag doen. We willen geen bevestiging vinden in het overtuigen van mensen over het bestaan van een platte aarde of van een oppermacht.

De collega’s en ik willen niet tegen heilige huisjes schoppen, maar we ontkennen het bestaan van God, Allah, Jahweh, Krishna en andere opperwezens, zoals Bacchus. Hoewel ik deze laatstgenoemde wel een warm hart toedraag. 🍷
Het is ook niet zo dat we het grote aantal mensen die wel in geloven belachelijk maken. We denken dat het geloof best wel troost kan bieden. Voor diegene die het nodig hebben, om welke reden dat ook is.

Zo bracht collega Tom het pastafarisme aan de orde. Deze religieuze stroming, welke altijd kritisch is naar de huidige maatschappij en andere religies, maar deze altijd in de waarde laat, aanbidden het Vliegend Spaghettimonster. Het is een religie die werd opgesteld om de onzinnigheid van religieus geïnspireerd onderwijs aan te tonen. Hoewel de aanhangers zich met publicaties en symboliek als echte gelovigen presenteren, wordt het vaak als parodie op religie beschouwd. De volgers van dit geloof herken je door het dragen van een vergiet op het hoofd.

Ik had zelf al eens van het Vliegend Spaghettimonster en de vergietdragende aanhangers gehoord en het geeft ook heel goed aan waar -volgens mij- het geloof op is gebaseerd. Het zijn aangenomen hypotheses die door ontwijkende uitspraken en vage verklaringen worden bevestigd als de waarheid. We hebben geen religie nodig om een fatsoenlijk persoon te zijn. Wees je bewust van het verschil tussen goed en kwaad. Neem je eigen verantwoordelijkheid en schuil niet achter de naam van een religie of een opperwezen. Blijf verantwoordelijk voor je eigen daden. Iets zelf realiseren of creëren, werkt beter dan bidden. Geloof dát maar.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: