DRAY BOSMA

"Je moet niet alles willen meemaken."

Het was in de zomer van 1999 toen Edo en ik met een paar familieleden gezamenlijk op vakantie gingen naar Oostenrijk en Italië. Ruim van te voren hadden we een datum van vertrek afgesproken, om een overnachting gedurende de reis in te plannen, en dat we elkaar dan op de camping zouden ontmoeten in Oostenrijk. In januari van dit jaar had ik voor het eerst een mobiele telefoon gekocht en zo konden we elkaar onderweg op de hoogte houden van waar we ons bevonden. Dat we de genoemde plekken waar de twee teams zich bevonden, nog op een van de wegenkaarten moesten opzoeken geeft alleen maar aan dat we in 1999 nog niet helemaal voor de volle honderd procent in het digitale tijdperk waren aanbeland.

Een overnachting voor onderweg in Duitsland was via internet geboekt. Aan het einde van de middag toen we Beieren in waren gereden mocht ik de wegenkaart van Zuid-Duitsland uitpluizen, op zoek naar ons logeeradres, mitten im Nirgendwo. Ons gevoel over deze streek werd er niet beter op toen we op een landweggetje een oude, gekromde vrouw met een takkenbos op haar rug, naar de weg vroegen. ‘Immer gerade aus,’ antwoordde ze schraal op onze vraag. We bevonden ons een half uur van de snelweg, op een afgelegen stukje Duitsland, waar naar mijn mening nog lang niet alles in kaart was gebracht. We konden de overnachting toen weliswaar via internet boeken, maar verder bevond het pension Der Grüne Hahn zich in het jaar 1978.

Na nog eens een half uur niet geheel doelloos rondgereden te hebben, zag ik in het midden van een minirotonde waar we overreden, een bord met hierop een afbeelding van een groene haan, en daaronder een pijl, die een richting en de afstand van 2 kilometer aangaf. Het beeld van een overnachting in de auto en morgen geradbraakt op de camping aankomen, konden we wegwuiven. Moe van het rondrijden en het zoeken, kwamen we dan toch bij het pension aan. Het pension zag er uit alsof het daadwerkelijk in 1978 was blijven steken, maar dat idee kon ons niets schelen. Snel de auto parkeren, inchecken en zien of we nog ergens iets te eten kunnen krijgen.

De allervriendelijkste Duitse gastvrouw heette ons vanachter haar receptiebalie, herzlig wilkommen en met een brede glimlach overhandigde zij de sleutel van onze kamer, inclusief de mededeling dat we zeker nog wel een maaltijd konden bestellen van een beperkte kaart. Dit konden we doen in het restaurant nadat we de bagage op onze kamer hadden achtergelaten. Op het balkon van ons appartement heb ik een sigaret gerookt en checkte ik de bereikbaarheid van mijn Nokia 5110. Deze was nul komma nul. Het voelde alsof ik me in een goedkoop griezelverhaal bevond toen ik zo afgelegen hangend over het balkon belde om te zeggen dat we veilig op ons eerste adres waren aangekomen.

Nadat we ons hadden opgefrist liepen we naar het restaurant, dat overigens meer weg had van een eetzaal uit een klassiek sanatorium. Het interieur leek zo’n vijftig jaar niet te zijn veranderd. Het voelde alsof we van 1978 terug waren gegaan naar het Duitsland van 1949. De tafels waren netjes gedekt met roodgeruite tafellakens, waarop lompe, koperen asbakken stonden. Onze mond viel open toen we een enorm grote portretfoto van, naar wat wij dachten, de grootvader van de familie aan de wand zagen hangen. Opa keek ons, vanaf de muur streng aan. Zijn autoritaire blik werd gesterkt door het strakke nazi-uniform dat hij droeg. Trots paradeerde de letters S.S. op zijn uniformboord.

Nergens heb ik me nog zo oncomfortabel gevoeld. Daar zaten we dan. Met zijn tweeën in de grote eetzaal van 1949. We bespiedden de menukaart en ook de aanblik van opa vanaf zijn portretfoto. De gastvrouw kwam binnen. Ze had het waarschijnlijk niet heel druk, want ze ging op haar gemak bij ons tafeltje staan. In het Duits met een zwaar rollende r zei ze: ‘Mijn heren, heeft u iets lekkers kunnen vinden? De keuze is wellicht beperkt, maar wat we u bieden is zeer smakelijk.’ We bestelden wat te eten en drinken. Ze wees met haar potlood naar het portret aan de muur en vertelde zonder gene dat de man in het uniform haar grootvader was geweest. Hij had heel veel voor haar en de familie betekend en ze was enorm trots op hem. Ze knikte kordaat en liep met onze bestelling naar de keuken. Edo en ik keken elkaar zwijgend aan.

Categorieën:Read

Ik ben een stadsmens. Ik hou van de kleine dorpen en van het platteland, maar ik voel me meer thuis in de stad. Ik kan genieten wanneer ik getuige ben van het ontwaken van een stad. Deze ochtend moet ik al vroeg in Amsterdam zijn en ik besluit vanaf het Centraal Station naar mijn afspraak in de Spaarndammerbuurt te lopen. Het is een beetje troosteloos en miezerig weer, maar echt nat kan je er niet van worden. Ik loop door de Haarlemmerstraat en de geluiden van rolcontainers met voorraden die naar een winkelmagazijn worden gereden, in combinatie met het geluid van mensen die hun zaterdag starten, brengen een glimlach op mijn gezicht.

Ik zie een hardloper, die ondanks het grauwe weer in korte broek met een iPhone in zijn handen voorbij rent. Ik wens dat hij iets langzamer hardloopt, of dat ik zelf tijd genoeg heb om in mijn hardloopkloffie met hem op te lopen, want nu kan ik helaas niet de vele en vooral kleurrijke tatoeages op zijn kuiten bewonderen. Verderop staat een groepje van ongeveer tien Italianen. Ze zijn, denk ik, net bij een hotel uitgecheckt en zijn in een heftige discussie over hoe de dag verder door te brengen. Denk ik. Het kan ook zijn dat ze een normaal overleg hebben, maar voor mij klinkt het enorm emotioneel. De temperamentvolle toeristen overheersen voor even alle andere stadsgeluiden.

Ik wandel mijn route in de Westelijke Eilanden, naar de Haarlemmerdijk. Twee blonde jochies op de step schieten mij op de stoep voorbij. Aan de overkant plaatst een te geblondeerde mevrouw een bord met een reclameleus over kortingen en je kansen grijpen voor haar winkel. Ze kijkt even schuin omhoog naar de hemel en houdt haar handpalm op om wat regen op te vangen. Ze knikt tevreden, ze denkt dat het miezerig regenbuitje snel ophoudt. Even verderop knikt de eigenaar, of werknemer van de dierenwinkel mijn vrolijk toe. Hij lapt de ramen van de winkel schoon en ik begroet hem net zo vrolijk terug met een welgemeende ‘Goedemorgen.’ Wanneer ik na een paar minuten aan het einde van de straat aankom en het Haarlemmerplein op loop, merk ik dat het inmiddels gestopt is met miezeren. Het zonnetje is voorzichtig gaan schijnen en ik loop over de Willemsbrug richting de Mirakelbrug. Daarachter ligt de Spaarndammerbuurt.

In een droomhuisje, overal ver vandaan, zat ik van de week, in de nacht met anderen een korte vakantie te vieren. Het was in een oud, nog net niet verwaarloosd, huisje. Bij aankomst zag ik dat er een klein zoldertje onder de dakpannen bevond, waarin een raam enig uitzicht naar buiten, over de akkerlanden, aanbood. Op de benedenverdieping bevond zich naast de deur, bekleed met vergeelde vitrages, een smal raam. Het zorgde niet voor een uitzicht, maar meer voor lichtval naar binnen.

Bij binnenkomst viel het me op dat het er binnen groter leek dan dat het er van buiten uitzag. Andere gasten renden door het hele huis om uit te vinden wat het beste vertrek was om de nacht door te brengen. Overal klonk gestommel van de gasten. Het rook er overdreven naar zeep, zoals het vroeger kon ruiken, maar dan in het kwadraat. Naast deze intense geur hing er ook een sinistere sfeer. Iets onheilspellend, en hierin stond ik niet alleen. De andere gasten ervoeren dit ook.

Eén van de gasten wist dit onheilspellend gevoel te versterken door ons een broodjeaapverhaal op te hangen over een oude schooljuf die hier honderden jaren geleden in het huis was overleden. Het lukte me nog net om niet met mijn ogen te rollen, want daarbovenop werd ons ook nog eens verteld dat de oude schooljuf tijdens een heksenjacht rond het jaar 1640 zakte voor een zogenaamde heksentest en uiteindelijk op een gruwelijke manier verdronk.

Hoe de heks in het huisje verdronken moet zijn, is iets wat naar mijn mening voor het gemak wordt vergeten. Reden voor mij om het verhaal over de schooljuf naar het rijk der fabelen te verwijzen. Dit gevoel werd nog eens bevestigd door de toevoeging dat de schoolgaande kindertjes van eeuwen geleden het hadden opgenomen voor de ter dood veroordeelde schooljuf, waarbij ze de plaatselijke bevolking eigenhandig hadden uitgemoord. Met primitieve wapens, zoals pijl en boog, werd er aan toegevoegd. Daarbij werd gemeld dat de kinderen van toen nu nog steeds in de omgeving ronddwalen.

Yeah right. Ik rolde uiteindelijk dus toch mijn ogen en met deze houding bleek ik het verhaal een beetje te bagatelliseren, want ineens kwam er een donkere rookwolk vanuit de openhaard tevoorschijn. De rookwolk leek lichtjes de gedaante van een gekromde vrouw aan te nemen, maar dat kan heel goed verbeelding zijn geweest. Op dat moment was dit erg overtuigend. Alle aanwezigen gilden. Ik nog nét niet. Nee, echt niet. De rookwolk vervormde in een vormloze rookpluim en vervaagde langzaam. Met het verdwijnen van de rook viel er een stilte.

Het leek er op dat hiermee het hoogtepunt van de urban legend tot zijn eind kwam. De zaken werden weer opgepakt zoals de vakantiezaken meestal worden opgepakt. Koffers werden naar binnen gesleurd en de kamers werden onder de gasten verdeeld. Nog voordat ik kon beslissen of ik het met de keuze van de kamerverdeling eens was, liep een van de gasten terug van het smalle raam naast de deur. ‘Moet je nu eens zien,’ zei ze met een angstige stem. Ik reageerde met een botte opmerking over de schranderheid van de persoon totdat ik zag wat zij zojuist had gezien. In de verte liepen honderden kinderen met pijlen en speren over de bevroren akkers naar het huisje. Hun intentie was niet goed. De angst sloeg me om het hart en met een beklemmend gevoel schrok ik wakker.

Het heeft vannacht nog even geduurd voordat ik weer in slaap viel.

vergeet-mij-niet-speldje

Mijn moeder die in augustus naar een verzorgingshuis is verhuisd, is sindsdien steeds meer vergeetachtig geworden. Ze is dementerend. Persoonlijk denk ik dat deze verhuizing er niet aan geholpen heeft om het proces van dementie tegen te gaan en daarbij heeft het overlijden van haar oudste dochter, afgelopen zomer, het proces zelfs versneld. Het klinkt hard, zeker ook voor mij wanneer ik het hier voor me uitschrijf, maar sinds een paar maanden heb ik reeds afscheid moeten nemen van mijn moeder, zoals ze was. Ze is tegenwoordig niet meer dezelfde vrouw die wij ons hele leven hebben gekend.

Wanneer we haar bezoeken, of telefonisch spreken, is ze altijd aangenaam verrast om ons te zien, of te horen, maar al snel valt ze terug in het patroon van vergeetachtigheid. Ik vind het niet erg om mijn moeder iets dubbel te moeten vertellen. Of haar iets vier keer uit te leggen, ook wanneer ik dit in een paar minuten gedaan moet worden, maar wanneer ik mijn moeder moet vertellen dat mijn oudste zus inderdaad is overleden, dan vind ik dat wel moeilijk. Maar meer voor de reactie van mijn moeder dan voor het bericht zelf. Iedere keer, ook al is dat binnen een vijftal minuten, is ze steeds weer heel verdrietig over het verlies van haar dochter.

Vorige week vernamen mijn zus en ik van de huisarts van het verzorgingshuis dat mijn moeder last heeft van nierfalen. Dit is een serieuze kwestie. De huisarts wilde een persoonlijk gesprek met mijn zus en ik hebben, want hij wenste te weten hoe wij denken over het ziektebeeld en alles wat daarbij komt kijken. Het uitvoeren van wekelijkse nierdialyses bij mijn moeder, die vergeet wat ze ’s ochtends gegeten heeft, wordt voor haar een zware opgave. Bij iedere therapie moet ze er aan herinnerd worden waarom ze deze moet ondergaan. Inmiddels is het medicijnengebruik van onze moeder aangepast en gelukkig reageert ze hier redelijk positief op.

Inmiddels hebben mijn zus en ik die moeilijke keuze moeten maken, waar we beiden gelukkig hetzelfde over denken: Het uitvoeren van nierdialyses of andere behandeling is niet gewenst. Het verlengen van een leven dat onze moeder vroeger niet had willen aanvaarden is voor ons belangrijk en respecteren wij de keuze die onze moeder destijds al heeft gemaakt. Het is voor mijn zus en ik niet de juiste, maar wel de correcte keuze.

In de trein naar huis zit een oudere man met, naar ik aanneem, zijn kleinzoon tezamen met mij op het balkon. Het kind kijkt met pretoogjes naar zijn opa en zegt: ‘Zeg eens muis.’ De oudere man antwoord: ‘Muis.’ ‘Met je hoofd in een pluis,’ roept hij lachend. ‘Nu moet jij een woord zeggen,’ zegt opa. ‘Boek!’ roept de kleine jongen. ‘Met je hoofd in een broek,’ antwoord opa. Hij kijkt even lachend en verontschuldigend naar mij, alsof hij me wil vertellen dat zijn woordenschat groter is dan alleen dit rijmwoord. Ik glimlach naar de man en denk dat hij al een zware dag met zijn kleinzoon achter de rug heeft. En nog even heeft te gaan.

Het jonge ventje kijkt nu naar mij en roept dat het mijn beurt is om een woord te zeggen. Opa probeert het kind nog tegen te houden en sust het enthousiasme van het ventje. ‘Trein,’ roep ik het kind toe. Het is mijn beurt om me te verontschuldigen tegenover de man voor mijn simpele woordkeuze en verklaar met mijn handen de omgeving waarin we zitten. ‘Met je hoofd in de pijn!’ roept het kind naar mij. Ik knik bevestigend naar hem, alsof het ook de enige woordkeuze is dat op trein rijmt. Opa glimlacht wat mee. Het ventje kijkt op naar opa en eist nu een woord van zijn grootvader. ‘Kerst,’ zegt de man tegen zijn kleinzoon. Het kind denkt even na en roept: ‘met je hoofd in een perst.’

De rijmwoorden van het ventje beginnen allemaal met de letter P. Lekker makkelijk en slim van het kind. Ik weet nu al wat er bij het kind zal rijmen op snoep, coupe, loep of kanteloep. Ik kan bijna niet wachten tot het kind mij nogmaals vraagt om een woord te roepen, maar het is alleen maar ijdele hoop van mij. Het concentratievermogen van het ventje is er een die bij zijn leeftijd hoort. Hij heeft inmiddels een boekje tevoorschijn gehaald en zit er druk in te bladeren. ‘Kijk opa, een konijn op een fiets!’ roept hij enthousiast. ‘Hoe vind je zoiets,’ rijmt de man terug. Hij is waarschijnlijk nog uitbundig over het rijmen-op-woorden-spel. ‘Ik vind dat wel leuk,’ zegt het kind en bladert weer verder in zijn boekje. Heel even lijkt opa te betreuren dat zijn rijmpje niet door zijn kleinzoon wordt herkend en door de luidspreker meldt de conducteur dat we het station van Almere-Centrum inrijden.

Categorieën:Read

Een paar weken geleden keken we hier thuis de televisieserie gebaseerd op Louis Couperus’ De Stille Kracht. Dit verhaal is meer dan honderd jaar oud en speelt zich af rond het jaar 1900 in het fictieve Laboewangi op Java. De televisieserie heeft echter nog steeds de sterke tijdsgeest van de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Ondanks dat Couperus’ verhaal zich afspeelt in Nederlands Indië is de televisieserie in de Nederlandse televisiestudio’s opgenomen. Het televisiemaken was zo’n vijftig jaar geleden anders dan tegenwoordig. Niet alleen vertelt het verhaal zich tergend langzaam, maar ook de audio van toen is achterhaald. De korte, maar luide, schreeuwen van de beo-vogel in de televisiestudio overheersen de dialogen en zijn hierdoor irritant aanwezig. Ik ben me tijdens het kijken van de serie vaak pestpleuris geschrokken van de beo en heb bloedfanatiek gefantaseerd over hoe ik vogels op kon laten vliegen. Naar het hiernamaals.

Ondanks de beo vond ik het leuk om een televisieserie te zien die in mijn jeugd enorm veel invloed had in de destijds, huidige maatschappij. In de jaren nadat de televisieserie werd uitgezonden zijn er in veel herinneringsoverzichten vooral de naaktscène van Pleuni Touw afgespeeld. Hierin staat zij onder de douche en wordt op mysterieuze wijze met rode sirih bespookspuwd. Het is mij tot op heden nog steeds onduidelijk of dit door de plaatselijke bevolking wordt gedaan of door geesten. De titel van het verhaal is tenslotte ‘De Stille Kracht’.

Dat er meer tussen hemel en aarde is werd mij in de jaren zeventig ook in real life wijsgemaakt. Een vriendin van mijn moeder, tante Mies, had na het overlijden van haar man, ome Jan, een nieuwe vriend leren kennen die oorspronkelijk uit Indonesië kwam. Deze man wist verhalen te vertellen die niet meteen verklaarbaar waren. De Stille Kracht, maar dan niet uit een roman. Het heeft op mij, als kind enorm veel indruk achtergelaten; geesten met wraakgevoelens. Ik wist vanaf toen -na veel slapeloze nachten, dat je geesten niet belachelijk moest maken, anders kreeg je er uiteindelijk enorm veel spijt van.

Als schoolkind laten spookverhalen enorme indruk bij je achter. Je mist het relativeringsvermogen, en daarom moet je over die dingen praten. Dat was toen met mijn klasgenootjes. Het was tijdens een wekelijkse wandeling naar de sporthal van sportvereniging Zeemacht dat ik de Indonesische spookverhalen heb onthult aan mijn medeleerlingen. Wat het gevolg hiervan was, had ik niet kunnen inschatten, maar er werd zeer waarschijnlijk door anderen thuis over gepraat en werd ook de meester hier later over geïnformeerd. Ik leerde nogmaals dat het niet al te serieus nemen van spookverhalen gevolgen kunnen hebben. Dit verklaart waarom ik later door een boze meester ter verantwoording werd geroepen over mijn spookverhalen.

Categorieën:Read

Toen ik in de jaren zeventig, bijna vijftig jaar geleden, Kerstmis mocht vieren, was het in mijn beleving allemaal nog niet zo bijzonder. De maand december had mij al de nodige spanningen gegeven. Op de avond van vijf december ontving ik de gevraagde en de nodige sinterklaascadeaus en exact één week na pakjesavond werd mijn verjaardag gevierd. Wederom werden mij in een kort tijdbestek cadeautjes geschonken. Nu alleen om het feit dat ik op die twaalfde dag van december een vijf jaar eerder ter wereld kwam.

Dat er daarna nog eens een kleine twee weken later gevierd werd dat men gelooft dat Jezus van Nazareth elders ter wereld kwam, ging toen helemaal aan mij voorbij. Op de Katholieke kleuterschool had ik de eer om het kindje Jezus in de kerststal te plaatsen. Dat was omdat de kerststal op mijn verjaardag in de klas werd uitgestald. Dat hetzelfde kindje Jezus vervolgens na een viertal maanden, in april van het volgende jaar, hangend aan het kruis ter dood werd gesteld, kon ik als kleuter niet bevatten. Het ging me allemaal te snel. Pas later leerde ik dat er tientallen jaren tussen de geboorte en de dood van Jezus zaten.

Kerstmis werd vroeger bij mij thuis, en in mijn herinnering, niet zo groots gevierd. Natuurlijk hadden we een kerstboom in huis, hing er een verlichte kartonnen kerstster voor het raam (net als bij alle buren in de straat, in die tijd) en de roodpapieren kerstklokken werden door mijn zussen in het behang van de woonkamer geprikt. Verder werden er kerstplaten op de platenspeler afgespeeld, maar daarbij had het hele kerstfeestgebeuren bij ons thuis geen religieuze betekenis. De geboorte van Jezus was niet het middelpunt van Kerstmis. Dat de familie bij elkaar kwam, des te meer.

Traditiegetrouw, drie dagen na pakjesavond en tevens de huwelijksdag van mijn ouders, was mijn vader bezig met het optuigen van de kerstboom. Ik mocht toekijken. Mijn vader begon als eerste met het draperen van de kerstboomverlichting, en dit ging niet helemaal volgens plan. Hij stapte op de eetkamerstoel om bovenin de boom te komen en trapte met zijn voet door de stoelzitting. Hierbij verloor hij zijn evenwicht en schopte de stoel door de kamer, tegen de salontafel aan, en viel zelf, met de kerstboomverlichting hoog in zijn handen, achterover in de naakte kerstboom. Diverse religieuze verwensingen heb ik voor het eerst in mijn toen nog korte leven aan mogen horen. Nog meer verwensingen leerde ik een aantal minuten erna, toen ik aan mijn vader vroeg: ‘Doen de lichtjes het nog?’

Categorieën:Read

We leven bijna alweer een maand in de wintertijd. Of de echte tijd volgens sommigen. Dit omdat ooit de zomertijd als eerste werd ingevoerd en hierdoor de wintertijd als originele tijd wordt gezien. Ik vind het grappig hoeveel invloed de momenten en periodes op ons leven hebben, terwijl tijd op zichzelf niet eens bestaat. De tijd is ooit duizenden jaren geleden door de mens verzonnen. Wellicht in de oude prehistorie om zo in het oude, verre verleden onrust te voorkomen en afspraken te kunnen maken voor een volgende dag voor een gezamenlijke jacht op mammoeten. Of andere voedzame dieren die toen overal rondliepen. Sinds een maand leven we dus weer in de winter-, of echte tijd, en is het deze periode van het jaar weer vroeg donker.

Mede door het vroeg invallen van de avond is het van (levens)belang om tegen het einde van de dag zichtbaar over straat te gaan. Dat geldt voor alle fietsers en andere bestuurders, en zo ook voor hardlopers. Eigenlijk voor iedereen die graag de volgende dag wil meemaken. Je schrikt je als autobestuurder het apenzuur wanneer er een paar meters voor je bumper ineens een donkere schim in de vorm van een fietser opduikt. Probeer niet naar ze te toeteren, want wanneer zij van jou schrikken word je door hen begroet met een opgestoken middelvinger. Dit geldt overigens ook voor de hardlopers zonder verlichting. Zij zijn niet afhankelijk van hun transportmiddel en zijn in staat om zich om te draaien en tegen je auto aan te schoppen.

Gelukkig heb ik dit allemaal niet meegemaakt, maar daar zullen velen anders over kunnen vertellen. Ik zit zelf niet vaak in de auto, in tegenstelling tot hardlopen, en ik weet uit ervaring hoe gevaarlijk het kan zijn om onverlicht over straat rond te rennen. Dat is de reden dat ik tegenwoordig als een hysterisch verlichte kerstboom over de fietspaden van Almere hardloop. Waarbij dit overigens niet helemaal zonder gevaar is, want het is slecht gesteld met de straatverlichting op de fietspaden in Almere. Op veel wegen is er wel enige straatverlichting, maar er zijn delen die kilometers lang onverlicht zijn. Als fietser, hardloper of wandelaars rijd of loop je hier niet zonder gevaar voor eigen leven. Mocht er binnenkort nog enig budget over zijn van de Floriade Almere in 2022, dan hoop ik dat de gemeente een lichtje zal (laten) schijnen op alle onverlichte wegen in en rondom Almere.

Eerder deze week gepubliceerd op Ons Almere.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: