Autoritje

Op Samos lagen we een paar dagen bij het zwembad te relaxen, toen we het idee kregen om toch wat meer van het eiland te willen zien. Omdat het hotel net iets te ver van alles lag om andere dingen te ondernemen dan het relaxen bij het zwembad zelf, besloten we om een auto te huren. Het idee van 1.405 kilometers te vliegen om daar vervolgens alleen maar een paar boeken te lezen en onze lichamen in te smeren tegen zonnebrand ging ons tegenstaan. Zo hadden we al snel via de receptie van het hotel een rode auto (vraag me niet naar het merk) voor 2 dagen geregeld.

Op de eerste dag van het autohuren besloten we naar de hoofdstad van het eiland te gaan. We hadden er zin in en ik was er helemaal klaar voor. De juiste muziek voor een lange autorit klonk er uit de speakers en de airco gierde mee op de muziek. Het lukte me nog net het gevoel van enige teleurstelling te onderdrukken toen we na nog geen 10 minuten al in de hoofdstad aankwamen. Ik was even vergeten dat een niet al te groot eiland als Samos in no time is overgestoken. Na een klein rondje door de hoofdstad waren we weer enthousiast en besloten door te rijden naar Kokkari, ten noorden van het eiland.

Weg waren we. ‘Doei Samos-Stad, tot ooit,’ riep ik boven de muziek uit. Het ultieme zomergevoel! Het duurde nog even voor we in de badplaats Kokkari zouden aankomen en toen we uiteindelijk aankwamen in het stadje Mitilinii wist ik dat we een verkeerde afslag hadden genomen. Dit stadje in het midden van het eiland ligt iets van 8 kilometer van Kokkari af. In plaats er voor te kiezen om er meerdere orthodoxe kerken te bezoeken, gingen we voor onze eerste keuze: Kokkari. Google Maps moest ons naar het Noorden van het eiland leiden. Na wat rondjes te hebben gereden door het noordelijk gedeelte van Mitilinii hadden we de weg naar het noorden gevonden.

Deze route bleek al snel off-the-road te zijn. We negeerden heel stoer de woorden van de autoverhuurder eerder deze ochtend, over dat we niet meer verzekerd zijn wanneer we over de onverharde wegen rijden. ‘Soms moet je het avontuur aangaan,’ zei ik stoer. De weg was onverhard, maar verder prima te berijden. Nadat we -achteraf kwamen we hier achter, de watervallen van Theopoíēto hadden gepasseerd werd het wegdek minder, en dit werd met iedere afgelegde kilometer slechter. Na ongeveer 4 kilometer was het wegdek gelijk aan het wegennet ten tijde van de Bijbelse verhalen. De gevaarlijkste weg van de wereld vindt u op het eiland Samos. Echt waar.

Het moment dat we dachten dat het wegdek niet meer slechter kon worden, leek het nu of we over een droge rivierbedding reden. Stugge prikkelbosjes schuurden flink over de autolak en de gaten in de weg lieten ons op de muziek uit de speaker flink meedeinen. Het was goed dat we in de gordels zaten. Nadat we nog eens 2 kilometer in wandeltempo hadden afgelegd, ben ik uitgestapt en voor op de huurauto uitgelopen. Zo kon ik zien hoe stijl we naar beneden gingen en welke afslag we moesten nemen. Zo kon ik ook aangeven waar de diepe geulen en greppels zich bevonden. Toen we in de verte een paar huisjes zagen staan, stapte ik weer in de auto.

Uiteindelijk zijn we over privéterreinen en sluipweggetjes bij Kokkari aangekomen. De huurauto reed inmiddels op benzinedampen, het vinden van een tankstation had onze prioriteit. Deze vonden we in Kedros, ten oosten van Kokkari. Na het vullen van de tank bezochten we daar een orthodox kerkje en werden we op een klein strandje geattendeerd. Hier hebben we onze kleren uitgetrokken en zijn de zee ingedoken. Na ruim een kwartier van dobberen op de golven van de zee, waren we voldoende afgekoeld en weer helemaal zen. Dat we onderweg een paar wieldoppen hadden verloren, daar kwamen we pas veel later achter.

Aanwezigen

We zitten nu een paar dagen op het Griekse eiland Samos, vlakbij de oudste Europese haven in Pythogoreio, de geboorteplaats van Pythagoras (wiskundige: a2+b2=c2) en Epicurus (filosoof: ‘De dood gaat ons niet aan’). Na vier dagen van relaxen bij het zwembad zijn we aardig gewend aan dit actieve vakantieleven. Ineens niets doen kan heel vermoeiend zijn. Ik heb er overuren van slaap aan overgehouden.Ons verblijf ligt een beetje afgelegen van alles dat dichtbij ligt. Voor een bezoek aan een dorpje of een winkeltje aan de weg ben je toch al gauw drie kwartier aan de wandel. Daarom blijven we ‘thuis’ bij ons hotel. Samen met de andere hotelgasten. Zij komen voornamelijk uit Scandinavië, met een paar Vlaamse gasten en hier en daar een paar Nederlanders. Heel gemoedelijk en rustig.

Totdat het gezin uit de buurt van Rotterdam zich meldt. De vader en moeder en hun dochter van net geen twintig jaar laten onbedoeld weten dat zij op het eiland zijn gearriveerd, en de rust is onmiddellijk vertrokken. De moeder heeft een stem die de opstijgende vliegtuigen van het vliegveld even verderop met gemak overstijgt. Daarbij delen ze ook nog álles wat ze gaan doen.
‘Ik ga nu even mijn luchtbedje halen.’
‘Dat is goed. Ik ga de buurvrouw even appen dat we er zijn.’
‘Doe ‘r de groetjes. Ik ga straks het water in.’
En dat gaat zo maar door.

Het is niet alleen dat, maar ze denken ook alles te weten. Ze zijn nog geen 20 minuten aanwezig bij het hotel en moeder weet al zeker dat het pad naar het strandje verderop een klein stukje lopen is (wat zeker niet waar is) en de dochter, met een stem alsof ze zojuist acht slagroompatronen heeft geinhaleerd, vind alles super! Behalve dat wat haar vader zegt. Hij is al weggebonjourd naar een andere parasol. Wanneer hij meer dan eens een vraag stelt, wordt dit door de beide dames beantwoord met een lacherige ‘wat-moet-je-nou?’

Wanneer ik die vader was geweest, dan had ik een auto gehuurd en was meteen met beide wijven hier op het eiland een ravijn ingereden. Daarmee kom je in Nederland ook nog eens in het nieuws, vinden vrouw en kind hartstikke leuk! Maar nee, vader houdt zijn mond en lacht mee met de ongrappige grollen. Moeder beslist dan dat ze met zijn allen iets gaan eten bij de poolbar. Al weet ze nu al dat er niet veel keuze naar haar smaak zal zijn. De dochter denkt hetzelfde, en de vader houdt wijselijk zijn mond.

Bij terugkomt van de poolbar, is moeder -vanzelfsprekend- aan het woord. Ze wilde graag naar het strandje lopen, maar haar hoofdpijn is teruggekonen. Die van mij ook. Ondanks haar hoofdpijn tettert ze door en gaat ze dan toch met de dochter het pad naar het strandje, lager gelegen bewandelen. Ik blijf nu zeker bij het zwembad zitten, want ik wil, ik móet, haar ervaring hier over horen. Het pad is namelijk geen wandelpad. In een zeer steile gang loop je over losse keien, langs gevaarlijke prikkelbosjes.

Ik hoef niet lang te wachten. Na 10 minuten zijn ze terug.
‘Dat is niet te doen!’ roept ze naar haar man.
‘Nee, belachelijk,’ voegt de dochter toe.
Moeder wilt de huurauto een dag naar voren verplaatsen, want ze is echt geen zwembadmens. Waarop de dochter toevoegt dat moeder een echt strandmens is.
Ik glimlach om zoveel zelfgecreërd drama en denk aan een citaat van de filosoof die hier duizenden jaren geleden werd geboren. ‘De mens moet teleurgesteld worden in de kleine dingen van het leven, voordat hij de volle waarde van het grotere kan beseffen.’ Ja, Epicurus kon het goed zeggen. Hij wel.

Anders

Vanmiddag vaarden er tachtig boten door de grachten van Amsterdam, met hierop de flamboyante, kleurrijke, maar ook serieuze personen met het doel om het bestaansrecht van de homoseksuele medemens te rechtvaardigen. Het is vandaag de dag nog nodig om hier aandacht voor te vragen, want er zijn te veel homofoben in onze (Nederlandse) samenleving. Zij die homoseksualiteit zien als een ziekte of een afwijking. Ik vraag me af hoe deze mensen reageren wanneer hun eigen kind, of kleinkind, uit de kast komt. Ik hou mijn hart vast voor deze kinderen.

Het is vandaag ook precies 74 jaar geleden dat Anne Frank, tezamen met de andere bewoners van het Achterhuis aan de Prinsengracht, opgepakt werd om vervolgens naar verschillende kampen afgevoerd te worden. Niet omdat ze anders dachten of deden, maar omdat ze ander waren. De nationaalsocialisten vonden de Joodse mensen afwijkend en daarom verachtelijk. Dat er juist vanmiddag mensen die niet alledaags zijn over de Prinsengracht vaarden doet mij goed. Er is in de laatste zeventig jaar wel wat veranderd, maar het kan altijd beter.

Sprinterstop

De warme temperaturen in Nederland houden nu weken aan. Horden mensen kunnen er geen genoeg van krijgen, terwijl andere groepen er al weken genoeg van hebben. Zij verfoeien alles wat overdadig lichaamszweet oplevert. Daar kan ik me wel in vinden, want ondanks de zomerhitte zijn sommige mensen heel zuinig met het watergebruik, wat vaak een onaangename geurzone veroorzaakt. Ondanks dat hou ik van de warmte van de zomer. Ik heb het liever dan een strenge winter. Hoewel ik de afwisseling van de seizoenen heel prettig vind.

Op een van de warmste dagen van de afgelopen week, rij ik met het openbaar vervoer naar huis. De vervoersbedrijven hebben het niet makkelijk in de zomer (..herfst, winter en lente). Door de aanhoudende hitte van de afgelopen weken valt er veel uit. Beschadigde bovenleidingen, sein-, stroom- en andere storingen zorgen voor vertragingen of zorgen ervoor dat gehele reisadviezen komen te vervallen. Daar sta je dan met een verhit lijf te wachten op een trein die niet rijdt.

Zo kan het dat je op weg naar Almere geen keuze meer hebt en er maar één treinadvies is. Het advies dat je normaal gesproken ontwijkt, omdat die trein op alle tussenliggende stations stilstaat. Wanneer ik in een stoptrein zit, ervaar ik het alsof ik aan een kleianimatiefilmpje meedoe. Stop Motion. Stop Motion. Stop en stap uit. Maar wanneer je naar huis wilt en de stroptrein is de enige mogelijkheid dan stap je wel in de trein. Zelfs wanneer het een sprinter is.

Wie ooit bij de NS heeft bedacht dat de Sprinter een fantastisch vervoersmiddel is, verdient het om op de rails vastgebonden te worden. Het is een volslagen vervoersonvriendelijk en onooglijk rijtuig. Daarbij mag ook de persoon die heeft bedacht dat reizigers wel even 9 minuten op station Weesp (een station nog lelijker dan een sprinter) kunnen stilstaan, ook op de rails gaan liggen. Zo is het op deze extreem warme dag, waarbij te weinig treinen rijden, dat er tientalle -bijna gestrande reizigers in de Sprinter stappen. In no time staan er 8 reizigers in mijn aura.

Daar sta ik, met mijn rugtas tussen de benen. Omringt door een meute chagrijnen. Zij worden niet vrolijk van de mededeling dat deze Sprinter niet verder reist dan station Almere Centrum. Sprinter. Ik moet lachen om de incorrecte naamkeuze. De chagrijnen grijpen meteen naar de mobiele telefoons om vervoer vanaf Almere te regelen. Dit levert iets aardigs op. Mensen worden verleid te reageren en niet langer chagrijnig voor zich uit te fronzen. Reizigers vragen aan onbekenden of ze met hen, verder dan Almere Centrum, mogen meereizen.

Zo ontspruit er saamhorigheid. We zijn begaan met de anderen, omdat we allemaal in hetzelfde schuitje* zitten. Er worden afspraken gemaakt en we trakteren elkaar op grapjes en ervaringen die met het openbaar vervoer zijn opgedaan. Zo rijden we even later in een langzaam tempo naar Almere Centrum. Met een vertraging van ruim 30 minuten stappen we eindelijk uit de Sprinter. Op het perron is het de zomerse hitte die ons in het gezicht mept. Bijna thuis, denk ik verheugd.

*Sprinter