Beter

Meneer Barend zit een beetje chagrijnig op een houten bankje in de wachtruimte van het gezondheidscentrum. Samen met andere stadsgenoten die om een of andere reden, of juist om precies dezelfde reden, een bezoek aan de huisarts nodig vinden. Hij heeft het wachten nooit bovenaan een lijst van ‘dingen-die-ik-graag-doe’ willen plaatsen.

De mevrouw links van meneer Barend hoest wel heel veel. Het lijkt niet meer met een smeersel weg te hoesten, en de ontsteking aan het oor bij de man rechts van hem lijkt meneer Barend iets te besmettelijk.

Voorzichtig schuift hij iets naar links zijn billen over het bankje, maar let op dat hij niet te dicht in de buurt van de mevrouw met de aanhoudende hoest zit.

Hij probeert de adem in te houden, in deze ruimte gevuld met ziektekiemen en ander groots microscopisch kwaad. De afspraken lopen uit en met een gesloten mond ademt meneer Barend verder door zijn neus.

Na een half uur wachten mag hij naar de behandelkamer en neemt uiteindelijk plaats tegenover de huisarts. De ruimte is klein en de arts is nog druk achter de computer. Het bezoek van de voorganger van meneer Barend aan het afronden. Hij zit niet zit niet meer lekker tegenover de arts. De ziektekiemen van zijn voorganger hebben een spoor op de warme zitting achtergelaten. Of wellicht had deze bezoeker alleen last van een blessure. Die gedachte verzacht de ellendige kwelling van meneer Barend.

Aanhoudende koorts en pijn in zijn lichaam zijn de reden van zijn bezoek. Meneer Barend had er geen zin meer in om langer door te kwakkelen.

Na een korte overhoring over de klachten, luistert de dokter naar de longen van meneer Barend. De conclusie is dat er geen sprake is van een longontsteking. Het is zeer waarschijnlijk maar een luchtweginfectie.

Gelukkig!, denkt meneer Barend. Hij staat op, geeft de dokter een hand en zegt dank voor het genoegzame onderzoek.

Lopend door de wachtruimte kan hij niet wachten om weer buiten te staan. Om de gezonde stadslucht via zijn geïnfecteerde luchtwegen te inhaleren.

Buiten stapt meneer Barend op zijn fiets. Hij voelt zich stukken beter.

Lucht

    Al de hele middag loopt ze geïrriteerd door de woonkamer. Heen en weer. Als een ijsbeer. Af en toe diep door de neus te inhaleren.
    Haar vriend kijkt licht geërgerd op vanuit een folder van de IKEA.
    Nadat ze nog een paar keer op en neer loopt, wordt haar door de vriend de vraag gesteld wat ze toch in godsnaam aan het doen is.
    ‘Het stinkt hier,’ zegt ze ontstemd. ‘En ik kan het niet thuisbrengen.’
    ‘Wie kan je niet thuisbrengen?’
    ‘Niet wie, maar wat!’ roept ze. ‘Die stank! Alsof er iets ligt weg te rotten.’
    Haar vriend rolt nog net niet met zijn ogen. ‘Wat moet er dan liggen rotten? Wat ruik je precies?’
    ‘Een zoete, penetrante rottende lucht. Alsof er ergens een stuk fruit ligt weg te rotten.’
    ‘Dus geen half opgevreten muis,’ zegt de vriend en doelt daarmee op de jachttrofeeën van de twee huiskatten, die af en toe via het kattenluik mee naar binnen worden gebracht. Ze schudt haar hoofd. Hij sluit de folder van IKEA, staat op en loopt ook, diep inhalerend door de neus, naar diverse hoeken van de woonkamer. ‘Ja, nu ruik ik het ook,’ zegt hij met een gezicht van ontzetting.
    ‘Zie je wel? Ik verzin het niet,’ verdedigd ze.
    ‘Dat heb ik ook niet gezegd.’ De vriend loopt meteen door naar een bijzettafeltje naast de buffetkast en ontdekt de oorzaak.
    Een gekleurde luchtverfrisser van kunstzinnig glas staat er onschuldig een lucht van mango en papaja door de kamer te verspreiden.
    ‘Hier!’ zegt de vriend en wijst met de vinger naar de veroorzaker van de stank. ‘Het is de luchtverfrisser die je zelf van het weekend uit de supermarkt hebt meegenomen.’
    Ze loopt naar het bijzettafeltje, pakt de luchtverfrisser op en loopt naar buiten. ‘Die stank gaat naar waar het thuishoort. In de container.’
    Even uur later is de lucht opgeklaard.

Gebarentaal

‘Wij Nederlanders zijn toch maar een tolerant volk!’ Hoe vaak ik deze zin heb mogen horen? Ontelbaar. Op het werk. Op verjaardagsfeestjes. Op Twitter. In de trein. In de media. Ik kan zo blijven doorgaan. Iedere keer als ik die zin hoor, of lees, laat ik in gedachten mijn hoofd zakken en schud zachtjes nee.
    We zijn helemaal geen verdraagzaam volk. Alles wat afwijkt, keuren we absoluut af. Met tegenzin laten het toe. Het tolereren dus. Maar algehele acceptatie is nog ver te zoeken.
    Als apen doen we elkaar na wanneer er tot saamhorigheid wordt opgeroepen. Politici die hand in hand in Den Haag rondlopen. Voetbalkenners, die niets van homoseksualiteit willen weten, staan hand in hand gebroederlijk naast elkaar op een foto. Een mooi gebaar, maar er verandert niets.
    ‘Iedereen heeft het recht te zijn, wie ze zijn.’ Alleen zolang we ons er niet aan hoeven ergeren. Ik heb bijna 25 jaar samen met mijn echtgenoot een relatie. Wanneer wij hand in hand lopen zijn we onszelf niet, want jarenlange afwijzing heeft ons gemaakt tot wie we zijn.
    Daar brengt een actie als #allemannenhandinhand geen verandering in. Probeer als heteroseksueel eens in de schoenen van een homoseksueel te staan. De afwijzing is -bijna- dagelijks te voelen. Het is de instelling van mensen voor de afwijkende, niet alledaagse dingen.
    Toen vorig jaar september de donorwet werd doorgevoerd en ik me hardop afvroeg of homoseksuelen ook mochten doneren, omdat homoseksuelen nog steeds niet bloed mogen geven, verwachtte ik eerlijk gezegd dat men met de vuist op tafel zou slaan en in ongeloof zou roepen: ‘Wat? Hoezo niet!’ Maar al wat ik hoorde was een laf: ‘Goh, is dat nog steeds een dingetje?’ Dat ik wordt uitgesloten van bloedgeven, wat verder iedereen mag doen, omdat ik tot een specifieke mensengroep behoor, is voor velen een dingetje.
    Dat geldt gelukkig niet voor alle Nederlanders. Ik kan hier met trots schrijven dat mijn eigen zus een kennis de toegang tot haar woning heeft geweigerd, nadat de persoon in haar huis een negatieve preek hield over homoseksuelen in het algemeen. Dat vind ik een straffe actie! We hebben meer mensen nodig die opkomen voor anderen. Een actie die sterker is dan het delen een mening op Facebook (probeer op een zaterdagmiddag hand in hand met een persoon van gelijke sekse door de stad lopen).
    Ik heb nog hoop.

Nachtmerrie

Een vooraanstaande Russische krant berichtte begin april dat de Tsjetsjeense autoriteiten een heksenjacht hebben geopend op mannen die van homoseksualiteit worden ‘verdacht’. Er zouden honderden mannen zijn opgesloten in geheime gevangenissen. Ze werden gemarteld en onder druk gezet om namen te noemen van andere homoseksuelen. Dit meldden enkele vrijgelaten mannen. Zeker drie mannen zouden om het leven zijn gekomen.

President Kadyrov van Tsjetsjenië ontkent alle beschuldigingen. Hij beweert zelfs dat homoseksualiteit in Tsjetsjenië niet bestaat.

Amnesty roept de Russische autoriteiten op de verontrustende berichten te onderzoeken van het ontvoeren, martelen en vermoorden van homoseksuelen in de Russische deelrepubliek Tsjetsjenië. Ook vragen ze stappen te ondernemen om homoseksuelen in Tsjetsjenië te beschermen.

Vraag de Russische autoriteiten onmiddellijk onderzoek te doen naar meldingen dat homoseksuelen in Tsjetsjenië massaal worden opgepakt en gemarteld. Teken nu de petitie!
bron: Amnesty

Kastmensen

De kamer van ons hotel in Phnom Pen waar we de eerste dagen van onze vakantie doorbrachten, lag aan het einde van de gang. Wat zich ook aan het einde van die gang bevond was de voorraadkast van de schoonmaaksters van het hotel. Na een dag hadden mijn echtgenoot en ik al snel door dat deze kast niet alleen de voorraad verborg, maar tevens de woning van de 3 schoonmaaksters van het hotel.
Het blijkt dat het in de kast zitten niet alleen is voorbehouden aan de Harry Potters en closet gays.
Heel sneu was het allemaal niet voor deze 3 schoonmaaksters. Ze begroetten ons vriendelijk, en keken iedere ochtend altijd vrolijk de wereld in. Wanneer ze met de deur dicht in de voorraadkast woonden, hoorden we ze altijd op een vrolijke toon mompelen.
Het blijkt maar weer: wanneer je niet veel verwacht van het leven, dan valt het uiteindelijk allemaal wel mee.
Na een week, op de laatste ochtend van ons verblijf in het hotel hebben we een paar oude shirts en mijn bruine ‘nette’ schoenen -die ik voor de bruiloft had gepakt- in een prullenmandje achtergelaten. Ik kan  me de gedachte niet uit het hoofd zetten dat een kleine 10.000 kilometer ten oosten van Nederland, een schoonmaakster van zo’n anderhalve meter hoog, in onze XL-shirts en mijn bruine ‘nette’ schoenen, maat 44, rondklost in de hoofdstad van Cambodja.

In Geuren

Een goede kennis van ons die meer dan eens graag afreist naar het verre Oosten heeft het vaak over de heerlijke geuren van specerijen die in dat verre Oosten te ruiken zijn. Nu ik zelf in een grote Aziatische stad ben geweest, twijfel ik aardig over het functioneren van het reukorgaan van die kennis.
In Phnom Penh kreeg ik alleen maar de uitlaatgassen van de grote, luxe auto’s en de tweetakmotergeur van tuktuks in mijn neus. De geurcombinatie van olie en vlees op hete barbecues en een zweem van open riolering waren hierop een kleine variatie.
Wanneer ik echt lekker aan Oosterse geuren wil ruiken loop ik thuis de keuken in en ga dan even bij ons kruidenrekje staan. Daar ervaar ik op mijn eigen, aangename manier de geur van specerijen. Wellicht uit een potje, maar het zij zo.
Opvallend en aangenaam opmerkelijk vond ik -met de hoge temperaturen overdag- dat de onaantrekkelijke en penetrante lichaamsgeuren van de Oosterse burgers afwezig bleken te zijn. Waar je in Nederland in de zomer, tijdens een hittegolf van 5 dagen met tropische temperaturen, af en toe een zweem van lichaamsgeuren je in het gezicht slaat, heb je daar in Cambodja helemaal geen last van.
Dat is iets anders wanneer je in de buurt van een in oranje gewaad gewikkelde monnik komt. Bij hen blijkt zeep zeer waarschijnlijk een barbaars gebruiksvoorwerp. Het is me in die 2 weken van reizen door Cambodja meer dan eens opgevallen dat de heilige heren  van de tempels een eigen soort van odeur de moine dragen. Het gebruik van een stukje zeep lijkt mij juist dan meer dan heilig.