Elagabalus

Laat ik u vertellen over Elagabalus. Veertien jaar jong, keizer van het Romeinse Rijk, en daarmee jonger dan de meeste pubers die vandaag met knikkende knieën hun eerste bijbaan ingaan. Ik denk bij hem eerlijk gezegd niet zozeer aan een monster, maar aan een kind in een snoepwinkel. Alles mag. Alles kan. Niemand die echt nee zegt. En dus pak je alles tegelijk, tot je misselijk wordt en de winkel afbrandt.

Het rijk liep van mistig Brittannië tot zinderend Syrië, maar in Rome geloofde men heilig dat alles in orde bleef zolang Jupiter op zijn plek stond en iedereen zich een beetje normaal gedroeg. Elagabalus had daar geen boodschap aan. Hij heette officieel Marcus Aurelius Antoninus; een hele mond vol. Elagabalus was priester van een Syrische zonnegod en nam die god bloedserieus. Hij sleepte heilige objecten uit tempels, zette zijn eigen cultus boven Jupiter en maakte er een spektakel van. Religieuze vernieuwing mocht best, zolang die onzichtbaar bleef. Dat detail was hem ontgaan.

De Romeinse schrijvers kregen het er warm van. Cassius Dio schreef met een persoonlijk beledigde pen: jurken, make-up en pruiken. Huwelijken alsof het kortingsbonnen waren. En dan die Vestaalse maagd. Dat was heiligschennis in hoofdletters. Ik vergelijk het met een paus die bij een popupstore gaat werken. Een bedrijf vol grote ideeën, weinig regels en een bijna aandoenlijk geloof dat alles beter kan. Zet dat naast een instituut dat leeft van ritueel en traditie, en het is begrijpelijk waarom Rome collectief de zenuwen kreeg.

En dan het beruchte verhaal dat Elagabalus zijn artsen zou hebben gevraagd hem een vagina te geven. Misschien waar, misschien niet. Maar de Romeinen hadden het verhaal nodig. Het was te perfect. Een keizer die niet wist wat hij hoorde te zijn, dat was erger dan slecht bestuur. Identiteit werd schandaal, en schandaal werd geschiedenis.

Besturen kon hij inderdaad niet. Hij liet het over aan vrienden, kleineerde de Senaat en begreep het leger niet. Dat laatste is altijd fataal. De Praetoriaanse Garde trok de stekker eruit. Zijn grootmoeder, die hem op de troon had geholpen, regelde ook zijn val. Familie is handig tot het dat niet meer is.

Hij eindigde dood, samen met zijn moeder, door Rome gesleept en in de Tiber gegooid. Damnatio memoriae. Weg ermee. Alsof alles dan weer netjes werd.

Maar eerlijk is eerlijk: ik zie vooral een losgelaten kind met te veel macht en te weinig grenzen. Dat is gevaarlijk, maar ook herkenbaar. En dan denk ik aan een volwassen leider die wél weet wat hij doet, maar structureel schade aanricht. Dat is misschien wel erger. Een president van de Verenigde Staten, Donald ‘Stupidity’ Trump bijvoorbeeld, die niet uit onbezonnenheid handelt maar uit hallucinerende overtuiging, en daarbij zijn eigen volk meesleurt, splijt en verarmt. Dat voelt minder als snoepwinkel en meer als sloopbedrijf. Dan heb ik meer sympathie voor de regerende tiener Elagabalus.

Crimineel

De eerste keer dat ik The Godfather zag, kon ik niet eens goed plaatsen wat ik keek. De wereld om me heen was nog klein, beperkt tot de straat en de school, en toch waren die films er al, als een achtergrondmuziek van iets wat altijd al heeft bestaan. Alsof de maffia er altijd al was, in een parallelle wereld waar ik nog geen toegang toe had, maar die stilletjes mijn verbeelding binnensloop. Het is een wereld van familie, macht en verraad, en een wereld waarin alles, maar dan ook alles, onder controle lijkt, zolang je de juiste mensen kent en de juiste stappen zet.

Thuis kijken we de eerste twee delen elk jaar wel een keer of twee. Minimaal. Altijd weer. De dialogen, de sfeer, diezelfde zware, intieme muziek. Soms kunnen we bepaalde zinnen per lettergreep meezeggen, alsof we onderdeel zijn van die wereld, alsof de films ons al die jaren geheim hebben toegesproken. Het tweede deel is mijn persoonlijke favoriet. De verhalen van Michael Corleone, de spanningen, de tragedie en de loyaliteit, alles samen maakt dat het tweede deel een eigen, onvervangbare magie heeft. Het derde deel? Nee. Daar trek ik de grens. Misschien omdat het probeert te verklaren wat niet te verklaren valt, of omdat de magie van de eerste twee delen onmogelijk te herhalen is.

Toen we elkaar leerden kennen, las Edo het boek van Mario Puzzo. Jaren later had hij het uit. Mijn man is geen groot boekenliefhebber, maar The Godfather leek hem genoeg te fascineren: de wereld van macht en verraad, de subtiele regels van eer en loyaliteit. Samen hebben we ons jarenlang laten meeslepen door deze wereld van corruptie en macht. Niet omdat we de maffia romantiseren, integendeel, maar omdat het laat zien hoe slecht en corrupt de mens kan zijn. Dat fascinatie en afschuw zo dicht bij elkaar liggen, maakt het interessant. Er zit iets onmenselijk menselijks in, iets wat ons toestaat te genieten van foute karakters. De donkere kant van ons krijgt even de kans om te genieten, zonder dat we de grenzen daadwerkelijk overschrijden.

Naast The Godfather kijken we eens in de zoveel tijd ook Good Fellas of Scarface, maar het blijft anders. Die films zijn groot, chaotisch, misschien realistischer op hun manier, maar de eerste twee delen van The Godfather zijn als een oude vriend, een jaarlijkse terugkerende herinnering. Ze vormen een constante in een wereld die snel verandert en herinneren ons eraan dat verhalen over macht, loyaliteit en verraad altijd relevant zijn, ongeacht het decennium.

Thuis, op de bank, met een wijntje of een gin tonic, kijken we samen naar die scènes die we kennen als onze eigen broekzak. Soms glimlachen we om een blik, soms slikken we bij een stilte. Het voelt intiem, vertrouwd, alsof de films een deel van ons geworden zijn. Alsof die wereld van macht en verraad altijd al een hoekje in ons huis had, wachtend tot wij hem weer zouden begroeten.

Scorso

Ik dacht dat het leuk zou zijn om via Duolingo een paar woordjes of zinnetjes Italiaans te leren. Gewoon een beetje spelen met taal, zoals je vroeger een nieuw recept probeerde of een hobby die net wat te veel aandacht eiste. De eerste les was, zoals altijd, een makkie. De app was overenthousiast, en ik bijna ook. Alles voelde fris, eenvoudig, beloftevol.

Maar toen kwam de tweede dag. Nog voordat die dag goed en wel begonnen was, kreeg ik al een e-mail van Duolingo. Verwijtend. Over het feit dat ik nog geen tweede les had gedaan. Ik las het, knipperde even met mijn ogen en dacht dat ik het verkeerd had begrepen. Nee hoor. Daar stond het. Een mail die in hoofdletters leek te schreeuwen: “Ben je wel serieus met leren?” Of woorden van die strekking.

Later die dag kwam er nog één. Nog een mail. Nog een verwijt. Alsof mijn telefoon ineens een soort bemoeizieke ouder was geworden die steeds over mijn schouder hing. Of een collega die niet kan geloven dat je je werk niet afmaakt. Een mail met de impliciete boodschap dat je iets wezenlijks mist als je dit niet belangrijk genoeg vindt.

Het mooiste is dat het niet eens overleven of een levensles betrof. Het ging over kleine woordjes en zinnetjes in een vreemde taal: “Buongiorno”, “Come stai?”, “Une cappuccino, per favore.” Je zou er bijna nerveus van worden. Alsof het leren van een taal een morele verplichting is en mijn gebrek aan discipline een misdaad.

Ik haalde diep adem, keek naar mijn telefoon en besloot dat dit een gevalletje van te veel enthousiasme was. Niet van mij, maar van de app. Ik verwijderde de Duolingo-app. Weg. Alsof ik hem nooit had gehad. En de mailinglijst? Afmelden, natuurlijk. Het voelde bevrijdend. Alsof er nu ruimte was om iets te leren zonder dat een digitale leraar over mijn schouder hing en mijn motivatie beoordeelde.

Misschien zal ik ooit nog eens proberen wat Italiaans op te pikken. Maar voorlopig niet via een platform dat je aanspreekt alsof je een schuldbekentenis moet afleggen voor een vergeten les. De eerste les was leuk. De tweede dag was te veel. En zo gaat het vaak in het leven: de belofte van iets moois wordt soms verpest door te veel goedbedoelde druk van buitenaf.

Ik denk dat ik zonder probleem een kop koffie in Pisa kan bestellen. Dat heb ik in ieder geval geleerd.

Tijdloos

Laatst zat ik televisie te kijken en daar waren ze weer: de sterren van toen. Niet in een terugblik, niet in een eerbetoon, maar gewoon, levend en wel, in een spelshow. Ze moesten racen, lachen, aan een bel trekken en elkaar aankijken alsof ze dit vroeger ook al deden, alleen dan met betere verlichting en minder rimpels. Althans, minder zichtbare rimpels.

Wat meteen opviel, waren de gezichten. Strakke koppies. Voorhoofden zo glad dat je er bijna het licht van de studiokoplampen in kon zien weerkaatsen. Expressies die geen kant meer op konden. Botox, fillers, alles wat de moderne cosmetische gereedschapskist te bieden heeft. En laat ik dat meteen zeggen, voordat iemand zich aangesproken voelt: iedereen moet vooral doen wat hij of zij goed vindt. Cosmetische correcties, kleine ingrepen of complete bekverbouwingen; als jij je er gelukkig bij voelt, dan is dat genoeg. Geluk hoeft geen verantwoording af te leggen.

Sterker nog, ik vind het een goede ontwikkeling dat je als zestiger of bijna-zeventiger er jong uit mag zien. Dat je je gezicht mag verzorgen, jezelf mag aanpassen, mag experimenteren met strakke lijnen. Niet zoals vroeger als klapvee bij Op Volle Toeren, met jasschorten, een strak permanentje en een blik alsof je elk moment een klaagzang over een verloren hit moest inzetten. Het mag tegenwoordig frivool, het mag zelfverzekerd, het mag mooi.

Eerlijkheidshalve moet ik melden dat ik ooit zelf twee keer Botox heb laten injecteren. Het voelde onwennig en best grappig, maar het is me allemaal niet waard. Ik hou het bij AI-afbeeldingen; dat is genoeg speelsheid en vervalsing voor één leven.

Maar terwijl ik keek naar dat spel, dacht ik toch iets anders. Het zeventigste levensjaar staat bij deze mensen niet meer ergens vaag aan de horizon. Het staat voor de deur. Soms zelfs al met de sleutel in het slot. Waarom zou je dan willen dat je eruitziet als een twintiger? In een spelshow nog wel, waar alles draait om snelheid, grapjes en doen alsof de tijd even heeft stilgestaan.

Het probleem is niet dat het niet mag. Het probleem is dat het niet werkt. Speel niet het spel “Hoe oud denk je dat ik ben” met me, want ik doe niet mee. Ik schat je niet in als iemand van begin dertig. Ik zie iemand van bijna zeventig met een strak gezicht. Dat is geen waardeoordeel, dat is observatie. Je stem verraadt je. Je blik. De manier waarop je reageert op een grap of een verlies. Levenservaring laat zich niet gladstrijken.

Nogmaals, als je jezelf er goed bij voelt, vooral doen. Echt. Maar doe het voor jezelf. Niet om de ander te overtuigen dat de tijd geen vat op je heeft gehad. Dat spel win je niet. En je hoeft het ook niet te winnen. Je hebt tenslotte genoeg levenservaring. Dat mag gezien worden. Ook in een spelshow.

Voorpret

Een paar dagen geleden hebben we een weekend naar Pisa geboekt. Niet zomaar een stad, niet zomaar een reis. Pisa, met z’n scheve toren, z’n pleinen, z’n gelato en z’n zonlicht dat eind maart al een beetje naar zomer ruikt. Edo en ik gaan, samen met twee familieleden, Diana en Marcel, die Italië niet alleen bewonderen, maar aanbidden. Toscane in het bijzonder. Ze kennen de streek volgens mij als hun broekzak, praten over cipressen alsof het oude vrienden zijn, en het zal me niet verbazen als ze blind een Chianti Classico herkennen aan alleen al de geur.

Het idee ontstond eind vorig jaar, bij een etentje in een Italiaans restaurant in Amstelveen. Zo’n warme Italiaanse plek met een ober die buonasera zegt omdat hij het meent, en waar een rode wijn altijd een vino eccellente is. We zaten daar, met volle glazen en volle magen, en nichtje Diana zei: “Zouden jullie het leuk vinden om volgend jaar maart mee naar Pisa te gaan?” Vaak blijven vragen als deze in de lucht hangen, zwevend tussen een espresso en de rekening. Maar deze keer niet. Deze keer hebben we woord bij daad gevoegd. Al duurde het nog maanden voordat de boeking er daadwerkelijk kwam.

We gaan wanneer de lente aanbreekt. Eind maart. De maand waarin alles begint te ruiken naar belofte. Ik reken een beetje op mooi weer. Niet te warm, niet te koud. Een jas over de schouder, een zonnebril op het hoofd. Wandelen door smalle straatjes, verdwalen zonder spijt. Pisa schijnt daar uitermate geschikt voor te zijn. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen grote stad, eerder een compacte verzameling geschiedenis, waar je in een middag van de Arno naar de beroemde Piazza dei Miracoli kunt lopen. Dat plein alleen al: een kathedraal, een doopkapel, een begraafplaats en die ene toren die iedereen kent, maar die eigenlijk pas later beroemd werd omdat hij per ongeluk begon te verzakken.

Wat ik prettig vind, is dat Pisa meer is dan alleen die scheve toren. Ooit was het een machtige zeehandelstad, een rivaal van Genua en Venetië. Galileo Galilei werd er geboren, al zal hij dat zelf waarschijnlijk niet zo interessant hebben gevonden. Tegenwoordig is het ook een universiteitsstad, met studenten, boekwinkels en cafés waar je vermoedelijk beter zit dan in de schaduw van selfiesticks.

We gaan zeer milieu-onbewust met het vliegtuig, dat wel. Ik weet het. Maar de trein was duurder en ingewikkelder. Eerlijk gezegd hebben we daar niet eens serieus naar gekeken. Vliegen heeft iets van een sprong. Een snelle beslissing. Je stapt in en even later sta je ergens waar de koffie anders smaakt.

We gaan. Dat is het belangrijkste. We hebben geboekt. En dat is al een beetje reizen. Voorpret vind ik minstens zo belangrijk als de trip zelf. Want soms begint een reis niet bij aankomst, maar al bij het idee dat ergens, in Pisa, alles rustig op ons staat te wachten.

Kinderachtig

Het sneeuwt nu al een paar dagen flink. Niet dat slappe gedoe dat meteen weer in regen overgaat, maar sneeuw die blijft liggen, sneeuw die kraakt onder schoenen en waar ineens van alles mee moet. Sleetjes worden uit schuren gehaald, plastic zakken krijgen een tweede leven en volwassen mensen roepen dingen die ze de rest van het jaar niet zeggen. “Ik ben weer even kind,” hoor ik ze roepen, terwijl ze met rode wangen van een helling afglijden die normaal vooral dienst doet om honden uit te laten.

Dat “weer even kind” hoor je alleen in de winter. Nooit in april, als iemand een boterham eet in de zon. Nooit in juli, als iemand tot zijn knieën in zee staat of op een doordeweekse donderdag in de supermarkt. Blijkbaar heeft het kind in de volwassene een winterjas nodig, en toestemming van de winterkoning.

Ik sta erbij en kijk ernaar, zoals ik wel vaker sta te kijken. Ik ben zelf bijna zestig en voel me, eerlijk gezegd, toch 365 dagen per jaar nog een kind. Niet voortdurend, niet ongeremd, maar aanwezig. Het kind in mij staat meestal iets achter me, omdat de senior in mij zich graag overal tegenaan bemoeit. Die senior zegt: rustig aan, denk aan je knieën, morgen moet je ook nog functioneren. Hij draagt een jas met veel zakken en weet precies waar de paracetamol ligt.

Toch wint het kind vaker dan je zou denken. Bij simpele dingen. Een goed liedje op de radio. Een kop koffie die precies goed is. Een poes die besluit vlak voor je langs te rennen. Ik kan daar oprecht blij van worden, zonder dat ik hoef te roepen dat ik weer even kind ben. Ik bén het al. Of beter gezegd: ik ben het nog.

Misschien is dat wel het verschil. Voor sommige volwassenen is het kind iets dat kwijtgeraakt is, opgeborgen onder verantwoordelijkheden, agenda’s en fatsoen. Het ligt ergens tussen de belastingaangifte en een onderhoudscontract. En dan, ineens, valt er sneeuw. En mag het eruit. Even. Met veel lawaai. En nog meer selfies.

Voor anderen, waaronder ikzelf, is het kind nooit echt weggeweest. Het is alleen wat stiller. Het weet dat het niet altijd voorop mag lopen, dat het soms plaats moet maken voor die bijna zestigjarige senior die beter weet hoe laat het is. Maar het kind blijft nieuwsgierig. Verwonderd. Een tikje naïef misschien.

Wat me fascineert aan die roepende volwassenen op sleeën, is niet het plezier dat ze hebben. Dat gun ik ze van harte. Het is mijn verbazing daarover. Alsof plezier iets tijdelijks is, iets uitzonderlijks, iets wat je alleen mag voelen als de wereld wit is en iedereen het ziet. Misschien zouden we het kind niet zo moeten herontdekken, maar gewoon erkennen dat het er altijd is. Ook zonder sneeuw.

Winter

Ik heb het altijd een beetje verdacht gevonden: winter. Niet de winter an sich, maar de manier waarop wij er tegenwoordig over praten. Alsof het iets is wat ons overkomt. Alsof kou een incident is. Alsof sneeuw een persmoment vereist.

Ik lees over januari 1790 en lees niets over paniek, maar over aanpassing. Het was koud. Lang. Hard. Rivieren dicht, de Zuiderzee één vlakte van ijs. Mensen gingen eroverheen omdat dat nu eenmaal de weg was. Niet omdat het leuk was, maar omdat er geen andere optie bestond. De winter was geen uitzondering, maar de achtergrond waartegen het leven zich afspeelde. Met honger, met sterfte, met ellende, maar in ieder geval zonder kleurcodes.

Fast forward naar 1956. Min twintig, dagenlang. Een kou die in muren kroop. Natuurlijk ging er van alles mis. Ouderen overleden, brandstof was schaars, treinen vielen uit. Maar niemand leek verbaasd. Het was winter, dus dingen deden het niet. Dat werd niet geframed als falen, maar als gevolg. Je paste je aan of je bleef binnen. Meer smaken waren er niet.

De winter van 1963 herinneren we ons als heroïek. Drie weken ijs. De Elfstedentocht. Schaatsers die honderdnegentig kilometer reden zonder dat iemand een risicoanalyse had opgesteld. Vrijwilligers stonden langs het parcours omdat ze er stonden. Niet omdat het in een draaiboek stond. Niemand vroeg of het wel verantwoord was. Het was winter, dus dit gebeurde.

En dan 1979. Voor mij de meest eerlijke winter. Het noorden van Nederland, inclusief Den Helder, afgesloten van de buitenwereld. Geen metaforische afsluiting, maar letterlijk. Metershoge sneeuwduinen. Wegen verdwenen onder sneeuw, het openbaar vervoer hield op, berichten kwamen laat of helemaal niet. Je was er. En dat was het. Geen alternatieve route, geen update elk kwartier, geen belofte dat alles “zo snel mogelijk” weer normaal zou zijn.

Als ik nu naar de winter kijk, zie ik vooral een overvloed aan kleur. Zoveel kleurcodes dat een regenboog zich achter de wolken zou schamen. Geel, oranje, rood, opgeschaald, afgeschaald, regionaal genuanceerd. Alsof kou minder koud wordt wanneer je haar zorgvuldig labelt. Alsof sneeuw luistert naar communicatieadviezen.

Het is misschien een brain fart, maar ik heb het gevoel dat we niet meer met winter omgaan, we managen haar. En zodra dat niet lukt, leggen we alles stil en noemen we dat voorzichtigheid. Ik kom vanuit mijn werk in Amsterdam bijna niet thuis. Snelwegen dicht, treinen uit de dienstregeling geschrapt, gemeentelijke instellingen gesloten alsof sneeuw een juridische aansprakelijkheid is.

Misschien was het vroeger niet beter. Maar het was wel helderder. Winter was winter. Geen evenement, geen calamiteit, geen kleurenschema. Je wist waar je aan toe was: het werd koud, het werd lastig en je leefde even anders. Natuurlijk kan ik dit allemaal vanaf een warme plek opschrijven; de beste stuurlui staan aan wal, en ik sta ernaast, met mijn handen in mijn zakken, terwijl het sneeuwt.

Nu lijkt het alsof we vooral bang zijn dat het leven tijdelijk niet voldoet aan de planning. En dat we dat gebrek aan controle compenseren met codes, waarschuwingen en sluitingen. Hoe meer kleuren we aan de winter geven, hoe minder we nog weten hoe we er gewoon doorheen moeten lopen.

Omkijken

Het was vorige week dinsdag, zo’n dag tussen kerst en Oud en Nieuw waarop de tijd zich sowieso anders gedraagt. Niet sneller, niet langzamer, maar anders. Ik keek om me heen, samen met man Edo en nichtje Nikki, in het Anne Frank Huis. Druk was het natuurlijk, maar niet opdringerig. Eerder ingetogen. Alsof iedereen wist dat hier niet werd gekeken, maar geluisterd.

Nichtje Nikki werkt daar, en dat maakt verschil. Niet omdat ze meer weet dan een audiotour, maar omdat ze het huis kent zoals je een werkplek kent: met routine én betrokkenheid. Ze gaf ons een mini-rondleiding, zonder dat het een officiële zaak werd. Geen feitenregen, geen jaartallen die om voorrang vroegen, maar aandacht voor details. De trap die kraakt. Een afvoerleiding die meer geluid maakt dan je verwacht. De plekken waar stilte geen leegte is, maar aanwezigheid.

We liepen samen: mijn man, Nikki en ik. Dat alleen al gaf het bezoek een andere toon. Het was geen publiek, maar iets gedeelds. Via een sluip- en kruiproute vanwege onderhoud stonden we in het keukentje van het Achterhuis. Dat kleine keukentje waar normaal geen bezoekers mogen komen. Een ruimte buiten de vaste route, zonder informatiebordjes, zonder audio-uitleg.

Het was een intens en intiem moment. Alsof je stiekem in andermans keuken staat te kijken. Niet nieuwsgierig op een ongepaste manier, maar voorzichtig, bijna verontschuldigend. Je kijkt naar het aanrecht, de kastjes, de ruimte waarin alledaags leven doorging terwijl de wereld daarbuiten ontspoorde. Een keuken is geen museumstuk. Het is een plek van wachten, van water koken, van stil zijn. Juist daarom kwam het zo binnen. De geschiedenis stond hier niet achter glas; je stond er middenin.

Daar, ergens tussen het keukentje en de bekende kamers, dacht ik aan de Museumkaart. Niet als digitaal pasje op je mobiel, maar als houding. Als een besluit om vaker terug te keren, om niet alles in één keer te willen zien. De kaart nodigt uit tot herhaling. Tot langzaam kijken. Tot het besef dat cultuur geen eenmalige ervaring is, maar iets waar je steeds opnieuw langsgaat.

Mijn interesses dwalen graag door musea waar geschiedenis, literatuur, muziek en theologie elkaar raken. Waar een oude bijbel net zo veel zegt als een schilderij. Waar een handgeschreven brief meer losmaakt dan een interactieve kinderinstallatie. Het zijn de plekken waar vragen belangrijker zijn dan antwoorden, en waar je niet hoeft te begrijpen om toch geraakt te worden.

De Museumkaart maakt dat mogelijk. Je loopt makkelijker even binnen. Je blijft kort of juist lang. En, zoals Nikki ons ook vertelde vanuit haar werk daar, zijn er in het Anne Frank Huis regelmatig nieuwe tentoonstellingen. Andere invalshoeken, andere stemmen, nieuwe manieren om hetzelfde verhaal te vertellen. Het huis blijft hetzelfde, maar het gesprek verandert.

Die ochtend, samen met familie, voelde dat gesprek even heel dichtbij. Niet groots, niet luid. Gewoon drie familieleden in een huis dat blijft spreken. Misschien is dat wel de waarde van zo’n kaart. Niet dat je overal naar binnen kunt, maar dat je soms precies daar bent waar je even moet zijn.

Vooruitzicht

Het nieuwe jaar heeft altijd iets verdachts. Alsof het zich aandient met een frisse blik en een lege agenda, terwijl je heel goed weet dat je zelf gewoon bent meegekomen, met dezelfde jas, dezelfde gewoontes en dezelfde gedachten die soms net iets te hardnekkig zijn om nieuw te noemen. Toch sta je er even bij stil. Zo ben ik. We kijken vooruit, maar vooral ook achterom, want het vorige jaar is inmiddels veilig. Het kan niets meer terugdoen. Het ligt nu vast, als een fotoalbum waarin je niet meer kunt rommelen.

Over 2025 kunnen we alleen nog terugkijken. Er zijn momenten die zich hebben vastgezet, en andere die alweer vaag zijn geworden, alsof ze nooit echt hebben plaatsgevonden. Dagen waarop alles vanzelf ging, en dagen waarop zelfs het maken van appeltaart voelde als een kleine overwinning. Het jaar is voorbij, afgerond, ingepakt en ergens op een plank gelegd. Af en toe pak je het er nog even bij, maar meestal laat je het liggen. Het nieuwe jaar dringt zich al op.

Er zijn plannen. Dat is misschien wel het belangrijkste teken dat een nieuw jaar begonnen is. Uitstapjes die al voorzichtig in de agenda staan. Met potlood, want je weet maar nooit. Plaatsen waar je zin in hebt, al is het soms vooral het idee van ergens heen gaan dat voldoening geeft. Het vooruitzicht alleen al is genoeg om de winter iets minder grijs te maken. Alsof je tegen jezelf zegt: kijk, er komt nog van alles.

Deze maand wil ik ook iets anders doen. Ik ga kijken voor een nieuwe bril bij Hans Anders. Mijn huidige bril heb ik al drie jaar. Dat is in brillentijd ongeveer een eeuwigheid. Hij zit nog prima, maar hij vertelt inmiddels iets over wie ik was, niet per se over wie ik nu ben. Tijd voor iets anders. Iets nieuws op je neus zetten voelt verrassend persoonlijk. Het is niet zomaar een accessoire. Het is hoe je gezien wordt en hoe je zelf kijkt.

Ik dacht er heel even aan om een multifocale bril te nemen. Heel even maar. Toen dacht ik: nee. Dat is te snel. Te vroeg toegeven aan het feit dat ik dit jaar zestig word. In december pas. Dat telt mee. Er zit iets in die keuze. Alsof je zegt: ik ben er nog niet aan toe om alles tegelijk scherp te zien. Toegeven kan altijd nog. Eerst maar een normale bril. Voor mezelf.

Misschien is dat wel waar het nieuwe jaar over gaat. Niet op alles vooruit willen lopen. Niet alles meteen vastleggen. Gewoon beginnen. Met plannen, met uitstapjes, met een nieuwe bril. En ondertussen weten dat het vorige jaar rustig blijft liggen, waar het hoort. Achter ons.

Nieuwjaarswens

Aan het einde van het jaar word ik altijd wat emotioneel van binnen, maar dit keer is het anders. Misschien komt het doordat ik onlangs weer eens in het Achterhuis stond. Je loopt daar niet simpelweg rond; je beweegt door een ruimte waar de tijd zich vastklampt aan elk kozijn, elke trede. Alsof elk hoekje nog iets bewaart dat niet uitgesproken wil worden.

Die avond thuis kon ik het maar moeilijk loslaten. Het was laat, het huis stil… en misschien komt het daardoor dat ik droomde wat ik droomde. Een droom die me zo helder voor de geest staat dat hij voelt als een herinnering.

In die droom zat ik aan een houten tafel die ik niet kende, maar die me toch vertrouwd voorkwam. Er lag een dagboek voor me, een exemplaar dat nooit heeft bestaan of gevonden is. En ik wist meteen: dit was niet van Anne. Dit was het dagboek van Margot Frank. Anne heeft al zo vaak en zo intens en terecht in de schijnwerpers gestaan dat we haast vergeten dat haar oudere zus er ook was. Net zo echt als Anne, net zo hoopvol en net zo bang. Een stem die zelden is gehoord, misschien omdat ze in het echte leven zoveel stiller was.

In mijn droom sloeg ik het dagboek open en begon een fragment voor te lezen, gewoon zachtjes, alsof ik bang was iemand wakker te maken.
“Het is de laatste dag van het jaar,” schreef Margot, “en vreemd genoeg voel ik geen opwinding. De muren zijn vandaag nauwer, alsof ze ons nog steviger vasthouden. We deelden een klein stukje brood met jam. Moeder had het bewaard. Het smaakte naar iets dat groter was dan voedsel, misschien naar hoop.”

Ik las verder:
“Ik probeer een wens te vinden voor het nieuwe jaar. Anne praat over vrede in de wereld en ik glimlach. Ik wil ook geloven dat ze gelijk heeft. Maar niet alleen vrede, vrijheid of veiligheid. Ik hoop dat we onze menselijkheid bewaren, dat we blijven geloven in elkaar. Dat er, hoe klein ook, een lichtpuntje blijft branden.”
Toen sloeg ik het dagboek dicht, alsof mijn droom vond dat het wel genoeg was.

Ik werd wakker met dat zinnetje in mijn hoofd: een lichtpuntje dat weigert te doven. En hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat dat misschien het geheim is van elk nieuw jaar. Niet de grote plannen, niet de harde voornemens. Maar het vasthouden van iets kleins en warms, iets dat zegt dat het morgen een beetje beter kan.

Zeker nu, in een tijd die soms harder klinkt dan goed voor ons is, voelt dat als een uitnodiging. Om zachter te zijn. Ruimhartiger. Draagzamer. Daarom sluit ik het jaar af met een eenvoudige wens: dat we in het nieuwe jaar meer draagzaamheid voor elkaar vinden, en dat ieder van ons een klein lichtpuntje mag bewaren of kan zijn dat weigert te doven.

Terugblik

Het afgelopen jaar liet zich niet vangen in agenda’s of fotoboeken. 2025 was er een van lopen, kijken en af en toe blijven staan. Een jaar waarin niets per se groot hoefde te zijn om toch te tellen. Een jaar waarin de kleine momenten soms meer gewicht hadden dan de grote.

Zoals elk jaar begon ook dit met het voornemen het rustiger aan te doen. Dat lukte soms, vaker op de momenten dat niemand keek. In mei was er Frankrijk en Frankrijk is altijd een antwoord op vragen die je niet precies kunt formuleren. Le Touquet Paris-Plage. Alleen de naam al. Familie erbij, een weekend dat verrassend uitpakte. Een gezellig terras die net te krap was, stoelen die zonder overleg werden aangeschoven. Gesprekken die nergens heen hoefden, en het was goed zo. Er werd gelachen zonder aanleiding. Zo geslaagd zelfs, dat we er terloops, maar vastberaden voor kozen dit in 2026 te herhalen. Dan weet je: familie kan nooit groot genoeg zijn.

Later in het jaar kwamen Luca en Job erbij, achterneefjes. Twee kleine mensen die meteen iets verschuiven. Je kijkt anders naar tijd wanneer er nieuw leven bijkomt. Minder gehaast, iets voorzichtiger ook. Hoopvol, tegen beter weten in, met ogen die meer zien en een hart dat meer voelt.

Nikki slaagde en mag zich nu Neerlandica noemen: dat klinkt als een beroep uit een roman. Taal als keuze, niet alleen als gereedschap. Dat is moedig in tijden waarin emojis woorden vervangen, maar gelukkig niet altijd. Woorden worden zeldzaam, maar ze kunnen nog altijd raken, zoals een steen die zacht in water valt en kringen maakt die verder reiken dan je ziet.

Edo en ik reisden. Slapen op het strand, waar de nacht langer lijkt en de stilte iets belooft dat je overdag niet kunt horen. Een weekend Berlijn, altijd in beweging, altijd onderweg, altijd nieuwe gezichten en verhalen. Corfu, waar de dagen zich rustig verplaatsen en het leven zijn eigen tempo bepaalt. Reizen hoeft niet ver te zijn; soms is het genoeg om ergens anders wakker te worden, om te merken dat je nog ademhaalt, dat alles nog kan.

Het persoonlijke dieptepunt was een kies. Getrokken. Niet de behandeling in de stoel, maar het gemis daarna. Je merkt pas wat iets betekent als het er niet meer is. De leegte in je mond, de stilte die je proeft. Misschien was dat de stille metafoor van het jaar, een kleine herinnering aan hoe kwetsbaar het leven kan zijn, en hoe groot het gemis kan voelen.

Verder wil ik niet te lang stilstaan bij wat somber stemt. De wereld oogt zorgelijk, maar dat hoor ik al mijn hele leven. Altijd staat ze in brand, meestal houden mensen zelf de lucifer vast. En soms, gelukkig, ook de emmer.

Wereldwijd was 2025 misschien geen groots jaar. Maar grote conclusies heb ik er niet aan verbonden. Daarvoor was het te menselijk. Het bestond uit vakanties, geboortes, gesprekken aan tafels en een kies die ontbrak. En sinds oktober bestaat het ook weer uit vaker schrijven: bijna fanatiek, in stukjes op dit weblog. Dat hoop ik enigszins mee te nemen naar het nieuwe jaar. Maar laat dat geen belofte zijn!

Zinloos

Afgelopen zondag had ik nergens zin in. Dat is een constatering die je het liefst voor jezelf houdt, omdat hij zo weinig spectaculairs heeft. Nergens zin in klinkt niet heroïsch. Het klinkt vooral alsof je jezelf een beetje in de weg zit. Toch was het zo. De dag begon netjes, zoals zondagen dat doen, maar ergens onderweg liet hij me los.

Het merkwaardige was dat er aanvankelijk niets aan de hand was. Ik stond op zonder protest, deed wat gebruikelijke handelingen en stapte op de fiets. Geen innerlijke strijd, geen zwaar gemoed. Gewoon fietsen. De wereld deed ook normaal: lucht, wegdek, andere mensen die duidelijk wel ergens zin in hadden.

En toen was er dat moment. Nadat ik een korte klim had gefietst, werd ik licht in mijn hoofd en even kortademig. Niet dramatisch, niet geschikt voor sirenes of omstanders, maar wel voldoende om af te stappen. Preventief. Met die rustige wetenschap die je rond je zestigste ontwikkelt: als ik nu val, sta ik waarschijnlijk wel weer op, maar niet meer zo achteloos als vroeger. De kans dat er iets kraakt wat vroeger zweeg, is simpelweg groter geworden.

Dat besef maakte me niet somber, hooguit iets bedachtzamer. Ik stond even stil. De fiets ook. Alles ging weer over en ik reed verder.

Thuis leek het incident netjes opgeborgen. En juist toen begon het. Nergens zin in. Alsof het lichaam dacht: zo, nu hebben we dat gehad, nu even niet meer. Geen duidelijke aanleiding, geen drama, alleen een lichte leegte, met hoofdpijn als bijsluiter. Geen hoofdpijn die aandacht vraagt, maar eentje die zachtjes fluistert dat plannen vandaag overbodig zijn.

Ik ging wandelen. Omdat dat hoort. Twee pogingen voelen altijd serieuzer dan één. Ik liep rustig, keek om me heen, hoopte dat de zin zich ergens onderweg zou aandienen. Misschien zat hij op een bankje. Of achter een struik. Hij bleef onvindbaar. De wandeling deed niets verkeerds, maar ook niets goeds. Hij was er vooral.

Het is geen groot probleem, zo’n dag. Ik heb het gelukkig niet vaak. Dit was volgens mij de eerste keer dit jaar. En het jaar is bijna voorbij, wat betekent dat ik statistisch gezien behoorlijk goed bezig ben. Het lijkt het meest op een mini-depressie, al klinkt dat zwaarder dan het voelt. Meer een tijdelijke systeemmelding dan een echte storing.

Gelukkig weet ik wat helpt. Lezen. Een paar hoofdstukken uit een boek. Of een film die ik nog niet eerder heb gezien. Niet omdat die film bijzonder moet zijn, maar omdat hij nieuw is. Nieuwheid blijkt een verrassend effectief middel.

Langzaam keerde alles terug. De hoofdpijn verdween. De zin kwam aarzelend terug, alsof hij zich excuseerde voor zijn afwezigheid. Tegen de tijd dat de aftiteling begon, was de zondag weer gewoon een zondag. Geen inzicht, geen overwinning. Alleen het prettige gevoel dat alles het weer doet. Dat is, op sommige dagen, meer dan genoeg.

Cadeau

Op tweede kerstdag kreeg ik van mijn zus een boek. Dat is op zich al prettig nieuws, want een boek is altijd beter dan een deodorant waarvan je niet weet of je er het einde van de dag mee haalt. Maar dit was geen willekeurig boek. Het ging over het zestigjarig jubileum van De Schooten, de wijk waar ik mijn eerste dertig levensjaren heb doorgebracht. In de tijd dat De Schooten nog een nieuwbouwwijk heette, wat toen betekende dat alles rook naar beton, nat zand en belofte.

Het boek was stevig, rijk geïllustreerd en had iets geruststellends in de hand. Alsof het zei: ga maar zitten, ik neem het wel even van je over. Maar het mooiste zat meteen voorin. Een handgeschreven introductie van mijn zus. Een mooi, lief gebaar, in haar handschrift. Dat handschrift dat ik herkende van boodschappenlijstjes van vroeger en verjaardagskaarten van recent. Hoe lief en bijzonder is dat, en ik dacht het zonder ironie, wat voor mij vooruitgang betekent.

De Schooten. Een wijk die ooit begon als een plan op papier, getekend door mensen die dachten dat dit een goede plek was om een leven te beginnen. Brede straten, veel groen, scholen op loopafstand. Een wijk waarin alles nog moest gebeuren. Wij waren er vroeg bij. Voor mij was het geen wijk, het was de wereld. Alles wat daarbuiten lag, was buitenland.

Het boek staat vol verhalen over het ontstaan van De Schooten. Over de eerste bewoners die hun gordijnen ophingen terwijl verderop in de straat woningen nog niet eens klaar waren. Over kerken die begonnen op noodlocaties en winkels die langzaam hun weg vonden tussen de huizen. Het leest als een collectief geheugen dat eindelijk eens netjes is opgeschreven.

En dan de foto op pagina 65. De opening van de speeltuin in 1975. Zwart-wit, vanzelfsprekend, want kleur was toen nog iets voor de toekomst. Een groep kinderen, een officieel moment dat werd opgeluisterd met een doorgeknipt lint en een man in een ambtelijke jas. En daar, ergens tussen die kinderen, herken ik mezelf. Niet omdat ik precies weet wie ik ben, maar omdat ik het voel. Dat jongetje met die houding, die blik. Dat ben ik. Aanwezig bij de opening van iets wat later heel gewoon zou worden.

Het ontroert me meer dan ik had verwacht. Niet groots, niet meeslepend, maar op de stille manier waarop herinneringen dat doen: als je ze niet oproept, maar ze zich ineens aandienen. Een wijk wordt ouder, mensen verhuizen, verdwijnen, komen niet meer terug. Maar zo’n boek houdt alles even vast. Alsof De Schooten zegt: ik was er, jij was er, en het was goed.

Ik sloeg het boek dicht en legde het naast me neer. Derde kerstdag, thuis, de tijd stond even stil. En ik dacht: soms is een cadeau geen voorwerp, maar een herinnering met kaft. En dat zijn toch de beste cadeaus.

Air

De kerstmuziek kan de komende tien maanden weer wegblijven. Wat nu te luisteren? Klassieke muziek heeft geen deel uitgemaakt van mijn opvoeding. Als kind, en later als puber, was het er eenvoudigweg niet. Niet omdat het werd afgewezen, maar omdat het geen rol speelde. Ik ben daardoor nooit een groot liefhebber geweest, maar ik heb er ook nooit een hekel aan gehad. Het bestond. Op afstand. Langs me heen. Pas na mijn dertigste ben ik er echt naar gaan luisteren. Niet uit plicht of interesse in het genre, maar omdat ik merkte dat sommige stukken iets deden wat andere muziek niet doet. Langzaam groeide de waardering, zonder dat ik het hoefde te begrijpen.

Air on the G String van Johann Sebastian Bach is zo’n stuk waarvan je bijna vergeet dat het ooit is geschreven. Iemand is er ooit voor gaan zitten. Een mens, geen standbeeld. Bach schreef het rond 1730, in een tijd zonder opnametechniek, zonder concertzalen zoals wij die kennen, zonder het idee dat zijn muziek drie eeuwen later nog steeds mensen zou raken. Het stuk maakte deel uit van een grotere orkestsuite, bedoeld voor hofmuziek. Muziek om te klinken, niet om te analyseren.

De naam Air on the G String bestond toen nog niet. Voor Bach was het simpelweg een Air, een rustig tussendeel. Pas in de negentiende eeuw kreeg het zijn beroemde bijnaam, toen een violist het zo bewerkte dat de melodie volledig op één snaar gespeeld kon worden. Dat detail is misschien technisch, maar het effect is vooral gevoelsmatig. De klank wordt warmer, donkerder, dichter bij de huid. Alsof de muziek lager gaat zitten, dichter bij het hart.

Ik vind dit een van de mooiste composities die ooit zijn geschreven. En ik word er elke keer weer positief emotioneel van. Niet omdat het groot is, maar omdat het klein durft te blijven. Het duurt maar een paar minuten, maar daarin gebeurt genoeg om je even uit de tijd te halen. Alsof je op een perron staat waar geen trein hoeft te komen.

Wat ook bijzonder is: Bach was zelf niet beroemd zoals wij dat nu begrijpen. Hij werd gezien als een uitstekende vakman, een harde werker, soms zelfs lastig. Pas lang na zijn dood werd zijn muziek opnieuw ontdekt en op waarde geschat. Air on the G String is dus geen stuk dat meteen als meesterwerk werd onthaald. Het heeft zijn weg rustig gevonden. Net als de muziek zelf.

Misschien is dat waarom het stuk zo tijdloos voelt. Het is niet vrolijk en niet verdrietig, maar iets ertussenin. Iets menselijks. Elke keer als ik het hoor, merk ik dat het iets in mij aanraakt dat weinig woorden nodig heeft. Dat is zeldzaam. En misschien is dat wel genoeg.

Kerstochtend

Ik kijk vanuit het badkamerraam naar buiten. Kerstochtend. Het huis is nog stil, alsof het zelf ook even uitslaapt. De wereld oogt helder en koud, zo’n kou die alles scherper maakt. Alsof de dag zichzelf heeft aangezet op standje extra contrast.

Over het trottoir loopt een jongeman. Of eigenlijk nog een tiener. Alleen. Zijn handen diep in zijn jaszakken, schouders iets opgetrokken. Hij loopt niet gehaast, maar doelgericht. Zijn schoenen vallen op. Hagelwitte Nikes, nog ongeschonden, alsof ze speciaal voor vandaag zijn aangetrokken. Schoenen die zeggen: ik ga ergens heen waar mensen zijn. Naar vrienden misschien. Familie. Dat hoop ik tenminste. Het is Kerstmis. Een mens hoeft niet alleen te zijn op deze dagen. Tenzij het een bewuste keuze is. Ook dat bestaat. Maar daar wil ik deze ochtend nog niet te lang bij stilstaan.

Even later zie ik verderop beweging op het Spoorbaanpad. Een man op leeftijd fietst langzaam voorbij. Hij zit rechtop, zoals oudere mannen dat doen, met een houding die verraadt dat hij al een leven lang fietst. Onder zijn arm draagt hij een sjoelbak. Niet achteloos, maar stevig geklemd, alsof hij weet dat dit geen alledaags vervoersobject is. Het is een prachtig beeld. Typisch Nederlands. Grote dingen op de fiets vervoeren zonder er verder een punt van te maken. We gaan geen auto huren. Geen aanhanger. Dat is allemaal gedoe. Dit kan zo ook.

De sjoelbak wiebelt een beetje bij elke pedaalslag. Ik hoop dat hij niet ver meer hoeft. Het is enorm koud buiten en hij heeft wind tegen. Dat zie je aan de lichte spanning in zijn gezicht, aan de manier waarop hij net iets harder trapt dan comfortabel is. Toch fietst hij door. Waarschijnlijk wacht er ergens een woonkamer met koffie, kerstkransjes en een tafel die net groot genoeg is om de sjoelbak op te zetten. Sjoelen is ook zoiets. Een spel dat nergens thuishoort en juist daarom overal. De Fransen noemen het niet voor niets billard hollandais. Alsof ze het niet konden laten ons daar even aan te herinneren.

Aan de overkant van het veld hobbelt een kat voorbij. Eerst lijkt hij geen last te hebben van de kou. Zijn staart fier omhoog, zijn pas zelfverzekerd. Maar na een paar meter verandert dat. Hij versnelt ongemerkt. Niet rennend, maar doelbewust sneller. Op weg naar wat ik aanneem zijn huis. Warmte wint het altijd van trots.

Ik blijf nog even staan bij het raam. Kerstochtend laat zich niet haasten. Buiten gaat iedereen ergens heen. Of juist naar binnen. Dat is genoeg om naar te kijken.