Vrijdagochtend

Het is een paar minuten voor half 8 en de metro waarin ik me bevind stopt op metrostation Henk Sneevlietweg. Ik stap uit de achterste wagon, zodat ik als eerste het station kan verlaten. De pendelbus staat verderop te wachten om de reizigers naar de grote kantoren te verplaatsen. Sinds ik alweer enkele weken mijn fitbit om de pols draag, laat ik me niet zo snel meer rondrijden. Ik loop liever. Mijn autistische trekken hebben de afgelopen tijd nog steeds de overhand als het gaat om de aantal stappen die ik per dag moet nemen. Enig fanatisme is me niet vreemd en dat terwijl ik altijd dacht niet competitief te zijn. Ha!

Ik loop over het zebrapad naar de zuidelijke kant van de Henk Sneevlietweg. Alleen aan die zijde van de weg is het mogelijk om te wandelen en te fietsen. Ik check even hoe laat het is en ik zie dat ik rustig aan naar mijn werkgever kan wandelen. In een aangenaam tempo loop ik rustig richting de Johan Huizingalaan. Achter me hoor ik gehaaste voetstappen. Iemand achter me heeft duidelijk minder tijd dan ik en haalt me gehaast in. Het is een man met kleine krulletjes. Hij neuriet mee met de muziek in zijn oren. De witte oordoppen steken fraai af tegen zijn donkere huidskleur. In een rap tempo loopt hij op mij vooruit. Ik glimlach. Mensen die neuriën zijn vrolijk.

Sommige mensen kijken niet zo vrolijk. Ik zie er genoeg op de fiets voorbijkomen die deze vrijdagochtend beleven alsof het een maandagochtend is na een vakantie van 4 weken. Niet aan te sporen voor een moment van vrolijkheid. Ik denk dan: Was lekker in je bed blijven liggen. Ondanks enkele norse gezichten loop ik vrolijk verder. Op 500 meter afstand van het metrostation sla ik linksaf de Johan Huizingalaan in. Het is helemaal geen laan, het is een drukke provinciale weg. Er wordt daar gereden als op een racecircuit waar Max Verstappen zich prima thuis zal voelen. Verderop loopt een man met zijn hond aan de lijn. Beiden hebben lol. De man heeft een leuk gesprek en lacht in zijn mobiele telefoon. Honden zijn altijd vrolijk.

Na nog eens 450 meter te hebben gelopen, sla ik rechtsaf de David Ricardostraat in. Hier is ook het hoofdkantoor van Monsterboard. Al wat ik daar zie zijn twee flipperkasten in een recreatieruimte. Tenminste, dat is mijn aanname, over die ruimte. Een flipperkast heeft het thema Flintstones en de ander het thema van de film Raiders of the Lost Ark. Op de zijkant van de kast staat Indiana Jones stoer, inclusief zweep, te poseren. Hierna steek ik over op het John M. Keynesplein. Het is een uit de kluiten gewassen plantsoen, met veel groen. Deze vrijdagochtend zit een vrouw gehurkt foto’s van klaprozen en andere bloemen te maken. Leuk. Kan ze het delen op Facebook of Instagram. En schuin, daar aan de overkant van het plein verdien ik mijn geld. Nog een dag werken en dan, weekend!

Kunstenaar

Donderdagmiddag. Ik sta met andere reizigers in de warme overvolle metro richting Amsterdam-Zuid. Ik sta wazig naar buiten te staren en zie links vanuit een ooghoek een kleurrijk persoon staan met lange sliertige haren. Wat ooit een rastakapsel was, is door gebrek aan verzorging een vette kluwen haardos geworden. De zonnebril met vrolijk geel monteur maakt het plaatje er toch niet mooier op. Ik voel een onverklaarbare drang om de man in de gaten te houden, en waar ik eerst nog glazig naar buiten keek, kijk ik nu naar de man met bah-haar. Hij draagt een wit overhemd, half dichtgeknoopt en een vale broek die zeker maanden niet in een wasmachine heeft liggen draaien.

De man spreekt zijn medereizigers aan. Sommigen geeft hij een hand en stelt zich aan hen voor, en vertelt over zijn honger. Wanneer hij niet door sommige reizigers genegeerd wordt, kom hij tot de hoofdzaak van zijn doel. Hij spreekt de mensen aan, om -zoals hij het zelf zegt- een paar centjes te verkrijgen. Een vrouw die voor mij staat hoort de man aan en reageert negatief op het verzoek om geld te geven. ‘Ik heb wel een appel voor je,’ zegt ze. De man reageert licht teleurgesteld, maar neemt de appel aan. Anders is zijn verhaal over honger niet meer geloofwaardig. Hij staat nu tegenover mij. Hij steekt zijn rechterhand uit en zeer onbeleefd weiger is deze. ‘Doe je verhaal maar,’ moedig ik hem aan.

Hij vertelt me dat hij een kunstenaar is en dat hij met € 20,00 in de week moet leven. Het verhaal over honger kan hij nu niet nog eens vermelden, dus hij vertelt me over hoe moeilijk en vooral hoe duur het leven is. Na een zeer lange anderhalve minuut komt de doelgerichte vraag: ‘Heeft u misschien wat centjes voor mij?’ Mijn reactie is gelijk aan het antwoord dat ik altijd op bedelaarsvragen geef. ‘Ik heb geen kleingeld, ik heb alleen maar plastic.’ Om deze zin enige oprechtheid mee te geven, kijk ik teleurgesteld en haal ik beide schouders op. Enkele reizigers gniffelen om mijn antwoord.

Gelijk wanneer er wordt omgeroepen dat we over enkele ogenblikken aankomen op metrostation Amstelveenseweg en dat we aan de linkerkant mogen uitstappen, gaat de mobiele telefoon van de kunstenaar over. Hij neemt op en vergeet mij totaal. Daar heb ik vrede mee. Reizigers stappen licht gehaast uit en weer anderen stappen in om mee te reizen. Sommigen deinzen terug door het onverzorgde uiterlijk van de beller. De kunstenaar blijft telefonisch in gesprek waarin achterdocht klinkt over een belofte die hem wordt gedaan. Waarschijnlijk zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. De metro rijdt weer verder en de kunstenaar beëindigd zijn telefoongesprek.

Het blijkt dat ik geen indruk heb gemaakt, want ik word niet meer aangesproken. Hij richt zijn aandacht op een jonge vrouw, maar ook zei weigert net zo onbeleefd als ik om de uitgestoken hand te schudden. Op de vraag of ze misschien wat centjes kan missen, verklaart ze alleen een pinpas bij zich te hebben. Zo origineel was mijn antwoord niet. Schuin naast mij staat een vlotte jonge vent in een strak modern pak, inclusief het hoge water in de pantalon, wat nu hot lijkt te zijn, staat te wachten tot de kunstenaar hem aanspreekt. Dat gaat gebeuren en het strakke pak glimlacht zelfverzekerd. Volgens mij is hij ook degene die als eerste de hand uitsteekt.

Ze stellen zich aan elkaar voor en voordat de kunstenaar zijn verhaal kan doen is het strakke pak hem voor. ‘Dus jij komt hier in de metro mensen lastig vallen om ongevraagd te bedelen voor geld? Denk je niet dat je gewoon een paar jaar geleden een verkeerde opleiding hebt gekozen? In plaats van dat onzekere, zweverige linkse kunstenaarsgedoe, had je beter een degelijke opleiding kunnen kiezen. Dan had je nu wat geld op de bank staan en hoef je de anderen, die al genoeg voor jou betalen, niet lastig te vallen.’ De zinnen komen als een waterval naar buiten. Reizigers kijken gespannen naar het tweetal. Wordt het een conflict?

Wederom weet de omroepstem de sfeer in de metro te breken. Er worden nog aansluitingen met bus en trein genoemd en ook worden we geboden links uit te stappen. Sommige reizigers dringen naar de deuren, want ze willen hun aansluiting niet missen. De kunstenaar kijkt het pak aan, wuift hem met een hand weg en stapt de metro uit. Ik stap ook uit, het perron op. Terwijl ik naar mijn aansluiting op spoor 1 loop, spreekt de kunstenaar alweer een andere man aan. De hand wordt uitgestoken. Hij stelt zich netjes voor, en vertelt de man honger te hebben.

Woorden

Oh, hoe intens ik blij kan worden van taal, en van woorden in het bijzonder. Ik weet niet hoeveel Nederlandse woorden er precies bestaan, maar ik heb eens op het internet gelezen dat het ongeveer 80.000 woorden moeten zijn. Dit is een schatting wanneer je uitgaat van het aantal woorden in de Dikke van Dale. Wanneer je daar nog eens alle werkwoordvervoegingen bij optelt, zit je rond de 60 miljoen woorden. Zo veel woorden en ik kan er geen genoeg van krijgen.

Woordspelingen, ik ben er dol op. Maakt iemand een typefout in een tekst, dan kan ik daar zeer smakelijk om lachen. Helemaal wanneer de context van een zin hierdoor een totaal andere betekenis krijgt. Het zijn niet eens de zware intellectuele vergissingen die mijn lachspieren doen samentrekken. Ik schater het al uit wanneer het woord ‘hier’ als het woord ‘hoer’ in een tekst verschijnt. Ik weet het, er is niet veel intellect nodig om mij te vermaken.

Zo zijn er ook woorden die ik heel mooi vind. Om aan te horen of uit te spreken. ‘Desalniettemin’ en ‘nochtans’. Twee woorden met dezelfde betekenis, maar het bekt wel heerlijk weg wanneer je het uitspreekt. Of als het uit de mond van iemand anders komt. Het betekent zoiets als niettegenstaande. Bam! ‘Niettegenstaande’. Het wordt alleen nog maar mooier! Zoveel verschillende woorden om alleen maar aan te geven dat er ondanks een gegeven, toch het tegenovergestelde heeft plaats gevonden.

Daarentegen (ook zo’n aangenaam woord) zijn er ook woorden waar ik kippenvel van krijg, en niet in de positieve zin van het woord. Dat heb ik gelukkig niet met het woord ‘parallellepipedum’. Dat woord behoort al sinds de jaren 80 tot mijn favorieten. Het is helaas geen woord dat je zomaar in dagelijks gesprekken kunt gebruiken. Maar de harde klanken die je uitspreek bij het woord. Heerlijk! Een ‘parallellepipedum’ is een veelvlak met zes parallellogrammen als zijvlak. Hierdoor is het jammer genoeg een niet zo vaak uitgesproken woord.

Een woord wat ik afschuwelijk vind, dat ik niet kan aanhoren en waar ik figuurlijk jeukend tandvlees van krijg, is het woord ‘kutje’. Ik heb de neiging te vomeren wanneer ik het woord ergens hoor of lees. Het woord zelf uitspreken zal ik nooit. Ik ben sowieso geen voorstander van verkleinwoorden, maar bij dit woord geeft het verkleinen van het woord een onsmakelijk iets. Ik associeer dit lelijke Nederlands woord met viespeukerij. Het zijn de vieze, vrijpostige  mannen die niet te vertrouwen zijn, die dit afstotelijk woord in een zin durven te gebruiken.

Gelukkig bestaan er naast dit oneervol woord nog zeker 60 miljoen andere Nederlandse woorden. Diverse Nederlandse woorden voor één betekenis of één woord met meerdere betekenissen. Taal vind ik leuk. Met woorden spelen meesterlijk. Zo worden mensen als snel blij bij het horen van het woord ‘zonnestraal’. Maar noem het woord eens tijdens een aanhoudende hittegolf voor een periode van 3 aaneengesloten weken. Dan word je door de mensen boos weggekeken. Dan zijn ze de vrolijkheid van dat woord straal vergeten.

Het Spui

Het weer is gespreksonderwerp nummer 1 in Nederland, en de laatste weken is het al aardig aan het zomeren. Sommige mensen zijn de warmte en de zon al zat, maar voorlopig geniet ik volop. Daarom zit ik op een terrasje aan het Spui in Amsterdam. Een beetje lommerrijk, heerlijk beschut. Ik geniet van mijn uitzicht op de Amsterdammers en de bezoekers van de stad. Sommige toeristen zijn nog niet helemaal overtuigd van de zomer en dragen warme jassen, met hun beanies tot over de oren getrokken. Anderen lopen rond met blote schouders, in korte broek en op slippers. Persoonlijk ben ik niet zo dol op mensen, maar ik hou wel van de variëteit die de mens uniek maakt.

Aan een tafeltje achter mij zitten twee mensen te fluisteren op het terras. Nadat ik mijn kop koffie aan de serveerster betaal, kijk ik even achterom en zie ik dat het om een man en vrouw gaat die aan de witte wijn zitten. In mijn ogen, zijn deze twee mensen overduidelijk een stelletje. De eerste, zeer prille liefdesperiode is voorbij, maar nog steeds hartstikke gek op elkaar. De twinkeling in de ogen, die ik zojuist in de luttele seconden zag, toen ik omkeek, is er nog steeds. Stiekem zit ik te luistervinken, terwijl ik voorzichtig een slok van mijn hete koffie neem.

Ze toosten. De wijnglazen tikken voorzichtig tegen elkaar aan. Ik hoor een lichte zucht en met een kleine aanloop zegt de man tegen de vrouw dat er een tijd was geweest dat hij van alles voelde, maar tegelijk ook niets. Voordat hij haar had leren kennen, was er alleen maar bewolking in zijn leven, zonder uitzicht op opklaring. Verrast door de poëtische zinnen van de man plaats ik met een lichte tik mijn koffiekopje terug op het schoteltje en luister blij. De vrouw blijft stil, en de man vervolgt met dat hij haar moest vertellen hoe ze iedere dag van zijn leven opvrolijkte en dat zij hem in de donkere nachten verlichtte als een volle maan.

Ik kijk vluchtig om me heen om te zien of anderen op het terras wellicht ook getuige zijn van dit romantische moment, maar niemand reageert. En de man vervolgd. Over dat hij niet kan uitleggen dat er iets bijzonders aan haar is, hoe ze er uitziet. Over de blik in haar ogen en hoe ze naar hem kijkt. Ze ontneemt zijn adem iedere keer. Ikzelf voel me enigszins opgelaten dat ik getuige moet zijn van dit moment. Het is te intiem om er deel van te maken. De man verklaart dat het gevoel de vrouw hem geeft, zo diep zit, dat het hem verstikt. Op een positieve manier. Ze is mooi in elke betekenis, net als deze zomerachtige avond in Amsterdam.

Terwijl de laaghangende zon mijn gezicht verwarmt, koelt de koffie in mijn kopje af. De man aan het tafeltje achter me verklaart nog even dat de lach van de vrouw, zijn diepste geheimen naar boven haalt. Niets blijft langer verborgen en in alle eerlijkheid is hij sprakeloos met de overvloed van zijn woorden. Complimenten en liefdesverklaring. Ik heb voldoende gehoord en sta op en loop richting de Nieuwezijds Voorburgwal. Met de laatste zonnestralen, en een glimlach op mijn gezicht over wat ik zojuist mocht aanschouwen, loop ik langs de open deur van een kleine kroeg. Een bekende hit van Elton John komt uit de speakers. Ik loop door, richting Amsterdam Centraal.

Autoritjes

Het is vrijdagavond en het vlakke landschap van Noord-Holland is overal om ons heen te zien. We zijn onderweg naar Heerhugowaard, even ten noord-westen van Alkmaar. Met dit uitzicht en de muziek zachtjes op de achtergrond geniet ik van deze autorit, samen met mijn man. Ik hou van autorijden. Zolang ik niet zelf achter het stuur hoeft te zitten. Zo blijven de autoritjes aangenaam. Wanneer ik achter het stuur zit, verander ik een onaangenaam persoon. Ook voor mezelf. Ik zie overal problemen en zit non-stop te vloeken, en te schelden op alles wat binnen mijn gezichtsveld komt.

Als er een hel bestaat, dan bestaat deze uit onafgebroken momenten achter het stuur. Langzaam rijdend in een file tijdens de spits. De auto waarin ik me bevind is vanzelfsprekend géén automaat, want de koppeling moet ik blijven intrappen tot de kramp in mijn benen ondraaglijk wordt. Dit is een lichtelijk overdreven voorbeeld van een moment waarin ik doodongelukkig ben. Maar ik ben geen voorstander van veronderstellingen en aannames, en geloof daarom ook niet in God. Of in een verzonnen hel.

Het is een verademing voor mij wanneer ik plaats neem in de auto, en dat dit niet achter het stuur is. Zoals ik het enige zinnen terug verklaarde: ik kan echt genieten van de autoritjes, samen met mijn echtgenoot. Voor mijn part rijden we in de auto door naar het noorden van Noorwegen of naar het oosten van Polen. Of verder. Helemaal de wereld rond. Ik zal genieten van ieder moment. Zolang ik maar niet met mijn voeten op de verschillende pedalen hoef te duwen. Ik prijs me gelukkig met een echtgenoot die totaal geen hekel heeft aan autorijden.

Enkele van de bijzondere herinneringen, als kind, heb ik in de auto opgedaan. Ik kan me een autorit herinnering waarin het hele gezin, plus aanhang, met de auto naar Ponypark Slagharen ging. Mijn jongste zus met 2 tantes en mijn moeder op de achterbank, half hangend met de benen onder de hoedenplank, en ik in elkaar gebogen tussen de benen van mijn vader, die als bijrijder de wegenkaart op mijn hoofd liet rusten. Daar reden we dan met 100 kilometer over de tweebaanswegen van 45 jaar geleden. In mijn herinnering liepen mijn jongste zus en ik uren na aankomst in Slagharen met een gebogen rug over het attractiepark.

Met plezier denk ik aan de vakanties die we met mijn schoonfamilie in Europa doorbrachten. Mijn schoonzus had het lumineuze idee om voor 3 weken een mini-rondreis door Oostenrijk, Italië, Zwitserland en Frankrijk te boeken, en omdat er toen nog geen navigatiesystemen waren, hebben we toen meer dan alleen maar asfalt snelwegen gezien. Ik weet nu, dat als je iets van de wereld wilt zien, je per auto moet reizen. Je maakt zo veel meer mee. Met een glimlach denk ik aan het moment dat we bij de grensovergang tussen Italië en Zwitserland, waar we met een illegaal aantal flessen wijn in de kofferbak, werden aangehouden en we onze paspoorten ook nog in de kofferbak hadden laten liggen. Wanneer ik die herinnering wil delen, zie ik dat we inmiddels Heerhugowaard zijn binnengereden. Ook zo fijn van een autorit: Je bent op de plaats van bestemming voor je het doorhebt.

Picture This

We zitten nog maar een week in de zomermaand juni en via social media krijg ik al de eerste vakantiefoto’s van mijn sociale mediavrienden voorgeschoteld. Een buurmeisje van vroeger uit Den Helder is op rondreis door Ierland en een oud-collega uit Almere viert haar wandelvakantie in Engeland. Ik geniet daarvan. De vakantiepret van mijn Facebookvrienden. Ik vind het leuk dat ik in mijn fantasie toch mee ben op vakantie. Dat gevoel kent je vast ook wel. Het fantaseren van het op reis zijn. Je bent niet zo zeer met het reisgezelschap op stap, maar je plaatst jezelf met gemak in de bijna jaloersmakende vakantiekiekjes. Heerlijk.

Wanneer jezelf op vakantie bent is dat toch anders. Teleurstellend bijna. Je wilt de mooiste dingen zien. Attracties bezoeken om vooral herinneringen te creëren. Dat wordt tegengewerkt door de toeristen die altijd in de weg staan. Na ruim een uur door het Louvre, in Parijs te hebben gewandeld om de Mona Lisa van DaVinci te bewonderen sta je tussen honderd anderen op je tenen om een stukje van dat verdomde kleine schilderij te zien. Of op de trappen van Park Güell in Barcelona, met de kleurrijke hagedis. Alles wat je op foto’s terugziet zijn hoofden en armen van toeristen en wazige fragmenten van bontgekleurde mozaïeksteentjes.

Mijn foto van de Mona Lisa in het Louvre heeft meer weg van een grote indoor demonstratie, waarbij veel aanwezigen een selfie maken, en de foto van de mozaïekstenen op de trappen van Park Güell lijkt alsof deze is gemaakt in een drukbezochte badkamer. Ja, daar maak je geen Facebookvrienden jaloers mee. Toch zijn het niet alleen de mislukte foto’s. Soms is het de omgeving die tegenvalt. Piccadilly Circus was mij niet onbekend. Ik had er genoeg afbeeldingen van gezien. Tijdens een stedentrip in Londen waar we vanuit de metro bij het plein, de grond uitstapten, schrok ik van het groot aantal toeristen, maar vooral van hoe klein het plein is. Ik kreeg spontaan een claustrofobisch gevoel.

Door foto’s van toeristische trekpleisters te bekijken creëer je verwachtingen. Zo heb ik schitterende tempels in Egypte mogen bezoeken, en bewonderen. Precies als op de afbeeldingen in de reisgidsen, televisieprogramma’s en het internet. Door de afwezigheid van veel toeristen in het Noord-Afrikaanse land in 2012 konden we wel mooie foto’s maken. Maar wat we niet op de gevoelige geheugenkaart vastlegt zijn de foto’s van de omgeving. Wat je niet op de bekende foto’s ziet, zie je daar wel op de bewuste plek zelf. Een schitterend uitzicht op een sfinx, en een afschuwelijk beeld achter je rug, van een vuilnisbelt waar kinderen doorheen lopen te struinen, op zoek naar mooie of eetbare voorwerpen. Dat zijn de herinneringen waar je geen foto’s voor nodig hebt.