Oogluikend

Een jongen van dertien jaar komt bij een ongeluk om het leven. Verschrikkelijk. Een kind dat nog een heel leven voor zich had, is er niet meer en voor zijn familie is het verdriet onvoorstelbaar. Dat staat voor mij boven alles.

Toch bleef ik bij het lezen van het artikel over dit ongeluk hangen bij één klein fragment: “Als dertienjarige mocht hij niet op zo’n crossmotor rijden, maar zoals dat vaker gaat in het buitengebied, werd dat oogluikend toegestaan.” ‘Oogluikend toegestaan.’ Juist dát verbaast me. Niet omdat ik daarmee een dertienjarige jongen alsnog op het beklaagdenbankje wil zetten. Integendeel. Ik vind eigenlijk helemaal niet dat dit verhaal een schuldige nodig heeft. Wat mij betreft lees ik vooral het verhaal van een verschrikkelijk noodlottig ongeval. Maar als we regels en wetten erbij halen, laten we ze dan wel aan beide kanten serieus nemen.

Want na dat bijna terloopse ‘oogluikend toegestaan’ verandert de toon. Dan wordt nauwkeurig onderzocht wat de 53-jarige verdachte allemaal anders had moeten doen. Hoe reed de tractor? Waar liep hij zelf? Had hij voldoende zicht? Had hij voldoende gewaarschuwd? Hoe zat het met de uitstekende lepels? Welke regels golden er precies op dat zandpad? Bij wijze van spreken wordt nog gecontroleerd of de man wel de correcte werkschoenen aanhad. En dáár wringt het bij mij. Kennelijk vinden we regels buitengewoon belangrijk wanneer daarmee kan worden vastgesteld wat deze man mogelijk verkeerd heeft gedaan. Terecht misschien. Maar een paar regels eerder wordt de constatering dat een dertienjarige iets deed wat wettelijk niet was toegestaan, bijna afgedaan met: ach ja, zo gaat dat nu eenmaal in het buitengebied. Dat vind ik een merkwaardige tegenstelling.

Nogmaals: daarmee zeg ik niet dat de jongen schuld had aan zijn eigen dood. Dat vind ik niet en dat is ook helemaal niet het punt. Een verkeersregel is bovendien geen weegschaal waarop je achteraf schuldpercentages kunt leggen: 30 procent voor de één, 70 procent voor de ander en klaar is de rechtbank. Mijn vraag is veel eenvoudiger. Waarom wordt het overtreden van een regel aan de ene kant gerelativeerd omdat het kennelijk vaker gebeurt, terwijl aan de andere kant juist tot in detail wordt gezocht naar regels die mogelijk zijn overtreden? Als ‘oogluikend toegestaan’ een argument is, wordt het een gevaarlijk rekbaar begrip. Dingen die vaak gebeuren, worden daarmee immers niet automatisch toegestaan. Te hard rijden gebeurt iedere dag. Foutparkeren ook. Door rood fietsen eveneens. Het bord met de maximumsnelheid past zich daar vooralsnog niet uit beleefdheid aan.

En misschien is juist dát waarom dit verhaal mij zo bezighoudt. Ik heb helemaal geen behoefte aan een schuldige. Ik zie een jongen die op een crossmotor reed terwijl dat niet mocht. Ik zie een man die met een tractor aan het werk was en volgens justitie daarbij fouten heeft gemaakt. En ergens op een zandpad kwamen die twee werelden op het allerongelukkigste moment bij elkaar. Met een afschuwelijke afloop.

Daar mag onderzoek naar worden gedaan. Sterker nog: dat móét. Wanneer een kind overlijdt, wil je weten hoe dat heeft kunnen gebeuren en of het voorkomen had kunnen worden. Maar onderzoek wat mij betreft dan het hele verhaal met dezelfde nauwkeurigheid. Niet door de ene overtreding met een bijna vergoelijkend ‘dat gebeurt daar nu eenmaal’ terzijde te schuiven, om vervolgens aan de andere kant de wetboeken open te slaan tot de kleine lettertjes uit de rug vallen. Misschien komt daar uiteindelijk uit dat de man verwijtbaar heeft gehandeld. Misschien ook niet. Daar hebben we een rechter voor.

Voor mij verandert het niets aan wat ik bij dit verhaal vooral voel. Een kind van dertien is dood. Zijn familie heeft levenslang verdriet. En een man die die ochtend waarschijnlijk gewoon aan zijn werk begon, zal de rest van zijn leven moeten leven met de wetenschap dat een jongen bij een ongeval waarbij hij betrokken was, om het leven kwam. Ik zie daarin geen winnaar. En eerlijk gezegd ook geen behoefte aan een verliezer. Ik zie slachtoffers. En bovenal een intens treurig, noodlottig ongeval.

Karpathos

Gistermiddag zijn we weer in Nederland aangekomen. Na ruim een week Karpathos voelt het vreemd om wakker te worden zonder rammelende hoteldeuren, loeiende wind en een douche die zelf bepaalde welke temperatuur op dat moment passend was.

De vakantie begon vorige week maandag op een onchristelijk tijdstip. Om 04.30 uur reden we vanuit Almere naar Schiphol, waar we voor het eerst per bus naar het vliegtuig werden vervoerd. Na een paar minuten blauwbekken mochten we via een trap naar binnen. Vier uur later stonden we in de warmte en vooral de wind van Karpathos.

Ons eenvoudige hotel bleek een prima uitvalsbasis, al verdiende de douche geen schoonheidsprijs. De douchekop kon nergens worden opgehangen en de miezerige straal wisselde zonder waarschuwing van koud naar warm. Ook het ontbijtzaaltje was niet bepaald royaal bedeeld. Er stond een bordje met ‘yoghurt’, maar yoghurt hebben we nooit aangetroffen. Daarom ontbeten we al snel buiten de deur. Soms succesvol, zoals bij La Corte, en soms wat minder. Lauwe koffie en koude pancakes met ei en bacon blijken zelfs op een Grieks eiland geen goed begin van de dag.

Met onze Renault Clio ontdekten we een flink deel van Karpathos. We reden naar Olympos, waar toeristische winkeltjes ons naar de kerk boven in het stadje leidden. Onderweg bezochten we kapelletjes, waarbij ik bij één exemplaar bijna letterlijk tot God werd geroepen door een veel te lage deurpost. De Heer had kennelijk een dag bedenktijd nodig, want pas de volgende dag liep er na het douchen ineens een flinke straal bloed over mijn voorhoofd. Een soort stigmata wellicht? Ik heb het bloed gedept en daarna nergens meer last van gehad.

We zwommen in zee bij Frangolimiona Beach, wandelden door Finiki en bekeken in Arkasa een klokkentoren die sterk op een uitbundige Griekse bruidstaart leek. Ook reden we richting Avlona, over wegen waarop je vooral geen tegenliggers wilt tegenkomen. Uiteraard kwamen die wel. Bij een kerk met een rode koepel werden we opgewacht door een complete kudde geiten en bokken. Wij kwamen voor de kerk, maar buiten bleek de voltallige parochie al klaar te staan.

De wind was sowieso nadrukkelijk aanwezig. Soms klapperden ’s nachts de deuren van het hotel en bij Agios Konstantinos moest ik mijn iPhone met twee handen vasthouden om te voorkomen dat mijn vakantiefoto’s eerder thuis zouden zijn dan wij.

Ook culinair hebben we het nodige meegemaakt. We aten veel feta, souvlaki, mixed grill en stifado, en vrijwel dagelijks een ijsje. Bij Anemoussa gingen we één avond culinair vreemd. Edo bestelde spaghetti bolognese en kreeg tagliatelle al ragù, terwijl de bediening mijn bord al wilde afruimen toen hij nog zat te eten. Culinair vreemdgaan wordt dus inderdaad zelden positief beloond.

Tussen alle autoritten, maaltijden en siësta’s door zwom ik bijna iedere dag twintig baantjes. Op een van de laatste dagen werden het er veertig: precies één kilometer. Het beviel zo goed dat ik inmiddels een zwemabonnement in Almere heb afgesloten. Vanaf vanavond ga ik tweemaal per week baantjes trekken.

Behalve souvenirs, foto’s en een lichte feta-overdosis hebben we dus ook een nieuwe gewoonte mee naar huis genomen. Karpathos was soms rommelig, vaak winderig, behoorlijk steil en bovenal toch ook bijzonder aangenaam.

Yamas! En die eerste echte douche hebben we inmiddels gelukkig achter de rug.

Kapelletjes

Wie over Karpathos rijdt, hoeft niet lang te zoeken naar een teken van hogerhand. Sterker nog, je moet behoorlijk je best doen om er géén tegen te komen. Kerken, kerkjes en vooral kapelletjes staan werkelijk overal. In de dorpen, langs de weg, boven op een berg en soms op plekken waarvan je je afvraagt wie in hemelsnaam ooit heeft gedacht: dát is een handige plek voor een kapel.

Het belangrijkste geloof op Karpathos is het Grieks-orthodoxe christendom. Dat is niet iets wat een slimme reisorganisatie speciaal voor toeristen heeft bedacht om het eiland wat authentieker te laten ogen. Het christendom heeft hier heel oude papieren. Uit de vroegchristelijke periode, grofweg de vijfde en zesde eeuw, zijn op Karpathos resten van ongeveer twintig basilieken bekend. In de omgeving van Arkasa zijn er verschillende gevonden en ook bij Pigadia liggen de resten van Agia Fotini, een vroegchristelijke basiliek. Het geloof zit hier dus al een slordige vijftien eeuwen in het metselwerk.

In 1054 gingen de oosterse en westerse kerk ieder hun eigen weg. Wij in West-Europa raakten vooral vertrouwd met het rooms-katholicisme, terwijl Griekenland orthodox bleef. Toch kom je veel oude bekenden tegen. Agios Nikolaos is gewoon onze Sint-Nicolaas en Agios Georgios kennen wij als Sint-Joris. En dan is er Maria. Of beter gezegd: Panagia, de Alheilige. Die kom je op Karpathos werkelijk overal tegen. Veel kerken zijn aan haar gewijd en haar naam duikt voortdurend op wanneer je over het eiland rijdt.

Maar hoort dat geloof nog wel bij het moderne Karpathos? Volgens mij is het antwoord daarop duidelijk ja, al betekent dat natuurlijk niet dat iedere Karpathiër iedere zondagochtend keurig vooraan in de kerk zit. Religie is hier meer dan alleen kerkbezoek. Het is verweven met families, dorpen, feestdagen en tradities. Kerken zijn vaak gewijd aan een beschermheilige en op de feestdag van zo’n heilige wordt niet alleen gebeden, maar ook gegeten, muziek gemaakt en gedanst. De bekende panigýria zijn daardoor tegelijkertijd religieuze vieringen en dorpsfeesten. Geloof en het gewone leven lijken hier veel makkelijker naast elkaar te bestaan dan wij in het behoorlijk geseculariseerde Nederland gewend zijn.

En dan zijn er dus die kapelletjes. Heel veel kapelletjes. Een flink deel daarvan is verbonden aan families die ze verzorgen en onderhouden. Dat verklaart misschien waarom je ze aantreft op plaatsen waar geen weldenkend mens spontaan zou besluiten: weet je wat hier nog ontbreekt? Een kerk. Wij hebben er inmiddels tijdens onze autoritten aardig wat gezien. Soms groot en indrukwekkend, soms niet veel groter dan een schuurtje, maar bijna altijd witgekalkt en regelmatig op een plek waar het uitzicht minstens zo hemels is als de bestemming.

Ik begin zelfs te vermoeden dat er op Karpathos een bouwverordening bestaat die bepaalt dat wanneer twee geiten langer dan een kwartier op dezelfde plek blijven staan, er een kapelletje tussen moet worden gebouwd. En aangezien er hier óók behoorlijk veel geiten zijn, verklaart dat eigenlijk alles.

Karpathos mag dan smartphones, huurauto’s, wifi en cappuccino’s hebben, het verleden is hier nooit helemaal verdwenen. Het staat gewoon langs de kant van de weg. Met een kruis op het dak, een paar iconen achter de deur en meestal een uitzicht waarvoor zelfs een atheïst heel even stil wordt.

Alleen

De afgelopen dagen hebben we het twee keer gezien. Tijdens het eten zat er naast ons in het restaurant iemand alleen aan een tafeltje voor twee. Geen tweede glas, geen tas op de stoel tegenover zich en ook niemand die ieder moment van het toilet terug kon komen. Gewoon iemand die in zijn eentje uit eten was. Mijn eerste gedachte was beide keren ongeveer hetzelfde: sneu.

Dat is eigenlijk best vreemd. Want is iemand die alleen aan een tafeltje zit daarom per definitie zielig? Misschien vindt diegene het juist heerlijk. Misschien heeft hij of zij maandenlang uitgekeken naar een week zonder rekening te hoeven houden met een ander. Geen discussie over hoe laat er ontbeten wordt, welk strand vandaag aan de beurt is en of ze écht alweer naar datzelfde restaurant gaan. Alleen op vakantie betekent tenslotte ook dat niemand tegen je zegt: “Zullen we zo langzamerhand gaan?” Nee. Ik zit hier prima.

Toch merk ik dat mijn nieuwsgierigheid het al snel overneemt. Wat is het verhaal achter zo iemand? Misschien is er helemaal geen verhaal en zit daar iemand die gewoon graag alleen reist. Thuis een druk leven, veel mensen om zich heen en op vakantie eindelijk stilte. Een boek mee naar het restaurant, rustig iets drinken en kijken naar iedereen die voortdurend met elkaar overlegt. Maar in mijn hoofd ontstaan natuurlijk onmiddellijk andere scenario’s. Misschien ging hij vroeger altijd samen met iemand op vakantie en is die ander er niet meer. Misschien was Karpathos jarenlang hun eiland en heeft hij op een dag besloten toch terug te gaan. Niet omdat het gemakkelijk is, maar juist omdat alle mooie herinneringen daar liggen. Of misschien zit zij daar omdat een relatie een paar maanden geleden is stukgelopen. De vakantie was al geboekt, de vrije dagen waren geregeld en thuisblijven voelde alsof er nóg iets van haar was afgepakt. Dus ging ze gewoon. Alleen.

Misschien heeft iemand jarenlang gewacht op een reisgenoot. Een partner die nooit kwam, vrienden die geen tijd hadden of familieleden die liever ergens anders naartoe gingen. Tot het besef kwam dat wachten op iemand anders een uitstekende manier is om zelf nergens te komen. En misschien zit daar wel iemand die juist dolgelukkig is. Dat vind ik eigenlijk de mooiste mogelijkheid.

Wij zijn blijkbaar zo gewend aan het idee dat vakantie iets is wat je samen doet, dat iemand alleen aan een restauranttafeltje onmiddellijk opvalt. Twee mensen die zwijgend tegenover elkaar zitten en allebei op hun telefoon kijken, vinden we volkomen normaal. Eén persoon die rustig zit te eten en tevreden om zich heen kijkt, vinden we zielig. Als je erover nadenkt, is dat behoorlijk merkwaardig.

Kan ik zelf alleen op vakantie? Ja, dat denk ik eigenlijk wel. Maar dan zag mijn leven er ook anders uit. Was ik alleen en deelde ik mijn leven niet met een partner, dan liet ik mezelf beslist niet thuis zitten omdat er niemand was om mee op vakantie te gaan. Dan stapte ik waarschijnlijk net zo makkelijk alleen in het vliegtuig. Maar dat individuele leven heb ik niet en dat is voor mij gelukkig niet aan de orde. Ik vind het juist fijn om samen op reis te zijn, iets te kunnen aanwijzen en te zeggen: “Kijk daar eens.” Om samen herinneringen te maken waar je het jaren later nog over kunt hebben. En natuurlijk heb je iemand nodig om de schuld te geven wanneer je na een verkeerde afslag ineens boven op een berg staat.

Sinds ik die twee vakantiegangers alleen aan hun tafeltje zag zitten, kijk ik er toch anders naar. Misschien is alleen op vakantie gaan helemaal niet eenzaam. Misschien is het zelfs een vorm van vrijheid waar je behoorlijk wat lef voor nodig hebt. Naar een restaurant lopen en zonder enige gêne zeggen: “Een tafel voor één, graag.” En vervolgens gaan zitten alsof er helemaal niemand ontbreekt.

Omdat er misschien ook helemaal niemand ontbreekt.

Genezing

Begin deze maand ging ik tijdens het hardlopen onderuit. Niet zo’n elegante struikel waarbij je jezelf met twee sierlijke passen weet te redden en vervolgens doet alsof er niets is gebeurd. Nee, gewoon vallen. Knie en handen op de grond, vel eraf en meteen weten: hier ga ik nog wel even plezier van hebben.

Inmiddels zijn we drie weken verder en is de wond op mijn knie zo goed als genezen. De korst is verdwenen en daarvoor in de plaats zit nieuwe huid. Nog roze, gevoelig en duidelijk niet klaar voor een enthousiast rondje schuurpapier.

Mijn handen waren in de eerste dagen misschien nog wel hinderlijker dan mijn knie, al is ook mijn rechterhand inmiddels bijna helemaal genezen. Vooral mijn vingertoppen waren ontzettend gevoelig. Logisch ook: daar zitten nogal wat zenuwuiteinden en ineens merkte ik bij allerlei doodgewone handelingen hoeveel je die dingen gebruikt. Maar het grappige was dat die extreme gevoeligheid na een dag of twee alweer duidelijk minder werd.

Alsof mijn lichaam zei: rustig maar, we zijn ermee bezig.

Want eigenlijk is het wonderlijk wat daar in drie weken tijd is gebeurd.

Op het moment dat ik viel, hoefde ik mijn lichaam geen enkele instructie te geven. Ik hoefde niet tegen mijn knie en handen te zeggen: ‘Luister, volgens mij missen we hier wat huid. Graag herstellen en een beetje tempo maken.’ Er hoefde geen werkbon te worden aangemaakt en nergens verscheen een monteur met een gereedschapskist. Mijn lichaam begon gewoon.

Eerst moest het bloeden stoppen. Daarna werden de beschadigde plekken beschermd en begon het herstel. Er ontstonden korsten en daaronder werd ondertussen hard gewerkt aan nieuwe huid en het herstel van kleine bloedvaatjes. Een complete bouwplaats, maar dan zonder steigers, bouwradio en mannen die om zeven uur ’s morgens al naar elkaar staan te schreeuwen.

En ik? Ik hoefde eigenlijk alleen maar een beetje geduld te hebben.

Het mooie is dat we dit herstelvermogen meestal volkomen vanzelfsprekend vinden. Een sneetje, een blauwe plek, een schaafwond: we constateren het, mopperen er een beetje over en gaan verder. Pas wanneer je meerdere wonden gedurende een paar weken dagelijks ziet én voelt veranderen, valt op hoeveel werk het lichaam ondertussen verzet.

Natuurlijk kan het lichaam niet alles repareren. We zijn geen salamanders die achteloos een verloren lichaamsdeel opnieuw laten aangroeien. En nieuwe huid blijft voorlopig kwetsbaar. Maar het principe blijft indrukwekkend: er ontstaat schade en vrijwel onmiddellijk begint het herstel.

Drie weken geleden keek ik naar bebloede handen en een kapotte knie. Nu zie ik vooral verse huid die nog wat tijd en bescherming nodig heeft.

Terwijl ik slaap, werk, eet en mezelf wijsmaak dat ik met belangrijkere zaken bezig ben, draait ergens in mijn lichaam de reparatiedienst gewoon door. 

Vierentwintig uur per dag. 

En het mooiste is: ik ontvang nooit een factuur.

Vakantiestress

Volgende week zijn we onderweg van Schiphol naar Griekenland. Als ik dit twintig jaar geleden had geschreven, was ik op dit moment waarschijnlijk al minstens twee weken bezig geweest met alles wat er eventueel mis zou kunnen gaan. Niet alleen met dingen die daadwerkelijk een probleem konden worden. Nee, dat zou te eenvoudig zijn geweest. Ik kon me ook uitstekend opfokken over zaken die helemaal niet van toepassing waren. Geef mij een vakantie in het vooruitzicht en ik bedacht zelf de problemen er wel bij.

Wat als de trein naar Schiphol niet reed? Wat als we te laat kwamen? Wat als mijn koffer te zwaar was? Had ik genoeg kleding bij me? Wat als ik iets belangrijks vergat? Vooral die laatste was handig. Je kunt je namelijk eindeloos zorgen maken over iets waarvan je nog niet weet wát je gaat vergeten. Er kwamen lijstjes. Vervolgens bedacht ik dingen die niet op het lijstje stonden. Die zette ik er alsnog op, waarna ik me begon af te vragen of er misschien nóg iets ontbrak. Voorpret, maar dan anders.

Hoe dichter de vertrekdatum naderde, hoe meer mijn hoofd zich ermee bemoeide. Het weer op de bestemming moest worden gecontroleerd. Niet één keer natuurlijk, want stel je voor dat het weer zich in de tussentijd bedacht. Reisdocumenten lagen gewoon waar ze hoorden te liggen. Toch konden ze kennelijk ieder moment spontaan verdwijnen. En de koffer moest het liefst dagen van tevoren klaarstaan. Vakantie was bedoeld om tot rust te komen. Daar moest blijkbaar eerst flink voor gewerkt worden.

Een voordeel van ouder worden, en dat mag ook weleens gezegd worden, is dat ik daar tegenwoordig veel minder last van heb. Het is volgende week pas zover en ik ben nog steeds opmerkelijk rustig. De koffer staat niet al twee weken geopend op bed. Ik controleer niet dagelijks of mijn paspoort nog steeds bestaat. Ik heb geen denkbeeldige vertragingen opgelost en lig niet wakker van zoekgeraakte bagage die op dit moment nog gewoon thuis ligt.

Er moet natuurlijk nog van alles gebeuren. De koffer moet worden ingepakt en er zullen ongetwijfeld nog wat laatste dingen in huis gehaald moeten worden. Maar dat hoeft vandaag niet, want we vertrekken pas volgende week. Het kan ook gewoon later. Misschien komt het door ervaring. Ik ben vaak genoeg op reis geweest om te weten dat er altijd wel iets anders loopt dan gepland. En dat het meestal gewoon wordt opgelost. Een vergeten tandenborstel is geen humanitaire ramp. Ze verkopen die dingen zelfs in Griekenland. En als een vliegtuig vertraging heeft, vertrekt het geen minuut eerder omdat ik daar thuis drie weken van tevoren alvast zenuwachtig over ben geweest.

Dat klinkt allemaal buitengewoon verstandig. Vroeger had ik het waarschijnlijk ook kunnen bedenken. Alleen had ik toen geen tijd. Ik moest me zorgen maken.

Nu ben ik zelfs twee dagen voor vertrek waarschijnlijk nog gewoon ontspannen. Althans, dat is de bedoeling. En wie weet? Misschien schiet ik straks alsnog volkomen ongefundeerd in de vakantiestress. Ik denk het niet, maar stel je voor. Dan heb ik in ieder geval wel meteen iets om me zorgen over te maken.

Alexander

Op dit moment lees ik, naast nog een paar andere boeken, een biografie over Alexander de Grote. Ik lees eigenlijk altijd meerdere boeken door elkaar en blijkbaar kan een Macedonische veldheer daar ook nog wel bij. Van Alexander wist ik natuurlijk het een en ander. Jong, veroveraar, enorm rijk, Perzen verslagen, tot in India gekomen en op zijn 32ste alweer dood. Maar juist bij zo iemand blijkt al snel dat wat je dénkt te weten vooral de samenvatting uit het geschiedenisboek is.

Ergens wist ik bijvoorbeeld nog dat Alexander niet simpelweg één godsdienst volgde. Hij groeide op met de Griekse godenwereld, met Zeus, Athena en Herakles, maar kwam tijdens zijn veroveringen voortdurend in aanraking met andere goden en religieuze gebruiken. Daar leek hij opvallend gemakkelijk in mee te bewegen. Zeus hoefde niet onmiddellijk plaats te maken wanneer er ergens een andere god opdook. Er kon blijkbaar best nog eentje bij.

Ik had Alexander daarom nooit als bijzonder religieus in mijn hoofd. Eerder als bijgelovig. Iemand die voortekenen serieus nam, offers bracht en orakels raadpleegde. Maar daarmee maak ik een onderscheid dat Alexander waarschijnlijk helemaal niet zou hebben begrepen. In zijn wereld liepen religie en wat wij tegenwoordig bijgeloof noemen door elkaar. Goden konden zich bemoeien met oorlogen, reizen, ziektes en het weer. Dromen konden iets betekenen en een voorteken kon reden zijn om een besluit nog eens te bekijken. Alexander nam dan ook zieners mee op zijn veldtochten en bracht regelmatig offers.

Het beroemdste voorbeeld is zijn bezoek aan het orakel van Amon in de Siwa-oase in Egypte. In 331 voor Christus trok Alexander daarvoor dwars door de woestijn. Dat doe je niet omdat je toevallig toch in de buurt bent. Amon was een belangrijke Egyptische god die door de Grieken met Zeus werd vereenzelvigd. Volgens latere verhalen werd Alexander bij het orakel begroet als zoon van Amon. Wat daar precies is gezegd, weten we niet. Wel weten we dat Alexander als farao in Egypte al met Amon verbonden werd en dat zijn bezoek aan Siwa later een belangrijke rol speelde in de verhalen over zijn goddelijke afkomst.

Of Alexander werkelijk dacht dat hij een zoon van een god was of dat het vooral handige politiek was, is veel moeilijker vast te stellen. Misschien was het allebei. Wanneer je op jonge leeftijd vrijwel ieder leger verslaat dat tegenover je wordt gezet, kan ik me voorstellen dat je op een ochtend in de spiegel kijkt en denkt: verrek, misschien bén ik inderdaad bijzonder.

Tijdens het lezen vroeg ik me ook af hoe iemand als Alexander het in onze tijd zou doen. Waarschijnlijk uitstekend en verschrikkelijk tegelijk. Hij was intelligent, charismatisch, grenzeloos ambitieus en kennelijk in staat mensen zover te krijgen dat ze hem jarenlang naar het einde van de bekende wereld volgden. Zet zo iemand in 2026 en hij zou vermoedelijk niet lang onopgemerkt blijven.

Alleen zou onze wereld hem ook behoorlijk frustreren. Parlementen. Rechters. Verkiezingen. Internationale verdragen. Mensen die gewoon nee tegen hem mogen zeggen. Alexander was dat laatste niet bijzonder gewend. En iemand die na de verovering van het immense Perzische Rijk dacht: mooi, dan gaan we nu verder naar India, lijkt me ook niet het type dat na twee bestuurstermijnen tevreden zijn toegangspasje inlevert.

Zijn orakels zouden waarschijnlijk wél moeiteloos met hun tijd meegaan. We noemen ze alleen anders. Waar Alexander naar Siwa trok om raad te vragen, raadplegen wij opiniepeilingen, algoritmes, influencers, toekomstvoorspellers en inmiddels zelfs AI. We vinden onszelf daarbij een stuk rationeler dan mensen 2300 jaar geleden. Of dat altijd terecht is, laat ik maar even in het midden.

Hoe religieus Alexander uiteindelijk precies was, is misschien niet eens de juiste vraag. Hij leefde in een wereld waarin godsdienst, rituelen, voortekenen, politiek en wat wij bijgeloof noemen geen afzonderlijke vakjes waren. Hij vertrouwde op offers, orakels en verschillende goden, maar vooral ook op zichzelf.
En naarmate zijn rijk groter werd, kwamen die twee steeds dichter bij elkaar.

Boekbespreking

Als ik in 1983 een dagboek had bijgehouden, had er waarschijnlijk ergens in gestaan dat ik op school een boekbespreking moest houden. Ik was zestien en koos Dat zie je toch zó! van Frits Enk, een jeugdroman over een homoseksuele jongen die probeert uit te vinden wie hij is en hoe hij daarmee verder moet. Ruim veertig jaar later denk ik daar ineens weer aan. En eigenlijk vind ik dat best stoer van mezelf.

Want natuurlijk koos ik dat boek niet zomaar. Het sprak me enorm aan. Ik liep zelf met voldoende twijfels rond en vond in het verhaal iets wat ik op dat moment nauwelijks ergens anders tegenkwam: herkenning. Het geruststellende idee dat ik niet de enige was.

Homoseksuele mannen kende ik natuurlijk wel van televisie. Albert Mol, Jos Brink. Mannen die openlijk homoseksueel waren en daar in die tijd ongetwijfeld hard voor hadden moeten knokken. Maar ik herkende mezelf niet in hen. Ik was niet verwijfd of uitgesproken feminien. Tegelijkertijd voelde ik ook weinig behoefte om mee te doen met het stoere gedoe van de jongens. Ik zat liever met de meiden te kletsen.

Of mijn klasgenoten daardoor al iets vermoedden? Geen idee. Misschien wel. Middelbare scholieren hebben tenslotte een soort radar voor alles wat een beetje afwijkt van de norm. En toen ging ik ook nog voor de klas staan met Dat zie je toch zó! Achteraf is vooral die titel natuurlijk prachtig.

Ik weet niet meer precies wat ik tijdens die boekbespreking heb verteld. Ongetwijfeld iets over Frits Enk, het verhaal en de hoofdpersoon, zoals dat hoorde. Maar ondertussen stond daar wel een zestienjarige jongen die een boek had uitgekozen over iets waarmee hij zelf bezig was, voor een klas vol leeftijdgenoten. Zonder te zeggen: dit gaat óók over mij.

Ik deed het maar mooi.

Een jaar later kwam Smalltown Boy van Bronski Beat uit. Dat nummer deed iets vergelijkbaars. Jimmy Somerville liet me opnieuw zien dat homoseksualiteit niet één bepaald type mens betekende. Ik herkende vooral het gevoel. Anders zijn, zoeken, proberen te begrijpen waar je thuishoort. En opnieuw die geruststellende gedachte: ik ben niet de enige.

Dat is tegenwoordig moeilijk voor te stellen. Een zestienjarige kan nu met een telefoon in zijn hand binnen vijf minuten ontdekken dat er homo’s zijn in ongeveer iedere denkbare soort en uitvoering. In 1983 moest je het doen met wat er toevallig op je pad kwam. Een televisieprogramma, een tijdschrift, een plaat. Of een boek.

En ik koos uitgerekend dát boek om voor een hele klas te bespreken.

Misschien was ik op mijn zestiende nog lang niet overal uit. Misschien wist ik nog niet precies wie ik was of hoe mijn leven eruit zou gaan zien. Maar blijkbaar was ik al wel eigenwijs genoeg om iets te kiezen wat voor mij betekenis had.

Daar hoef ik ruim veertig jaar later niet voorzichtig op terug te kijken. Integendeel. 

Dat zie je toch zó.

Augustus

Augustus 50 jaar geleden. Ik was negen jaar, in december werd ik eindelijk een tiener, maar het gaat dit keer niet over mij. Het gaat over Nederland in augustus 1976. Een land met telefooncellen, twee televisienetten, brommers, wijde broekspijpen en huiskamers waarin bruin, oranje en groen blijkbaar probleemloos tegelijkertijd gebruikt mochten worden. En het was droog. Bizar droog.

De zomer van 1976 staat nog altijd in de recordboeken. De hittegolf van 23 juni tot en met 9 juli duurde zeventien dagen, waarvan tien tropisch. Het uiteindelijke neerslagtekort liep op tot 361 millimeter, een record dat zelfs vijftig jaar later nog overeind staat. Augustus deed weinig om de boel te herstellen. Akkers verdorden, vissen stierven en zelfs militairen werden ingezet om te helpen met irrigatie. En kijk eens naar augustus 2026. We zijn vijftig jaar verder en opnieuw praten we over hitte en droogte. Ook deze zomer waren er lange droge perioden en hoge temperaturen. Het opvallendste verschil zit misschien niet eens in één hete zomer, maar in de achtergrond: Nederlandse zomers zijn tegenwoordig gemiddeld ongeveer twee graden warmer dan vijftig jaar geleden. Een zomer als die van 1976 was toen uitzonderlijk. Warmte en langdurige droogte voelen inmiddels een stuk minder uitzonderlijk.

Ook politiek was augustus 1976 allesbehalve komkommertijd. Nederland was in de ban van de Lockheed-affaire. Prins Bernhard werd ervan beschuldigd geld te hebben aangenomen van vliegtuigfabrikant Lockheed. Op 26 augustus maakte premier Joop den Uyl het onderzoeksrapport openbaar. Bernhard moest zijn militaire en andere openbare functies neerleggen en mocht zich niet meer in uniform vertonen. Dat was nogal wat in een tijd waarin het koningshuis nog met aanzienlijk meer eerbied en afstand werd bejegend dan tegenwoordig. Vijftig jaar later hebben we geen prins of vliegtuigfabrikant nodig om politieke onrust te veroorzaken. Dat kunnen we inmiddels uitstekend zelf.

Gelukkig was er ook muziek. Jesse Green, The Manhattans, Queen, Bryan Ferry en Peter Frampton kwamen uit de radio, en ABBA was met Dancing Queen bezig aan de opmars naar de eerste plaats van de Nederlandse Top 40. Wie een liedje mooi vond, kon niet even Spotify openen. Je wachtte met je cassetterecorder bij de radio en hoopte dat de diskjockey zijn mond hield tijdens het intro. Dat deed hij uiteraard niet.

Vijftig jaar later hebben we vrijwel alle muziek ooit gemaakt in onze broekzak. Net als nieuws, krant, televisie, fotocamera, encyclopedie, wegenkaart, telefoon, agenda en weersverwachting. In 1976 had je voor datzelfde rijtje ongeveer een halve huiskamer nodig. Het weerbericht zat in de krant of kwam op radio en televisie. Nu kan ik op mijn telefoon bijna op de minuut zien wanneer het gaat regenen, om vervolgens alsnog zonder paraplu naar buiten te gaan. Niet alle vooruitgang gaat snel.

Augustus 1976 en augustus 2026 liggen vijftig jaar uit elkaar. De wereld ertussenin is bijna onherkenbaar veranderd. Maar zet twee foto’s naast elkaar van geel gras, een strakblauwe lucht en Nederlanders die vinden dat het veel te warm is, en ineens lijken die vijftig jaar verrassend klein. Alleen die bruine bloemetjesbank uit 1976 mag wat mij betreft gewoon geschiedenis blijven.

Snelkookpan

Ruim twee weken reden er tijdelijk geen treinen tussen Almere en Weesp. Werkzaamheden aan het spoor. Natuurlijk begrijp ik dat rails, wissels en bovenleidingen onderhoud nodig hebben. Alleen betekent zoiets voor duizenden reizigers hetzelfde probleem. Ineens moet iedereen een andere manier vinden om in Amsterdam te komen. Die eerste maandag deed ik nog braaf wat van mij als treinreiziger werd verwacht: ik nam de bus. Dat bleek een vergissing.

Ik was namelijk niet de enige die dat lumineuze idee had. Een groot deel van forenzend Almere leek zich in precies dezelfde bus richting onze hoofdstad te willen persen. Binnen de kortste keren stond en zat het voertuig zo vol dat het begrip ‘persoonlijke ruimte’ tijdelijk uit de Nederlandse taal kon worden geschrapt. En dat tijdens tropische temperaturen. Nu weet ik niet hoe andere mensen hun maandagochtend beginnen, maar bij sommigen lijkt douchen geen hoge prioriteit te hebben. Misschien stond de wekker te laat. Misschien was de douche stuk. Misschien geloven ze principieel in het behoud van hun natuurlijke aroma. Hoe dan ook: in een overvolle bus leer je je medemens soms kennen op een manier waar je niet om hebt gevraagd.

Alsof de heenreis nog niet genoeg was, moest ik die middag natuurlijk ook weer terug. Met naar schatting vijftig mensen zaten en stonden we in dezelfde bus richting Almere. Buiten was het zo’n 32 graden. Binnen voelde het alsof iemand de verwarming op stand crematorium had gezet en daarna de knop had afgebroken. Een kwelling die je simpelweg ondergaat. Een soort sauna in hysterie, maar dan zonder dompelbad en zonder mogelijkheid om vrijwillig naar buiten te lopen.

Het meest bizarre moment kwam bij iedere bushalte. De deuren gingen open, er wilden nóg meer mensen naar binnen en ineens kwam er een golf koele lucht de bus in. Koele lucht. Terwijl het buiten 32 graden was. Dan weet je dat het binnen echt goed mis is. Na die maandag vond ik het dan ook wel mooi geweest. Ik had mijn bijdrage aan het vervangend vervoer ruimschoots geleverd. Eén retourtje menselijke snelkookpan was voldoende.

Als corona ons dan toch iets positiefs heeft nagelaten, is het thuiswerken. Voor 2020 leek een dag thuiswerken bij sommige werkgevers nog bijna op een gunst waarvoor je een schriftelijk verzoek in drievoud moest indienen. Inmiddels weten we dat veel werkzaamheden ook gewoon worden uitgevoerd wanneer je niet fysiek op kantoor zit. Dus werkte ik de daaropvolgende dagen thuis. Geen overvolle bus, geen omweg, geen wachttijd en vooral geen oksel van een onbekende medepassagier op neushoogte. Mijn woon-werkverkeer bestond ineens uit een paar meter tussen koffiezetapparaat en werkplek. Zelfs bij ernstige vertraging was ik binnen een minuut op kantoor.

Inmiddels is die periode alweer twee weken geleden en rijden de treinen weer. Achteraf was het vooral een bevestiging van iets wat ik eigenlijk al wist: niet iedere kantoordag hoeft per se op kantoor plaats te vinden. En er zat nog een prettige gedachte aan vast. Zodra ik weer gewoon naar Amsterdam zou reizen, waren het minder dan tien werkdagen tot mijn vakantie. Daar kan geen vervangende bus tegenop. Werkzaamheden aan het spoor zijn tijdelijk. Vakantievoorpret gelukkig niet.

Beschaving

Van de week las ik op een site, National Geographic of misschien wel Instagram, over Khaled al-Asaad. Geen idee meer precies waar, maar zijn naam bleef hangen. Dus deed ik wat ik altijd doe wanneer mijn nieuwsgierigheid eenmaal is gewekt: even opzoeken wie dat was. Dat ‘even’ werd natuurlijk iets langer.

Voor wie IS inmiddels alweer een beetje uit het geheugen heeft gewist: Islamitische Staat was een extreem-islamitische terreurorganisatie die vanaf 2014 grote delen van Syrië en Irak veroverde en daar een zogenaamd kalifaat uitriep. De beweging werd berucht om haar terreur, massamoorden en vernietiging van cultureel erfgoed. Kortom: geen club waarvan je een uitnodiging voor de jaarlijkse barbecue wilde ontvangen.

Al-Asaad bleek een Syrische archeoloog die vrijwel zijn hele leven wijdde aan Palmyra. Toen IS de eeuwenoude stad in 2015 innam, werd de 82-jarige archeoloog gevangengenomen. Hij werd ondervraagd over de verblijfplaats van verborgen oudheden, maar weigerde die informatie prijs te geven. Uiteindelijk werd hij vermoord. Kort daarna begon IS monumenten in Palmyra op te blazen. De Tempel van Baalshamin, de Tempel van Bel. Bouwwerken die oorlogen, aardbevingen en bijna tweeduizend jaar menselijke geschiedenis hadden overleefd, verdwenen binnen enkele seconden.

En toen kwam mijn idiote verbazing, gevolgd door een misschien nog idiotere nieuwsgierigheid. Wat gaat er in vredesnaam door je hoofd wanneer je zoiets doet? Je staat bij iets wat er al stond toen jouw bet-bet-bet-bet-betovergrootouders nog niet eens een sprankje in iemands ogen waren, legt er explosieven onder en denkt blijkbaar: ja, uitstekend plan. Heb je dan geen moraal?

Het ongemakkelijke antwoord is dat die mensen waarschijnlijk wél een moraal hadden. Alleen eentje die zo grondig was verbouwd dat vernietigen daarin iets goeds kon worden. IS beschouwde dergelijke pre-islamitische tempels als uitingen van afgoderij. Binnen zo’n extreem wereldbeeld blaas je dus geen onvervangbaar archeologisch monument op. Je ‘bestrijdt afgoderij’. En door simpelweg een ander woord te kiezen kan vandalisme ineens een deugd worden. Dat vind ik misschien nog enger dan totale gewetenloosheid.

Want zodra iemand ervan overtuigd raakt dat zijn waarheid niet zomaar een waarheid is, maar dé waarheid, ontstaat ruimte voor vrijwel iedere zelfrechtvaardiging. Mijn overtuiging is juist. Wat daarmee strijdig is, is fout. Wat fout is, mag bestreden worden. En vervolgens hoeft er alleen nog iemand te vertellen dat bestrijden ook vernietigen mag betekenen.

Mensen blijken bovendien behoorlijk bedreven in het sussen van hun eigen geweten. Geef iets een andere naam, schuif verantwoordelijkheid door naar een leider, verschuil je achter een groep en noem vernietiging ‘zuivering’. Het geweten hoeft niet eens te verdwijnen. Je hoeft het alleen voldoende argumenten te geven om zijn mond te houden.

Misschien maakt juist dát Khaled al-Asaad zo indrukwekkend. Ook hij had een overtuiging. Alleen zei die niet: wat niet bij mijn wereldbeeld past, moet verdwijnen. Zijn overtuiging zei dat iets wat duizenden jaren vóór hem bestond, ook duizenden jaren ná hem zou moeten kunnen bestaan.

Twee overtuigingen stonden uiteindelijk tegenover elkaar in Palmyra. De ene zei: dit moet verdwijnen omdat het niet van ons is. De andere: dit moet blijven, juist omdat het niet van ons is.

Misschien is dát wel het verschil tussen bezit en beschaving.

Lichtpuntjes

De wereld staat in brand. Soms figuurlijk, soms bijna letterlijk. Je hoeft het nieuws maar open te slaan en de temperatuur loopt vanzelf nog een paar graden op. Oorlogen, bosbranden, politieke ellende, mensen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, besloot ik afgelopen zaterdag zelf ook maar even kennis te maken met de harde werkelijkheid. Letterlijk.

Een oud Almeers bruggetje en ik bleken het oneens over de vraag wie er voorrang had. Het bruggetje won. Met afstand. Sinds mijn flinke schuiver loop ik rond met een beurs lijf dat bij vrijwel iedere beweging nog even fijntjes meldt dat we niet meer in 1986 leven. Het herstelt allemaal wel, maar blijkbaar vond mijn lichaam het nodig daar een uitgebreid, meerdaags evaluatietraject van te maken. Een zeurend gevoel hier, een beurs plekje daar, en ondertussen een energieniveau waarbij zelfs de bank soms verdacht ver weg lijkt. Dat helpt de gemoedstoestand niet bepaald.

Dus moet ik het momenteel hebben van de kleine geluksmomentjes. Gelukkig blijken die, als je er een beetje op let, overal tussendoor te glippen. Woensdagavond bijvoorbeeld: een zonsverduistering. Geen apocalyptisch spektakel waarbij vogels uit de lucht vielen en de buren spontaan hun zonden begonnen op te biechten, maar gewoon een paar minuten omhoogkijken naar iets bijzonders. De maan nam een hap uit de zon en herinnerde mij er heel even aan dat er boven al die dagelijkse herrie nog een compleet universum zijn eigen gang gaat. Best geruststellend, eigenlijk.

Net als zo’n avond in de achtertuin. Geen tropische temperaturen waarbij je na drie minuten aan je tuinstoel vastgeplakt zit, maar gewoon aangenaam. Beetje zitten. Beetje kijken. Niets hoeven. Zelfs mijn beurse lijf lijkt daar tijdelijk mee in te stemmen.

En toen kwam er ook nog nieuws uit een totaal andere categorie: volgend jaar wordt het Eurovisie Songfestival in Burgas gehouden. Burgas! Alleen die naam al. Het klinkt als een vakantiebestemming waar je voor twaalf euro een karaf wijn krijgt en iemand ’s avonds op een keyboard een repertoire speelt dat sinds 1993 niet meer is bijgewerkt. Ik zie de vlaggen, windmachines, modulaties en volstrekt onbegrijpelijke puntentellingen nu al voor me. De wereld mag dan op sommige plekken rokend uit haar voegen barsten, ergens wordt alvast nagedacht over pailletten.

Misschien is dat precies waarom die kleine dingen ertoe doen. Ze lossen niets op. Een zonsverduistering beëindigt geen oorlog. Een aangename zomeravond blust geen bosbrand. En zelfs het Eurovisie Songfestival — hoe krachtig de windmachines ook zijn — gaat de mensheid waarschijnlijk niet redden. Maar ze maken het leven tussendoor wel wat lichter. En op dagen waarop je lijf beurs is, het nieuws je niet vrolijk stemt en de wereld zichzelf weer eens veel te serieus neemt, is een klein beetje licht soms precies genoeg.

Volgens mij zei een Braziliaanse schijver ooit: “Aan het einde komt het allemaal goed. Mocht het dan nog niet goed zijn, dan is het nog niet het einde.”

bol

Vorige week ontving ik een mail van bol die je liever niet tussen de aanbiedingen, bestelbevestigingen en verzendberichten aantreft. Een logistieke partner van het bedrijf, CEVA Logistics, is getroffen door een cyberaanval. Mijn gegevens stonden mogelijk in een van de getroffen systemen en kunnen door onbevoegden zijn bekeken of gekopieerd.

Dat is dan wel het hack van de dam.

Bol doet in de mail uitgebreid uit de doeken wat er is gebeurd. De cyberaanval vond niet plaats op de eigen systemen, maar op twee systemen van CEVA die worden gebruikt voor het verwerken van bestellingen vanuit één distributiecentrum. Dat klinkt bijna geruststellend. Bijna. Want mijn gegevens zijn niet minder persoonlijk wanneer ze bij een logistiek bedrijf worden gestolen dan wanneer dat rechtstreeks bij bol gebeurt.

Het gaat mogelijk om mijn naam, adres, postcode, woonplaats, telefoonnummer, e-mailadres, ordernummer, track-and-tracegegevens en de artikelen die ik heb besteld. Geen wachtwoorden, inloggegevens of betaalgegevens, voor zover nu bekend. Dat scheelt. Maar het lijstje dat overblijft, is bepaald geen kattenpis. Met deze informatie kan een cybercrimineel een phishingbericht maken dat akelig overtuigend overkomt.

“Uw bestelling kan helaas niet worden bezorgd. Betaal hier 1,99 euro om een nieuw bezorgmoment te kiezen.”

Normaal gesproken zou ik zo’n bericht direct wantrouwen. Maar als daarin mijn naam, de juiste bestelling en het echte ordernummer staan, wordt het ineens een stuk lastiger om echt van nep te onderscheiden. Precies daarin schuilt het gevaar. De buit bestaat niet alleen uit losse gegevens. Alles bij elkaar vormt het een klein dossier over mij, compleet met koopgedrag en contactinformatie.

Na ontdekking van de aanval heeft CEVA de toegang van onbevoegden geblokkeerd en externe cybersecurityspecialisten ingeschakeld. Bol heeft de gegevensuitwisseling met het bedrijf voorlopig stopgezet en het incident op 3 augustus gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ook de Bijenkorf waarschuwde klanten voor de mogelijke gevolgen van de aanval. Hoeveel mensen precies zijn getroffen en welke gegevens daadwerkelijk zijn buitgemaakt, wordt nog onderzocht. Volgens bol en de Bijenkorf zijn er momenteel geen aanwijzingen dat betaalgegevens, wachtwoorden of inloggegevens bij de aanval betrokken zijn.

Ik geloof best dat bol de bescherming van persoonsgegevens “heel erg serieus” neemt. Dat is inmiddels de vaste formulering na ieder datalek. Toch wringt het. Als klant geef ik mijn gegevens aan een webwinkel omdat mijn bestelling ergens moet worden bezorgd. Vervolgens reizen die gegevens langs partners, systemen en distributiecentra waar ik nauwelijks zicht op heb. Mijn pakketje wordt keurig gevolgd met track-and-trace, maar voor mijn persoonsgegevens bestaat kennelijk geen even waterdichte route.

Voorlopig let ik dus extra goed op verdachte mails en berichten. Niet alleen op de afzender, maar ook op betaalverzoeken, rekeningnummers en links. Want misschien liggen mijn gegevens nog helemaal niet op straat. Misschien zijn ze alleen bekeken. Misschien is er niets mee gebeurd.

Maar bij een cyberaanval is “misschien” nu juist het lekste woord.

Val

Vanmorgen ging ik hardlopen. Zoals wel vaker vroeg uit de veren, hardloopschoenen aan en naar buiten. Het was aangenaam, de benen werkten mee en er was geen enkele reden om aan te nemen dat dit rondje anders zou verlopen dan anders. Dat vertrouwen hield precies 2,8 kilometer stand.

Op een bruggetje bleef ik vermoedelijk met mijn voet achter een iets hoger liggende plank hangen. Vermoedelijk, want vallen gaat nogal snel. Je krijgt geen waarschuwing dat je over drie seconden horizontaal gaat. Het ene moment loop je nog, het volgende lig je op de grond en probeer je te reconstrueren welk onderdeel van het universum daarvoor verantwoordelijk was. In dit geval: een brug. En eentje met een oppervlak dat ongeveer dezelfde eigenschappen heeft als schuurpapier. Ongetwijfeld uitstekend tegen uitglijden, iets minder prettig wanneer je er met enige snelheid overheen schuift.

Mijn Apple Watch had ondertussen ook door dat er iets niet helemaal volgens plan verliep. Hij constateerde een val en vroeg keurig of de hulpdiensten moesten worden ingeschakeld. Dat leek me wat overdreven. Alles zat nog op zijn plek en ik had bovendien weinig behoefte aan mensen die zouden vragen of het wel goed met me ging. Wat denk je zelf? Ik lig hier op een brug en mis inmiddels op verschillende plekken een deel van mijn opperhuid.

Na de eerste schrik volgde toch maar een korte inventarisatie. Handen en benen deden het nog, er staken geen lichaamsdelen in richtingen die anatomisch gezien vragen opriepen en voor zover ik kon beoordelen waren alle botten heel. Mijn huid had minder geluk. Hier en daar flinke schaafwonden en huidbeschadigingen. Van die plekken waarvan je meteen weet dat douchen later op de dag een interessante ervaring gaat worden. Ook mijn ego kwam niet geheel ongeschonden uit de strijd. Er zit nu eenmaal weinig waardigheid in een volwassen man die het ene moment nog monter aan zijn conditie werkt en een fractie later languit op een brug ligt.

Het vervelendste was misschien nog dat het tot kilometer 2,8 gewoon lekker ging. Geen grootse ambities, gewoon een fijn hardlooprondje op de vroege ochtend. Kilometers maken, conditie onderhouden en daarna tevreden naar huis. Dat laatste is gelukt, alleen iets eerder dan gepland. Een persoonlijk record zat er dus niet in, tenzij er tegenwoordig een categorie bestaat voor de snelste overgang van hardlopen naar horizontaal.

Gelukkig lijkt de schade vooral oppervlakkig. Pijnlijk, gekneusd en behoorlijk geschaafd, maar alles functioneert nog. Hardlopen is gezond, zeggen ze. Daar blijf ik voorlopig ook gewoon in geloven. Alleen bruggen vertrouw ik sinds vanmorgen iets minder.

Ludwig

Sommige mensen bouwen een muur om zich heen. Ludwig II van Beieren bouwde meteen maar een paar kastelen. Neuschwanstein, Linderhof en Herrenchiemsee waren indrukwekkende toevluchtsoorden waarin hij zich kon terugtrekken uit een werkelijkheid die hem steeds minder beviel.

Ludwig werd in 1845 geboren en was pas achttien jaar toen hij koning van Beieren werd. Een verlegen, gevoelige jongen die nauwelijks was voorbereid op het koningschap kreeg plotseling een kroon op zijn hoofd en een compleet land op zijn schouders. Zelf zou hij later zeggen dat hij veel te vroeg koning was geworden.

Hij hield van kunst, theater, oude sagen en vooral van de muziek van Richard Wagner. Dankzij Ludwigs financiële steun konden verschillende grote opera’s worden uitgevoerd en ontstond uiteindelijk het beroemde festivaltheater in Bayreuth. Toch kennen de meeste mensen hem vooral van Neuschwanstein, het sprookjeskasteel dat hoog boven de Beierse bossen uittorent.

Ludwig wilde niet alleen in een kasteel wonen. Hij wilde in een andere werkelijkheid leven. Een wereld van ridders, zwanen, koningen en helden, waarin hij zelf kon bepalen wie hij was. Overdag sliep hij steeds vaker. ’s Nachts maakte hij sledetochten door de bergen. Hij liet zelfs voorstellingen opvoeren waarbij hij de enige toeschouwer was.

Achter al die pracht zat een intens eenzame man.

Uit zijn dagboeken en brieven blijkt dat Ludwig zich aangetrokken voelde tot mannen. Tegenwoordig zouden we waarschijnlijk zonder veel omhaal zeggen dat hij homoseksueel was. In zijn eigen tijd lag dat anders. Ludwig was bovendien streng katholiek opgevoed. Zijn gevoelens botsten daardoor niet alleen met de verwachtingen van zijn familie, het hof en de samenleving, maar ook met zijn eigen geloof en geweten.

Dat vind ik misschien wel het verdrietigste aan zijn verhaal. Niet alleen dat een mens van anderen niet zichzelf mag zijn, maar dat die mens uiteindelijk ook zichzelf niet meer durft toe te staan te zijn wie hij is. Dat je je eigen verlangens bestrijdt, je gevoelens als een misstap beschouwt en voortdurend probeert te ontsnappen aan iets wat gewoon bij je hoort.

Ludwig verloofde zich met Sophie Charlotte, de jongere zus van keizerin Elisabeth van Oostenrijk, beter bekend als Sisi. De bruiloft werd meerdere keren uitgesteld en uiteindelijk door Ludwig afgezegd. Hij trouwde nooit. In plaats daarvan trok hij zich steeds verder terug in een zelfgebouwde wereld van schoonheid en fantasie.

Zijn kastelen kostten hem een fortuin. De schulden liepen op en zijn ministers vonden dat hij niet langer in staat was te regeren. In 1886 werd hij krankzinnig verklaard en afgezet. De psychiaters die dat oordeel velden, hadden hem nauwelijks of zelfs helemaal niet persoonlijk onderzocht.

Een dag later werd Ludwig samen met zijn psychiater dood gevonden in de Starnberger See. Of hij zichzelf van het leven beroofde, probeerde te vluchten of werd vermoord, is nooit met zekerheid vastgesteld. Hij was pas veertig jaar oud.

Zijn kastelen worden tegenwoordig door miljoenen mensen bewonderd. Wat ooit gold als bewijs van zijn waanzin, behoort nu tot het belangrijkste culturele erfgoed van Beieren. Maar achter iedere toren en iedere vergulde zaal zie ik vooral een man die een sprookjeswereld nodig had omdat er in de echte wereld geen veilige plaats voor hem bestond.

Hij kon alles laten bouwen wat hij wilde, behalve een leven waarin hij zichzelf mocht zijn.