Vorige week zat mijn hartslag ineens in de remix. Een andere beat dan ik gewend was. Zonder aankondiging en, belangrijker nog, zonder mijn toestemming. Bijna zestig jaar lang had mijn hart keurig hetzelfde ritme aangehouden, maar kennelijk vond het tijd voor een muzikale koerswijziging. Ik houd best van een verrassende remix, maar liever niet wanneer mijn eigen hart de dj is.
Omdat het toch een vrij essentieel onderdeel van mijn lichaam betreft, besloot ik mijn huisarts te bezoeken. Je kunt veel organen negeren, maar bij je hart lijkt me dat niet wijs. Gelukkig bleek er weinig reden voor paniek. Sindsdien gedraagt het zich weer voorbeeldig. Het klopt. Regelmatig zelfs. Precies zoals ik dat al decennia gewend ben. Je zou bijna vergeten dat het er zit. En dat is bij een hart doorgaans een gunstig teken.
Toch leek het de huisarts en mij verstandig om meteen maar eens wat andere zaken te controleren. Cholesterol bijvoorbeeld. En allerlei bloedwaarden die interessant worden zodra een man de vijfenvijftig is gepasseerd. Vanaf dan word je een verzameling mogelijke aandoeningen. Je hoeft ze niet te hebben, maar het is blijkbaar slim er alvast kennis mee te maken. Dus mocht ik vrijdagochtend naar het ziekenhuis om bloed af te laten nemen. Een tamelijk eenvoudige handeling, zou je denken. Naald erin, buisje vol, pleister erop en weer naar huis. Maar zo eenvoudig gaat dat tegenwoordig niet. Eerst moest ik mij aanmelden.
Dat gaat digitaal. Je staat voor een zuil waarin je je identiteitskaart steekt. De machine stelt vast dat je inderdaad degene bent die je al je hele leven denkt te zijn en bevestigt vervolgens je bezoek. Daarna mag je naar een volgende zuil. Daar moet je opnieuw bewijzen dat je bestaat, ditmaal door je geboortedatum in te voeren. Blijkbaar vertrouwen de zuilen elkaar niet. Uit de tweede machine rolt vervolgens een papiertje met een volgnummer. Zoals vroeger bij de bakker of slager. Alleen kreeg je daar na enig wachten tenminste nog een halfje bruin of tweehonderd gram achterham. Hier was de beloning een prik in je arm.
Het heeft iets onpersoonlijks, die digitale ontvangst. Niemand die goedemorgen zegt. Niemand die vraagt hoe het met je gaat. De machines zijn beleefd noch onbeleefd. Ze zijn er gewoon. Eigenlijk precies zoals sommige baliemedewerkers vroeger, maar dan zonder koffiepauze. Toch moet ik toegeven dat het systeem werkt. Sterker nog, ik maakte iets mee wat ik in mijn lange ziekenhuisgeschiedenis nog nooit had meegemaakt. Ik werd geholpen op het afgesproken tijdstip. Niet een kwartier later. Niet na drie vergeefs gelezen tijdschriften en een uitgebreide bestudering van het systeemplafond. Nee, gewoon op tijd. Ik was er bijna emotioneel van. Heel even overwoog ik te vragen of er misschien een fout was gemaakt.
De bloedafname zelf stelde weinig voor. Dat scheelt. Ik heb liever dat een ziekenhuisbezoek saai verloopt. Spanning zoek ik wel in een goed boek. Nu is het afwachten wat mijn bloed allemaal over mij te vertellen heeft. Hopelijk weinig bijzonders. Mijn cholesterol mag best een mening hebben, zolang het zich maar een beetje gedeisd houdt. Ik ben tenslotte bijna zestig. Ik heb inmiddels voldoende levenservaring om te weten dat niet alles wat zich in mijn lichaam afspeelt mijn persoonlijke aandacht verdient.
En mijn hart? Dat klopt inmiddels weer als vanouds. Letterlijk. De remix is afgelopen en de oorspronkelijke uitvoering klinkt weer vertrouwd. Wat mij betreft blijft dat voorlopig zo. Ik ben namelijk behoorlijk gehecht aan het origineel.














