DRAY BOSMA

“RUN A SMILE ON YOUR FACE.”

Eens om de zoveel tijd houd ik een geschreven dagboek bij. Het gaat meestal in vlagen dat ik mijn dagelijkse blijmoedigheid en sores bijhoud, maar vaak worden deze halfvol geschreven boekjes ook na een verloop van tijd weggegooid. Ik vind het vaak tenenkrommend wanneer ik teruglees dat ik me enorm heb verheugd op een bedenkelijke situatie, of wanneer ik me druk maak om zaken waarvan ik later denk: waarom die verspilde energie? En toch ben ik vorige maand weer begonnen met het opschrijven van de dagelijkse, beuzelachtige hersenspinsels. Misschien is het een idee om de persoonlijke fragmenten met enige eigen afstand te leren terug te lezen. Zo vond ik toevallig van de week (na dagen van zoeken) een kwart volgeschreven boekje met dagboekfragmenten uit het najaar van 2017, en kwam ik op de pagina van maandag 30 oktober 2017.

Een publiek geheim is nu open: Kevin Spacey is homoseksueel. Niet dat dit zo bijzonder is, maar de reden van zijn openheid is bedenkelijk. Op zesentwintige leeftijd heeft hij (iets meer dan) avances gemaakt naar de (toen) veertienjarige Anthony Rapp. Deze is er nu mee naar buitengekomen en meneer Spacey komt vandaag met een officiële verklaring dat hij zich ‘het incident’ niet kan herinneren (wel dat hij destijds dronken was – vreemd!), en dat het hem spijt. Daarbij volgt de verklaring dat hij nu het homoseksuele leven heeft geaccepteerd en omarmt. Jezus! Spacey denkt te veel als het fictieve karakter Frank Underwood, dat hij speelt in House of Cards. Hij denkt overal mee weg te kunnen komen. Als homoseksueel ben ik hier best verontwaardigd over, want homoseksualiteit heeft niets met ongevraagde seks met tieners te maken. Kinderen vind ik leuk: op gepaste afstand! Ik vind het walgelijk om kindermisbruik te verzwakken door de aandacht naar je coming out te leggen. Veel mensen die niet logisch kunnen denken (en dat zijn er veel!!), zijn nu overtuigd dat iedere gay ook van kids houdt. Dankjewel Kevin Spacey. Not.

Nadat we de barones van onze komst verwittigd hadden, begonnen we volgens de regelen der kunst het kamp in te richten; de tenten werden opgezet, afvalput werd gegraven en er werd door Mans een ‘solide’ aanlegsteiger voor de cano in de Wetering geslagen. Van de tuinman kregen we de nodige stromatten, die onder de tenten werden gelegd (daar is ‘Epeda’ niks bij).

Het grote voordeel van de kampplaats was, dat de westzijde, de regen en windhoek, geheel beschut was door een bos met zware bomen. Aan de Noordzij was een prikkeldraadversperring die dwars door de hele tuin liep (de ‘Tjebbelinie’). De rest van het weidje werd begrensd door een snelstromende Wetering die op de Loosdrechtseplassen uitkwam. Brood, melk en water moest bij de ‘directrice van de huishouding’ in de keuken gehaald worden, maar dat was eerde een voordeel dan een bezwaar, want de weg erheen liep onder de schaduwrijke pruimen en appelbomen door, waar nogal eens gerust werd.

Overdag maakten we tochten naar de Loosdrechtseplassen, doorkruisten de trekvaarten met de aardige zomerhuisjes, peddelden de Kalverstraat op en af, zeilden en zwommen op de plas. Op de plassen konden we ons watersporthart ten volle ophalen. We kregen geen genoeg van het boeien ‘de Hollandse landschap met de ontelbare BM’ers, tjotters, tjalken, regenbogen, valken, jollen en al wat niet meer voor sierlijke boten, die scherp aan de wind over de plassen scheerden.

Met de cano voeren we meer peddelend dan zeilend tussen de grote boten door, wier schippers met hun vaak meer dan 21m² zeil aan de mast, minachtend keken naar de onderbroek van tweeënhalf die wij eraan hadden hangen. Jammer dat de laatste dag toen we juist trots bezig waren een twaalf voet jol in te halen het zeil met mast en al overboord sloeg, als bewijs dat een cano geen zeilboot is.

Het koken in ons vaste kamp ging uitstekend. Om de andere dag hadden we corvee. De menu’s waren zeer uitgebreid; de eerste dag sla, de tweede dag sla, enz. met er tussendoor nog rijst met kerry en boontjes met Duitse biefstuk waarvan Johan ons veel voorgespiegeld had, maar toen ze op tafel kwam, het midden hield tussen fijngehakt teertouw en gebraden brandhout. Bijna elke dag aten we mata sapi’s (spiegeleieren).

’s-Morgens werden de inkopen in Maarssen of in Breukelen gedaan waarbij vooral de fiets van Johan dienstdeed. Met de gebruiksaanwijzing; twintig minuten fietsen, vijf minuten banden pompen. In de avond maakten we wandelingen langs de prachtige Vecht. Na afloop dronken we cacao en kropen dan in de slaapzak. Alles bij elkaar hadden we daar het heerlijkste kampleventje dat je je maar denken kan, maar dan alle vreugde komt een eind, en dinsdag 22 augustus werd Johan opgebeld; direct naar huis komen en examen doen. Ook wij bleven niet veel langer, de volgende dag hielden we een afscheidsbezoek bij de baron (waar de barones klaagde dat er zo weinig pruimen waren dit jaar, hoe bestaat het!).

Donderdagochtend braken we ons kamp op en voeren de Wetering uit tot de sluis waar we ons in de Vecht lieten schutten. De sluiswachter verklaarde ons te behoren tot de klasse luxe vaartuigen van meer dan één ton met meer dan één verplaatsbare zitplaats, en dus moesten we tien cent betalen. Om één uur waren we bij de Weerdsluis in Utrecht waar we tot twee uur moesten wachten eer we geschut werden. Na een dwaaltocht door de Utrechtse grachten waar we het onder andere aan de stok kregen met een familie zwanen, waarvan de huisvrouw ons hevig blazend en sissend te lijf wilde gaan omdat ze dacht dat wij haar jongen gingen ontvoeren, arriveerden we in de Kromme Rijn. De rivier die vooral bij Utrecht geweldig kronkelt, is erg smal en ondiep (bijna overal is de bodem te zien) en heeft een zwakke stroming naar Utrecht toe. Twee keer werden we gratis geschut. Het was jammer dat het bijna

… hier eindigt het vakantielogboek van de zeventienjarige Hayo, met zijn belevenissen in het Nederland van augustus 1940. Als volwassen man zal hij later veel reizen maken en nog veel meer van de wereld zien wanneer hij Kapitein ter Koopvaardij is.

Categorieën:Read

Toen we wakker werden, de volgende morgen was het eerste wat we hoorden, het eentonige getik van de regen op het tentdak. We staken ons hoofd eens buiten de tent; erg hoopvol zag het er niet uit; een gestadig motregentje daalde uit de grauwe hemel, echter in het Westen begon het iets op te klaren, zodat we, na het ontbijt met een bord havermout, de kampplaats opbraken en koers zetten naar Rhenen. Toen we daar aankwamen was de regen opgehouden en hing er alleen nog maar een zware mist, die naarmate we Wijk bij Duurstede naderden het veld ruimde voor de zon, zodat de regenjassen en zeiltjes snel opgeborgen konden worden. Reeds voor twaalf uur zagen we het oude Dorestad liggen, dat volgens de angstwekkende verhalen van ons geschiedenisboekje tientalle keren door de Vikings is verwoest. We besloten echter het voorbeeld van onze stambroeders niet te volgen en op een meer nette manier inkopen te doen, wat ook gelukte.

Nauwelijks waren we echter op de Lek, op weg naar Vreeswijk dat ongeveer vijfentwintig kilometer verder ligt, of het begon wat de schippers noemen, rauw weer te worden. De wind, die nu uit het zuidwesten kwam, stuurde met onvermoeibare kracht tegen de stroom in. De rivier begon hoger te lopen en hier en daar vertoonden zich reeds venijnige schuimkoppen. Menig schipper die nauwelijks de kop van zijn zwaarstampende vrachtboot boven water kon houden zal hoofdschuddend naar ons kleine, ranke bootje hebben gekeken, maar op de Waal hadden we geleerd om ook bij slecht weer op de boot te vertrouwen, al viel het in het begin niet mee om de korte hevige golfslag de kop van de boot tegen de golven in te houden.

Van de stroom merkten we vrijwel niets meer; voor de afstand tussen twee kilometer raaien hadden we bijna het dubbele nodig als op de Rijn. Na bijna zes uur tegenwind en golven geworsteld te hebben kwamen de reusachtige sluisdeuren van Vreeswijk in het zicht, waar we de tijd kregen om weer op ons verhaal te komen.

We maakten de cano vast aan een tjalk, die gereed lag om de sluis in te varen. We praaiden achtereenvolgens de melkboer, de bakker en de groenteboer, van welke laatste we voor een paar centen een flinke portie pruimen overlaadden. Nadat we ongeveer een half uur gewacht hadden, waren we aan de beurt om geschut te worden; de grote sluisdeuren werden hoog gehezen en wij voeren als de laatste boot met de tjalk de sluiskolk in, hetgeen wel zo veilig was omdat we dan minder kans liepen om gekraakt te worden. Nauwelijks lagen we stil of de sluisdeur zakte, en het water in de sluis begon snel te dalen en de voorste sluisdeur werd omhooggehaald. Zo snel we konden maakten wij de cano vast aan een rijnaak, die met een flink gangetje koers zette naar Utrecht. De sleepboot die de aak trok begon steeds harder te varen, zodat we reeds om negen uur bij Utrecht waren. Hier gooiden we los, om aan wal ons kamp op te slaan. De volgende morgen waren we reeds vroeg uit de slaapzak. De tent werd afgebroken en de cano werd gepakt voor het laatste gedeelte door het Merwedekanaal en over de Vecht. Reeds om twaalf uur meerden we de cano voor de Ganzenhoeve …  

Het is in het voorjaar van 1940 wanneer de zeventienjarige Hayo, samen met zijn vrienden het plan heeft om op vakantie te gaan. De reisroute zal hen van Nijmegen, via Arnhem naar Utrecht, en weer terug naar Nijmegen brengen. Hieronder lees je het reisverslag dat Hayo zo’n tachtig jaar geleden, in een logboek met tekst, foto’s en tekeningen heeft bijgehouden.

INLEIDING

Het plan om te gaan kamperen stuitte ook bij ons op de gebruikelijke tegenkanting. Thuis kregen ze angstige visioenen van zoons die ‘s-nachts op een koude natte grond lagen en geen nachtrust meer kregen; en die er weldra uitzagen als rovers met ongewassen gezichten en haardossen die sterk herinnerden aan de tijd dat de kam nog niet uitgevonden was. Daar kwam nog bij het aangebrande eten waar ze de dag mee door moesten brengen.

Maar toch bleven we sparen en werkten we aan onze uitrusting die, vooral na de, door de moeder van Mans prachtig in elkaar gezette tent, na iedere verjaardag en St. Nicolaas uitgebreid werd met pannen, primus, grondzeil, rugzak, enzovoort. Eindelijk tegen het voorjaar 1940 hadden we vrijwel alles bij elkaar en tevens een voorlopige toestemming. Echter toen kwam de 10e mei…*

Nieuwe moeilijkheden met de distributie van brood, boter, vet en petroleum. Doch reeds tien dagen na de inval hielden we onze ZaZo, om de nodige ervaring te krijgen. Met de toestemming op de ‘Ganzehoeve’, een landgoed aan de Vecht te mogen kamperen, werden de laatste bezwaren uit de weg geruimd. We besloten een trektocht met een vaartkamp te combineren. Twee gingen met de cano en namen de ‘trekpot’ mee, terwijl de derde op de fiets de rest van de uitvoering vervoerde. Zo begon op 13 augustus de lang verbeide tocht. “              

*De Duitse aanval op Nederland in 1940 begon op 10 mei en betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog.

REISBESCHRIJVING

Eindelijk na een hartroerend afscheid stapten we dinsdagsmorgens de deur uit, op weg naar de cano, die we voor het gemak de vorige dag maar naar ‘t Meertje hadden gevaren. We begonnen met de tent, kampeerdekens, pannen, primus en dergelijke in de boot te stouwen, wat een erg nauwkeurig werkje is, maar waarin we door schade en schande wijs geworden waren. Ondanks onze goede voornemens om vroeg te vertrekken, was het toch al met al over tienen toen de tros, in dit geval de scheerlijn, werd los gesmeten en we ’t Meertje uitstroomden, de avonturen tegemoet…

Het eerste stuk tot Pannerden was niet het gemakkelijkst, aangezien we tegen de stroming in moesten en eerlijk gezegd hadden we in stilte gehoopt op een fijn sleepje dat ons gratis en voor niks in de Rijn zou brengen. Helaas het mocht niet zo wezen, hoe we de Waal ook aftuurden geen roeiboot, laat staan een sleep, waagde het om deze morgen naar boven te varen, zodat we maar eens extra hard aan de peddels trokken en welgemoed de tocht naar de Kop van Pannerden begonnen.

Het was vrij hoog water waardoor de meeste kribben gedeeltelijk onder water stonden. Toch werden ze stuk voor stuk genomen, uitgezonderd de drie waar we bovenop liepen, tot groot ongenoegen van de voorste man, aangezien zijn tenen bij het afduwen nat werden. Ondanks alles bereikten we in een uitstekende stemming de Kop. Nauwelijks waren we de Rijn opgedraaid en kregen we een stroompje van vier à vijf kilometer mee, of we zagen kans om het roeibootje van een vrij snel varende vrachtboot te charteren. Met snelle vaart ging het op Arnhem af, echter bij Westervoort waarschuwde de schipper ons dat hij de IJssel op ging en dus stapten we vlug in de cano en verlieten het schip dat de IJssel opdraaide. Op eigen kracht ging het nu verder. Het weer was prachtig en in de verte zagen we Arnhem reeds liggen, dat we om een uur of twee passeerden. Met een snelheid van negen à tien kilometer ging het nu stroomaf. Aan stuurboord lagen de heuvels van de Veluwe met de Westerbouwing en de Duno, terwijl we aan bakboord de groene weiden, de boerderijen en de steenfabrieken van de Betuwe zagen. Na Wageningen gepasseerd te zijn, begonnen we, daar het tegen zessen liep, naar een geschikte kampplaats uit te kijken. Na enige moeite vonden we ter hoogte van het Opheusdens veer een aardig oppertje, waar we snel de tent opsloegen en de primus aanstaken voor de Nassi Goreng, die we kant en klaar van huis hadden meegekregen.

Na het eten maakten we een verkenningstocht in de omgeving, het bleek dat we een schitterend plekje hadden gevonden. Achter de zomersdijk een rustig kolkje, temidden der groene weiden. In de verte tekende zich de Grebbeberg donker af tegen de paarsrode avondlucht. Slechts het schorre kwaken van de kikker in de plas verstoorde de avondstilte. Het was weer een van die onvergetelijke avonden, zoals je ze alleen aan de rivier kunt beleven. Toen het donker begon te worden kropen we in de slaapzak en waren we snel onderzeil…

Ik sta onder de douche en het raam van de badkamer staat open. Buiten heerst een koude februariochtend, maar binnen, onder de warme waterstraal, merk ik niet veel van de Siberische temperaturen. Ondanks dat het badkamerraam zich aan de westzijde van het huis bevindt, in de luwte van de oostenwind, likt de vorst heel af en toe met een vrieskoude tong licht over mijn schouders. Het voelt iedere keer als door een kogel getroffen, en ik verplaats mijn geraakte schouders onder de warme waterstraal.

Ik denk aan wat me deze dag te wachten staat (thuiswerken) en ik peins nog even over wat ik eerder op de radio in het nieuws hoorde. De politieke discussie over de mogelijkheid van schaatswedstrijden op natuurijs. Er wordt maandenlang diverse instanties verplicht de deuren te sluiten om coronabesmettingen te voorkomen en vandaag is er ruimte voor een discussie over schaatswedstrijden. In winterse temperaturen, waarbij het coronavirus het meest besmettelijk is. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Ik merk enige irritatie.

Het is de zeep. Deze prikt in mijn ogen. Waarschijnlijk heb ik ze toch heel even geopend toen de koude zucht over me heen vloog. Snel breng ik mijn gezicht in de waterstraal en open mijn ogen. Hopelijk spoel ik mijn contactlenzen niet uit, denk ik, en knipper met mijn ogen terwijl ik weer naar beneden kijk. De zeep stroomt op het water langs mijn voeten naar het afvoerputje. Ik spoel al het zeep van me af, sta nog even te genieten van de warme waterstraal op mijn hoofd en draai dan toch de thermostaatkraan dicht.

Ik sluit het badkamerraampje. Ik heb geen zin om me in de ijskoude tocht te staan afdrogen. Wanneer alles aan mijn lijf naar tevredenheid is afgedroogd haal ik overtollige nattigheid met een trekker van de badkamertegels en het douchescherm. De schermen vouw ik terug tot één paneel. De badkamerspiegel is licht beslagen en dat vind ik oké. Het is een oude man die ik tegenwoordig in de spiegel zie. Ouder dan de geest. Dankzij de condens, die als een filter werkt, ben ik tevreden met mezelf en knipoog ik naar de man in de spiegel. Hij knipoogt lachend terug.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: