Het is de zondag van de tiende editie van de Almere City Run. Bij deze jubileum-editie heeft organisatiebureau Golazo het organisatiestokje van Global Sports Communication en 20Knots overgenomen, en zoals het altijd gaat worden er enkele zaken aangepast. Zo is er dit jaar gekozen voor andere afstanden en is het parcours aangepast. Voor mij is het deze zondag de negende keer dat ik meedoe aan de Almere City Run.

In het eerste jaar dat de Almere City Run werd georganiseerd was ik nog geen liefhebber van het hardlopen. Ik was liever lui dan moe en ik vond hardlopers een stelletje uitslovers. Op de vlucht voor goede smaak. Gezien de fluorescerend-gekleurde hardloopkleding die ze altijd lijken te dragen. Daar denk ik nu, na zoveel jaar, anders over. Deze zondagmiddag sta ik zelf in een schreeuwerig, neon-groen hardloopshirt in het startvak te wachten op het startschot.

Ik ben deze middag vol goede moed over de nieuwe organisatie. Ik ben niet zo snel bang voor verandering en een rondje om het Weerwater vind ik typisch Almeers. Ik maak me meer zorgen om de afstand van 10 kilometer die ik moet afleggen. De afgelopen maanden heb ik alleen maar korte afstanden gelopen en hierdoor heb ik twijfels over het constante hardlopen gedurende de 10 kilometer. Ga ik het vandaag redden zonder wandelmomenten in te voeren?

De eerste kilometers gaan lekker. Het is wel altijd even wennen bij een hardloopwedstrijd. De andere hardlopers hebben een net iets afwijkend hardlooptempo en daarbij lijkt het alsof er vanmiddag ook mensen meedoen die voor het eerst hardlopen. Ongecontroleerd lopen ze snel en langzaam, links en rechts door de groep. Het nieuwe recreatiepad in het Lumièrepark is gelukkig breed genoeg voor een grote groep hardlopende mensen, waardoor het leed voor iedereen iets minder is.

Op het Starleypad, ter hoogte van het oude kasteel krijg ik het heel even moeilijk. Door een combinatie van het benauwde weer en een misplaatste moeheid overweeg ik om te gaan wandelen. Ik weet dat als ik hieraan toegeef, ik de rest van het parcours om de kilometer een wandelpauze in zal lassen. Lichaam en geest doen samen rare dingen. Ik weet dat als ik voorbij de Bosbrug in Haven ben, ik halverwege ben. Deze gedachte geeft me voldoende kracht om door te lopen en ik loop door richting de A6.

Op het Sturmeypad loop ik voorbij de laatste verzorgingspost. Er mag vanaf daar 3½ kilometer gelopen worden en dit gaat me ook zonder een beker water lukken. Ineens lijken de natuurgoden mij goedgezind, want uit de donkere bewolking vallen er dikke druppels naar beneden. Het verfrissend buitje geeft mij en de andere renners voldoende energie om door te lopen. Ons enthousiasme wordt van boven beantwoord met nog meer regen. Een stortbui, waarvan de douchekop thuis verlegen zal worden, doorweekt iedereen tot op het ondergoed en tot in de sokken.

Soppend in mijn schoenen loop ik door naar het Fontanapad. Mijn kleding zit door de hoosbui strak op het lichaam, waardoor de laatste kilometer over de Oeverpromenade een nieuwe uitdaging is. Het loopt niet fijn wanneer natte kleding strak over het lichaam valt. Maar wanneer ik uiteindelijk de spanbrug op de Hengelostraat in zicht krijg, weet ik dat de finish nu heel dichtbij was.

Met dat beetje energie dat wij nog hebben, lopen we over de Koetsierbaan naar de Esplanade. Hier volgt een laatste uitdaging. We lopen wel heel steil naar beneden, richting het KAF, waar we net voordat we het pand lijken te raken, strak naar links afslaan om naar de finishlijn lopen. Met een opgelucht en blij gevoel krijg ik even later mijn medaille omgehangen. Het is me gelukt, en wanneer ik om me heen kijk zie ik meerdere blije gezichten.

img_4368

Zo’n 40 jaar geleden, toen ik nog in Den Helder bij mijn ouders thuis woonde, was ik altijd gefascineerd door verhalen die ons eventueel in de toekomst stonden te wachten. Ik kan me nog een verhaal dat we op de basisschool van een leraar kregen te horen, herinneren, dat we in de toekomst niet meer met geld gingen betalen, maar met plastic pasjes. Dit heeft zich inmiddels vertaald naar het pinnen aan de kassa. Dat het zo zou gaan kon ik toen nog niet weten, maar het idee dat het anders zou gaan vond ik toen reuze interessant. Nu is het alledaags.

Zo werd in 1982 door middel van een klein artikel in een weekblad de compact disc in mijn leven geïntroduceerd, die dat jaar op de markt werd gebracht. In het artikel werd wel even gesuggereerd dat de cd de vinyl platen zouden verjagen. Dat idee leek me zeer onwaarschijnlijk. Tegenwoordig luister ik naar mijn muziek via wifi. Met mijn mobiele telefoon kan ik via de draadloze speakers overal in huis naar muziek luisteren. Oké, mijn liefde voor de oude platen is nooit echt weggegaan. Wanneer ik muziek aanschaf zijn het vinyl langspeelplaten.

Volgende maand is het 50 jaar geleden dat de mens de eerste stap op de maan zette. Deze vlucht van Apollo 11 deed men met behulp van de Apollo Guidance Computer (AGC). In vergelijking met mijn mobiele telefoon, heeft mijn iPhoneX zo’n 750.000 meer RAM-geheugen en heeft het 4 miljoen meer opslagruimte. Daarbij woog de ACG net zoveel als 217 iPhones bij elkaar. Waarom we inmiddels nog niet op meerdere en verdere planeten zijn geweest, is mij een raadsel. Je moet niet overal een antwoord op willen weten.

En zo gaat het door. De toekomst wacht op niemand. De compact disc uit de toekomst van de jaren 80, is inmiddels ingehaald door de mp3, die inmiddels alweer een tijdje is verdrongen door het digitaal streamen van muziek. Het zelfde geldt overigens ook voor de videobanden en dvd’s. We streamen vandaag de dag alles vloeiend via wifi naar onze afspelers. Daarnaast leerde ik een paar dagen geleden voor het eerst te betalen via gezichtsherkenning op mijn mobiele telefoon.

Er is al een tijdje een mobiele betalingsdienst ontworpen door Apple () waarmee gebruikers in Nederland kunnen betalen met o.a. hun iPhone, dat gekoppeld is aan een rekeningnummer van de ING. Apple Pay, zoals deze dienst heet, vereist geen speciale betaalautomaten, maar werkt op alle bestaande betaalterminals die contactloos betalen ondersteunen. Deze week was dit nog hartstikke opwindende en nieuw voor mij, maar ik durf te wedden dat ik over anderhalve week de toekomst ben ingestapt en ik niet meer anders wil.

Al jaren jeremieer ik er over. Over de activiteit die in Nederland uitsterft. Het betreft een passieve activiteit, waarvoor niemand moeite voor hoeft te doen, en toch kost het ons te veel moeite om te doen. Ik heb het over wachten. Het wachten is in Nederland (en de rest van de westerse wereld?) iets van vroeger. Waar vroeger nog speciaal vertrekken werden gecreëerd voor het wachten, kan men tegenwoordig online een afspraak maken zodat er bij de huisartsenpost of het gemeentehuis niet meer in een wachtkamer gezeten hoeft te worden. Meteen doorlopen naar de behandelend arts of de baliemedewerker (m/v) van burgerzaken. Snel en makkelijk.

We willen niet meer wachten en ik zie dat het overal gebeurt. Het niet wachten. Automobilisten die bij het afslaan de voetgangers op het zebrapad omver rijden. Laatst reed ik op de fiets, waarbij ikzelf op een kruising van rechts kwam en ik reed op een voorrangsweg. In principe had ik dus tot twee keer toe voorrang. Een vrouw, ouder dan ik, dus van over-gemiddelde leeftijd, stak toch vlak voor mijn voorwiel snel fietsend over. Ze wist dat ze fout was, maar had blijkbaar geen zin om te wachten. Ze keek me heel even pardonnerend aan, maar trapte toch stevig door. Bitch.

Het is niet meer bij te houden hoe vaak ik aan de kant ben gesprongen voor voetgangers en fietsers die mij niet willen zien. Gewoon omdat men het geduld niet meer heeft om even te wachten. Alles moet snel. Wanneer ik met het openbaar vervoer reis, kan ik bijna de trein of de metro niet uitkomen, omdat andere reiziger mij bijna omver lopen, die niet kunnen wachten om een zitplaats te bemachtigen. Het is ook niet wonderlijk dat hierdoor het openbaar vervoer steeds vaker met vertragingen te maken heeft, en een vertraging, daar heeft iedereen een hekel aan, want dan moet je weer langer wachten..

Toch is er bij mij nog de hoop dat er binnenkort iemand niet meer gehaast door het leven wil gaan en daarmee ook andere mensen het inzicht geeft dat het helemaal niet erg is om te wachten. Misschien dat het binnenkort een hype of een trend wordt om zo lang mogelijk geduldig te zijn. Hoe zal de wereld er dan uitzien? Iedereen is dan heel relaxt en gaat gemoedelijk met elkaar om? Ik kan haast niet wachten!

Iedereen kent wel een persoon die de mooiste en sterkste verhalen kan vertellen. Zo had ik vroeger een buurman die schitterend en in detail je dingen kon doen laten geloven. Of deze verhalen waar waren, daar moest je dan zelf maar achter zien te komen. Het verhaal over zijn oudtante Boukje staat me nog wel helder bij. De ouders van oudtante Boukje hadden vroeger een kroeg in Den Helder. Als kind moest ze ‘s-ochtends niet alleen ontbijt voor haarzelf, maar ook die van haar vader en moeder maken.

Wanneer haar ouders nog in bed lagen, bij te komen van een nacht zwaar kroegwerk, moest Boukje een paar eieren voor hen klutsen. ‘Doe er maar een flinke scheut uit dat vaatje in,’ had haar vader de eerste keer gezegd. En dat deed ze. Dat er cognac in het vaatje zat, had Boukje pas later begrepen. Omdat vader en moeder het lekker vonden deed Boukje ook een scheut uit het vaatje bij haar eigen eitjes. Oudtante verklaarde later: ‘Ik was acht jaar oud en ik kwam elke ochtend dronken in de klas.’ Hierbij keek ze iedereen die het lachende aanhoorde ernstig aan en voegde eraan toe: ‘En dat is niet om te lachen.’

Tante Boukje leefde altijd samen met een oude en eenzame man die ze in haar café leerde kennen. Het was telkens een andere vent, want ze liepen op hun laatste benen en bewaarden hun laatste adem voor tante Boukje. Daardoor kreeg Boukje een zekere routine in het verkeer met de dood. Ze sprak erover met een soort galgenhumor. Toen oom Gerrit bij het ontwaken geen teken van leven meer gaf, had ze de buurman erbij gehaald. Deze hield een zakspiegeltje voor de mond van de oude man en stelde, toen het spiegeltje niet besloeg, vast dat hij gestorven was. Tante Boukje vertelde het ‘s-middags in het café.

De Kastelein, die de omvang van oom Gerrits dagelijkse consumptie kende, zei: ‘Nog goed dat-ie er een spiegeltje en geen lucifer had bijgehouden, anders was ie uit mekaar geknald.’ Dat was de treurzang voor oom Gerrit. Tante Boukje lachte een beetje afwezig mee. Ze heeft na oom Gerrit nog twee oude mannen versleten. Haar laatste jaar was ze alleen. Na een ziekbed van een kleine maand, waarin ze geen woord meer heeft gesproken, stierf ze. De hemel zal zonder enige twijfel vriendelijk voor haar zijn.

Het is de zondagochtend na het Eurovisie Songfestival, waarbij Duncan Laurence na 44 jaar voor een Nederlandse overwinning heeft gezorgd. Het is deze ochtend mooi weer en ik wandel een rondje door het Hanny Schaftpark. Ik loop hier graag. Ook wanneer ik na een rondje hardlopen de benodigde kilometers achter me heb gelaten wandel ik in dit stadspark graag mijn cooling down uit.

Het is rustig in het stadspark. Mijn wandeling begint bij de hondenspeelplaats waar de honden vrij kunnen spelen en kinderen niet welkom zijn. Niet dat er vaak gespeeld wordt, want het gras staat er te hoog om er vrij rond te rennen. Tijdens mijn rondje door het park wandelen verschillende honden en hun eigenaren mij in een rustig tempo voorbij en wordt er vriendelijke gegroet. Een enkele hond begroet mij soms te enthousiast. De hondenbaasjes daarentegen doen dan of ze mij niet zien.

Ik vind dat niet erg. Honden zijn nu eenmaal enthousiast en het weer werkt deze zondagochtend zeker mee aan mijn goede humeur. Ik geniet van al het groen dat in de laatste weken explosief is gegroeid en van de voorjaarsgeur. Vrolijk wordt ik van de honderden aanwezige paardenbloemen met de pluizige, grijze afrokapsels, die eerdaags door de wind weer tot kale bloemenstengels geblazen te worden. Eigenlijk is het heel simpel om te genieten van het leven.

Ik loop stil neuriënd verder en wanneer ik bij het Bos der Onverzettelijken aankom, valt mij een mevrouw op. Ze loopt voor mij op op de nieuw aangelegde paden. Het is niet de kleding dat mijn aandacht trekt, maar haar manier van lopen. Met grote stappen en met gebogen knieën loopt ze stevig door, waarbij haar voeten bij iedere stap naar buiten staan. Ze zwaait hierbij met haar armen, waarbij haar handen met de vingers gespreid langs haar lichaam zwaaien.

Haar manier van lopen is niet echt bijzonder, maar gewoon anders. Voor een kort moment doe ik het loopje na, maar ik voel me er niet fijn bij. Het loopt gewoon raar en ik ben een beetje bang betrapt te worden om haar zo na te doen. Er lopen tenslotte meerdere mensen door het nieuw aangelegde stadspark. Ik loop langs het Herdenkingsveld, en bewonder een beetje trots de Anne Frank-boom. Een zaailing, of een stek, van de boom uit de achtertuin van het Achterhuis. Het staat toch maar mooi in deze stad die ver na de oorlog is opgebouwd.

Nadat ik het Herdenkingsveld heb verlaten, komt er een hond bij het Humberpad enthousiast naar mij toelopen. Het dier is aanstekelijk vrolijk en ik doe vrolijk terug. Tot hij fel wordt teruggefloten. De hond rent geschrokken naar het baasje en ik schrik wanneer ik het baasje zie. De vrouw staat er met kromme benen en met de voeten iets uit elkaar. Als ik langs haar loop vallen mij de gespreide vingers op. Ze begroet me kortaf, en ik durf haar bijna niet aan te kijken. Ik groet haar terug en loop snel door. Zou ze dan toch gezien hebben dat ik een loopje met haar wandeling nam…

Eerder gepubliceerd op Ons Almere.

Het is over en voorbij. De relatie tussen mijn fiets en ik. Het ging de laatste maanden al niet meer zo lekker, toen ze een laatste keer weer eens haar ketting afwierp. Ik heb haar toen bij het metrostation achtergelaten. Weken, misschien wel maanden, ben ik haar voorbijgelopen, zonder haar een blik waardig te gunnen.

Afgelopen woensdag zag ik haar ‘s-ochtends tegen een tweetal andere fietsen staan, als een bundeltje fietsen, en dacht nog: ze staat er niet alleen bij. Een dag later heb ik mijn fiets niet meer zien staan. Vrijdag wist ik het zeker. Ze is gedeporteerd naar een plek waar alle andere achtergelaten fietsen van Amsterdam verzameld worden.

De zorgeloze jaren van plezier kwamen al in december 2014 ten einde toen een autobestuurder in Almere tegen haar aanreed. Gelukkig kon ikzelf vlak voor de klap van mijn zadel springen, maar de linkertrapper van mijn fiets heeft nooit meer soepel gedraaid. Dit heeft haar waarschijnlijk tot diep in het frame geraakt.

Deze klap heeft haar karakter veranderd. Dit uitte zich in meerdere lekke banden en het afwerpen van de fietsketting. Ze had er geen zin meer in. De fietsbel rinkelde op het laatst niet meer. Deze heb ik moeten vervangen. Het was voor mijn fiets vermoedelijk als een pleister op een slagaderlijke bloeding.

De verhuizing naar Amsterdam heeft het ook niet goed gedaan. Geen beschutting van de schuur meer en dit liet ze mij weten door het zadel constant nat te houden na een regenbui. Soms dacht ik dat ze er nog wel zin in had, maar zodra ik van een stoep afreed, wierp ze roekeloos haar ketting van de tandwielen. Maar ze heeft nu rust op een nieuwe plek in Amsterdam.

Ik weet niet waar dit terrein is, maar ik hoop dat ze het er naar haar zin heeft en wanneer ze geen fiets meer is, wens ik dat ze wordt gerecycled. Misschien wordt ze een speeltoestel voor op een kinderspeelplaats ergens in Nederland. Ze hoeft zich dan niet meer als een oud barrel te gedragen en zich niet meer druk te maken over een fietsbel, het zadel of de spanning in haar luchtbanden.

 

Wanneer u nu, op deze Koningsdag van 2019, naar buiten kijkt, geeft het niet het vermoeden dat we een week geleden, met Pasen, heerlijk zomerachtig weer hebben gehad. Even leek het erop dat deze zomer, net als vorig jaar in april ging beginnen, maar het mag niet zo zijn. Maar wie weet! Over een paar dagen kan het alweer mooi en zomerachtig weer zijn. We moeten de meteorologen goed in de gaten houden.

Het was wel weer even wennen, dat mooie weer. En dan vooral het wennen aan de Nederlanders en hun rare zomerrituelen. Alsof sommige mensen er op zaten te wachten. De completer zomergarderobe wordt tevoorschijn gehaald. Bij de eerste zonnestralen worden de benen meteen in shorts gestoken. De shirts worden mouwloos gedragen en de slippers worden aan tenen gehaakt.

Dat is voor mij een nadeel van het onverwachte mooie weer. Ik zie ongevraagd de onbedekte lichaamsdelen, die ik gewoon bedekt wil zien. Daarvoor is tenslotte de mode  uitgevonden. Bedek de armen, benen en vooral voeten met een leuk, trendy tenue. Ik kan me voorstellen dat wanneer je honderden euro’s hebt besteed aan een mooie tatoeage, je dit wilt delen, maar voor mij hoeft het niet.

Zo was ik van de week verbaasd over een lelijke tatoeage van een mevrouw in de metro. Ik kon niet wijs worden over de afbeelding die in haar onderarm was geprikt. Het leek op een grote blauwe plek en toen ik zo onopvallend mogelijk de moeite nam om de afbeelding beter te bekijken bleek het ook daadwerkelijk een blauwe plek te zijn.

Nu ben ik hoe dan ook niet de persoon die mensen aanspreekt op een tatoeage, zo van: ‘Nou, dat is wel een heel mooi plaatje dat je daar hebt laten prikken.’ Ik bewonder, of verafschuw de tatoeages die ik bij de mensen zie in stilte. Dit heb ik ook zo’n beetje met blauwe plekken. Daar spreek ik de mensen ook niet op aan.

Ik ben dan toch een beetje bang voor het antwoord, want een mooi verhaal over een grote blauwe plek zal het niet worden. Het zal misschien veroorzaakt zijn door een ongelukkige val, maar eerder nog is er een gewelddadige klap geïncasseerd, en daarom heb ik van de week de mevrouw in de metro toch maar niet aangesproken. Stel je voor dat zij daar niet van gediend was, en dat ze zelf losse handjes heeft, dan had ik nu ook met een blauwe plek Koningsdag mogen vieren.

Door een gebroken bovenleiding reden er dinsdagochtend bijna, tot geen treinen. Ik had die ochtend al vroeg op mijn app gezien dat mijn eigen treinreis kwam te vervallen. Daarom besloot ik een trein eerder te nemen. Snel tandenpoetsen en de deur uit. Op het station aangekomen merkte ik dat alle geplande treinreizen waren vertraagd of waren komen te vervallen. Het aantal mensen op het perron was veel. Het aantal emoties nog meer.

Veel gestrande reizigers kreunden, steunden, mopperden en vloekten. Ik baal ook van vertragingen, maar ik weiger om er chagrijnig van te worden. Het voegt niets toe en het lost ook niets op. Ik hoorde een paar mensen op samenzwerende toon zeggen dat er pas weer na 11:00 uur treinen gingen rijden. Welke memo heb ik niet ontvangen, vroeg ik mezelf af, en overwoog een misschien halve dag vrij te nemen. Deze gedachte liet ik varen toen er tot ieders verrassing een trein het station inreed.

Ik besloot, net als de rest van de meute, om ook in deze trein te stappen. In een overvolle trein (ik zag, ik rook, ik proefde, ik hoorde èn ik voelde de diverse aura’s van mijn medereizigers) en met een omweg van 2 uur, kwam ik laat op mijn werk aan. Het viel me mee, ik was maar een half uurtje te laat. Dat is dan weer het voordeel van vroeg van huis gaan, en ik zei tegen mezelf dat het zo best wel was meegevallen.

Gistermiddag stond ik op station Amsterdam-Zuid te wachten. Door werkzaamheden aan het spoor heeft een lijndienst de afgelopen weken niet gereden. Dit moet vanaf volgende week weer als vanouds gaan. Tot vandaag rijdt er 2 keer per uur een trein naar Almere. Door die werkzaamheden gebeurt het meer dan eens dat een trein vaak en minimaal 5 minuten vertraging heeft. Of langer. En ook hier geldt weer: ik vind het niet leuk, maar ik laat het mijn humeur niet beïnvloeden.

Dit in tegenstelling tot sommige van mijn medereizigers. Gisteren had de trein van 17:12 uur naar Almere een vertraging van 10 minuten, wat opliep tot maximaal 15 minuten. Dit tot groot ongenoegen van een medereizigster die schuin naast mij op het perron stond. Zij stond er een partij te mopperen tegen iedereen die het maar wilde horen, en iedere keer wanneer ze de app van de NS vanachter haar donkere bril checkte, begon ze weer opnieuw te jeremiëren.

In de 15 minuten van vertraging hield ze niet op met haar gefoeter. Alsof deze negatieve houding positieve invloed had op de aankomst van de trein. Ik moest er een beetje om grinniken. Bij het instappen van de trein, die maar 14 minuten later aankwam, was het drukker dan normaal, qua reizigers, en wilde iedereen dringend in de trein stappen. Ik kon me slinks nog net een zitplaats bemachtigen, maar de vrouw met de donkere bril heeft tijdens de reis, tot aan Almere Centrum staand staan mopperen.

Het is de nacht van zaterdag op zondag. De wintertijd heeft zojuist plaats gemaakt voor de zomertijd. Om 05:50 uur, nieuwe tijd, gaat mijn mobiele telefoon. Nog voordat ik weet wie er belt, weet ik waarom er wordt gebeld. Het gaat om mijn zwager Hans. Nadat ik heb opgenomen, hoor ik de emotionele stem van mijn jongste zus. Ik heb gelijk, maar ik wens dat ik geen gelijk had. De rest van de nacht slaap ik niet meer.

Mijn zwager Hans, de man van mijn oudste zus, is overleden. Hij kwam al sinds 1970 -toen ikzelf 3 jaar oud was, bij ons thuis over de vloer. Ik kan niet anders zeggen dat Hans mijn hele bewuste leven aanwezig is geweest. Tot aan de laatste dag van maart, 2019. Ik weet niet wat ik voel, en van wat ik voel, weet ik niet hoe het hoort te voelen. Ik ben in de war. En verdrietig.

 

img_1072_facetune_03-04-2019-20-02-00

Tijdens onze bezoek aan Parijs afgelopen weekend viel het me op dat een stad van dit formaat altijd in leven is. Nu was het dit keer wel heel opmerkelijk, omdat ons laatste bezoek aan de Franse hoofdstad in 2010 plaatsvond. Sommige dingen veranderen nooit. Zo blijft de Eiffeltoren een toren aan de Seine. Maar ondanks dat is er intussen wel iets veranderd. Zo is de toren niet zo toegankelijk meer dan voorheen. Het monument is omheind door een glazen wand en is voor haar bezoekers alleen nog toegankelijk om door de beveiligingspoortjes te lopen. Nadat je de inhoud van jas en tas aan de mannen van de beveiliging hebt laten zien.

Het zijn de moderne tijden van de afgelopen negen jaar die de stad hebben veranderd. Het is jammer, je wordt aan de littekens die Parijs heeft opgelopen herinnert. Het dak op Tour Montparnasse is inmiddels ook voorzien van glazen wanden en het gevoel dat je bovenop de 210 meter over Parijs kunt kijken en bovenop de hoge toren staat, wordt door het glas ontnomen. Gelukkig blijven de andere zaken die de hoofdstad bijzonder maken, gelijk. Het metrostelsel onder de stad is nog steeds een prima vervoersmiddel,. Zodra je weer weet hoe het werkt.

Het stadspark Jardin de Luxembourg is ook nog steeds hetzelfde gebleven. De oase van rust. Niet in de zin dat het er rustig is, er zijn altijd mensen in het park. Of ze zitten er heel relaxt in een van de vele stoeltjes langs de vijvers of ze zijn druk met andere activiteiten in het gras en onder de bomen. Het is er vooral genieten. Van de onthaasting en van de mensen die er rondlopen. En dan realiseer je dat het stadspark ook niet helemaal meer is zoals het een paar jaar geleden was.

De oude, kleurrijke Parisiennes lopen niet meer door het stadspark. De diva’s van weleer zijn uitgestorven. Letterlijk. Een decennium geleden paradeerden ze met valse trots en te veel make-up op door het stadspark. Met het opgeheven hoofd, inclusief de gekleurde, scheve kapsels. Op de afgedragen hakjes, in korte rokken en de iets te versleten bontjasjes. Afgelopen weekend heb ik ze niet gezien. De senioren van vandaag lopen in stevige stappers met klittenband. Het haar keurig gekapt in pittige, grijze lokken en de benen gestoken in degelijke pantalons. En dat is hun goed recht, maar toch mis ik de diva’s die binnensmonds in het Frans liepen te mopperen en daarbij het opgemaakte gezicht verscholen achter een te grote zonnebril. De vergane glorie is echt vergaan.

 

Parijs, vijf uur in de ochtend. De zon is nog niet op, maar het belooft een mooie dag te worden. Ik voel me de koning te rijk wanneer ik hardloop over het Place Dauphine, op Île de la Cité in de Seine. Waar de Notre Dame al sinds de twaalfde eeuw ernstig imponerend staat. Verderop, bij de Moulin Rouge, aan de Place Blanche ziet de straat bleek. Een melkboer levert aan supermarkten en de straatvegers, gewapend met hun bezems, zijn druk. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het achttiende arrondissement van Parijs maken de mensen zich op voor weer een nieuwe dag. Travestieten scheren het gezicht glad en de stripteaseuses gaan gekleed over straat. Onderweg naar huis. Gekreukeld beddengoed achterlatend, net als de minnaars. Vermoeid met een glimlach op de mond in de doodse kamertjes, waar een paar uur geleden nog de lust en het leven de boventoon voerde. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Kleine kopjes op schotels zijn gevuld met zwarte koffie en in de cafés worden de glazen na een lange nacht weer schoongepoetst, waarin de koffiekopjes de warme drank afgespiegeld verdampen. In de buurt van boulevard Montparnasse kan je vanaf de hoge gelijknamige toren met gemak het station zien. Het is als een kaal karkas, gelijk de bewoners van Cimetière du Montparnasse. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In de voorsteden staan de forensen op de stations en in het grootse park La Villette ten noordoosten van Parijs wordt door haar bezoekers het spek op een van de grasvelden aangesneden. Nachtelijke bezoekers van de stad zoeken de bus op en de bakkers bakken in hun kleine bakkerijen de befaamde stokbroden voor het ontbijt van de bewoners en bezoekers van de stad. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het zevende arrondissement staan de in beton gegoten ijzeren poten van de Eiffeltoren nog in de schaduw van de omringende gebouwen en ten noorden van deze wereldberoemde toren, in het achtste arrondissement, wordt de Arc de Triomph weer omringt door het uitdijend verkeer. Rij vanaf hier de Champs-Élysées af naar de Place de Concorde, waar de Obelisk fier overeind staat bij het aanbreken van een nieuwe dag. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

De kranten zijn gedrukt en op het trottoir achtergelaten voor haar lezers, de arbeiders hebben voor vandaag huis en haard achtergelaten en lezen bedrukt de krant. De mensen in de stad ontwaken en in de vroege uren voelen ze zich meer geslagen en gekweld. Voor mij is dit het moment om huiswaarts naar mijn hotel te gaan. Daar waar mijn man wacht en ik mijzelf kan zijn. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Het is vijf uur. Ik heb mijn rondje gelopen.

Op het Molenpad bij de Keizersgracht in Amsterdam zie ik tijdens een wandeling door het centrum een klein vrouwtje in een stenen raamkozijn zitten. Het raam is klein en smal met een paar tralies. Het vrouwtje zit voor de tralies en is zelf kleiner, want wanneer ze een normaal postuur heeft gehad, had ze nooit in het kozijn kunnen zitten. Ze zit er met haar armpjes over elkaar en kijkt een beetje nukkig voor zich uit. Dit gegeven, en haar kleine postuur -ze is nog geen 50 centimeter hoog- maakt mij nieuwsgierig, en ik trek de figuurlijke stoute schoenen aan.

‘Goedendag, is er iets aan de hand? U kijkt een beetje sikkeneurig,’ zeg ik met mijn meest vriendelijke stem. Het vrouwtje kijkt boos op. Mijn vriendelijkheid wordt niet door haar gewaardeerd.
‘Zeg! Bemoei jij je even lekker met je eigen zaken,’ bitst ze mij terug en vindt in mijn vriendelijke begroeting de aanleiding tot verder getier. ‘Ik raak een beetje geïrriteerd van het werk dat ik iedere nacht mag doen.’
Het vrouwtje draagt het blonde haar in een staartje en verder draagt ze een strak, lila tenue. Hierop een lichtgroen ponchootje over de schouders en zilveren laarsjes aan de voeten. Maar ze blijkt minder sprookjesachtig dan dat haar kleding mij doet geloven. Ze kijkt me aan alsof ik de oorzaak van al haar leed ben, en nog voordat ik kan vragen wat haar werk zo zwaar maakt, begint ze weer.

‘Iedere nacht mag ik tanden en kiezen van kleine kinderen verzamelen, en in ruil daarvoor krijgen deze tandloze kids een traktatie van hun ouders. Waren de kinderen vroeger nog tevreden met een beetje geld, wordt nu mijn goedheid ondermijnd door de ouders, die buiten proporties denken! Dat varieert van traktaties om mee te pronken tot belachelijk en jaloersmakende cadeaus. Man, ik ben er zó klaar mee.’
Ik kijk haar aan. Ze kijkt boos en gefrustreerd terug. Haar schouders hangen. Alsof ze de strijd al heeft opgegeven. Ik ben slecht in het lezen van lichaamshoudingen, want ze gaat rechtop zitten en tiert verder.

‘Echt, ik zeg het je. Ik ben nu zoveel langer bezig dan wanneer ik alleen muntstuk onder het kussen kan achterlaten. Op deze manier kom ik tijd te kort en iedereen verwacht maar dat ik al het werk in 1 nacht kan doen.’
Ik knik bevestigend en probeer haar een beetje tegemoet te komen. ‘Het lijkt me ook niet echt makkelijk om alles in je eentje te moeten doen.’
Ze kijkt naar me met een blik van “je-bent-niet-goed-bij-je-hoofd”, en ik heb gelijk.
‘Ben je wel goed bij hoofd?’ vraagt ze mij geïrriteerd. ‘Natuurlijk doe ik dit werk niet in mijn eentje. Niemand redt het om in één nacht een paar honderd kinderen te bezoeken. Ik ben toch zeker Sinterklaas niet?’

Ik besluit niets meer te zeggen. Ik heb het idee dat alles wat ik zeg wordt weerlegd met een spraakwaterval, waarbij het beledigen van anderen heel normaal is. Maar mijn zwijgen weerhoudt het kleine vrouwtje niet om door te gaan met schelden.
‘Ik heb er wel 32 muntstukken voor over om bij die idiote ouders al hun tanden en kiezen uit hun bakkes te slaan! Dan heb ik in één vuistslag mijn target gehaald!’
Licht geschrokken van deze agressiviteit, stap ik weg, de Keizersgracht op. Het is een klein vrouwtje, maar de felle boosheid is enorm.

‘Hé,’ roept ze mij na, wanneer ik wegloop. ‘Waar ga je heen? Kom terug!’
Ik negeer haar. Ik heb geen zin meer in de felle vermaning, en het is mijn vrije dag. Die wil ik beter besteden dan naar het luisteren van een verdicht persoon. Na een paar meter heeft ze me bijna ingehaald en haalde ze uit naar een van mijn broekspijpen.
‘Ik zei hé,’  roept ze me na. ‘Waar ga je heen? Ik ben nog niet klaar met jou!’
Wanneer ze een broekspijp te pakken heeft en in mijn benen wilt klimmen, schud ik haar van me af. Ze valt hierbij een paar meter verder op de grond, naast een transformatorzuil, bedekt met opzichtige reclameposters.

Snel staat ze weer op en met haar kleine, graaiende handjes uitgestoken rent ze op me af. Ik recht mijn rug, zet beide voeten stevig op de grond en wanneer het gewelddadige vrouwtje op een meter afstand van mij is, geef ik haar een berekende schop. Met een uitgestoten en schriele schreeuw vliegt ze in een mooie boog richting de gracht en belandt ze met een plons in het water. Ze komt meteen weer bovenwater waarbij het groene ponchootje half over haar gezicht hangt. Ondanks dat ze bijna verdrinkt blijft ze non-stop tekeer te gaan en slaat ze daarbij met haar vuisten op het wateroppervlak. Ik haal mijn schouders op en loop weg. Wanneer ik langs de gracht wandel, richting de Leidsestraat, hoor ik haar nog foeterend tekeer gaan.