17 mei 2017

Ik zit in de trein. Buiten bepalen de wazige, grijze geluidschermen het stadsbeeld. Het is warm vandaag. Zomers weer. We zijn de warmte nog niet gewend, want het is de eerste tropische dag van het jaar. In de trein is het lekker koel. Anderen vinden dat ook fijn. Een medereiziger zucht opgelucht: ‘Stel je toch voor dat het in de trein net zo benauwd en warm is als buiten.’ Het reisgezelschap zucht mee en knikt bevestigend van: ‘Nou , zeker!’

Klagen is een favoriete bezigheid van de mens en het favoriete onderwerp om over te klagen is sinds de pre-historie altijd het weer geweest. Ik denk dat de eerst gesproken zinnen van de moderne mens het weer als onderwerp betrof. Maar daar waar we vroeger pas na een aanhoudende hittegolf van een paar weken enig protest durfden te uiten, klagen we nu meteen en vooral luidkeels wanneer het kwik in de thermometer, als bij de kop-van-jut op de kermis, tegen de 30 graden aantikt. We zijn het wennen verleerd en het ongeduld is er voor in de plaats gekomen.

Ik luister niet langer naar het geklaag in de coupé en kijk weemoedig naar buiten. De trein is de randstad uitgereden en het uitzicht wordt niet langer belemmerd door  de grijze geluidsschermen of de strategisch geplante bomen. Het landschap van de lage landen rolt aan me voorbij en ik zie vooral de heldere blauwe lucht en het frisse voorjaarsgroen van de weilanden. In een fractie van een paar seconden zie ik een oud boertje in overall voorovergebogen bij een slootje, van wat ik denk, gemaaid gras weg te harken.

Enkele kilometers later zie ik een groep schoolkinderen op een verdwaald fietspad langs het spoor lekker gek doen zoals alleen kinderen dat kunnen. Afgezien van de hoge, tropische temperaturen zijn er mensen die wel genieten van dit vriendelijke weer. Het brengt een glimlach op mijn gezicht en ik bedenk dat we ondanks het figuurlijke warme bad dat we klagen noemen vooral afhankelijk zijn van de blije momenten in ons leven. Lachen, of genieten, zorgt ervoor dat we de moeilijke tijden doorkomen. Koester de mooie herinneringen en geniet vooral vanuit het hart.

De vorige zin klinkt als een tegeltekst, maar de reden van mijn reis deze middag, is een crematie. De moeder van een zeer dierbare vriend is overleden en uit bewondering voor zijn moeder, maar ook als troost voor deze vriend, wil ik er bij aanwezig zijn. Dat is vanzelfsprekend, en ik ben gelukkig niet de enige die er zo over denkt. Deze woensdagmiddag in mei is verdrietig. Voor de nabestaanden een droevige, zwarte dag. Ik hoop dat de aanwezigheid van vrienden en dierbaren enige troost biedt voor een glimlach. Dan heb ik de hoop dat het verdriet eens voorzichtig plaats maakt voor mooie, fijne herinneringen en een lach op het gezicht.

Nabeschouwing

Het Eurovisie-circus is de stad uit. De voorstelling voorbij. De tent is opgedoekt. De artiesten en het publiek zijn naar huis. De keuze is gemaakt: Portugal is de winnaar van het Eurovisie Songfestival 2017. Of dat terecht is weet ik niet. Het Portugese lied Amar pelos Dios is geen lelijk exemplaar, maar persoonlijk vind ik het niet zo bijzonder. Zeker niet het beste liedje van alle 42 inzendingen. Ik la-la dan toch liever mee met Eurovisie inzendingen van landen als Cyprus, Italië of Roemenië.

Qua muziek had het winnend lied niet misstaan op het Songfestival van 1958. Mijn grootmoeder had er vast en zeker glimlachend op zitten meedeinen. Wanneer ik er met mijn ogen dicht naar luister, en niet de iele, fragiele zanger Salvador Sobral voor me zie, doet het me denken aan een intermezzo in een zwart-witfilm waarin een verlegen jongen, gedumpt door de liefde van zijn leven, door de regen naar huis terugfietst. Ook past het lied prima bij een televisiecommercial voor chocolade bonbons.

Hoe kan het dat het winnende liedje van Eurovision 2017, die ik tijdens het afluisteren van de dubbel-cd constant wegdrukte, toch zo populair werd? Het kan zijn dat mijn muzikale smaak niet algemeen is, maar dat betwijfel ik. Mijn smaak op muzikaal vlak is enorm gemiddeld en doorsnee. Kan het zijn dat die-hard Eurovisionsfans er invloed op hebben gehad? Door de slechte gezondheid (hartproblemen) van Salvador Sobral kon hij de eerste repetities in Kiev niet uitvoeren.

Hierdoor viel de Portugese Salvador meteen op en werd hij wellicht de underdog van het festival. Dit werd al snel opgepakt door de bookmakers in Engeland, die helaas veel invloed hebben op het stemgedrag van de Europese songfestivalliefhebbers. Het blijkt dat, mits je echt wilt winnen, je moet opvallen tussen de andere inzendingen. Onderscheidend. Een goed lied is niet goed genoeg. De afgelopen 3 jaar hebben acts gewonnen die echt opvielen naast de andere inzendingen.

Daar kan een man in een apenpak (Italië) niets aan veranderen, want op hetzelfde festival stond er een man bovenop een ladder met een plastic paardenmasker op zijn hoofd (Azerbeidzjan). Dat is niet opvallen, dat is gekkigheid, en daar kennen we genoeg momenten van. Het kopiëren van de winnaar van het voorgaande jaar is ook geen optie, want je valt niet meer op. Hebben we hier ergens in Nederland een Siamese tweeling rondlopen die ook nog eens een mooi riedeltje kan zingen? Zo is het circus hartstikke compleet en wordt Eurovision 2019 zeker in The Netherlands gehouden.

Tjoerie

Het regent in Almere. Deze vrijdagmiddag zit ik aan een tafeltje in het leescafé van de Nieuwe Bibliotheek. Af en toe kijk ik op van mijn mobieltje, een beetje druilerig, net als de regen, naar buiten te kijken. Ik zit er bijna alleen. Samen met een medewerkster van het leescafé, en verderop een Surinaams jongedame. Ze is druk met haar smartphone. Haar grote bos haar met krullen beweegt mee in het ritme van haar duimen als ze zit te whatsappen.

Vanuit de verte zie ik een blonde, slungelachtige jongen lopen. Ik kijk even en doe alsof ik naar het scherm van mijn mobieltje kijk. Ik zie hem richting het leescafé lopen. In zo’n zwart-wit moderne broek die het modebeeld de laatste tijd bepaalt. Een trainingsbroek, maar dan een die vanaf de knie tot aan de enkels op een legging lijkt. Vroeger zou ik zo’n broek vast een heel tof exemplaar hebben gevonden, maar ik ben nu 50 jaar oud en mijn smaak past zich daar op aan. Ik vind het een belachelijk en onooglijk model. Gelukkig word ik niet verplicht het model te dragen en die gedachte maakt me blij.

De blonde slungel stapt op de dame af en spreekt haar -tot mijn verbazing- aan met een heel zwaar Surinaams accent.
‘Hey meissie. Fawaka?’
De jongedame kijkt verrast op van haar mobiel. Heel even is ze in de war. Ze hoorde zojuist duidelijk het bekende accent en nu ziet ze daar een lange, bleke slungel bij haar tafeltje staan. Ze corrigeert haar verbazing.
‘Fawaka!? Ben je een boeroe dat je zo tegen me praat? Jongen, ik zou je een tjoerie geven, maar daar ben je me te min voor. Ga spelen.’
De Surinaamse kijkt hem doordringend aan en de slungel druipt af. Ze neemt een slok van haar koffie en wanneer de slungel op enige afstand is hoor ik dan toch een echte tjoerie. De minachting is duidelijk gemaakt. Buiten is het harder gaan regenen.

Circus

In de jaren zeventig van de vorige eeuw, vond ik het als kind fantastisch wanneer het circus tijdens de zomermaanden neerstreek in Den Helder op het veld achter het bruggetje aan de Walvisvaardersweg. Het veld bestond uit een paar graspollen en enkele opgedroogde modderpoelen, waar stofwolken je het zicht ontnamen wanneer je aan het spelen was. Later werd het veldje geld waard, nadat het werd gevuld met appartementen. Maar daarvoor was het altijd een aangename afwisseling wanneer er in een warme zomer een grote felgekleurde circustent werd opgezet. Clowns, acrobaten in strakke pakjes en exotische dieren hadden een enorme aantrekkingskracht op mij. Ik kan me herinneren dat ik als pre-puber ‘s-avonds vaak heb liggen fantaseren om van huis weg te lopen en met het circus mee te reizen.

Jawel. Je beleeft het gras altijd groener aan de overkant. Maar dat terzijde. De exotische dieren van toen noemen we vandaag de dag bedreigde dieren. Tegenwoordig mag er bijna geen exotisch dier meer optreden in de piste van een grote circustent. En terecht. Dieren zijn er niet om ons, de verveelde mensen, te entertainen. Laat acrobaat en goochelaar maar in eigen persoon de kunstjes aan het publiek tonen. Ik twijfel er niet aan dat de dieren destijds, in de vorige eeuw, best goed werden verzorgd, maar een dier hoort te léven en niet alleen te bestaan in een omgeving van een beperkt aantal vierkante meters.

Overigens is het maar goed dat ik als kind niet van huis ben weggelopen en met een woonwagen de wereld ben ingetrokken. Het circuswereldje is er niet eentje waar ik gelukkig had kunnen worden. Niet dat het circusleven mij te slecht of te min is, maar nu ik iets rijper, qua leeftijd ben, is het fijn te beseffen dat je sommige keuzes juist niet gedaan hebt. Ook al was het nooit een serieuze overweging geweest om me aan te sluiten bij Circus Toni Boltini. Het circus van vandaag is als zwarte piet: Een relikwie, een gedachtenis aan vroeger. De ouderwetse circussen vind men niet meer leuk en het nieuwerwetse circus van dit millennium vindt niet meer plaats in een tent.

Een Cirque du Soleil heeft meer weg van een gala dan dat het op een circusvoorstelling van de vorige eeuw lijkt. Daardoor vind ik het zo grappig dat een specifiek chique gala dat in 1956 voor het eerst werd gehouden tegenwoordig meer op een circus lijkt. Het Eurovisie Songfestival begon ooit heel statig in Lugano te Zwitserland. Het is na jaren uitgegroeid tot één groot circus met vele circusacts. Mannen in hardrockmonsteroutfits, of rennend in een hamsterwiel. Een Ierse handpop achter een draaitafel en een leven draaiorgel. Er komt meer bij kijken dan alleen maar een liedje op het songfestival.

Gisteravond was de eerste halve finale van Eurovision 2017 en morgen, na een dag van rust op deze woensdag, is de tweede halve finale. De Brabantse zusjes Vol treden namen Nederland op, om ‘ons’ naar de finale op zaterdagavond te zingen, en zingen kunnen ze. Van die 10 finaleplaatsen zit er hoogst waarschijnlijk eentje voor Nederland bij. Een week met 3 avonden van Eurovisie Songfestival. Ik zit thuis heerlijk voor de televisie te genieten. Je mag me uitlachen, belachelijk maken. Mij maakt het niet uit. Ik geniet van het Eurovisie Songfestival sinds het circus nog jaarlijks bij ons vroeger in de woonwijk de olifanten en dromedarissen op het veldje lieten loslopen. En daar waar je van geniet, dat moet je niet verstoppen. Zo aan het einde van deze paar regels tekst weet ik, dat al sinds mijn kinderjaren ik toch altijd een beetje van het circus ben blijven houden.

Zorgen

Vandaag later dan verwacht schrijf ik hier enkele regels van woorden. Door een noodlottig moment in Dronten is mijn schoonmoeder in de nacht van donderdag op vrijdag ten val gekomen en heeft hierbij haar heup gebroken.

Hierop is ze meteen naar het ziekenhuis in Lelystad vervoerd om daar naast het verzorgend personeel opgevangen te worden door mijn echtgenoot en mijn schoonzus. Gelukkig is ze daar in goede handen, maar toen ik vrijdagavond ook even op ziekenbezoek was, zag ik toch wel enige wijzigen in het beleid van de verzorging. Ziekenhuizen zijn door de bezuinigingen van de afgelopen jaren gelijk aan musea en andere attracties waar veel mensen komen geworden. Bezoekers worden geacht pro-actief en vooral interactief deel te nemen. Bezoekuren duren zolang de bezoekers nodig zijn.

Bloedafname wordt voorlopig nog wel door het verplegend personeel gedaan, maar het is een kwestie van tijd dat bezoekers zelf de bloeddruk van de bezochte patiënten moeten meten. Het zal tegen die tijd ook meer dan normaal zijn dat ze door de bezoekers gewassen en gevoed worden. De mogelijkheden zijn in de moderne toekomst oneindig. Denk hierbij aan live-verbindingen tussen chirurgen en bezoekers, via Facebook, Twitter of Instagram. Door deze zogenaamde vooruitgang zal er zeer waarschijnlijk nog minder verzorgend personeel over de werkvloer van de ziekenhuizen lopen. Allemaal wegbezuinigd door de mensen, die wanneer zij ziek zijn, naar een privékliniek gaan.

Niets

Soms heb je gewoon even geen zin om iets te doen. Geen zin om een paar regels te tikken voor een stukkie tekst. Zoals vorige week. Ik kon me er niet toe brengen om het toetsenbord te roeren voor een blogberichtje. Het is niet dat ik geen tijd had. Op Koningsdag had ik even tijd kunnen maken, maar ik had iets van: Meh. Géén zin.

Het had ook niets te maken met gebrek aan inspiratie. Een werkweek van 40 uur en het dagelijks reizen van huis, naar het werk en vice versa leveren genoeg belevenissen op om aan het digitale scherm toe te vertrouwen. Zo hoorde ik het verhaal over een stukadoor die een paar maanden geleden op een vrijdagmiddag een ‘zwart klusje’ had. Nog voordat de klus was geklaard kreeg hij een goedgevulde emmer met pleisterwerk over zich heen. Doorweekt tot op zijn onderbroek moest hij de werkzaamheden stoppen.

Het nadeel van vloeibaar pleisterwerk is dat het snel uithardt. Om de klus die middag af te krijgen, ontdeed hij zich van alle natte kleding. De klus bevond zich in een leegstaand huis en daardoor kon de stukadoor ongezien in adamskostuum zijn werkzaamheden voortzetten. Toen het buiten te donker werd, waren de muren glad gestreken en kon hij op huis gaan. Zijn kleding was hard opgedroogd en niet meer te dragen. Het stucmateriaal kon hij op het adres achterlaten. Gekleed in werkschoenen en alleen een handdoek voor zijn edele delen, trok hij een sprintje naar zijn auto.

Eenmaal thuis zou hij de auto onder de carport parkeren en zo ongezien het huis ingaan. Onderweg had hij het thuisfront via een berichtje laten weten dat hij onderweg was en dat hem een snelle toegang naar binnen toegezegd moest worden. Opgelaten, maar opgetogen blij dat hij nu bijna thuis was, reed de stukadoor in vlot tempo naar huis. maar net voordat hij zijn woonwijk inreed, reed hij een politiefuik in. Controle. Een politieagente wenkte hem haar kant toe. Binnensmonds gevloek. Waarom nu. Waarom hij.

Met enige gêne zette hij de auto tot stilstand. De politieagente was verbaasd dat ze de stukadoor met bloot bovenlijf achter het stuur zag zitten. Naakt in de auto met een zielig handdoekje op de schoot. De vrouwelijke koddebeier corrigeerde haar verraste blik. ‘Het is ongebruikelijk om naakt in de auto te zitten, maar direct strafbaar is het niet,’ zei ze. ‘Kunt u mij de reden geven van uw huidige positie?’ Stotterend en met een rood hoofd vertelde de stukadoor zijn verhaal.

De politieagente vond het verhaal geloofwaardig genoeg. Vooral ook nadat ze enige navraag had gedaan bij haar aanwezige collega’s. die ze  bij zich had geroepen. Nadat de stukadoor in het blaaspijpje had geblazen en bleek dat hij zonder alcohol op achter het stuur zat, mocht hij zijn reis voortzetten. Wel kreeg hij nog een officiële waarschuwing en de tip om voortaan, wanneer hij weer een klus had, een extra setje kleding mee te nemen.