Het begon begin van de week. Zo’n maandagochtend waarop je wakker wordt en meteen weet dat er iets niet klopt. Niet dramatisch, geen bliksem door je lijf, maar een subtiel signaal. Alsof je lichaam zachtjes zegt: vandaag even niet.
Mijn hoofd voelde zwaar. Mijn keel was schraal. Armen en benen hadden dat merkwaardige gevoel alsof ze de dag ervoor zwaar werk hadden verricht, terwijl dat helemaal niet zo was. Toch deed ik wat mensen vaak doen: gewoon gaan. Koffie zetten, douchen, jas aan, naar kantoor.
Op het werk probeerde ik me te gedragen alsof alles normaal was. Dat lukt verrassend lang. Je drinkt nog een kop koffie, kijkt naar je scherm, voert een paar gesprekken. Ondertussen merk je dat je hoofd wat doffer wordt en je concentratie steeds korter. Maar goed, het was maandag. Maandag moet je niet te serieus nemen.
Dinsdag probeerde ik het opnieuw. Ik zat een paar uur op kantoor, maar al vroeg in de ochtend wist ik dat het niet ging. Mijn hoofd voelde inmiddels alsof er watten in zaten. Mijn lichaam had dat logge, zieke gevoel dat je niet kunt wegredeneren. Je kunt dan nog een kop koffie drinken, maar dat verandert niets meer.
Dus deed ik iets wat ik eigenlijk nooit doe: ik pakte mijn spullen, zei dat het niet ging, en vertrok. Niet naar huis om nog wat te werken, niet naar huis om het rustig aan te doen. Gewoon naar bed.
Dat is een merkwaardig moment als je dat jaren niet hebt gedaan. Midden op de dag onder een dekbed kruipen voelt een beetje als spijbelen, ook al ben je bijna zestig en volkomen gerechtigd om ziek te zijn. Maar mijn lichaam had daar geen enkele moeite mee.
Ik sliep.
En toen ik wakker werd, sliep ik daarna weer.
Het is opvallend hoe klein de wereld wordt als je ziek bent. Alles wat normaal belangrijk lijkt, verdwijnt naar de achtergrond. E-mails, agenda’s, afspraken; het lost allemaal op in iets wat later wel weer terugkomt. Er bleef eigenlijk maar één activiteit over: slapen.
De oorzaak lag waarschijnlijk een paar dagen eerder. Het afgelopen weekend was er een familieverjaardag. Heel gezellig. Cupcakes, koffie, gesprekken die tegelijk begonnen en nergens eindigden. En kleine kinderen.
Kinderen zijn vrolijk, enthousiast en vol energie. Ze rennen door de kamer, bouwen torens van speelgoed, klimmen op schoot, geven knuffels en niezen ergens halverwege het gesprek zonder daar zelf enige aandacht aan te besteden. Hun weerstand kan dat allemaal hebben. Die van mij blijkbaar iets minder.
Na twee dagen komt de rekening. Een verkoudheid van het soort dat zich duidelijk meldt: een beetje verhoging, een zere keel en dat typische gevoel in spieren en gewrichten alsof ze licht geïrriteerd zijn over het bestaan.
Dus werd het een paar dagen van slapen. Echt slapen. Het soort slaap waarbij je even wakker wordt, op de klok kijkt en ontdekt dat er drie uur voorbij zijn. Daarna draai je je nog eens om en begint het opnieuw.
Langzaam werd het beter. Eerst de keel, toen het hoofd, daarna de spieren. En ergens op vrijdagochtend merkte ik dat de koffie weer naar koffie rook. Dat is meestal het moment waarop het leven weer voorzichtig begint.





