The Supremes

Sommige liefdes beginnen niet met een donderslag, maar met een opmerking tussen de dampende pannen. Bij mij waren dat de stemmen van The Supremes en vooral de stem van mijn moeder, die vanuit de keuken riep: “Hoor je dat? Dat zijn The Supremes.” Alsof het algemene kennis was, iets wat je als kind gewoon moest opslaan voor later.
   Mijn moeder was geen uitgesproken fan. We hadden thuis geen platenkast vol Motown. Maar zodra er een hit voorbij kwam, veranderde haar toon. Dan ging het over Diana Ross. “Dat magere type,” zei ze dan, half bewonderend, half verbaasd. Dat tengere lichaam, die enorme ogen, dat grote haar – het maakte indruk. Terwijl zij aardappels afgiet, stond daar op televisie een wereld van glitterjurken en perfect ingestudeerde pasjes.

En soms, terwijl ze stond te strijken, noemde ze Florence Ballard. Dat die in armoede was overleden. Dat roem niet alles zegt. Die zinnen bleven hangen. Ik begreep als jongen nog niet de volle zwaarte ervan, maar ik voelde dat er iets achter zat. En dan was er Mary, over wie ze met een zekere vanzelfsprekendheid sprak: Mary, die er van het begin tot het bittere einde bij was gebleven. Alsof trouw blijven aan een groep net zo’n prestatie was als een nummer 1-hit scoren. Mijn moeder vertelde die wetenswaardigheden alleen wanneer er een liedje op radio of tv klonk, nooit als apart verhaal maar altijd verweven met het moment.

Misschien is het juist daardoor zo diep gaan zitten. Muziek werd iets met een achterkant. Meisjes die begonnen in eenvoudige jurken en eindigden in glitter en drama. Vriendschappen, breuken, doorzetten. Eind jaren tachtig begon ik fanatiek elpees te verzamelen van The Supremes. Met Diana, maar nadrukkelijk ook zonder haar. Want al snel ontdekte ik dat de groep na haar vertrek in 1970 nog zeven jaar doorging. Andere bezettingen, andere dynamiek, maar nog steeds die naam, nog steeds die ambitie. Het voelde als een ontdekkingstocht. Hoe klonk de groep zonder de ster die iedereen kende? Wat bleef er over van het geluid waar mijn moeder het soms over had?
   Begin jaren negentig verruilde ik het vinyl voor cd’s. Praktischer, minder gekraak. De collectie groeide gestaag. Ik denk dat ik inmiddels vrijwel alles heb wat officieel is uitgebracht. Toch verzamel ik door. Niet om zeldzame persingen te bemachtigen, maar omdat ik het prettig vind als een hoes er netjes uitziet. Een vers exemplaar vervangt dan een versleten kaft, alsof ik een herinnering voorzichtig restaureer.

Het fanatieke is er inmiddels wel af. Ik reis niet meer stad en land af voor optredens van een paar overgebleven Supremes uit latere samenstellingen. Maar zo af en toe is daar weer zo’n opleving. Dan hoor ik een intro, een meerstemmig refrein dat zich moeiteloos in mijn hoofd nestelt. En dan hoor ik mijn moeder weer, tussen pannen en strijkplank: “Dat is Diana Ross, de magere van de groep.” En ergens klinkt ook haar terloopse bewondering voor Mary, die bleef toen anderen vertrokken. Het zijn losse herinneringen. Geen grote verhalen. Maar ze hebben mijn liefde voor deze damesgroep voorgoed verdiept.

Ongelooflijk

Er is een jonge vrouw in mijn omgeving, net twintig. Aardig, vriendelijk, een tikkeltje dromerig – maar ze heeft iets eigenaardigs. Ze verzint de dingen. Niet kwaadaardig, niet om te bedriegen, maar gewoon… ter plekke.
Ze vertelt over gebeurtenissen, mensen, relaties, alsof ze het allemaal gisteren nog beleefd heeft. En terwijl ze praat, zie je het ontstaan, daar voor je ogen: de kleine details, het zorgvuldig neergezette drama, de net iets te perfecte anekdote.
Ik zeg niet dat ze liegt. Liegen is bewust, berekend. Dit is iets anders – een soort improvisatie op het leven.

Ik luister dan, knik wat, stel een vraag of twee, en hoor mezelf denken: dat kan gewoon niet waar zijn.
Maar ze gelooft het zelf. Of wil het geloven.
En misschien is dat nog wel het meest wonderlijke eraan: dat iemand zijn eigen verzinsels zo vanzelfsprekend kan dragen.

Ik heb het eerder meegemaakt. Tientallen jaren geleden, in Den Helder, had ik een collega van datzelfde type. Die kwam op een ochtend met het verhaal dat haar kitten was overleden omdat ze er per ongeluk op was gaan zitten. Tragisch, natuurlijk. Iedereen sprak er de hele dag fluisterend over. Alleen – ze had nog nooit eerder vermeld dat ze een huisdier had. Laat staan een kitten.
Een week later verscheen ze met een neusring op het werk. Het bleek een ringetje van een fietssleutel.

En dan was er nog die andere collega – een oud-klasgenoot van iemand uit ons team. Die had een cv waar de tijdvakken over elkaar heen buitelden. Alsof ze drie banen tegelijk had gehad én gestudeerd, allemaal in Den Helder. Later kwam ze met het dramatische verhaal dat ze kanker had. Net tijdens de bouwvak, hoe toepasselijk, moest ze naar een privékliniek in Zwitserland, waar ze “speciale therapie” kreeg. Na de vakantie kwam ze terug, gebruind, en met een totaal andere haarkleur. De therapie had haar blijkbaar meer dan goed gedaan.

Wat bezielt zulke mensen? Is het leegte? Aandacht? Of gewoon een iets te levendige fantasie? Soms denk ik: misschien is verzinnen hun manier om erbij te horen. De wereld is groot, en zij kleuren de gaten in hun bestaan met verhalen.

Ik merk dat ik me er minder aan erger dan vroeger. Misschien hoort het erbij, dat mensen de werkelijkheid een beetje opsmukken.
Maar toch – als ze weer begint te vertellen, met die glans in haar ogen en dat zekere stemmetje, denk ik: daar komt er weer eentje, vers van de pers.
En ik luister, glimlach een beetje, en vraag me af op welke improvisatie-act ik morgen weer word getrakteerd.