DRAY BOSMA

"Je moet niet alles willen meemaken."

Ik zat van de week in de trein vanuit het werk naar huis toen ik..
Nee, wacht! Ik zat van de week helemaal niet in de trein. Ik heb heel de week thuis gezeten. Vanaf dinsdag -want maandag was ik officieel nog vrij in verband met Het-Afgeblazen-Weekend-Naar-Berlijn, ben ik gaan thuiswerken. Vanuit mijn eigen huiselijke omgeving de werkzaamheden doen, die ik altijd doe op een locatie in Amsterdam en met mijn collega’s om me heen. De afgelopen week waren dat twee katten, Harpo en Oprah, die mij gezelschap hielden. Niet dat ik daar veel aan heb, ze slapen het grootste deel van de dag.

Ik moet toegeven, het thuiswerken is me best meegevallen. Ik dacht dat ik niet geheel gemotiveerd mijn werkzaamheden had kunnen uitvoeren. Teveel afleiding, maar het leek de afgelopen dagen dat ik juist wel die prikkeling heb om door te voeren. Wellicht komt dat door een onterecht schuldgevoel. Bang dat ze op de andere locaties denken dat ik helemaal niets uitvoer. Ik werd niet afgeleid en deed mijn werkzaamheden naar behoren. Thuiswerken is tenslotte geen vakantievieren. Of ik dit thuiswerken nog eens een paar maanden door wil zetten. Nee, bedankt.

Voordeel van thuiswerken is dat je geen reistijd hebt. Wanneer de wekker doordeweeks op de gebruikelijke tijd afgaat, heb ik een uur extra om rustig wakker te worden. Dit cadeautje zal na vannacht ook wel weer over zijn met het aanpassen naar de zomertijd. Laar ik dan maar genieten van het genoten plezier van de afgelopen week, want zo plezierig vind ik deze periode niet. Ondanks dat ik sociaal altijd wel een beetje afstandelijk ben, blijkt het social distancing toch ook een uitdaging. Niet zozeer voor mij, ik schreef zojuist al dat ik redelijk gereserveerd ben naar anderen, maar wel voor veel andere mensen. Heel veel mensen.

De hersendoden, noem ik deze mensen. Of de kontklevers. De mensen die van mening zijn dat een sociale afstand van anderhalve meter niet voor hen geldt. Wanneer ik na het thuiswerken, op een schaars moment in de supermarkt loop, staan ze ongevraagd naast me in mijn aura. Alsof ze over mijn schouder willen meekijken naar wat ik zoal in mijn boodschappenmandje gooi. Shut the fuck up! Deze laatste boodschap breng ik niet woordelijk zo over, maar ik vraag toch vriendelijk en nadrukkelijk om enige afstand. Sommige hersendoden schrikken dan even op en doen een stap achteruit. Andere imbecielen glimlachen alleen en halen de schouders op. Alsof het zo gezellig en leuk is, het constant verplicht thuisblijven.

Categorieën:Read

Het was de bedoeling om dit weekend in Berlijn door te brengen, in verband met een verjaardag, maar het corona-virus heeft daar enige verandering in gebracht. Ik zag dit de laatste weken al een beetje aankomen. Dit wordt geen hardlooprondje onder de Brandenburger Tor door, maar een wandeling naar de koelkast voor een snack. Gelukkig garandeert de reisorganisatie een voucher ter waarde van het uitgegeven reisbedrag voor een later tijdstip, dus de weekendplannen worden even in de koelkast gezet. Ik kan er mee leven. Mocht ik dan mogen kiezen, dan heb ik liever de deceptie van een stedentrip die niet doorgaat, dan de teleurstelling van het bericht dat de gezondheid te wensen over laat. Ik loop niet ontevreden en stampvoetend door het huis.

Daarbij heeft de familie van de week het verdrietige nieuws mogen vernemen dat mijn oom Simon uit Sneek, afgelopen maandag aan hartfalen is overleden. Mijn oom, die mij altijd als enige op de wereld André Kostelanetz, naar de Amerikaanse orkestdirigent, noemde. Dit tot aan de laatste keer dat ik hem zag. Het is deerlijk dat ik geen laatste afscheid heb kunnen nemen of er te kunnen zijn voor de andere naaste familieleden. Ik vind het daarbij intriest om op de rouwkaart van mijn oom de tekst ‘Het afscheid zal in verband met de landelijke maatregelen in besloten kring plaatsvinden.’ te lezen. Mijn moeder is daarbij deze periode meer eenzaam, want ze mag in het tehuis waar ze sinds afgelopen augustus woont, geen visite meer ontvangen. Gelukkig is ze zich niet altijd meer van alles bewust van de huidige narigheid.

Ik probeer het leven te leiden zoals deze was voordat het corona-virus de boel op stelten kwam zetten. Ik wens me lichtelijk te verbazen over het tekort aan toiletpapier voor de egoïstische bangeschijters, want ik vind het meer verbijsterend dat angst besmettelijker is dan een virus zelf. Mede hierdoor is het leven momenteel ook niet meer zoals het eerder was. Op de stations waar ik kom zie ik meer mensen met mondkapjes op dan met handschoenen aan. Ik wil er niet te veel iets van vinden, anders lijk ik erg veel op alle andere Nederlanders. Iedereen lijkt het beter te weten. Zoals het met voetbal in Nederland is, is het ook zo tijdens een viruscrisis in ons land. We zijn een volk dat alleen maar bestaat uit experts. We weten van, en over alles. Daarom neem ik me zelf voor -en daag ik hiermee iedereen uit, om vooral minder te oordelen en veel meer lief te hebben.

Categorieën:Read

Je leest of hoort er wel eens over; over mensen die levenloos worden aangetroffen. Vaak worden deze mensen gevonden door hardlopers die tijdens hun hardlooprondje op een dood persoon stuiten. Dit heb ik zo vernomen. Ik heb nooit de morbide gedachten gehad om zo een situatie mee te willen maken, maar toch overkwam het me. Bijna dan.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik de mensen, die hun hond uitlaten, naar het Lumièrestrandje in Filmwijk zie gluren. Ze zien iets, maar zijn niet zeker over wat ze zien. Ik denk nog; ik loop er straks sowieso langs, ik zie het dan wel. Wanneer ik na ongeveer anderhalve minuut links afsla, het strandje op, zie ik op het strandje een stapeltje kleding liggen. Wanneer ik dichterbij kwam blijkt het stapeltje kleren een persoon te zijn, met de capuchon over het hoofd getrokken.

Al roepend loop ik naar de persoon, maar krijg geen reactie. Wanneer ik er naast sta, zie ik dat het een man is, tussen de dertig en veertig jaar oud. Misschien is hij jonger, maar de donkere baard oogt hem ouder. Met verheven stem vraag ik hem of alles oké is, maar wederom geen reactie. Ik schop lichtjes tegen de schoen van de man. Geen reactie. Ik schop nogmaals. Een beetje harder nu, en de man beweegt een beetje. Hij leeft.

Met een duim omhoog laat ik de mensen op afstand weten dat de persoon oké is en besluit mijn laatste kilometers naar huis te hardlopen. Na een paar honderd meter voel ik me er toch niet lekker bij en besluit toch de politie te bellen. Ik kan niet wennen aan het idee dat het toch niet in orde is, en dat ik dan ben doorgelopen. Ik bel het algemeen telefoonnummer van de politie, doe mijn verhaal en binnen een minuut ben ik doorgeschakeld naar de meldkamer in Almere. Ik loop langzaamaan terug naar het strandje en onderweg ernaartoe heb ik mijn verhaal nogmaals verteld. Bij de slapende man aangekomen geef ik het signalement door en omschrijf de plek waar hij ligt.

De agent van de meldkamer meldt dat de politie al onderweg is. Op mijn vraag of ik moet blijven wachten antwoord hij dat dit niet nodig is. Ze hebben mijn gegevens. Ik geef aan de omstanders door dat de politie onderweg is. Een oudere hardloopster is naast me komen te staan en kwalificeert zichzelf als toezichter. Ik vind het prima. Ze vertelt me dat de man slaapt. Ik kijk haar verbaasd aan. Miss Marple woont tegenwoordig in Almere. Ik vertel haar dat ze niet hoeft te wachten, maar wanneer ze het wenst, ze dit zeker mag doen. De vrouw blijft en ik loop de laatste twee kilometer richting huis. In best nog wel een mooie tijd, ondanks de kleine pauze bij het strandje.

Categorieën:Read

Jaren geleden, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, uitte ik op een schooldag, tussen-de-middag, tegen mijn moeder de gedachte dat het wel een heel bijzonder leuk idee kon zijn wanneer de muren achter de keukenkastjes werden verwijderd. Hiermee functioneerden de keukenkastjes als een gezamenlijke voorraadkast met onze buren. Zo hoefde je geen suiker meer te lenen. Of iets anders dat je op dat moment in de keuken miste. Ik had een levendige fantasie en het idee leek mij gezellig. Het antwoord van mijn moeder was minder enthousiast: ‘Alsjeblieft niet. Ik moet er niet aan denken om alles te horen waar de buren het over hebben. En andersom al helemaal.’ De kinderversie van mij begreep mijn moeder niet en ik vroeg haar wat ze bedoelde. Ik kreeg het antwoord in de strekking van dat mensen niet altijd aardig over elkaar vertellen en dat elk gezin op zijn privacy gesteld was.

Op dat moment werd met bovenstaande verklaring mijn kinderlijke onschuld vermoord. Nooit meer was mijn leven zoals ik het daarvoor kende. Later begreep ik pas wat mijn moeder bedoelde. Ook zonder de opmerking van mijn moeder zou mijn naïeve karakter worden omgebracht, en ik denk vooral dat dit ook door de buurvrouw waar mijn moeder het toen tussen-de-middag over had is gebeurd. Deze buurvrouw was niet makkelijk. Ze had een paar zeer onaangename karaktertrekjes, zoals ik de vrouw in de jaren erna heb ervaren. Ze sprak vaak slecht over anderen en wanneer een roddel haar niet ellendig of sappig genoeg was, verzon ze er wel een paar rotte details bij. Gelukkig was ze niet altijd de helleveeg waar ze me soms aan deed denken.

In de zomer van 1980 mocht ik van mijn ouders samen met de buren mee voor twee weken op vakantie naar een camping in de buurt van Assen. De buurjongen was van mijn leeftijd en we trokken in die tijd veel met elkaar op. Ik kreeg van mijn moeder zakgeld mee. Om mij te voorzien in de vakantiebehoeften die een jongen van dertien jaar heeft, en ook om af en toe een traktatie uit te delen. Het zakgeld werd bij de buurvrouw in beheer gebracht. Dit werkte prima. Wanneer ik ’s avonds met de andere jongeren van dat jaar naar de tienerdisco ging, kreeg ik zakgeld mee voor een cola en wat snacks. Zo heb ik naar mijn idee de eerste dagen cool met een cola in de hand aan de rand van de dansvloer gestaan. Mijn hoofd meedeinend op de grote hits van toen.

Tijdens deze zomervakantie was een karakteristieke sweater met een grote letter M op de voorkant -en alleen verkrijgbaar bij een specifieke modewinkelketen, helemaal de trend van het moment. Ik besloot de rest van de vakantie geen extra consumpties aan te schaffen. Zo hield ik genoeg geld over en kon ik aan het einde van de vakantie de hippe trui met hoofdletter M scoren. Het was even wennen om tussen de snaaiende pubers te staan, maar het was voor een goed doel. Groot was mijn teleurstelling toen ik de dag voor vertrek van de buurvrouw te horen kreeg dat al mijn zakgeld op was. Dit leek me onmogelijk, maar in stilte verwerkte ik mijn zielsverdriet. De dag erna werd mijn zuinigheid beloond met nog een enorme teleurstelling; de buurjongen kocht wel de hippe trui met een hoofdletter M.

Categorieën:Read

Lopen, ik doe het graag. En hard ook. In het kort, ik hardloop met genoegen. Ik probeer de laatste tijd drie keer per week een rondje van minimaal tien kilometer door Almere te rennen, en dat lukt mij tot op heden aardig. Af en toe, en hier en daar een pijntje in de benen, knieën, enkels, pezen of voeten neem ik op de koop toe. We kunnen tenslotte niet alles hebben. Daarbij wordt er al genoeg geklaagd in de wereld. Tegenwoordig ook door mensen die zichzelf positieve denkers betitelen, maar hey, we blijven tenslotte mensen. Het klagen over een hardloopblessure valt in het niet bij de dreigingen van (corona)virussen en andere politiek getinte aangelegenheden. Of deze nu van links, of van rechts komen.

Laat mij maar hardlopen. Het is niet alleen goed voor de conditie, het werkt ook bemoedigend voor de persoonlijke mind-set. Bijna meditatief, vind ik. Zo relativeer ik alle ellende in die drie-komma-zestien uur per week (gemiddelde tijd volgens de hardloop-app) en wanneer ik bij thuiskomst onder de douche sta, spoel ik niet alleen het zweet, maar ook de laatste stukken malaise, en kommer en kwel weg via het afvoerputje. Daar waar de ellende thuishoort. In het riool. Alleen daarvoor adviseer ik de anderen te gaan hardlopen. Of te mediteren, wanneer u liever op uw kont zit. Dat laatste moet u lezen als een ‘cabaret-uitlating’. Een niet serieus te nemen opmerking, want tegenwoordig zijn we snel beledigd. Ook als we worden aangesproken op een uitgesproken belediging. Het zij zo.

Daar heb ik geen last van wanneer ik op mijn hardloopschoenen door de groene gebieden van Almere loop. Ik geniet tijdens de achtendertig kilometers die ik per week achter me laat (gemiddelde afstand volgens de hardloop-app) en denk er niet aan om mezelf negatief te uiten. Ik schiet er niets mee op en mijn mening is maar een denkbeeld, dat geldt ook voor gedachte van een ander. U kunt denken dat hardlopers idioten zijn, maar die mening deel ik niet meer. Vroeger kon ik het met u eens zijn. Ik wist toen nog niet wat hardlopen kon betekenen, behalve wanneer ik mijn trein niet wilde missen. Nu weet ik beter, en daarin zit wellicht de onderbouw van empathie. Op afstand, zonder inlevingsvermogen, is het altijd makkelijk iets afwijzend te roepen, dan wanneer je weet wat de ander motiveert.

Ik moet hier eerlijkheidshalve wel melden dat ook ik niet altijd op en top vrolijk ben. Ik ben tenslotte geen positiviteitsgoeroe en niets menselijks is mij vreemd. U moet me eens meemaken als verkeersdeelnemer! Op mijn fiets zit ik constant te foeteren op iedereen, die -in mijn ogen- niet opletten, of vooral niet opschieten. Wanneer er niemand in de buurt is, dan mopper ik wel tegen de harde wind die altijd tegen lijkt te zijn. Dat is overigens weer helemaal anders wanneer ik me in mijn hardloopschoenen over de weg verplaats. Dan heb ik reden om vrolijk te zijn. Zelfs een flinke tegenwind begroet ik rennend met een brede glimlach. Ik ben een happy hardloper.

Categorieën:Read

In de jaren zeventig van de vorige eeuw, vond ik het als kind fantastisch wanneer het circus tijdens de zomermaanden neerstreek in mijn woonwijk op het veldje op de hoek van de Walvisvaardersweg en de Torplaan in Den Helder. Het veld bestond uit een paar graspollen en enkele opgedroogde modderpoelen, waar de stofwolken je het zicht ontnamen wanneer je er aan het spelen was. Later bleek het veldje nog wat geld waard, het werd gevuld met appartementen waar nu een neef van mij een woning heeft. Maar daarvoor was het altijd een aangename afwisseling wanneer er in een warme zomer een grote felgekleurde circustent werd opgezet. Clowns, jongleurs en acrobaten in strakke circuskleding en de exotische dieren hadden een kinderlijke aantrekkingskracht op mij. Ik kan me herinneren dat ik als kind ‘s-avonds vaak in bed heb liggen fantaseren om van huis weg te lopen en met het circus mee te reizen.

Het is bij de gedachte alleen gebleven om het ouderlijk huis te verlaten voor het onzekere circusbestaan. Het blijkt wel weer dat het gras niet altijd groener aan de overkant is. Het is maar goed dat ik als kind niet van huis ben weggelopen en met mijn nieuwe circusfamilie in een woonwagen de diverse landen ben ingetrokken. Het circuswereldje is er eentje waar ik niet gelukkig had kunnen worden. Niet dat het circusleven mij te slecht of te min is, maar ik ben gewoon honkvast. Mijn thuis behoort op een geheide fundering staan en niet op wielen. Daarbij is het circus al jaren niet meer zoals het was. Het is circus van toen is tegenwoordig als Zwarte Piet: Politiek niet correct. Een relikwie van vroeger, toen je eigen woonplaats de wereld was en de mensen niet beter wisten.

De exotische dieren van toen behoren nu tot de bedreigde dieren, en een groep doodskopaapjes dansend op en tussen de bulten van een kameel is vandaag niet zo bijzonder meer. Het internet heeft ons alles al laten zien. Daarbij mogen er tegenwoordig geen exotische dieren meer optreden in de piste van een grote circustent. Of elders in Nederland. En terecht. Dieren zijn er niet om ons -de verveelde mensen, te entertainen. Laat de acrobaat en een goochelaar maar in eigen persoon de kunstjes aan het publiek tonen. Overigens twijfel ik er niet aan dat de dieren destijds, in de vorige eeuw, goed werden verzorgd (zover men het wist), maar tegenwoordig weten we beter en ben ik van mening dat een dier hoort te léven en niet alleen te bestaan. Zeker niet in een omgeving van een beperkt aantal vierkante meters. Zoals een dierentuin, maar dat is weer een ander verhaal.

Categorieën:Read

De relaties die ik met fietsen heb zijn precair en ook bedenkelijk te noemen. Ik heb u hier al eens vaker over kunnen vertellen. De relaties zijn in wezen deugdelijk te noemen, het stalen ros brengt me overal naartoe, maar ik heb het idee dat de tweewielers zichzelf als een onderdrukte groep beschouwen. Dankbaar voor de relatie met de eigenaar, maar het zijn de fietsen die zich wellicht ondergeschikt en waarschijnlijk niet gewaardeerd voelen aan de personen die altijd op het zadel plaatsnemen.

Zo ook in de huidige relatie met de herenfiets sinds vorig jaar: mijn Medley-fiets. Ik heb eerder mogen vertellen over de grillen van deze fiets, zoals de vulling van de fietsbanden, of eerder het gebrek hiervan. En het debacle met het fietssleuteltje, welke door hem werd ingeslikt (nadat ik deze zelf had gebroken). Het ging een tijdje goed. Tot begin november. Mijn Medley had een beetje last van de linker-trapper: Deze voelde lam aan en schoot door, vooral wanneer ik er met mijn voet met enige kracht op trapte. Dit maakte het fietsen hierdoor niet makkelijk. Een teleurstelling voor beide partijen.

Ik heb de volgende dag een steeksleutel uit de gereedschapskist van thuis meegenomen en geprobeerd de operatie zelf uit te voeren, om zo het lamme gevoel in de linker-trapper te verhelpen. Dit lukte. Provisorisch, maar goed genoeg naar mijn mening. Vervolgens zijn we december gezellig doorgekomen, maar in het nieuwe jaar kon Medley niet meer meekomen. Een bezoek aan de fietsenmaker bleek nog de enige oplossing. Tijdens een inloop-uur pakte de fietsenmaker er vakkundig gereedschap bij en zorgde er voor dat de linker-trapper weer strak aan de trapas vastzat.

Dit heeft een paar weken gewerkt. Tot Medley het linker-pootje weer liet hangen. Op een gegeven moment konden we alleen nog maar vooruitkomen wanneer ik de rechter-trapper gebruikte. Met moeite werkte de fiets mee, zelfs bij stevige wind. Het ging niet snel, maar het ging. Tot op die ene vrijdagochtend, een paar weken geleden. Het geluid uit de trapas en het trillende gevoel in de linker trapper gaven aan dat het zo echt niet meer kon. Medley had het opgegeven. Zijn beide trappers stonden parallel naast elkaar in plaats van onevenredig.

Zo heb ik mijn Medley een tijdje tegen het fietsnietje voor de ingang van mijn werk laten staan. In weer en wind. Tot het zadelhoesje, een verbleekt Jumbo-boodschappentasje was weggewaaid en Medley moedeloos in het fietsslot hing, alsof hij zichzelf had verhangen. Deze aanblik was voor mij het teken om mijn fiets weer mee te nemen naar de fietsenmaker. Daar is hij aan de trapas en de trapper geopereerd. Na twee nachtjes binnenblijven mocht ik hem gisterochtend ophalen en sindsdien fietsen we weer probleemloos samen. Even leek mijn Medley te spinnen toen hij me gistermiddag weer naar het metrostation bracht.

Categorieën:Read

Na twee dagen van regen en harde wind is het winterweer in Nederland eindelijk een beetje beter. Buiten is het nog koud, maar de zon schijnt fel over Almere. De drang om naar buiten te gaan en een frisse neus halen is groter dan het gevoel van mijn lamlendigheid. Ik besluit me dit keer goed in te pakken om op de fiets een rondje te doen. Vanonder mijn muts kijk ik knijpend de wereld in. Ik heb een beetje de wind tegen, maar door flink de pedalen in te trappen krijg ik het vanzelf warm en besluit ik weer eens over de Oostvaardersdijk te fietsen. Ik vermoedt dat ik op de dijk het oostenwindje mee zal hebben, waardoor ik dan heerlijk kan genieten van het mooie weer. Ik heb gelijk.

Bij het parkeerterrein van bezoekerscentrum ‘De Trekvogel’ bij de Zuidersluis fiets ik de dijk op en de oostenwind duwt me zachtjes in de rug. Het is nu wel heel erg warm met de muts op mijn hoofd, een sjaal om de nek en het extra vest onder mijn jas. Maar ik klaag niet. Ik wil genieten. Genieten van de zon. Al fietsend ben ik in gedachten al een paar maanden voor in het jaar en liggen de wintermaanden van januari en februari ver achter me. Zonder het te merken mis ik de afslag bij de woonwijk Noorderplassen-West en denk dat ik nog wel even een stukje door kan fietsen. Het fietst tenslotte heerlijk vandaag. Ik neem me voor om via de Pampushavenweg weer naar huis terug te keren. Daar wordt de oostenwind vast wel door een aantal bomen afgezwakt. Bij het verlaten van de Oostvaardersdijk komt de maand februari keihard terug in mijn gezicht.

Terug naar de realiteit. Het is winter. Bij ‘Polderland Garden of Love and Fire’, ontworpen door architect Daniel Libeskind, die ook de nieuwe gebouwen op Ground Zero in New York heeft ontworpen, zitten een paar automobilisten in hun auto op de parkeerplaats te wachten op onbekenden die nog langs moeten komen. Het is een plek waar opgewonden mannen op zoek zijn naar andere opgewonden mannen, en ik moet er niet aan denken om er met de broek op de enkels bij deze winterse temperaturen in het bos te staan. Ik rijd door over de Pampushavenweg en na een anderhalve kilometer fiets ik over het Michelinpad richting de bewoonde wereld. De wind waait me guur om het hoofd, dwars door de muts heen.

Na een paar kilometer te hebben afgelegd, maar niet voordat ik het Zoneiland van Nuon ben gepasseerd, besluit ik binnendoor te gaan fietsen. Dwars door diverse woonwijken, richting Amazing Oriental in Almere-Stad. Daar kan ik meteen de nodige boodschappen doen, want na twee dagen van winterse kost van diverse stamppotten komt de rookworst me inmiddels de neus uit. Vanavond eten we Indisch. Doen we net alsof de winter al voorbij is.

Eerder deze week gepubliceerd op OnsAlmere.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: