Vinyl

Er zijn momenten waarop de tijd zich niets aantrekt van vooruitgang. Dat je midden in een moderne woonkamer staat, iPhone binnen handbereik, de wereld in je broekzak, en toch kiest voor iets wat kraakt, glimt en geduld vraagt. Vinyl. Plaatjes draaien. Alleen al dat woord, draaien, suggereert beweging, handwerk, aandacht. En precies daar begint het genot.
Een elpee luisteren is geen achtergrondactiviteit. Het is geen muzikaal behang terwijl je mails wegwerkt of gedachteloos door het nieuws scrolt. Nee, een plaat dwingt je tot aanwezigheid. Je pakt de albumhoes vast, vaak groter dan je hoofd, met artwork dat niet bedoeld is voor een scherm van zes inch, maar voor je handen en je blik. Je schuift het karton open, voelt papier op papier, en daar is hij. Soms klassiek zwart, soms doorzichtig, gemarmerd of felgekleurd. Muziek die je niet alleen hoort, maar ook ziet.

Het moment waarop je het vinyl uit de hoes haalt, blijft ceremonieel. Je raakt de rand aan, nooit het speelvlak, alsof je een oud manuscript behandelt. De plaat op de draaitafel, een lichte tik wanneer hij zijn plek vindt. De arm omhoog, positioneren boven de eerste groef, een kleine correctie, en dan loslaten. De naald zakt. Soms hoor je eerst stilte, soms een zachte tik, een ademhaling van het materiaal. En dan begint het. Muziek die zich niet opdringt, maar zich aandient.
Als kind wist ik niet beter. Muziek was iets wat je omdraaide. Na kant A stond je op, draaide de elpee om en ging weer zitten. Het hoorde erbij. Net als het meelezen van songteksten op de binnenhoes of het bestuderen van foto’s. Muziek luisteren was een activiteit, geen bijzaak.

Een groot deel van mijn oorspronkelijke vinylverzameling is er helaas niet meer. Die raakte ik kwijt bij het faillissement van Edo’s bedrijf. De platen lagen opgeslagen op zijn werklocatie en verdwenen daarmee uit mijn leven. Het blijft een vreemd soort verlies. Niet alleen van objecten, maar van herinneringen. Misschien verklaart dat de verzameldrift.

Met digitale muziek veranderde alles. Cd’s, mp3’s, streaming. Ik waardeer het gemak enorm. Alles altijd bij je, in perfecte kwaliteit. Maar ergens onderweg zijn we minder aandachtig gaan luisteren. We skippen sneller, luisteren half. Muziek werd vloeibaar, maar ook vluchtiger.
Vinyl doet het tegenovergestelde. Het vraagt dat je blijft zitten. Dat je luistert naar een album zoals het bedoeld is, in volgorde, met rustmomenten en spanningsbogen. Je hoort de ruimte, de warmte, soms zelfs de foutjes. Juist die imperfecties maken het menselijk.

Dit jaar wil ik sparen voor een betere platenspeler. Ook dat is ouderwets. Sparen. Bewust iets opzijleggen. Het verlengt de voorpret en maakt de aanschaf betekenisvoller. Net zoals wachten tot de naald de groef raakt, in plaats van meteen op play drukken.
Plaatjes draaien is geen nostalgie om de nostalgie. Het is vertragen. Kiezen voor beleven in plaats van consumeren. En elke keer als die naald zijn weg vindt in het vinyl, weet ik weer waarom. Muziek is niet alleen iets wat je hoort. Het is iets waar je bij moet blijven.

Onderzoek

Het was een kleurige enveloppe, persoonlijk aan mij gericht, die ondanks de vrolijke tinten een onmiskenbaar serieuze uitstraling had. Dat is meestal geen goed teken. Enveloppen willen vaak iets van je, zonder eerst te vragen of je daar wel zin in hebt. Deze ging over darmonderzoek. Omdat ik van een zekere leeftijd ben. Dat is een formulering die tegelijk vaag en onontkoombaar is. Je weet precies wat ermee bedoeld wordt, ook al wordt het nergens hardop gezegd.

Mijn eerste reactie was verzet. Praat geen poep, man, dacht ik. En precies daar ging het dus wél over. Poep. Ontlasting. Datgene wat je produceert en daarna zo snel mogelijk vergeet. Er zat een keurige uitleg bij, vriendelijk en duidelijk, over hoe en wat. Zonder sensatie, zonder schaamte. Ik zal hier niet in detail treden. Dat lijkt me verstandig.

Het was niet de eerste keer dat ik zo’n verzoek kreeg. Eerder schoof ik het terzijde. Geen tijd, geen zin, en vooral geen behoefte om mezelf onder ogen te komen. Ontkenning is een vaardigheid die je ongemerkt ontwikkelt. Zeker als je denkt dat ouder worden iets is wat anderen overkomt. Dit keer voelde het anders. Niet heroïsch, maar berustend. Ik besloot dat meedoen makkelijker was dan ontkennen.

De instructies waren overzichtelijk. Bijna geruststellend. Alsof iemand zei: je bent niet de eerste, je bent niet de laatste, en het komt waarschijnlijk gewoon goed. Het werd geen avontuur, geen verhaal voor bij de koffie. Het was een handeling. Iets wat je doet en daarna achter je laat. Je vergeet het niet meteen, maar het hoort erbij, als een stille routine.

Van de week kwam de uitslag. Alles in orde. Ik hoef me nergens druk over te maken. Dat leest prettig, zelfs als het onderwerp weinig poëtisch is. Over een paar jaar mag ik weer. Dan mag ik opnieuw met een stokje in de wc-pot draaien. Niet aantrekkelijk, zeker niet, maar een kleine moeite. Misschien is dat volwassen worden: niet dat je alles begrijpt, maar dat je sommige dingen gewoon doet. Omdat het verstandig is. Omdat het rust geeft.

Motivatie

Maandag heeft een imagoprobleem. Het is de dag die zich moet verantwoorden, nog vóór hij goed en wel begonnen is. De dag waar mopjes over worden gemaakt, memes over circuleren en mokken met cynische teksten voor worden verkocht. Alsof maandag persoonlijk verantwoordelijk is voor het feit dat we weer moeten opstaan. Alsof hij ’s nachts naast het bed staat en fluistert: “Zo, vriend, daar gaan we weer.”

Ik heb geen hekel aan maandag. Dat is altijd een beetje verdacht om te zeggen, alsof je meteen ook verklaart dat je van lauwe koffie houdt en vrijwillig in een wachtruimte van de Belastingdienst gaat zitten. Maar het is zo. Ik ben geen Garfield die zich met theatrale weerzin onder een dekentje oprolt en de wereld vervloekt. En ik ben zeker geen Brenda Ann Spencer, die vanuit een verknipte logica besloot dat maandag een goede dag was om om zich heen te schieten. Dat is een vergelijking die je liever niet maakt, maar hij dringt zich nu eenmaal op wanneer mensen hun afkeer van maandag met overdreven pathos beschrijven.

Mijn verhouding tot maandag is eenvoudiger. Ik ben tevreden. Niet uitbundig, niet euforisch. Gewoon tevreden. Maandag is voor mij nog net geen confettikanon, maar zeker ook geen rouwkaart. Het is een schone lei, nog zonder krabbels en aantekeningen. Een week die nog niet weet wat hij gaat worden, en dat vind ik prettig.

Op maandag mag alles weer. Niet in de zin van grootse beloftes en mislukte voornemens, maar in kleine dingen. De agenda is nog overzichtelijk, het hoofd nog niet vol. Dinsdag heeft al haast, woensdag begint te tellen, donderdag kijkt vooruit naar het weekend en vrijdag doet alsof hij al klaar is. Maandag daarentegen staat er gewoon. Hij zegt niets, hij vraagt niets. Hij wacht.

Motivatie op maandag zit voor mij niet in slogans of podcasts die beloven dat je leven vóór tien uur ’s ochtends al een succes is. Motivatie zit in het idee dat je opnieuw mag beginnen zonder dat iemand daar heel moeilijk over doet. Niemand verwacht dat je alles vandaag al af hebt. Niemand kijkt raar op als je nog even zoekt naar het ritme.

Maandag is geen vriend die je omhelst, maar ook geen vijand die je moet bevechten. Het is een rustige kennis die zegt: we hebben tijd. Een nieuwe week. Een nieuw begin. En dat vind ik voldoende.

Piraat

Het was ergens halverwege de middag toen ik zijn naam weer eens tegenkwam: Rock de Braziliaan. Ik weet niet waarom hij bleef hangen. Misschien omdat deze man ooit in Groningen geboren zou zijn en zo’n Nederlandse connectie toch een zekere binding geeft. Of misschien omdat er iets prettigs zit in het lezen over mannen die allang onder de grond liggen en die waarschijnlijk ook nooit echt hebben bestaan.

Rock de Braziliaan. Het klinkt als iemand die je in een kroeg in Amersfoort zou kunnen tegenkomen. Een man met een verweerd hoofd, een kleine glimlach en een verhaal dat twee biertjes later nog steeds niet is afgelopen. Maar volgens de geschiedenisboeken, of beter gezegd de geschiedenishoesjes, want veel dieper gaat het niet, was hij piraat. Een wrede. Een man die deed wat wij nu “excessief geweld” zouden noemen, maar waar toen waarschijnlijk niemand van opkeek.

Er is maar één echte bron waarin hij voorkomt. Een oude chirurgijn, Alexander Exquemelin, schreef over hem alsof hij naast hem aan dek stond. Misschien deed hij dat ook. Misschien verzon hij het. Niemand die het weet. En daar zit precies de charme. Soms is een figuur interessanter omdat je hem níét kunt vastpinnen. Omdat hij ergens tussen waarheid en overdrijving blijft hangen, zoals een scheepstoeter in de mist.

Historici hebben hem later door de mangel gehaald en geconcludeerd dat hij vermoedelijk meer fabel dan feit was. Een soort zeventiende-eeuwse superheld, maar dan zonder moraal en zeker zonder cape. Toch blijft die naam spoken. Rock de Braziliaan. Je ziet hem voor je, met vet haar en een gezicht dat nooit om toestemming vraagt.

Misschien gaat het uiteindelijk niet om wat hij heeft gedaan. Misschien ook niet om wie hij was. Misschien vind ik het simpelweg prettig dat er af en toe zo’n figuur opduikt, eentje die de geschiedenis iets losser maakt, iets rommeliger, iets minder gladgestreken. Een man die nooit echt hoeft te kloppen om toch te blijven bestaan.

Bewijs

Wederom zat ik laatst naar National Geographic te kijken. Moe van alle realityshit die tegenwoordig mijn beeldbuis vervuilt. Mensen die elkaar afvallen op een eiland, stellen die elkaar zogenaamd verleiden, BN’ers die huilen om niets en alles tegelijk. Lawaai zonder inhoud. National Geographic voelt dan even als een toevluchtsoord. Niet verheffend, maar tenminste niet infantiel.

Er was een item over Fatima. Portugal, 1917. Drie herderskinderen: Lucia en haar jongere neefjes Jacinta en Francisco. Zij zouden meerdere keren een verschijning van Maria hebben gezien, die hun boodschappen gaf over gebed, boete en toekomstige rampspoed. Op 13 oktober zou zich het zogenoemde zonnewonder hebben voltrokken, waarbij duizenden getuigen meldden dat de zon draaide, flikkerde en op de aarde af leek te komen. Het verhaal groeide uit tot een van de belangrijkste Mariaverschijningen binnen het katholicisme.

Ik bleef hangen. Niet omdat ik gelovig ben. Verre van zelfs. Maar zulke verhalen fascineren me. Ze slijten niet. Ze worden doorgegeven alsof de tijd er geen vat op heeft.

Ik heb respect voor mensen die hierin geloven. Oprecht. Voor velen is geloof geen gemakzucht, maar een levenslijn. Het ordent, troost, geeft houvast. Ik kijk daar niet op neer. Integendeel.

Wat mij bezighoudt, is iets anders. Neem Jacinta, het jongste meisje van Fatima. Negen jaar oud. Gestorven aan de Spaanse griep. Vijftien jaar later opgegraven. Haar gezicht nog egaal, zo wordt verteld. Rustig. Bijna ongeschonden. Het soort detail dat onmiddellijk als wonder wordt gelezen. Punt.

Daar begint voor mij de frictie. Niet omdat ik het verhaal wil ontkrachten, maar omdat het vragen stellen zo snel ophoudt. Wie zag dat gezicht? Onder welke omstandigheden? Hoe betrouwbaar waren de waarnemingen? Wat is vastgelegd en wat later ingevuld? Vragen die we elders normaal vinden. Behalve zodra geloof het woord overneemt.

Later zapte ik door naar Discovery ID. Spookhuizen. Mensen spraken over energie en onhoorbare geluiden. Apparatuur die niets sluitends registreerde. Maar een mompelend geluid werd moeiteloos vertaald tot een naam uit het team. Aannames werden zekerheid. Geloof in actie.

Waarom kiezen we zo vaak voor aanname in plaats van bewijs? Waarom is “het zou kunnen” ineens voldoende, terwijl we elders eisen dat iets klopt, onderbouwd is, herhaalbaar?

Misschien is dat de aantrekkingskracht. Bewijs is lastig. Bewijs schuurt. Geloof rondt af. Het zegt: dit is het. Niet uit luiheid, maar uit behoefte aan rust.

Die behoefte begrijp ik. Echt. Maar ik vraag me af of we onszelf niet tekortdoen door zo vroeg te stoppen met zoeken. Verwondering hoeft niet te verdwijnen als je bewijs verlangt. Integendeel. Ik geloof niet. Maar ik geloof wél in vragen stellen. In blijven kijken. In niet meteen knielen voor het verhaal dat het mooist klinkt. Dat is voor mij geen gebrek aan respect, maar juist een vorm ervan.

Zout

Het begon me te dagen toen ik van de week zoute pinda’s zat te knabbelen die meer ambitie hadden dan nodig was. Ze waren niet gewoon zout. Ze waren overtuigd. Elke pinda leek persoonlijk verantwoordelijk voor de winterveiligheid van een middelgrote provinciestad. Alsof ze niet uit een zak kwamen, maar waren opgeraapt van een gepekeld fietspad, ergens in januari, wanneer de sneeuw al weg is maar het zout is gebleven.

Een pinda hoort je niet aan te vallen. Hij mag knapperen, geruststellen, iets doen met je handen terwijl het gesprek voortgaat. Deze pinda’s deden iets anders. Ze eisten aandacht. Ze lieten je lippen samentrekken en je tong twijfelen aan zichzelf. Na drie handjes had ik dorst. Na vijf begon ik na te denken over mijn levenskeuzes.

En toch at ik nog even door. Dat hoort bij te zout. Je klaagt, je zucht, en je eet door. Zoals bij veel dingen die eigenlijk net iets te ver gaan, maar waar je pas achteraf bezwaar tegen maakt.

Zout is zo’n woord dat je achteloos gebruikt. Het staat al op tafel voordat je gaat zitten. In een shaker, in een molentje, soms in een zakje dat open scheurt met een geluid dat belooft dat het goed komt. Zout is er altijd al geweest. Dat is meteen het probleem. We vertrouwen erop zonder erbij stil te staan.

Ik las ooit dat Romeinse soldaten een toelage kregen die met zout te maken had. Salarium. Daar komt salaris vandaan. Het idee dat geld ooit wit, korrelig en onmisbaar was, stelt me gerust. Zout was macht. Wie zout had, kon eten bewaren, reizen maken, de winter doorkomen. Zonder zout geen haring, geen kaas, geen beschaving, of in ieder geval een te magere versie daarvan.

Toch zegt de dokter iets anders. Te veel zout is slecht voor je. Bloeddruk, hart, nieren. Het lichaam houdt van evenwicht en raakt van slag zodra je het te royaal strooit. Dat is vreemd, want zonder zout functioneert datzelfde lichaam ook niet. Spieren weigeren, zenuwen raken in de war. Zout is tegelijk noodzakelijk en verdacht. Zoals alles wat te belangrijk wordt.

Een beetje zout maakt eten beter. Een tomaat zonder zout is gewoon water met ambitie. Met een snufje zout wordt het ineens zomer. Zout haalt smaken naar voren die er al waren, maar zich nog niet durfden te melden. Te veel zout doet het tegenovergestelde. Het neemt de ruimte in. Dan verdwijnt de pinda, de aardappel, de tomaat. Er blijft alleen zout over.

Er is zout buiten de aarde. Op Mars zijn zouten gevonden, resten van water dat ooit vloeide. Op manen van Jupiter en Saturnus liggen zoute oceanen verborgen onder ijs. Het idee dat daar zout water klotst zonder tafels, zonder handen, zonder iemand die zegt dat het net iets te veel is, stemt me weemoedig. Alsof zout daar zijn bestemming is kwijtgeraakt. Zonder betekenis.

Een wereld zonder zout op aarde zou flauw zijn. Geen zeeën zoals we die kennen. Geen zweet na een lange dag. Geen tranen met melancholische smaak. Geen broodkorst die kraakt. Misschien gezonder. Zeker stiller. Maar ook armer.

Ik strooi nog steeds zout. Voorzichtig. Omdat zonder ook niets is. En te veel, dat weet ik sinds die paar handjes pinda’s, is minstens zo problematisch.

Elagabalus

Laat ik u vertellen over Elagabalus. Veertien jaar jong, keizer van het Romeinse Rijk, en daarmee jonger dan de meeste pubers die vandaag met knikkende knieën hun eerste bijbaan ingaan. Ik denk bij hem eerlijk gezegd niet zozeer aan een monster, maar aan een kind in een snoepwinkel. Alles mag. Alles kan. Niemand die echt nee zegt. En dus pak je alles tegelijk, tot je misselijk wordt en de winkel afbrandt.

Het rijk liep van mistig Brittannië tot zinderend Syrië, maar in Rome geloofde men heilig dat alles in orde bleef zolang Jupiter op zijn plek stond en iedereen zich een beetje normaal gedroeg. Elagabalus had daar geen boodschap aan. Hij heette officieel Marcus Aurelius Antoninus; een hele mond vol. Elagabalus was priester van een Syrische zonnegod en nam die god bloedserieus. Hij sleepte heilige objecten uit tempels, zette zijn eigen cultus boven Jupiter en maakte er een spektakel van. Religieuze vernieuwing mocht best, zolang die onzichtbaar bleef. Dat detail was hem ontgaan.

De Romeinse schrijvers kregen het er warm van. Cassius Dio schreef met een persoonlijk beledigde pen: jurken, make-up en pruiken. Huwelijken alsof het kortingsbonnen waren. En dan die Vestaalse maagd. Dat was heiligschennis in hoofdletters. Ik vergelijk het met een paus die bij een popupstore gaat werken. Een bedrijf vol grote ideeën, weinig regels en een bijna aandoenlijk geloof dat alles beter kan. Zet dat naast een instituut dat leeft van ritueel en traditie, en het is begrijpelijk waarom Rome collectief de zenuwen kreeg.

En dan het beruchte verhaal dat Elagabalus zijn artsen zou hebben gevraagd hem een vagina te geven. Misschien waar, misschien niet. Maar de Romeinen hadden het verhaal nodig. Het was te perfect. Een keizer die niet wist wat hij hoorde te zijn, dat was erger dan slecht bestuur. Identiteit werd schandaal, en schandaal werd geschiedenis.

Besturen kon hij inderdaad niet. Hij liet het over aan vrienden, kleineerde de Senaat en begreep het leger niet. Dat laatste is altijd fataal. De Praetoriaanse Garde trok de stekker eruit. Zijn grootmoeder, die hem op de troon had geholpen, regelde ook zijn val. Familie is handig tot het dat niet meer is.

Hij eindigde dood, samen met zijn moeder, door Rome gesleept en in de Tiber gegooid. Damnatio memoriae. Weg ermee. Alsof alles dan weer netjes werd.

Maar eerlijk is eerlijk: ik zie vooral een losgelaten kind met te veel macht en te weinig grenzen. Dat is gevaarlijk, maar ook herkenbaar. En dan denk ik aan een volwassen leider die wél weet wat hij doet, maar structureel schade aanricht. Dat is misschien wel erger. Een president van de Verenigde Staten, Donald ‘Stupidity’ Trump bijvoorbeeld, die niet uit onbezonnenheid handelt maar uit hallucinerende overtuiging, en daarbij zijn eigen volk meesleurt, splijt en verarmt. Dat voelt minder als snoepwinkel en meer als sloopbedrijf. Dan heb ik meer sympathie voor de regerende tiener Elagabalus.

Crimineel

De eerste keer dat ik The Godfather zag, kon ik niet eens goed plaatsen wat ik keek. De wereld om me heen was nog klein, beperkt tot de straat en de school, en toch waren die films er al, als een achtergrondmuziek van iets wat altijd al heeft bestaan. Alsof de maffia er altijd al was, in een parallelle wereld waar ik nog geen toegang toe had, maar die stilletjes mijn verbeelding binnensloop. Het is een wereld van familie, macht en verraad, en een wereld waarin alles, maar dan ook alles, onder controle lijkt, zolang je de juiste mensen kent en de juiste stappen zet.

Thuis kijken we de eerste twee delen elk jaar wel een keer of twee. Minimaal. Altijd weer. De dialogen, de sfeer, diezelfde zware, intieme muziek. Soms kunnen we bepaalde zinnen per lettergreep meezeggen, alsof we onderdeel zijn van die wereld, alsof de films ons al die jaren geheim hebben toegesproken. Het tweede deel is mijn persoonlijke favoriet. De verhalen van Michael Corleone, de spanningen, de tragedie en de loyaliteit, alles samen maakt dat het tweede deel een eigen, onvervangbare magie heeft. Het derde deel? Nee. Daar trek ik de grens. Misschien omdat het probeert te verklaren wat niet te verklaren valt, of omdat de magie van de eerste twee delen onmogelijk te herhalen is.

Toen we elkaar leerden kennen, las Edo het boek van Mario Puzzo. Jaren later had hij het uit. Mijn man is geen groot boekenliefhebber, maar The Godfather leek hem genoeg te fascineren: de wereld van macht en verraad, de subtiele regels van eer en loyaliteit. Samen hebben we ons jarenlang laten meeslepen door deze wereld van corruptie en macht. Niet omdat we de maffia romantiseren, integendeel, maar omdat het laat zien hoe slecht en corrupt de mens kan zijn. Dat fascinatie en afschuw zo dicht bij elkaar liggen, maakt het interessant. Er zit iets onmenselijk menselijks in, iets wat ons toestaat te genieten van foute karakters. De donkere kant van ons krijgt even de kans om te genieten, zonder dat we de grenzen daadwerkelijk overschrijden.

Naast The Godfather kijken we eens in de zoveel tijd ook Good Fellas of Scarface, maar het blijft anders. Die films zijn groot, chaotisch, misschien realistischer op hun manier, maar de eerste twee delen van The Godfather zijn als een oude vriend, een jaarlijkse terugkerende herinnering. Ze vormen een constante in een wereld die snel verandert en herinneren ons eraan dat verhalen over macht, loyaliteit en verraad altijd relevant zijn, ongeacht het decennium.

Thuis, op de bank, met een wijntje of een gin tonic, kijken we samen naar die scènes die we kennen als onze eigen broekzak. Soms glimlachen we om een blik, soms slikken we bij een stilte. Het voelt intiem, vertrouwd, alsof de films een deel van ons geworden zijn. Alsof die wereld van macht en verraad altijd al een hoekje in ons huis had, wachtend tot wij hem weer zouden begroeten.

Scorso

Ik dacht dat het leuk zou zijn om via Duolingo een paar woordjes of zinnetjes Italiaans te leren. Gewoon een beetje spelen met taal, zoals je vroeger een nieuw recept probeerde of een hobby die net wat te veel aandacht eiste. De eerste les was, zoals altijd, een makkie. De app was overenthousiast, en ik bijna ook. Alles voelde fris, eenvoudig, beloftevol.

Maar toen kwam de tweede dag. Nog voordat die dag goed en wel begonnen was, kreeg ik al een e-mail van Duolingo. Verwijtend. Over het feit dat ik nog geen tweede les had gedaan. Ik las het, knipperde even met mijn ogen en dacht dat ik het verkeerd had begrepen. Nee hoor. Daar stond het. Een mail die in hoofdletters leek te schreeuwen: “Ben je wel serieus met leren?” Of woorden van die strekking.

Later die dag kwam er nog één. Nog een mail. Nog een verwijt. Alsof mijn telefoon ineens een soort bemoeizieke ouder was geworden die steeds over mijn schouder hing. Of een collega die niet kan geloven dat je je werk niet afmaakt. Een mail met de impliciete boodschap dat je iets wezenlijks mist als je dit niet belangrijk genoeg vindt.

Het mooiste is dat het niet eens overleven of een levensles betrof. Het ging over kleine woordjes en zinnetjes in een vreemde taal: “Buongiorno”, “Come stai?”, “Une cappuccino, per favore.” Je zou er bijna nerveus van worden. Alsof het leren van een taal een morele verplichting is en mijn gebrek aan discipline een misdaad.

Ik haalde diep adem, keek naar mijn telefoon en besloot dat dit een gevalletje van te veel enthousiasme was. Niet van mij, maar van de app. Ik verwijderde de Duolingo-app. Weg. Alsof ik hem nooit had gehad. En de mailinglijst? Afmelden, natuurlijk. Het voelde bevrijdend. Alsof er nu ruimte was om iets te leren zonder dat een digitale leraar over mijn schouder hing en mijn motivatie beoordeelde.

Misschien zal ik ooit nog eens proberen wat Italiaans op te pikken. Maar voorlopig niet via een platform dat je aanspreekt alsof je een schuldbekentenis moet afleggen voor een vergeten les. De eerste les was leuk. De tweede dag was te veel. En zo gaat het vaak in het leven: de belofte van iets moois wordt soms verpest door te veel goedbedoelde druk van buitenaf.

Ik denk dat ik zonder probleem een kop koffie in Pisa kan bestellen. Dat heb ik in ieder geval geleerd.

Tijdloos

Laatst zat ik televisie te kijken en daar waren ze weer: de sterren van toen. Niet in een terugblik, niet in een eerbetoon, maar gewoon, levend en wel, in een spelshow. Ze moesten racen, lachen, aan een bel trekken en elkaar aankijken alsof ze dit vroeger ook al deden, alleen dan met betere verlichting en minder rimpels. Althans, minder zichtbare rimpels.

Wat meteen opviel, waren de gezichten. Strakke koppies. Voorhoofden zo glad dat je er bijna het licht van de studiokoplampen in kon zien weerkaatsen. Expressies die geen kant meer op konden. Botox, fillers, alles wat de moderne cosmetische gereedschapskist te bieden heeft. En laat ik dat meteen zeggen, voordat iemand zich aangesproken voelt: iedereen moet vooral doen wat hij of zij goed vindt. Cosmetische correcties, kleine ingrepen of complete bekverbouwingen; als jij je er gelukkig bij voelt, dan is dat genoeg. Geluk hoeft geen verantwoording af te leggen.

Sterker nog, ik vind het een goede ontwikkeling dat je als zestiger of bijna-zeventiger er jong uit mag zien. Dat je je gezicht mag verzorgen, jezelf mag aanpassen, mag experimenteren met strakke lijnen. Niet zoals vroeger als klapvee bij Op Volle Toeren, met jasschorten, een strak permanentje en een blik alsof je elk moment een klaagzang over een verloren hit moest inzetten. Het mag tegenwoordig frivool, het mag zelfverzekerd, het mag mooi.

Eerlijkheidshalve moet ik melden dat ik ooit zelf twee keer Botox heb laten injecteren. Het voelde onwennig en best grappig, maar het is me allemaal niet waard. Ik hou het bij AI-afbeeldingen; dat is genoeg speelsheid en vervalsing voor één leven.

Maar terwijl ik keek naar dat spel, dacht ik toch iets anders. Het zeventigste levensjaar staat bij deze mensen niet meer ergens vaag aan de horizon. Het staat voor de deur. Soms zelfs al met de sleutel in het slot. Waarom zou je dan willen dat je eruitziet als een twintiger? In een spelshow nog wel, waar alles draait om snelheid, grapjes en doen alsof de tijd even heeft stilgestaan.

Het probleem is niet dat het niet mag. Het probleem is dat het niet werkt. Speel niet het spel “Hoe oud denk je dat ik ben” met me, want ik doe niet mee. Ik schat je niet in als iemand van begin dertig. Ik zie iemand van bijna zeventig met een strak gezicht. Dat is geen waardeoordeel, dat is observatie. Je stem verraadt je. Je blik. De manier waarop je reageert op een grap of een verlies. Levenservaring laat zich niet gladstrijken.

Nogmaals, als je jezelf er goed bij voelt, vooral doen. Echt. Maar doe het voor jezelf. Niet om de ander te overtuigen dat de tijd geen vat op je heeft gehad. Dat spel win je niet. En je hoeft het ook niet te winnen. Je hebt tenslotte genoeg levenservaring. Dat mag gezien worden. Ook in een spelshow.

Voorpret

Een paar dagen geleden hebben we een weekend naar Pisa geboekt. Niet zomaar een stad, niet zomaar een reis. Pisa, met z’n scheve toren, z’n pleinen, z’n gelato en z’n zonlicht dat eind maart al een beetje naar zomer ruikt. Edo en ik gaan, samen met twee familieleden, Diana en Marcel, die Italië niet alleen bewonderen, maar aanbidden. Toscane in het bijzonder. Ze kennen de streek volgens mij als hun broekzak, praten over cipressen alsof het oude vrienden zijn, en het zal me niet verbazen als ze blind een Chianti Classico herkennen aan alleen al de geur.

Het idee ontstond eind vorig jaar, bij een etentje in een Italiaans restaurant in Amstelveen. Zo’n warme Italiaanse plek met een ober die buonasera zegt omdat hij het meent, en waar een rode wijn altijd een vino eccellente is. We zaten daar, met volle glazen en volle magen, en nichtje Diana zei: “Zouden jullie het leuk vinden om volgend jaar maart mee naar Pisa te gaan?” Vaak blijven vragen als deze in de lucht hangen, zwevend tussen een espresso en de rekening. Maar deze keer niet. Deze keer hebben we woord bij daad gevoegd. Al duurde het nog maanden voordat de boeking er daadwerkelijk kwam.

We gaan wanneer de lente aanbreekt. Eind maart. De maand waarin alles begint te ruiken naar belofte. Ik reken een beetje op mooi weer. Niet te warm, niet te koud. Een jas over de schouder, een zonnebril op het hoofd. Wandelen door smalle straatjes, verdwalen zonder spijt. Pisa schijnt daar uitermate geschikt voor te zijn. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen grote stad, eerder een compacte verzameling geschiedenis, waar je in een middag van de Arno naar de beroemde Piazza dei Miracoli kunt lopen. Dat plein alleen al: een kathedraal, een doopkapel, een begraafplaats en die ene toren die iedereen kent, maar die eigenlijk pas later beroemd werd omdat hij per ongeluk begon te verzakken.

Wat ik prettig vind, is dat Pisa meer is dan alleen die scheve toren. Ooit was het een machtige zeehandelstad, een rivaal van Genua en Venetië. Galileo Galilei werd er geboren, al zal hij dat zelf waarschijnlijk niet zo interessant hebben gevonden. Tegenwoordig is het ook een universiteitsstad, met studenten, boekwinkels en cafés waar je vermoedelijk beter zit dan in de schaduw van selfiesticks.

We gaan zeer milieu-onbewust met het vliegtuig, dat wel. Ik weet het. Maar de trein was duurder en ingewikkelder. Eerlijk gezegd hebben we daar niet eens serieus naar gekeken. Vliegen heeft iets van een sprong. Een snelle beslissing. Je stapt in en even later sta je ergens waar de koffie anders smaakt.

We gaan. Dat is het belangrijkste. We hebben geboekt. En dat is al een beetje reizen. Voorpret vind ik minstens zo belangrijk als de trip zelf. Want soms begint een reis niet bij aankomst, maar al bij het idee dat ergens, in Pisa, alles rustig op ons staat te wachten.

Kinderachtig

Het sneeuwt nu al een paar dagen flink. Niet dat slappe gedoe dat meteen weer in regen overgaat, maar sneeuw die blijft liggen, sneeuw die kraakt onder schoenen en waar ineens van alles mee moet. Sleetjes worden uit schuren gehaald, plastic zakken krijgen een tweede leven en volwassen mensen roepen dingen die ze de rest van het jaar niet zeggen. “Ik ben weer even kind,” hoor ik ze roepen, terwijl ze met rode wangen van een helling afglijden die normaal vooral dienst doet om honden uit te laten.

Dat “weer even kind” hoor je alleen in de winter. Nooit in april, als iemand een boterham eet in de zon. Nooit in juli, als iemand tot zijn knieën in zee staat of op een doordeweekse donderdag in de supermarkt. Blijkbaar heeft het kind in de volwassene een winterjas nodig, en toestemming van de winterkoning.

Ik sta erbij en kijk ernaar, zoals ik wel vaker sta te kijken. Ik ben zelf bijna zestig en voel me, eerlijk gezegd, toch 365 dagen per jaar nog een kind. Niet voortdurend, niet ongeremd, maar aanwezig. Het kind in mij staat meestal iets achter me, omdat de senior in mij zich graag overal tegenaan bemoeit. Die senior zegt: rustig aan, denk aan je knieën, morgen moet je ook nog functioneren. Hij draagt een jas met veel zakken en weet precies waar de paracetamol ligt.

Toch wint het kind vaker dan je zou denken. Bij simpele dingen. Een goed liedje op de radio. Een kop koffie die precies goed is. Een poes die besluit vlak voor je langs te rennen. Ik kan daar oprecht blij van worden, zonder dat ik hoef te roepen dat ik weer even kind ben. Ik bén het al. Of beter gezegd: ik ben het nog.

Misschien is dat wel het verschil. Voor sommige volwassenen is het kind iets dat kwijtgeraakt is, opgeborgen onder verantwoordelijkheden, agenda’s en fatsoen. Het ligt ergens tussen de belastingaangifte en een onderhoudscontract. En dan, ineens, valt er sneeuw. En mag het eruit. Even. Met veel lawaai. En nog meer selfies.

Voor anderen, waaronder ikzelf, is het kind nooit echt weggeweest. Het is alleen wat stiller. Het weet dat het niet altijd voorop mag lopen, dat het soms plaats moet maken voor die bijna zestigjarige senior die beter weet hoe laat het is. Maar het kind blijft nieuwsgierig. Verwonderd. Een tikje naïef misschien.

Wat me fascineert aan die roepende volwassenen op sleeën, is niet het plezier dat ze hebben. Dat gun ik ze van harte. Het is mijn verbazing daarover. Alsof plezier iets tijdelijks is, iets uitzonderlijks, iets wat je alleen mag voelen als de wereld wit is en iedereen het ziet. Misschien zouden we het kind niet zo moeten herontdekken, maar gewoon erkennen dat het er altijd is. Ook zonder sneeuw.

Winter

Ik heb het altijd een beetje verdacht gevonden: winter. Niet de winter an sich, maar de manier waarop wij er tegenwoordig over praten. Alsof het iets is wat ons overkomt. Alsof kou een incident is. Alsof sneeuw een persmoment vereist.

Ik lees over januari 1790 en lees niets over paniek, maar over aanpassing. Het was koud. Lang. Hard. Rivieren dicht, de Zuiderzee één vlakte van ijs. Mensen gingen eroverheen omdat dat nu eenmaal de weg was. Niet omdat het leuk was, maar omdat er geen andere optie bestond. De winter was geen uitzondering, maar de achtergrond waartegen het leven zich afspeelde. Met honger, met sterfte, met ellende, maar in ieder geval zonder kleurcodes.

Fast forward naar 1956. Min twintig, dagenlang. Een kou die in muren kroop. Natuurlijk ging er van alles mis. Ouderen overleden, brandstof was schaars, treinen vielen uit. Maar niemand leek verbaasd. Het was winter, dus dingen deden het niet. Dat werd niet geframed als falen, maar als gevolg. Je paste je aan of je bleef binnen. Meer smaken waren er niet.

De winter van 1963 herinneren we ons als heroïek. Drie weken ijs. De Elfstedentocht. Schaatsers die honderdnegentig kilometer reden zonder dat iemand een risicoanalyse had opgesteld. Vrijwilligers stonden langs het parcours omdat ze er stonden. Niet omdat het in een draaiboek stond. Niemand vroeg of het wel verantwoord was. Het was winter, dus dit gebeurde.

En dan 1979. Voor mij de meest eerlijke winter. Het noorden van Nederland, inclusief Den Helder, afgesloten van de buitenwereld. Geen metaforische afsluiting, maar letterlijk. Metershoge sneeuwduinen. Wegen verdwenen onder sneeuw, het openbaar vervoer hield op, berichten kwamen laat of helemaal niet. Je was er. En dat was het. Geen alternatieve route, geen update elk kwartier, geen belofte dat alles “zo snel mogelijk” weer normaal zou zijn.

Als ik nu naar de winter kijk, zie ik vooral een overvloed aan kleur. Zoveel kleurcodes dat een regenboog zich achter de wolken zou schamen. Geel, oranje, rood, opgeschaald, afgeschaald, regionaal genuanceerd. Alsof kou minder koud wordt wanneer je haar zorgvuldig labelt. Alsof sneeuw luistert naar communicatieadviezen.

Het is misschien een brain fart, maar ik heb het gevoel dat we niet meer met winter omgaan, we managen haar. En zodra dat niet lukt, leggen we alles stil en noemen we dat voorzichtigheid. Ik kom vanuit mijn werk in Amsterdam bijna niet thuis. Snelwegen dicht, treinen uit de dienstregeling geschrapt, gemeentelijke instellingen gesloten alsof sneeuw een juridische aansprakelijkheid is.

Misschien was het vroeger niet beter. Maar het was wel helderder. Winter was winter. Geen evenement, geen calamiteit, geen kleurenschema. Je wist waar je aan toe was: het werd koud, het werd lastig en je leefde even anders. Natuurlijk kan ik dit allemaal vanaf een warme plek opschrijven; de beste stuurlui staan aan wal, en ik sta ernaast, met mijn handen in mijn zakken, terwijl het sneeuwt.

Nu lijkt het alsof we vooral bang zijn dat het leven tijdelijk niet voldoet aan de planning. En dat we dat gebrek aan controle compenseren met codes, waarschuwingen en sluitingen. Hoe meer kleuren we aan de winter geven, hoe minder we nog weten hoe we er gewoon doorheen moeten lopen.

Omkijken

Het was vorige week dinsdag, zo’n dag tussen kerst en Oud en Nieuw waarop de tijd zich sowieso anders gedraagt. Niet sneller, niet langzamer, maar anders. Ik keek om me heen, samen met man Edo en nichtje Nikki, in het Anne Frank Huis. Druk was het natuurlijk, maar niet opdringerig. Eerder ingetogen. Alsof iedereen wist dat hier niet werd gekeken, maar geluisterd.

Nichtje Nikki werkt daar, en dat maakt verschil. Niet omdat ze meer weet dan een audiotour, maar omdat ze het huis kent zoals je een werkplek kent: met routine én betrokkenheid. Ze gaf ons een mini-rondleiding, zonder dat het een officiële zaak werd. Geen feitenregen, geen jaartallen die om voorrang vroegen, maar aandacht voor details. De trap die kraakt. Een afvoerleiding die meer geluid maakt dan je verwacht. De plekken waar stilte geen leegte is, maar aanwezigheid.

We liepen samen: mijn man, Nikki en ik. Dat alleen al gaf het bezoek een andere toon. Het was geen publiek, maar iets gedeelds. Via een sluip- en kruiproute vanwege onderhoud stonden we in het keukentje van het Achterhuis. Dat kleine keukentje waar normaal geen bezoekers mogen komen. Een ruimte buiten de vaste route, zonder informatiebordjes, zonder audio-uitleg.

Het was een intens en intiem moment. Alsof je stiekem in andermans keuken staat te kijken. Niet nieuwsgierig op een ongepaste manier, maar voorzichtig, bijna verontschuldigend. Je kijkt naar het aanrecht, de kastjes, de ruimte waarin alledaags leven doorging terwijl de wereld daarbuiten ontspoorde. Een keuken is geen museumstuk. Het is een plek van wachten, van water koken, van stil zijn. Juist daarom kwam het zo binnen. De geschiedenis stond hier niet achter glas; je stond er middenin.

Daar, ergens tussen het keukentje en de bekende kamers, dacht ik aan de Museumkaart. Niet als digitaal pasje op je mobiel, maar als houding. Als een besluit om vaker terug te keren, om niet alles in één keer te willen zien. De kaart nodigt uit tot herhaling. Tot langzaam kijken. Tot het besef dat cultuur geen eenmalige ervaring is, maar iets waar je steeds opnieuw langsgaat.

Mijn interesses dwalen graag door musea waar geschiedenis, literatuur, muziek en theologie elkaar raken. Waar een oude bijbel net zo veel zegt als een schilderij. Waar een handgeschreven brief meer losmaakt dan een interactieve kinderinstallatie. Het zijn de plekken waar vragen belangrijker zijn dan antwoorden, en waar je niet hoeft te begrijpen om toch geraakt te worden.

De Museumkaart maakt dat mogelijk. Je loopt makkelijker even binnen. Je blijft kort of juist lang. En, zoals Nikki ons ook vertelde vanuit haar werk daar, zijn er in het Anne Frank Huis regelmatig nieuwe tentoonstellingen. Andere invalshoeken, andere stemmen, nieuwe manieren om hetzelfde verhaal te vertellen. Het huis blijft hetzelfde, maar het gesprek verandert.

Die ochtend, samen met familie, voelde dat gesprek even heel dichtbij. Niet groots, niet luid. Gewoon drie familieleden in een huis dat blijft spreken. Misschien is dat wel de waarde van zo’n kaart. Niet dat je overal naar binnen kunt, maar dat je soms precies daar bent waar je even moet zijn.

Vooruitzicht

Het nieuwe jaar heeft altijd iets verdachts. Alsof het zich aandient met een frisse blik en een lege agenda, terwijl je heel goed weet dat je zelf gewoon bent meegekomen, met dezelfde jas, dezelfde gewoontes en dezelfde gedachten die soms net iets te hardnekkig zijn om nieuw te noemen. Toch sta je er even bij stil. Zo ben ik. We kijken vooruit, maar vooral ook achterom, want het vorige jaar is inmiddels veilig. Het kan niets meer terugdoen. Het ligt nu vast, als een fotoalbum waarin je niet meer kunt rommelen.

Over 2025 kunnen we alleen nog terugkijken. Er zijn momenten die zich hebben vastgezet, en andere die alweer vaag zijn geworden, alsof ze nooit echt hebben plaatsgevonden. Dagen waarop alles vanzelf ging, en dagen waarop zelfs het maken van appeltaart voelde als een kleine overwinning. Het jaar is voorbij, afgerond, ingepakt en ergens op een plank gelegd. Af en toe pak je het er nog even bij, maar meestal laat je het liggen. Het nieuwe jaar dringt zich al op.

Er zijn plannen. Dat is misschien wel het belangrijkste teken dat een nieuw jaar begonnen is. Uitstapjes die al voorzichtig in de agenda staan. Met potlood, want je weet maar nooit. Plaatsen waar je zin in hebt, al is het soms vooral het idee van ergens heen gaan dat voldoening geeft. Het vooruitzicht alleen al is genoeg om de winter iets minder grijs te maken. Alsof je tegen jezelf zegt: kijk, er komt nog van alles.

Deze maand wil ik ook iets anders doen. Ik ga kijken voor een nieuwe bril bij Hans Anders. Mijn huidige bril heb ik al drie jaar. Dat is in brillentijd ongeveer een eeuwigheid. Hij zit nog prima, maar hij vertelt inmiddels iets over wie ik was, niet per se over wie ik nu ben. Tijd voor iets anders. Iets nieuws op je neus zetten voelt verrassend persoonlijk. Het is niet zomaar een accessoire. Het is hoe je gezien wordt en hoe je zelf kijkt.

Ik dacht er heel even aan om een multifocale bril te nemen. Heel even maar. Toen dacht ik: nee. Dat is te snel. Te vroeg toegeven aan het feit dat ik dit jaar zestig word. In december pas. Dat telt mee. Er zit iets in die keuze. Alsof je zegt: ik ben er nog niet aan toe om alles tegelijk scherp te zien. Toegeven kan altijd nog. Eerst maar een normale bril. Voor mezelf.

Misschien is dat wel waar het nieuwe jaar over gaat. Niet op alles vooruit willen lopen. Niet alles meteen vastleggen. Gewoon beginnen. Met plannen, met uitstapjes, met een nieuwe bril. En ondertussen weten dat het vorige jaar rustig blijft liggen, waar het hoort. Achter ons.