Ik heb iets met datums. Ik ken de verjaardagen van mensen waarmee ik maar kort heb gewerkt. Soms ook die van collega’s die ik nauwelijks sprak. Een wandelende agenda, zouden sommigen zeggen. Meestal handig, soms vreemd. Ik zet zelfs pincodes of andere getallen om in datums, zodat ik ze niet kan vergeten. Zo wordt alles een soort kalender in mijn hoofd.
Soms heeft een datum een eigen gewicht. Je wordt wakker, doet je routine, en niets wijst erop. Tot dat ene getal zich plotseling opdringt, stil en onmiskenbaar. Niet met trompetgeschal, gewoon als een adem die je niet kunt negeren.
Vandaag is het de sterfdag van mijn zwager Hans. Mijn hele bewuste leven lang voelde hij als een oudere broer voor me. Iemand bij wie je altijd terechtkon. En ineens voelt alles anders: de lucht zwaarder, de stilte groter. Buiten lachen mensen, huilt een kind, rijdt een bus voorbij. Voor hen gewoon een dag, voor jou een gat dat niemand ziet.
Je probeert je gedachten te sturen, iets praktisch te doen, de wereld weer in te halen. Maar herinneringen sluipen binnen, ongepland: een geur, een zin, een blik. En zonder dat je het kunt uitleggen, vult het een lege plek in je borst. Een gemis dat geen woorden verdraagt.
Wat je verliest op zo’n dag is meer dan iemand. Het is vanzelfsprekendheid. Het idee dat sommige dingen blijven zoals ze altijd waren. Dat iemand er gewoon is, omdat hij er altijd was.
Toch zit er troost in die ongrijpbare pijn. De datum meldt zich elk jaar, alsof iemand zegt: “Ik ben er nog, een beetje.” Tegen de avond zakt het weer weg. Op dagen als deze denk ik meteen aan alle geliefden die er niet meer zijn, aan hun stem, hun lach, hun aanwezigheid die voor altijd bij me blijft hangen. Misschien is dat wel het meest pijnlijk: dat de mensen die je ooit je mooiste herinneringen gaven, uiteindelijk zelf de herinnering zijn geworden.
