DRAY BOSMA

BE HAPPY.

Aan de wand van de lift hangen naast het knoppenpaneel diverse posters en affiches met de richtlijnen betreffende Covid-19. Op een A4’tje word ik verzocht om op deze locatie geen handen te schudden, maar te glimlachen.
Ik ben verbaasd.
Ik kan lachen tot mijn mondhoeken uitscheuren, maar vanachter mijn mondkapje zal niemand mij zien lachen, en ik beheers het smizen* niet.
Wanneer ik de lift uitloop hangen er nog meer tips en adviezen.
Over nare huiduitslagen en andere aandoeningen die je kunt oplopen, maar nog beter kunt voorkomen. Of verhelpen. Lettend op de borden loop ik door de gang van het ziekenhuis op de tweede etage richting de afdeling Dermatologie.

Daar aangekomen meld ik me bij de medewerkster achter de balie. Nadat ik mijn persoonlijke gegevens heb doorgegeven en mijn identiteitskaart heb laten zien mag ik plaats nemen op een van de grasmatgroene stoelen. Ik draai me om naar de wachtkamer en, rekeninghoudend met de anderhalvemeterregels, loop naar een stoel. Zoveel mogelijk verwijderd van de andere wachtenden.
Het heeft een voordeel de anderhalvemeter-maatschappij. Ik zit tenslotte in de wachtkamer van de afdeling dermatologie.
Weet jij wat voor besmettelijke huidaandoeningen de anderen in deze wachtruimte hebben?

Ik zit nog geen minuut wanneer ik vanuit een hoek een stem hoor vragen: ‘Meneer Bosma?’
Ik steek mijn hand op, sta op en loop naar de man in witte doktersjas, zijn gezicht verscholen achter zijn mondkapje. We geven elkaar vanzelfsprekend geen hand, en ik glimlach vriendelijk vanachter mijn mondkap. Ik weet niet of mijn vriendelijk gebaar overkomt, maar de man in witte jas heeft de techniek van het smizen* wel onder de knie. Ik zie aan zijn ogen dat hij mij toelacht.
Hij gebaart me mee te lopen en ik volg hem gehoorzaam naar de behandelkamer.

In de behandelkamer volgt een kort, soort van, intakegesprek. Ik vertel over de kwaal, de groeiende moedervlek bij mijn wenkbrauw. Ik vertel over dat het meer dan eens is weggehaald, maar toch terugkomt. De arts bevestigt dat ik ben doorverwezen door mijn huisarts.
ik knik.
De arts staat op. Ondanks dat de moedervlek best aanwezig is, wil hij de vlek beter bekijken. Er wordt een grote loep voor mijn hoofd gehouden en daarna met een soort van lichtgevend kijkglaasje wordt deze nogmaals onderzocht. Het lampje geeft dat beetje meer (in)zicht.
De arts doet een stap achteruit en komt met een bekentenis.
Hij is nog in opleiding en wil mijn moedervlek graag bespreken met zijn collega. Of ik dit goed vind.
Natuurlijk vind ik dit goed.
‘Twee weten meer dan één,’ vertel ik hem vanachter mijn mondkapje.

Ik wacht.
Ik wacht nog even wat langer.
Uiteindelijk wacht ik langer dan dat ik in de wachtkamer heb gedaan. Ik denk ondertussen aan al mijn andere lichamelijke gebreken: De artrose in mijn rechtervoet. De ontsteking in mijn linkervoet. Hier in het ziekenhuis kunnen ze nog wel even aan de slag met het oplappen van mijn oude lichaam en ik denk aan wat er eventueel nog meer aan mij opgekalefaterd kan worden.
De arts komt terug en vertelt me wat hij zojuist met zijn collega heeft besproken. Het blijkt dat het twee keer eerder wegschrapen niet echt heeft geholpen. De vlek komt terug.
Ik knik bevestigend.

Er is daarom door de artsen besloten om mijn vlek te bevriezen, en dat ik over vier weken terug mag komen voor een vervolgbehandeling.
‘Oké,’ antwoord ik. Eigenlijk had ik gehoopt vlekkeloos naar huis terug te keren, maar dit idee vind ik ook goed.
Voorzichtig mag ik kennismaken met de stikstof. De arts sprayt heel licht wat koude lucht over mijn hand, waarna hij even later de vlek bij mijn wenkbrauw te grazen neemt. Deze wordt nu bevroren. Tot twee keer toe.
Na de behandeling mag ik naar huis, maar niet voordat ik me nogmaals heb gemeld bij de medewerkster achter de balie, om een nieuwe afspraak te maken.
Deze is zo gemaakt.
Ik loop in het ziekenhuis dezelfde route als een kleine twintig minuten geleden terug, en na enkele minuten sta ik weer buiten.
Het zonnetje schijnt.
Maar de schijn bedriegt. Het is koud, en ik knoop mijn jas dicht.

*glimlachen met je ogen.

Categorieën:Read

Het is vroeg. Ik wandel een ommetje. Dat doe ik sinds een paar weken. Voorheen rolde ik ’s-ochtends vroeg mijn bed uit, zo door naar de werkplek op de kamer ernaast. Nu doe ik iedere ochtend, voor de werkzaamheden, een wandeling van 2 kilometer. Het is een blokje om een bedrijventerrein hier in de buurt en zo doe ik ook mee aan de app van de Hersenstichting. Het is een zelfgecreëerde pendelaarsbestaan, en het helpt om de zaken op orde te krijgen. In mijn hoofd.
Een paar dingen vallen mij op. Net als het pendelen tussen thuis en de werklocatie zie je vaak dezelfde mensen. Voorheen met het openbaar vervoer en tegenwoordig tijdens de wandeling in de vroege ochtend. Een jonge vrouw loopt dagelijks met haar drie hondjes een rondje. Het zal een uitdaging zijn om op dit vroege tijdstip met je hondenuitlaat-job bezig te zijn, of gewoon gekkenwerk om je eigen drie honden uit te laten. Het zijn naast mij de hondeneigenaren en hondenuitlaat-werkers die zo vroeg rondwandelen.
In de verte zie de man die al eerder mijn aandacht heeft getrokken. Hij wandelt met een drietal big shoppers met daarin zijn hele hebben en houden. Hij is dakloos en zwerft door de straten van Almere. Heel even moet ik denken aan mijn ouders. Die hebben altijd beweerd dat ik als kind op de vraag; wat wil je later worden? steevast het antwoord gaf dat ik later als zwerver onder de bruggen van Parijs wilde leven. Waar dat idee vandaan komt is voor mij tot op vandaag een raadsel. Parijs is een van de mooiste steden ter wereld, maar ik hoef er niet dakloos onder een brug te liggen.
Wanneer de man en alles wat hij bezit in zijn drie tassen dichter bij me in de buurt komt speel ik even met de gedachte hem aan te spreken. Ik ben benieuwd hoe hij in deze situatie is gekomen, maar ik ga het hem niet vragen, want ik ben er niet nieuwsgierig genoeg voor en voor je het weet zit zo’n persoon in no time bij je thuis op de bank om er vervolgens nooit meer te vertrekken.
Het is een vooroordeel. Deze rare, onsympathieke gedachte, en ik vergoelijk het met de gedachte dat het misschien met groepsinstinct heeft te maken: Buitenstaanders zijn gewoon niet welkom. Ze passen niet in het groepsplaatje, zeg maar. Wederom weet ik dat ook deze gedachte een onsympathiek vooroordeel is. Wanneer de man met zijn tassen mij passeert groet ik hem vriendelijk. Hij rochelt wat vastzittend slijm omhoog. Hoestend en kuchend groet de man mij binnensmonds terug.

Categorieën:Read

Het is nog vroeg wanneer ik de deur achter me dichttrek om een hardlooprondje van 12 kilometer te gaan lopen. De wind valt en waait me flink tegen. Even denk ik aan het moment dat ik daarvoor nog even in bed lag en eraan dacht om deze ochtend het hardlopen over te slaan en me om te draaien. Soms ben je blij met je beslissingen en soms twijfel je. Toch ben ik op dat moment ervan overtuigd dat ik de juiste keuze heb gemaakt. Ik activeer mijn hardloop-app en begin met hardlopen.

Ik heb bewust mijn route uitgestippeld, zodat ik de eerste helft van het rondje tegenwind zal hebben. Niet altijd het slimste idee, heeft ervaring mij geleerd. Soms is de wind dusdanig dat de kracht je uit de benen wordt gewaaid en dat je halverwege het hardlooprondje al op de laatste reserves verder moet. Vandaag is het gelukkig niet zo’n dag. Wel ben ik even vergeten dat Staatsbosbeheer in Flevoland het kappen van bomen als hoogste prioriteit heeft uitgeroepen. Bij het Blocq van Kuffeler (het eerste gebouw van Almere) is een stuk schuin oplopend pad waar je op de originele dijk kunt komen, en dankzij Staatsbosbeheer zijn er nu geen bomen, struiken of andere vorm van beschutting te vinden. De ultieme tegenwind is mijn deel.

Ik ben ertoe in staat om een boze brief aan de grootste natuurbeheerder van Nederland te schrijven, maar ik weet daar al dat ik bij thuiskomst dit voornemen allang vergeten te zijn. Boven op de dijk speelt de harde wind met de capuchon van mijn hardloopjack en slaat daarbij flink op mijn hoofd. Ik versnel mijn pas om de dijk snel af te lopen, met de wind mee, richting het Wilgeneiland. Hier is nog voldoende beschutting en de enige wind die je daar voelt, waait je in de rug. Ik loop heerlijk in de luwte en loop een andere hardloper tegemoet. We begroeten elkaar en lopen door. Ieder zijn eigen bestemming.

Wanneer ik voorbij de sluis ben gelopen kom ik in een hondenuitlaat-gebied. Hier parkeren hondeneigenaren de auto en lopen dan vervolgens door alles wat groen is. Waarschijnlijk is een hond van een hondeneigenaar tegen de auto van de auto-eigenaar aangesprongen en van wat ik in die korte tijd kan zien is dat er minimale lakschade kan zijn aan de linkerdeur van de auto. Een kniesoor die erop let, maar de hondeneigenaar had vanmorgen net die kniesoor getroffen. Of ze het met zijn tweeën opgelost hebben zal ik niet weten. Ik heb ook niet kunnen zien of er verzekeringspapieren bij zijn gehaald. Mij gaat het voor de wind.

Categorieën:Read

Op een dag trokken Tanzan en Ekido over een modderige weg. Er viel nog steeds een zware regen. Na een bocht in de wegkwamen zij een lief meisje tegen dat een zijden kimono met een sjerp droeg en niet in staat was het kruispunt over te steken.

‘Kom maar, meisje,’ zei Tanzan meteen. Hij tilde haar in zijn armen en droeg haar over de modder.

Ekido zei geen woord meer tot de avond, toen zij aankwamen bij een tempel waar zij konden logeren. Toen kon hij zich niet langer inhouden.

‘Wij monniken blijven uit de buurt van vrouwen,’ zei hij tegen Tanzan, ‘vooral als zij jong en aanvallig zijn. Het is gevaarlijk. Waarom deed je dat?’

‘Ik heb dat meisje daar laten staan,’ zei Tanzan. ‘Draag jij haar nog steeds?’

Categorieën:Read

In de tijd van lockdown denk ik vaak aan de momenten dat ik op vakantie ben geweest. Ik heb nu een lichte drang naar trips en excursies, want u weet; wanneer iets niet kan -of erger, niet mag, dan willen we het juist! Dit is zeker zo met het erop uitgaan. Ik ben het afgelopen jaar in mijn hoofd vaker op reis geweest dan Marco Polo in zijn hele leven.

Ik had laatst in mijn hoofd een vakantiemoment, en daarbij mijmerde ik terug naar een moment dat ik buiten op een Grieks eiland even stond te wachten op mijn reisgenoot. Op momenten als deze komt dan ineens, uit het niets, een man naast je staan. Ook een Nederlander. Hij kijkt je indirect aan, maar stelt wel de directe vraag: ‘En, bevalt het hier een beetje?’

En dan herken je hem. Het is de Bemoeial. Toen u laatst in Barcelona in Park Guell de verschillende bouwwerken stond te bewonderen stond hij ineens tussen u en de met mozaïek versierde dubbele trap met salamander, en toen vroeg hij: ‘Kan je het hier een beetje uithouden?’

Er klinkt geen hartelijkheid of belangstelling in zijn vraag. Hij stelt deze op een slepende toon vol leedvermaak. Het is als een formule voor de arrogantie waarmee Nederlanders met elkaar omgaan op buitenlandse vakanties. De formule zal als volgt zijn. B=V x DV. Hierbij staat B voor bemoeial, V staat voor vakantieplek en DV staat voor duur van verblijf. Anders geformuleerd; hoe verder we van huis zijn en hoe langer we daar verblijven, des te onbeschaamder is de verwaandheid waarmee we onze zojuist ter plekke gearriveerde landgenoten aanspreken.

Met zijn uitgestreken gezicht gericht op de makkelijk te herkennen prooi die de witte nieuwkomers zijn, zit de Bemoeial de hele dag te koekeloeren op zijn vaste, beschutte plekje. Of hij paradeert zonder onderbrekingen de hoofdstraat op en neer.

‘Heeft u het een beetje naar uw zin hier?’

Die vraag klinkt dreigend. De aangesprokene krijgt het gevoel dat hij nog in proeftijd de gast is en dat de Bemoeial hem, of haar, van het eiland kan laten zetten. Ontevreden gezichten hier in Zuid-Portugal? Die moeten wij hier niet!

De Bemoeial is van middelbare leeftijd en richt zich uitsluitend op mensen van ongeveer de eigen leeftijd. Tegen jongeren durft hij niet en aan bejaarden valt geen eer te halen.

‘En vermaken we ons hier een beetje?’

‘Tot u dit vroeg uitstekend,’ kunt u het beste antwoorden.

Daar heeft de Bemoeial niet van terug.

‘Mooi zo,’ zegt hij argwanend en dan loopt hij snel verder. Vanmiddag maar weer eens een beetje rondhangen in het drukbezochte supermarktje. Wachten tot zo’n zenuwachtig nieuw Nederlands echtpaar gespannen bij de kleine groenteafdeling naar de beste watermeloen zoekt. Dan schuift hij, zelf zogenaamd naar iets op zoek, snel in beeld en zegt dan hoofdschuddend: ‘U moet hier ergens ander zijn hoor, voor goede watermeloenen.’

Categorieën:Read

<span>%d</span> bloggers liken dit: