Ieder jaar kan ik het op een van die warme zomeravonden niet laten om de film Mississippi Burning te kijken. Misschien komt het door de hitte buiten of door de hitte in de film. In Mississippi lijkt de warmte boven de wegen, velden en huizen te trillen. Maar het is vooral de haat die de film zo broeierig maakt. Alles staat op ontploffen.
Kerken en huizen worden in brand gestoken, mensen worden bedreigd en vermoord. Toch wordt de kern van al die haat niet blootgelegd in een van de gewelddadigste scènes, maar tijdens een rustig gesprek tussen twee FBI-agenten, wanneer Anderson een jeugdherinnering deelt over een zwarte boer en zijn muilezel.
Het verhaal neemt maar een paar minuten van de film in beslag. Meer tijd heeft het niet nodig.
De film uit 1988 speelt zich af in 1964 en is losjes gebaseerd op de moord op drie burgerrechtenactivisten in Mississippi. Gene Hackman en Willem Dafoe spelen FBI-agenten Anderson en Ward. Ward vertrouwt op regels en procedures. Anderson kent het zuiden. Hij kent de mensen, hun taal en de manieren waarop haat zich kan vermommen als traditie, geloof of fatsoen.
Ward vraagt waar al die haat vandaan komt. Anderson vertelt hem over Monroe, een zwarte boer die vroeger bij hem in de buurt woonde. Monroe was net als Andersons vader arm, maar slaagde erin een muilezel te kopen. Geen luxeartikel, maar een kans om meer land te bewerken en zijn bestaan een beetje te verbeteren.
Andersons vader kon dat niet verdragen.
Zijn vrienden plaagden hem ermee dat Monroe vooruitging, terwijl hijzelf arm bleef. Op een ochtend werd de muilezel dood aangetroffen. Iemand had het drinkwater vergiftigd. Niet lang daarna pakte Monroe zijn spullen en vertrok. Toen Anderson later met zijn vader langs de verlaten boerderij reed, wist hij wie het had gedaan. Zijn vader zag het aan hem.
Die paar minuten vormen voor mij de kern van Mississippi Burning. Monroe had niemand iets afgenomen. Zijn enige ‘misdaad’ was dat hij als zwarte boer een stap vooruit wist te zetten. De muilezel werd niet alleen uit jaloezie gedood. Hij moest verdwijnen om Monroe weer op zijn vermeende plaats te zetten.
Anderson probeert zijn vader niet vrij te pleiten. De man zat zo vol haat dat hij niet meer zag wat hem werkelijk arm hield. Dat was Monroe niet. Het was gemakkelijker om opzij te kijken naar iemand die het nauwelijks beter had dan omhoog naar de werkelijke oorzaak van zijn ellende. Een ander naar beneden trappen voelde voor hem blijkbaar als vooruitgang.
Dat mechanisme is niet verdwenen.
Ook nu laat men mensen geloven dat hun problemen komen door een andere bevolkingsgroep, een ander geloof, vluchtelingen, homo’s, transpersonen, of wie op dat moment maar tot buitenstaander wordt verklaard. Geef onvrede een zondebok en de aandacht wordt afgeleid van degenen die werkelijk invloed en macht bezitten.
Daarom mogen we nooit accepteren dat mensen of groepen worden uitgesloten. Niet wanneer dat openlijk gebeurt, maar ook niet wanneer het wordt verpakt als humor, bezorgdheid, geloof, traditie of “een mening die toch gezegd moet kunnen worden”. Uitsluiting begint vaak met woorden, verdachtmakingen en grenzen die telkens iets verder worden opgeschoven.
De muilezel van Monroe komt alleen voor in een herinnering, maar vormt het kloppende hart van de film. Haat maakt niemand rijker, sterker of beter. Er blijft alleen minder menselijkheid over.
De muilezel was niet het echte probleem.
Het probleem was dat Andersons vader het niet kon verdragen dat een zwarte man als Monroe een beter leven probeerde op te bouwen.














