Zondagochtend is voor mij bijna heilig. Als het weer een beetje meewerkt, stap ik op de fiets voor een vast rondje. Vaak is dat richting het Blocq van Kuffeler, de plek waar in 1967 de drooglegging van Zuidelijk Flevoland begon. Daarna weer terug naar huis. Nog net geen dertien kilometer. Niet om records te breken, maar om mijn hoofd leeg te maken. Sommige mensen mediteren. Ik trap wat rond.
Bij de Vaartsluis stonden de slagbomen omlaag. Er moest een bootje geschut worden. Dat hoort erbij. Water heeft nu eenmaal voorrang boven fietsers. Voor mij stond een wielrenster te wachten. Zo’n fanatieke verschijning in een strak wielertenue, met schoenen waarmee je prima kunt fietsen, maar nauwelijks kunt lopen.
Net toen de sluisdeuren bijna dicht waren, gingen ze onverwacht open. Aan de andere kant meldde zich nóg een bootje dat eerst door de sluis mocht. De wielrenster slaakte een hoorbare zucht en keek mijn kant op. Dat herken ik wel. Soms zoek je geen antwoord, maar gewoon iemand die je ergernis bevestigt.
Ik glimlachte alleen vriendelijk. Het was prachtig weer. De zon scheen, het water kabbelde en ik had geen enkele afspraak. Blijkbaar straalde ik dat ook uit, want na een paar tellen keek ze zelf om zich heen en zei: “Ach, het is eigenlijk ook wel lekker. Kom ik tenminste even tot rust.”
“Inderdaad,” antwoordde ik. “En we hebben geen haast.” Voor de zekerheid voegde ik er meteen aan toe dat ík geen afspraak had. Je weet tenslotte nooit hoe de agenda van een ander eruitziet.
Ze lachte, haalde iets uit haar rugzak, ik heb geen idee wat, misschien een reep of haar telefoon, en precies op dat moment sloten de sluisdeuren voor de tweede keer. Nu definitief. Alsof de sluis had gewacht tot ze klaar was.
Ze stopte haar spullen weer weg, liep met haar racefiets over het pad boven op de sluisdeuren en klikte pas aan de overkant haar schoenen weer vast in de pedalen. Daarna schoot ze ervandoor alsof ze de verloren minuten alsnog wilde inhalen.
“Fijne dag!” riep ik haar na.
Of ze het gehoord heeft, weet ik niet. Binnen een paar tellen was ze al een stipje in de verte.
Ik stapte ook weer op, maar zonder haast. Het viel me op hoe snel een beetje ergernis kan verdwijnen zodra je accepteert dat wachten soms gewoon bij het leven hoort. Je kunt je druk maken om een extra bootje, of je kunt genieten van een paar onverwachte minuten zon. Uiteindelijk kwam zij tot diezelfde conclusie. Alleen reed ze daarna wel een stuk harder weg dan ik.














