Het was in Pisa dat het gebeurde. Niet bij die scheve toren, want die staat er al even en zal daar nog wel even blijven staan, maar op een terras onder het reuzenrad. Het was avond. De lucht was dat diepe, Italiaanse blauw dat langzaam tegen het zwart aan schuurt, en het reuzenrad wierp een elektrisch licht over de kasseien. Een vreemd, modern baken in een stad die al zo lang de tijd trotseert.
Ik zat daar; de koelte van de avond trok langzaam in mijn jas, en ik bestelde een caffè pistachio. Het kwam niet in een kopje, maar in een klein glaasje. Dat is essentieel. In het kunstlicht van het terras zag je de gelaagdheid pas echt goed: de diepgroene, bijna stroperige crème onderin, daarboven de sterke espresso en een toefje melkschuim dat de boel bescheiden afdekte. Het is geen koffie, het is een klein mirakel in een glas dat ook nog eens je hart verwarmt.
Soms vergeet je een liefde. Niet omdat het over is, maar omdat het leven eroverheen is gegroeid, met het alledaagse en de boterhammen met kaas. De pistache was voor mij zoiets geworden: een bakje zoute nootjes bij een matige borrel, waarbij je je nagels stukbreekt op de exemplaren die weigeren open te gaan. Een verplicht nummertje op een verjaardag.
Maar Toscane doet dat met een mens. Het herinnert je aan de essentie. Terwijl de neonverlichte bakjes van het reuzenrad traag hun rondjes draaiden boven de stad, roerde ik met een klein lepeltje de groene bodem omhoog. De kleur was die van een oude Italiaanse sportwagen, dat specifieke, gedempte groen dat nergens anders ter wereld zo goed staat als hier.
In de dagen die volgden, in de stadjes rondom Pisa, zette de bekering door. Ik at ijs bij salons die volgens de bordjes ‘wereldberoemd’ waren, en in Italië geloof je dat meteen, want waarom zouden ze liegen? Hier geen felgroen chemisch mengsel, maar de kleur van klei en mos. Het was koud, maar de smaak was warm. Vet, ziltig en een heel klein beetje aards. De smaak van blijdschap.
De pistache is de aristocraat onder de noten. Waar de pinda een volksjongen is en de walnoot een tikkeltje te intellectueel en stroef, is de pistache de dandy. Elegant, een tikje decadent en altijd gehuld in die prachtige, paarsgroene fluwelen jas. In Italië begrijpen ze dat. Daar vieren ze de noot door hem vloeibaar te maken, door hem te verheffen tot kunst in een klein glaasje of een hoorntje.
Het afgelopen weekend in Toscane was een herontdekking. De liefde is weer opgebloeid, en zoals dat gaat met een oude vlam die je weer tegenkomt in de avondschemering van een vreemde stad: het voelde alsof we nooit uit elkaar waren geweest.
Ik keek naar mijn handen in het schijnsel van het reuzenrad. Geen afgebroken nagels dit keer, maar de vage geur van gebrande noten en een vleugje suiker. De wereld is vaak grijs en gecompliceerd, maar zolang er steden zijn waar ze pistache serieus nemen als de avond valt, is er hoop. Ik nam de laatste slok uit mijn glaasje. Het was zoet, het was bitter, en het was precies goed. Soms moet je in het donker onder een reuzenrad gaan zitten om het licht weer te zien. Of gewoon de kleur groen.


