Winter

Ik heb het altijd een beetje verdacht gevonden: winter. Niet de winter an sich, maar de manier waarop wij er tegenwoordig over praten. Alsof het iets is wat ons overkomt. Alsof kou een incident is. Alsof sneeuw een persmoment vereist.

Ik lees over januari 1790 en lees niets over paniek, maar over aanpassing. Het was koud. Lang. Hard. Rivieren dicht, de Zuiderzee één vlakte van ijs. Mensen gingen eroverheen omdat dat nu eenmaal de weg was. Niet omdat het leuk was, maar omdat er geen andere optie bestond. De winter was geen uitzondering, maar de achtergrond waartegen het leven zich afspeelde. Met honger, met sterfte, met ellende, maar in ieder geval zonder kleurcodes.

Fast forward naar 1956. Min twintig, dagenlang. Een kou die in muren kroop. Natuurlijk ging er van alles mis. Ouderen overleden, brandstof was schaars, treinen vielen uit. Maar niemand leek verbaasd. Het was winter, dus dingen deden het niet. Dat werd niet geframed als falen, maar als gevolg. Je paste je aan of je bleef binnen. Meer smaken waren er niet.

De winter van 1963 herinneren we ons als heroïek. Drie weken ijs. De Elfstedentocht. Schaatsers die honderdnegentig kilometer reden zonder dat iemand een risicoanalyse had opgesteld. Vrijwilligers stonden langs het parcours omdat ze er stonden. Niet omdat het in een draaiboek stond. Niemand vroeg of het wel verantwoord was. Het was winter, dus dit gebeurde.

En dan 1979. Voor mij de meest eerlijke winter. Het noorden van Nederland, inclusief Den Helder, afgesloten van de buitenwereld. Geen metaforische afsluiting, maar letterlijk. Metershoge sneeuwduinen. Wegen verdwenen onder sneeuw, het openbaar vervoer hield op, berichten kwamen laat of helemaal niet. Je was er. En dat was het. Geen alternatieve route, geen update elk kwartier, geen belofte dat alles “zo snel mogelijk” weer normaal zou zijn.

Als ik nu naar de winter kijk, zie ik vooral een overvloed aan kleur. Zoveel kleurcodes dat een regenboog zich achter de wolken zou schamen. Geel, oranje, rood, opgeschaald, afgeschaald, regionaal genuanceerd. Alsof kou minder koud wordt wanneer je haar zorgvuldig labelt. Alsof sneeuw luistert naar communicatieadviezen.

Het is misschien een brain fart, maar ik heb het gevoel dat we niet meer met winter omgaan, we managen haar. En zodra dat niet lukt, leggen we alles stil en noemen we dat voorzichtigheid. Ik kom vanuit mijn werk in Amsterdam bijna niet thuis. Snelwegen dicht, treinen uit de dienstregeling geschrapt, gemeentelijke instellingen gesloten alsof sneeuw een juridische aansprakelijkheid is.

Misschien was het vroeger niet beter. Maar het was wel helderder. Winter was winter. Geen evenement, geen calamiteit, geen kleurenschema. Je wist waar je aan toe was: het werd koud, het werd lastig en je leefde even anders. Natuurlijk kan ik dit allemaal vanaf een warme plek opschrijven; de beste stuurlui staan aan wal, en ik sta ernaast, met mijn handen in mijn zakken, terwijl het sneeuwt.

Nu lijkt het alsof we vooral bang zijn dat het leven tijdelijk niet voldoet aan de planning. En dat we dat gebrek aan controle compenseren met codes, waarschuwingen en sluitingen. Hoe meer kleuren we aan de winter geven, hoe minder we nog weten hoe we er gewoon doorheen moeten lopen.

Bijen

Laatst las ik zo’n stuk over bijen, waarbij ik gewoon de tijd vergat en bijna mijn overstap met de trein miste. Terwijl ik daar zat, verwonderde ik me over iets bijzonders: hoe een gewone larve kan uitgroeien tot een koningin. Niet door genen of een speciale loting, maar simpelweg door koninginnengelei; een voeding die alles verandert. Het is bijna magisch: een larve eet iets bijzonders en ineens is ze een koningin, terwijl haar genetisch materiaal identiek blijft aan dat van een werkster.

Bijen hebben een koningin die niets spectaculairs doet, en toch beheerst ze het hele volk. Ze verspreidt een geur, en iedereen volgt. Werksters leggen geen eigen eitjes, ruimen op, voeden larven en bewaken het nest. Niet uit angst, niet door kracht of politiek, maar door een subtiel chemisch signaal. En toch is de kern van het wonder: de macht van de koningin ontstaat niet uit erfelijkheid, maar uit voeding en verzorging.

Ik begon te fantaseren: stel dat mensen zo waren. Eén subtiele geur, een soort sociale koninginnengelei, die bepaalt wie de leiding heeft en wie taken uitvoert. Misschien een klein dorpje, waar de dorpsoudste door deze geur iedereen in een vanzelfsprekend patroon houdt. Kinderen maken kattenkwaad, volwassenen voeren hun werk uit, en toch wordt niemand jaloers of ambitieus. Omdat de geur alles regelt. Een mens kan bijna een koningin worden, gewoon door de juiste omstandigheden en verzorging, niet door DNA of afkomst.

En die jonge bijenkoningin die uit haar cel kruipt en haar concurrenten uitschakelt? Fantaseer mee: mensen zouden dat doen, niet met messen of politiek, maar met een soort sociale aanwezigheid die zegt: “Hier regeer ik.” Wie voelt dat hij of zij een kans maakt, trekt zich terug of gaat iets anders doen. Zo ontstaat een natuurlijke orde, volledig gebaseerd op verzorging en signalen, niet op genen.

Wat ik fascinerend vind, is hoe het bijenvolk zichzelf corrigeert. Als de geur van de koningin afneemt, beginnen werksters een nieuwe koningin te kweken. Geen vergaderingen, geen stemrondes. Gewoon een proces dat vanzelf gaat. Bij mensen zouden we overleggen en debatteren, maar stel dat wij een geurige hiërarchie hadden: misschien zouden straten schoner zijn, parkeerplaatsen geen strijdpunt, en zouden we elkaar minder lastigvallen. Of het zou een chaos zijn van wie het lekkerst ruikt.

Uiteindelijk zijn sociale insecten en sociale zoogdieren fundamenteel verschillend. Maar ik kan het niet laten om me te verwonderen: een bijenkoningin wordt niet door genetica, maar door voeding en verzorging. Misschien is dat wat we mensen stiekem ook willen: een subtiele kracht die alles in orde houdt, gewoon door aanwezigheid en aandacht, niet door afkomst of DNA.

En zo stond ik daar, net op tijd uit de trein, en besefte dat ik bijna een overstap had gemist. Misschien had ik dat moment even een bijenkoningin moeten zijn: rustig, aanwezig, en de anderen laten doen wat ze moeten doen.