DRAY BOSMA

"Hardlopen is het antwoord."

Volgens Strava, de hardloop-app op mijn horloge, ga ik gemiddeld drie keer in de week hardlopen. Daar ben ik 3 uur per week zoet mee, en hiermee loop ik gemiddeld 35 kilometers in de week. Gemiddeld. Niet altijd. De snelheid van mijn hardlooprondjes hou ik niet meer bij. Ik ben gemiddeld niet meer zo snel zoals ik een paar jaar geleden was. Dat komt waarschijnlijk door het type hardloopschoen waarop ik loop, maar het kan ook gewoon mijn leeftijd zijn. Ik zit in de herfst van mijn leven, net als dit jaar.

Ik merk vooral door het hardlopen dat we in het najaar zitten. Waar ik de afgelopen maanden in shirt en korte broek de deur achter me dichttrok, moet ik nu met name het weer in de gaten houden. Niet dat dit zekerheid geeft. Afgelopen woensdag ging ik na mijn werkdag voor een rondje van tien kilometer, nadat ik eerst de diverse informatie-apps had gecheckt, en kwam na bijna negen kilometer in een hoosbui terecht. Ik heb ruim tien minuten moeten schuilen bij de portiek van een flatgebouw. Daarna heb ik de resterende anderhalve kilometer in een iets minder natte regenbui voortgezet.

Vanochtend twijfelde ik even of ik mijn hardloopjack moest dragen, maar toen dacht ik aan de tien-plus-graden-regel voor hardlopers. Deze regel houdt in dat wanneer je gaat hardlopen, je tien graden kan optellen bij de daadwerkelijke temperatuurgevoel buiten. Dit is natuurlijk geen vastgestelde regel, want iedereen ervaart kou en warmte op zijn, of haar, eigen manier. Even voor acht uur heb ik die frisse ochtendlucht genegeerd en ben ik in shirt en shorts gaan hardlopen. Het voelde heel even fris aan, maar na een paar honderd meter te hebben gelopen, was ik voldoende opgewarmd om een behaaglijk rondje om het Weerwater te hardlopen.

Begin dit jaar, eind maart, toen ik me net had ingeschreven voor de Dam tot Damloop van dit jaar, schreef ik hoopvol en een beetje sarcastisch op social media: ‘Laten we hopen dat er in september 2020 geen runs (of evenementen) meer gecanceld worden.’ De Halve van Den Helder wat toen net een week daarvoor geschrapt in verband met COVID-19. Ik kon toen nog niet weten dat de runs waarvoor ik me dit jaar had ingeschreven allemaal geschrapt gingen worden. Naast de Halve van Den Helder, geen Almere City Run, geen Dam tot Damloop en geen 20 Kilometer de Paris. Ik was enigszins teleurgesteld, maar ik kan me ervaringen herinneren die ik meer droevig vind.

De maanden erna ervaarde ik steeds meer dat er organisaties opstonden die virtuele hardloopwedstrijden bedachten, waarbij je na inschrijving -en een betaling- voor een virtuele run een medaille in ontvangst mocht nemen. Ik had me voor een paar runs ingeschreven, maar er was geen controle of je de verplichte afstand daadwerkelijk had gelopen en ik ervaarde het toch een beetje als het kopen van medailles, in plaats van een officiële hardloopwedstrijd lopen. Voor de geschrapte Halve van Den Helder kon je later bij bewijs van de door jou gelopen afstand alsnog een medaille in ontvangst nemen. Dat voelde meer eerlijk aan.

Afgelopen juli werd door Le Champion, de organisator van de Dam tot Damloop, bekendgemaakt dat de run van 2020 op een alternatieve manier doorging. De Deur tot Deurloop, of de Damloop Home Edition. Hierbij moest je in het weekend van 19 en 20 september de verplichte Engelse Mijl afleggen en via een app vastleggen. Nog voordat ik enige uitleg had gelezen wist ik dat ik hieraan wilde meedoen. En ik wist ook al welke alternatieve route ik ging afleggen. De route die ik begin maart had gelopen, net voordat corona in Nederland uitbarstte. De route van Weesp naar Almere.

Zo startte ik gisterochtend even na acht uur in de ochtend mijn Damloop, Home Edition in Weesp. Het voelde een beetje als de real thing toen ik tussen alle andere treinreizigers door het station van Weesp liep. Het was alsof we met zijn allen naar ons startvak begaven, hoewel ik alleen verder naar buiten liep en mijn hardloopapp startte. De Damloop 2020 was voor mij begonnen. Door het centrum van Weesp liep ik naar de Vesting Weesp om me daar via de Lange Muiderweg richting Almere te lopen. Er stond een frisse noordoostenwind die mijn hardlooptempo zou tegenwerken, maar ik zag dit niet als een tegenslag. Ik wilde de run gewoon uitlopen.

Het hardlopen ging lekker. De frisse noordoostenwind bleek een aangename verkoeling langs het spoor, richting Muiden. Het was deze editie ook de eerste keer dat ik een verkeerde afslag had genomen. Bij Muiden vergat ik de Hakkelaarsbrug over te steken en eerder rechtsaf af te slaan. Dit waren een paar honderd verloren meters die ik terug mocht lopen. Op de IJsselmeerweg had ik iets meer last van de tegenwind, en ik denk dat ik daar qua snelheid wat tijd heb mogen inleveren, zo totdat ik de Hollandse Brug over was gelopen. Hierna was het allemaal een thuiswedstrijd geworden. Voor mij bekende grond waar ik in het verleden wel meer hardloopkilometers heb achtergelaten.

Op het Spoorbaanpad in Almere, langs het spoor ging het gewoon voortreffelijk. De zon scheen feller, waardoor het met de noordoostenwind aangenaam hardlopen werd en voordat ik het doorhad waren er inmiddels veertien kilometers afgelegd. Ik kwam nu op de bekende plekken in Almere waar ik bijna wekelijks kom met mijn hardlooprondjes. Ik besloot voor de zekerheid een extra kilometer te hardlopen. Better safe, than sorry, zeggen ze elders, en na één uur en negenentwintig minuten vond ik dat mijn Dam tot Damloop 2020 had uitgelopen. Een enorm leuke ervaring, maar volgend jaar graag weer zoals ik deze run gewend ben.

Zaterdagochtend. Ik zit op mijn fiets, want ik ben van mening dat ik de afgelopen week ruim voldoende kilometers heb hardgelopen en heb daarom besloten een rondje over de dijk te fietsen. Om tien uur fiets ik langs de sportvelden in Muziekwijk. Het is er druk met naar parkeerplekzoekende automobilisten en hun kinderen in voetbal- of hockeytenue. Op het fietspad zijn ze druk en zenuwachtig in gesprek voor de wedstrijd of de training. Ik hoop dat ze op het sportveld meer bewust en alert zijn van hun omgeving, want op het fietspad zijn ze dat niet, en dan is zo’n wedstrijd snel gespeeld.

Wanneer ik tussen de verschillende voetbalvelden fiets hoor ik het fanatisme in de stemmen van de uitgelaten ouders en ik bedenk dat het voor zo’n kind hartstikke leuk moet zijn wanneer papa of mama zo fijn enthousiast meedoet met het voetbalspel. Dan weet je als kind dat je ouders er voor je zijn. Bijna rijd ik nog een enthousiaste ouder aan. Deze man heeft alleen aandacht voor het sportende kind op het voetbalveld en niet voor die oude fietser op het fietspad. De man is waarschijnlijk enorm geschrokken van de bijna aanrijding, want hij vergeet nog even sorry te zeggen.

Ik fiets verder over de Saxofoonweg, richting de Oostvaardersdijk. Ik heb nog even wind tegen, maar ik weet dat wanneer ik met mijn fiets op de dijk rijd, ik de wind mee heb. Er zijn werkzaamheden bij Almere-Pampus, want er zijn veel wegen afgesloten, waardoor het enorm druk is met autoverkeer op de weggetjes waar het anders zo landelijk rustig is. In Almere zijn er altijd wegwerkzaamheden en hierdoor ook veel omleidingsroutes. Ik heb er vandaag geen last van, ik kan via de gebruikelijke weg doorfietsen. In no time rijd ik met de wind in de rug over de dijk.

Het uitzicht op het grote watervlak van het IJmeer geeft me rust. Bij mij lost iedere vorm van stress op bij het zien van zoveel water. Het heeft er wellicht mee te maken dat ik ben opgegroeid in Den Helder, een stad omgeven door water. Een grote waterplas trekt aan mij als een magneet aan ijzer. Het zien van oneindig veel water is voor mij een soort van thuiskomen. Ik heb mooie wandelingen gemaakt in de Alpen en in de Pyreneeën, maar er is volgens mij geen berggebied op deze planeet die het voor mij wint van het aanzien van een grote waterplas.

Categorieën:Read

Onderweg naar Den Helder zit ik in de trein dromerig uit het raam te kijken. Het landschap van Noord-Holland schiet troosteloos aan mij voorbij. Het is niet het landschap dat het somber maakt, het is de constante regen die deze ochtend aanhoudt. Gelukkig heb ik het nieuwe boek van Steve Cavanagh, Fifty Fifty, bij me. Het is het vijfde boek over Eddie Flynn, de voorheen oplichter, nu advocaat. Een aanrader. Vandaag ga ik op visite bij mijn moeder in het verzorgingshuis. Er is een evaluatiegesprek ingepland, waarbij ik aanwezig wil zijn. Mijn moeder woont er nu alweer een jaar, en ik ben benieuwd hoe het gaat. Daarbij wil ik niet dat alleen mijn zus, die in Den Helder woont, altijd als enig kind bij deze gesprekken aanwezig is.

Ik had vooraf met mijn zus afgesproken dat ze tegen het einde van mijn reis, het laatste stuk in de trein met me meereist naar de eindbestemming, en wanneer de oude herinneringen uit mijn jeugd helder worden, aangemoedigd door de herkenbare omgeving van vroeger, ontmoeten we elkaar in de trein. We stoten de ellebogen tegen elkaar als begroeting, en ik denk een glimlach achter haar mondkapje te herkennen. In Den Helder regent het nog steeds. Of constant. Wanneer we de trein de eindbestemming heeft bereikt (verder dan Den Helder Centraal rijdt deze niet) herken ik het weer van vroeg. Regen en vooral de harde wind.

Het is niet omdat ik al ruim twintig jaar niet meer in Den Helder woon dat ik tegenwoordig mijn geboortestad minder vind, maar er zijn veel leegstaande panden in het centrum, en het geeft mij een troosteloze uitstraling. Het regenachtige weer van deze ochtend klaart dit beeld niet op. Ik vind dat de stad steeds meer van de weinige glans verliest. Ik vind het jammer, want veel van mijn mooie en warme herinneringen uit mijn jeugd liggen vooral in deze stad. Onder de paraplu en diep in de capuchon verstopt wandelen mijn zus en ik door de Keizerstraat naar de Spoorstraat. Ondanks het naargeestige weer is het er druk in de winkelstraat. Ik probeer het niet eens te begrijpen.

Aan het einde van de Spoorstraat lopen we de Keizersgracht op, richting het verzorgingshuis van onze moeder. We stappen stevig door, want de regen, en de altijd aanhoudende wind van Den Helder, doet ons verlangen naar de warmte van onze moeder, maar vooral ook om binnen te zijn. Het is nog een paar minuten lopen voordat we binnen zijn. Eenmaal door de voordeur schrijf ik ons beiden eerst in (COVID-19) en lopen dan door naar de afdeling van onze moeder. Ze is blij verrast om ons te zien. Ze herkent me nog steeds, ondanks dat ik al een tijdje niet op visite ben geweest, en het evaluatiegesprek verloopt positief.

Het blijkt dat mama Bosma het ‘goed doet’ op de afdeling en ze blijkt ook een voorbeeldige bewoonster te zijn volgens de verzorgster. Mijn zus en ik zijn blij met deze mededeling. Er zijn het afgelopen jaar momenten geweest waarbij we minder vrolijk het tehuis hebben verlaten. Het officiële evaluatiegesprek, waarbij mijn moeder me iedere twee minuten vraagt of ik met de trein ben, en ik dit constant positief bevestig, komt na een uur keuvelend tot een einde. Aan het einde van het bezoek loopt onze moeder met ons mee tot aan de deur van het tehuis. Bij het afscheid belooft ze me dat ze voor de winter een sjaal voor mij heeft gebreid. Mijn hart voelt warm wanneer we buiten weer in de koude wind en aanhoudende regen staan.

Categorieën:Read

Ik zit in de trein, onderweg naar huis, waarbij ik een gesprek van twee mannen oppik. Door het licht gemompel in de mondkapjes, kan ik het gesprek niet helemaal goed volgen, maar de man met de luidere stem volg ik nog wel. Ze hebben het over de evolutie van de mens, en ik denk dat het over de mens en COVID-19 gaat, maar ik heb het mis. Dit komt omdat het onderwerp ‘hedendaags weer’ steeds meer wordt verdrongen door het onderwerp ‘hedendaags corona’. De man met de luide stem heeft het over dat wij mensen door de evolutie minder goed bomen kunnen klimmen dan apen. ‘Dat verklaart veel,’ gniffel ik onverstaanbaar, binnensmonds. Veilig vanachter het mondkapje.

‘In de loop der tijd hebben we die vaardigheid verloren. Dat in bomen klimmen. Hiervoor hebben we andere dingen voor in de plaats gekregen,’ meldt hij zijn gesprekspartner. ‘Zo zijn onze lange apenarmen geëvolueerd in handige gereedschappen, waarmee we gebruiksartikelen en wapens kunnen maken.’
De man tegenover hem knikt geduldig. Uitdrukkingsloos, mede dankzij het mondmasker.
‘Het rechtop lopen,’ vervolgt hij. ‘Dat komt doordat het Afrikaanse landschap veranderde, een paar miljoen jaar geleden. Bossen werden savannes, en daar was het veiliger om rechtop te lopen. Met je kop boven het gras uit. Dan zie je wel een nijlpaard of olifant op afstand op je afkomen.’
Beiden grinniken vanachter hun masker. Ik kan het niet zien, of horen, maar dat vermoed ik.

‘En omdat we steeds minder lichaamsbeharing kregen, konden we ook langere afstanden lopen. Kilometers hardlopen zonder oververhit te raken met al dat bont op je lijf,’ verklaart de man in zijn monoloog. ‘Ze renden gewoon tot een reebok of, weet ik veel wat, uitgeput was en dan konden ze zo’n beest met een klap uitschakelen. Wist je niet, hè?’ vraagt de man. Zijn medereiziger schudt van nee.
‘Vervolgens groeide onze hersens, omdat we meer vlees gingen eten. Dat heeft met dierlijke vetten en eiwitten te maken. Het menselijk brein weegt zwaarder dan die van een chimpansee. Een dier wat veel op de mens lijkt. Hierdoor werden we slimmer dan alle andere dieren en wisten we zo de wereld te veroveren.’
De man knikt het hoofd. Hij wil benadrukken dat wat hij zegt, echt waar is.

Wanneer ik het station in Almere verlaat, denk ik onderweg naar huis nog aan het evolutieverhaal. Het klinkt geloofwaardig, maar de man zei het allemaal zo feitelijk en met poeha, dat ik twijfelde aan het verhaal.
Later lees ik een tijdschrift, dat bij thuiskomt op de mat lag, het geschreven evolutieverhaal die de man in de trein een half uur geleden brallend had voorgedragen aan zijn medereiziger.

Categorieën:Read

Ik hoef het niet te hebben over de warmte van de afgelopen week. Iedereen in Nederland is op de hoogte van de hittegolf die ons dagen van 30° Celsius of hoger gaf. Sommige mensen in mijn omgeving waren de hitte zo zat, dat ze het uiteindelijk een Hitler-golf noemen. Niet positief. Ik kan wel met de hitte omgaan. Enigszins. Ik pas me aan. Zo ben ik de afgelopen week niet gaan hardlopen. Ik denk dat met hardlopen in een hittegolf na anderhalve kilometer mijn hardloopschoenen gaan smelen. Of ik zal uiteindelijk langs de weg dood neervallen, en ik vind het loodje leggen meteen zo definitief.

Anderen kunnen daarentegen het hoofd niet meer zo koel houden en reageren oververhit. Zoals de mevrouw in de supermarkt. Ze schreeuwt naar de onnatuurlijk blonde cassiere die haar boodschappen langs de scanner haalt. De supermarktmedewerkster schrikt, laat haar schouders hangen en vraagt wat de vrouw wat er mis is. ‘Wat er mis is!’ schreeuwt de vrouw, het is duidelijk geen vraag. De schreeuwende vrouw kijkt boos vanachter haar zwarte bril naar haar caissière. De vrouw heeft een modieus en kort blond kapsel, welke door een likje gel speels in plukjes is gebracht. Andere klanten kijken vanuit de gangpaden en vanachter hun boodschappenkarretje richting het geschreeuw om te zien wat de vrouw is aangedaan.

‘Je rekent mijn boodschappentas af! Ik had deze tas al bij me. Nog voordat ik de winkel in kwam. En nu wil je hem in rekening brengen!’ stelt de boze vrouw met overslaande stem. Ik krijg het idee dat de boze mevrouw stiekem geniet van het moment. Ze staat er een beetje triomfantelijk bij. De linkerhand rust op haar heup en in de rechterhand houdt ze haar grote roze portemonnee vast, welke bij iedere uitgesproken zin richting de caissière naar voren wordt schudt.

‘Sorry,’ stamelt de caissière en kijkt naar de andere mensen in de supermarkt. Ze lijkt inmiddels van de schrik bekomen en heeft nu een blik in de ogen alsof ze het idee heeft dat de schreeuwende vrouw op haar achterhoofd is gevallen. Met een ‘Dan corrigeer ik dat meteen even voor u,’ probeert ze de boze vrouw te kalmeren. De boze vrouw is echter van mening dat het nu haar moment is om te schitteren en begint een monoloog over dat de klant koning is.

De andere klanten beginnen de situatie inmiddels een beetje vervelend te vinden. De oplossing is allang aangeboden en doorzagen over een onterecht afgerekend artikel heeft geen zin meer. Achter de boze mevrouw staat een brede, jonge man met een kaalgeschoren glimmend hoofd. Daarbovenop heeft hij zijn zonnebril geplant. Hij is inmiddels klaar met de boze mevrouw. Wanneer de boze vrouw met verheven stem doorgaat over de klant die nog altijd koning is, meld hij droog dat de koning zich niet als een viswijf moet gedragen.

De afgelopen dagen zijn we aardig op weg om Nederland op de kaart te zetten als een land met een tropisch klimaat. Waar we vroeger urenlang puffend op de achterbank van de auto naar het zuiden van Europa reden, volstaan we tegenwoordig met een wandeling naar de achtertuin. Lekker puffen op de tuinbank. Het geeft ons Nederlanders nu ook het temperamentvolle dat de zuidelijke Europeanen hebben.

Zo fietste ik van de week door het stadspark waarbij ik twee mevrouwen aansprak op het feit dat ze niet uitkeken bij het oversteken en ik bijna een kind van het gezelschap onder mijn voorband had liggen. In plaats van excuses of een verontschuldiging werd mij de huid volgescholden. Waar ik me mee bemoeide, werd met toegesnauwd. Ze waren duidelijk van mening dat ik hen beledigend had toegesproken.

‘Jullie zitten alleen maar naar jullie mobiel te kijken, in plaats van de omgeving,’ gaf ik als antwoord.
‘Welkom in twintig-twintig, dat is het tijdsbeeld tegenwoordig. Iedereen loopt met zijn mobieltje rond,’ werd mij wederom toegesnauwd.
‘Maar je moet niet je omgeving vergeten,’ antwoorde ik terug.
‘Je hoeft het niet zo chagrijnig te melden,’ zei de andere vrouw.
‘Ik merk het al,’ zei ik. ‘Het ligt natuurlijk weer aan een ander.’
Die opmerking was raak. Ik was de boeman, er was niets wat ik kon zeggen om ze te kalmeren.

‘Ondanks alles, dames, wens ik u een hele fijne dag toe,’ en ik maakte aanstalten om weer op mijn fiets verder te gaan.
‘U ook, maar misschien kunt voortaan niet meer zo chagrijnig reageren,’ werd me nog als tip meegegeven.
‘En een volgende keer kunnen jullie eens leren te incasseren,’ glimlachte ik terug.
Ik stapte op mijn fiets en liet de dames achter in het park.

Toen ik later de supermarkt uitliep, werd ik staande gehouden door een jongeman.
‘Meneer, mag ik u wat vragen?’ en stapte daarmee iets te close in mijn comfortzone.
Ik knikte hem toe. Je kan tenslotte niet boos op iedereen blijven.
‘Alles naar het zin, meneer?’ vroeg hij mij.
‘Kom maar met je echte vraag,’ ik had inmiddels wel door dat hij bij me zat te bedelen om geld.
‘Nou, u hoeft niet zo kortaf te doen,’ zei de jongeman. ‘Ik stel maar een vraag.’

Ik was er klaar mee. Ik vond het te warm om geduld te houden voor dit soort ongein.
‘Als je je vraag wilt stellen, moet je het nu doen, anders loop ik door,’ zei ik.
‘Heeft u misschien vijftig eurocent voor mij?’ was zijn vraag.
‘Joh, niemand heeft nog geld op zak. Alles is contactloos tegenwoordig!’
Zonder nog te wachten op een reactie ben ik licht geïrriteerd naar mijn fiets gelopen. Stomme hittegolf…

Categorieën:Read

Af en toe raakt mijn collectie van whiskyflessen bijna op. Dan staat er nog een liter whisky in de kast, verdeeld over drie, vier of vijf flessen. Ik drink het incidenteel. Af en toe een glas whisky, verdund met bruisend bronwater. Ketterij! hoor ik de liefhebbers c.q. kenners al roepen. Ik leng het graag aan met wat bubbels. Ik kan hier enorm van genieten. Ik hou het bij één merk: Johnnie Walker. Alle kleuren labels heb ik wel in huis gehad. Behalve de blauwe, want een fles van label blauw gaat niet weg voor een bedrag onder de € 100,00.

Naast de diverse labels van Johnnie Walker staat er ook altijd een ander whiskymerk in de kast. Royal Lochnagar. Het is een whisky dat vlakbij Balmoral Castle (het buitenverblijf van de Engelse royals) in Schotland wordt gestookt. Ik heb daar ongeveer vijfentwintig jaar geleden met mijn vader de distilleerderij bezocht, waarna we aan het einde van de rondleiding een flinke fles Royal Lochnagar hebben aangeschaft. Diezelfde avond hebben we de fles soldaat gemaakt. Dus papa’s whisky, zoals ik het merk noem, staat altijd in de kast. Zo heeft mijn pa ook in de tegenwoordige tijd een betekenis in mijn leven.

Nu de collectie in de kast steeds minder werd ben ik me gaan oriënteren in de diverse labels die Johnnie Walker aanbiedt, want naast de primaire merkenkleuren biedt het merk ook diverse Blenders Batch-smaken aan. Het zijn die whisky’s met een iets ander kleurtje en een extra geurtje, en andersom. Zo heb ik dit keer gekozen voor de Rum Cask Finish. De naam verraadt het al; deze whisky heeft mogen rijpen in de vaten waarin voorheen Caribische rum werd bewaard. Een kaartje aan de fles geeft die extra informatie.

‘Deze heerlijk soepele whisky is het resultaat van een reeks experimenten om Scotch zorgvuldig af te werken in vaten die voorheen Caribische rum bevatten,’ waar de whiskyblender op de achterzijde persoonlijk verder gaat. ‘Als mixer raak ik opgewonden op zoek naar smaakmogelijkheden op verschillende plaatsen. Vele jaren geleden begon ik na te denken over wat we zouden kunnen doen met Scotch-smaken, als we whisky zouden afmaken in vaten die eerder waren gebruikt om Caribische rum te laten rijpen.’

Door zijn ervaring met zowel rum als whisky begon whiskyblender Chris Clark te experimenteren met verschillende vaten, verschillende soorten van rum en verschillende melanges. Deze reis fascineerde hem, meldt hij op het kaartje. Het resultaat is Johnnie Walker’s Blenders Batch Rum Cask Finish. Een soepele, pittige en zoet gemengde Scotch, die gebruik maakt van de Whisky’s van zorgvuldig geselecteerde distilleerderijen uit Speyside en de lowlands van Schotland. Dit belooft wat voor vanavond wanneer ik de nieuwe fles zal openen.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: