Voorraad en Verraad

Ik las van de week dat deze zomermaand sinds juli 1976 de droogste maand is. ‘Als het zo droog blijft, gaat het droogterecord van 1976 er binnen nu en twee weken aan. Dat jaar zorgde voor de droogste zomer ooit in Nederland,’ berichtte RTL van de week op haar website. Ik las het met een glimlach op mijn gezicht, want ik kan wel aan deze droge warmte wennen. Iedere dag voelt voor mij als een vakantiedag in Zuid-Europa of in de landen waarvan ik de droge warmte heb morgen meemaken. Ook de dagen dat ik mag werken voelen als vakantie.

Mijn glimlach was er ook omdat ik de warme, droge zomer van 1976 nog heel goed kan herinneren. Het was de zomer van mijn eerste zomerkamp in Zeist met Scouting -toen nog door iedereen de Padvinderij genoemd. Als negenjarige pre-tiener ging ik voor het eerst zonder mijn ouders op vakantie. Dat maakt het sowieso een ervaring waarvan ik toen wist dat ik deze nooit ging vergeten. Het was een week van onbezorgd plezier, onder begeleiding van volwassenen waarvan het autoritaire die ouders hebben, ontbrak.

Het was een week waar ik als kind de wereld heb ervaren met alleen jongens van mijn eigen leeftijd. Niemand die zich verder met ons bemoeide. Persoonlijke hygiëne was die week ook op vakantie. Wanneer je niet wilde douchen, was dat de reinheid die we hadden. Met die aanhoudende droogte wervelden de stofwolken in iedere huidplooi. Dit resulteerde later in het verhaal dat ik jaren heb mogen aanhoren: Bij terugkeer in Den Helder werd ik niet meteen door mijn moeder herkend, omdat ik eerder op een buitenlands jongetje leek dan op haar eigen zoon.

Die week in de zomer van 1976 was ongedwongen, maar we hadden ons wel aan regels te houden. Open vuur was verboden tijdens het zomerkamp in die droge zomer van 1976. We mochten geen brood bakken met klef deeg om een boomtak gerold. Dat heb ik in de latere zomerkampen wel mogen meemaken. Het aangebrande brooddeeg met je tanden van een boomtak schrapen. Mieters. Ook was het ons verboden om in de voorraadkamer van het kamp te komen. Dit gold niet voor Simon Peters. Hij was de populaire jongen in de groep, die opviel door zijn onverschrokken gedrag.

Simon had het idee opgedaan om op een avond naar de voorraadkamer te gaan om er wat kasten leeg te plunderen. Als negenjarige dacht ik nog de wereld aan te kunnen en samen met Simon en andere welpjes liepen we op een bepaalde avond na bedtijd richting de keuken. De spanning was te snijden. Met samengeknepen billen liepen we op onze tenen over de gang. Het plan was dat ik bij de voorraadkamer op de uitkijk zou blijven staan, zodat de anderen van de voorraad konden gappen. Ik was doodsbang, maar vond mezelf ook heldhaftig. Ik voelde me een tienjarige jongen.

Simon en de anderen waren goed bezig. Tijdens het roven kreeg ik door een kier van de deur een flinke handvol chocolaatjes toegestoken. Van de spanning propte ik alles in een keer naar binnen en probeerde ik al kauwend alle chocolade weg te malen. Ik beleefde een bijna-dood-ervaring toen ik vlak naast mij ‘Wat doe jij daar!?’ werd toegesnauwd. Van schrik slikte ik alle chocolade in een keer door. De persoonlijke carrière als uitkijk was toen en daar voor altijd gedaan. Hoestend en proestend wist ik te liegen dat ik op weg naar het toilet was.

De leidinggevende, die wij Bagheera noemden, vertelde me dat ik uit koers was en hij wees richting de toiletten. Ik knikte en liep in de richting die zijn vingers aanwezen. Hij liep achter mij aan. Ik wist dat dit de bedoeling was, want zo konden Simon en de anderen ongestoord uit de voorraadkamer terug naar de slaapzaal lopen. Zo bleef ons geheim verborgen. Bij de toiletten vroeg Bagheera aan mij of de chocolade lekker was geweest. Ik keek hem gespeeld niet begrijpend aan. Wederom wees hij met zijn vingers. Mijn ogen volgden de vingers, en in de spiegel die boven de wastafels hing zag ik mijn eigen geschrokken gezicht, met daarin mijn chocoladebruine mond.

Uit 1977

Onderweg naar mijn metrostation haal ik hem op de Henk Sneevlietweg in. Hij is een man van middelbare leeftijd. Het pak dat hij draagt heeft ruim de tand des tijds doorstaan. Zijn jasje zit iets te krap en de broekspijpen zijn iets te wijd. Daarbij is de lange broek te kort. Hoog water. Als een kalenderjaar een persoon kan zijn, dan had het jaar 1977 de man gebeld en aan hem gevraagd het pak te retourneren. Voor een moment slaat mijn fantasie op hol. Ik verzin dat de man wel eens een tijdreiziger kan zijn. Eentje die in het verkeerde jaar, 41 jaar te laat, terecht is gekomen. Bij aankomst van mijn metrostation ben ik de tijdreiziger alweer vergeten.

Op het perron mag ik een paar minuten op de metro wachten. Met lichte verwondering kijk ik naar de zomerse kleding van mijn medereizigers. Of eerder het gebrek er aan. Vanuit het werk loopt men tegenwoordig in de stad rond in strand- of zwemkleding. Ik zie meer door inkt gekleurde huid dan kleurrijk textiel. Noem me ouderwets, maar in korte broek en op teenslippers naar je werk gaan, vind ik persoonlijk niet kunnen. Maar het is 2018 en mijn mening zegt alles over mij, dan dat het iets over de bijna blote mensen in Amsterdam zegt. En dan onthoud ik me van enig commentaar over het gebrek aan lichamelijke verzorging en de geur van de mensen.

Om 16:45 uur brengt de metro ons allen in de wagon naar station Amsterdam-Zuid, waar ik mag overstappen naar de trein die me naar Almere brengt. Het voelt bijna als een geluksdag. De trein rijdt het station binnen wanneer ik via de roltrap het perron op stijg. Een zitplaats is al snel gevonden. Ik neem plaats op een klapstoeltje op het balkon van de trein, en ik app naar huis dat ik er aankom. Andere reizigers lopen door naar een zitplaats in de coupé. Eén reiziger loopt niet door en komt op het stoeltje naast mij zitten. Vanuit een ooghoek herken ik de te korte lange broek. Het is de man uit 1977. Ik kijk hem aan en hij kijkt terug.

‘Wat een heerlijk weer is het toch, vind u niet?’ vraagt hij mij.
‘Nou,’ antwoord ik, en ik hoor mijn vader via mijn mond praten. ‘Deze zomer duurt nu al langer dan de zomer van vorig jaar.’
‘Ja. Dat zei ik vanmorgen precies zo tegen mijn vrouw!’
Het laatste woord komt er een beetje geforceerd uit. Schreeuwerig. Ik schrik er zelfs een beetje van. Denkt hij dat ik hem niet wil geloven? Ik kan niet bedenken waarom hij geen vrouw kan hebben getrouwd. Ik kan even geen antwoord geven en val stil. Ondanks het door mij verzonnen mysterie van het pak uit 1977 heb ik de man niets te vragen, en mijn vader houdt ook zijn mond.

D-Day

Het is me niet duidelijk of het de schoorsteenveger is geweest of dat het een vandaal was die -eerder dit jaar- het nodig vond om op het dak van de garage te gaan staan. Dat er uiteindelijk een scheur en een gat in het garagedak door een manspersoon is ontstaan, is een feit. Een onaangename verrassing waar je nooit op voorbereid bent. Lijkt me ook niet logisch. ‘Vandaag maar eens kijken wie er als laatste een gat in ons garagedak heeft getrapt,’ is een vraag die men niet dagelijks stelt.

Maar ineens is het er dan. Heel aanwezig. Een scheur c.q. gat in het dak. Eerst ben je boos, daarna ontmoedigd en uiteindelijk reken je uit wat een reparatie je gaat kosten. Een gat in je dak is niet zo maar te verhelpen met een stukkie dakbedekking. Wanneer je dan de rekensom hebt gedaan ga je denken aan alle leuke dingen die je met zo’n bedrag kunt doen, en heel even reken je het bedrag terug naar de Nederlandse gulden. Een lichte infarct is het gevolg.

Je troost jezelf met de gedachte dat je blij mag zijn dat je het bedrag voor een reparatie kunt uitgeven, terwijl het duiveltje op de andere schouder je influistert dat je ook een luxe vakantie had kunnen boeken. Het is niet anders. Het dak moet worden hersteld naar originele staat. Je vraagt een paar offertes aan en besluit uiteindelijk voor een aannemer te kiezen die de opdracht mag uitvoeren. Hierna volgt de klus om de garage te ontdoen van inhoud, want een ingrijpende dakreparatie houdt in dat het hele dak er af moet.

Zo ben je op je vrije zaterdag een paar uur druk met het uitruimen van de garage, en ben je verrast van alle troep die je in de loop van jaren hebt verzameld. Gelukkig is het zomer en is het deze maanden ook echt zomers weer geweest, waardoor de troep -weliswaar onder een zeiltje- droog kan blijven staan. De katten in de buurt vinden het allemaal heel interessant, want die lopen constant door onze verzameling. Vooral de tuinkussens worden uitgebreid getest. De kattenharen zijn het bewijs.

Dan is eindelijk die dag aangekomen. D-Day. Dak-dag. De mannen trekken ‘s-ochtends in no-time het dak eraf, om daarna het dak weer op te bouwen. Het is warm deze dag en de stoere mannen ontdoen zich van onnodige kleding waardoor ze met ontbloot, gespierd en getatoeëerd bovenlijf aan het werk zijn. Dit beeld is een buurvrouw van een paar huizen verderop niet ontgaan. Ze komt zeer zomers gekleed aan met ijsjes voor de mannen, om later nogmaals met koude drankjes langs te komen.

De mannen accepteren de koude traktaties. Wanneer de buurvrouw weg is worden er een paar seksistische machograpjes gemaakt. Het is iets waar deze, voor ons onbekende, buurvrouw zeer waarschijnlijk op had gehoopt. Het is duidelijk: de beweging die #metoo heeft losgemaakt is haar helemaal voorbijgegaan. Ondanks de hitte werken de mannen stug door, en aan het einde van de dag is alles gedaan. De buurvrouw kreeg haar aandacht, de mannen de vergoeding voor hun werk en wij zijn trotse eigenaars van een nieuw garagedak.

Kleinhartige Killer

De afgelopen week heeft het niet veel geregend. Dat is helemaal niet zo erg. Dat wordt naast het dagelijks genieten van het droge weer, ‘s-avonds de tuin besproeien. Daar knapt het groen van op. Onze poezen daarentegen vinden dat maar niets. Plaatselijke regenbuien die vanaf de grond spetteren. De katten mekkeren, maar dat gezeur laat me niet weerhouden van achtertuingespetter.

Van de week lag ik in de avond op de bank. Een beetje bankhangen met een opengeslagen boek voor mijn neus, toen Harpo zich bij mij meldde. Hij is een zwarte, uit de kluiten gewassen je-weet-wel-kater, met een aparte vacht die wellicht het meest doet lijken op het stekelige haar van Barbabob. De tuin was gesproeid en Harpo had iets te klagen. Dat mag, ik luister toch niet naar kattengeklaag.

Ik moet bekennen, Harpo is een aparte kat. Als je hem voor het eerst ziet lijkt hij een grote gevaarlijke kater met zijn beschadigde linkeroor. Zeer waarschijnlijk tijdens een gevecht ontstaan. Maar dat maakt hem nog geen stoere kat. Zijn bekje staat altijd wel een beetje open en daarbij kijkt hij altijd een beetje afwezig. Dat er heel soms er een druppel kwijl uit zijn bekje valt, geeft het hem eerder een sukkelig uiterlijk.

Zo zit hij van de week naast mij op de bank. Zijn koppie dicht bij de mijne. Hij kijkt me aan (zo lijkt het) en dan komt er een idioot hoog geklaag uit. Het past totaal niet bij zijn grote postuur. Alsof hij aan het heliumgas heeft gezeten. Zijn gemiauw is te vergelijken met de stemmen van Betty Boop en Mickey Mouse. Dat maakt hem bijzonder. Een stoere kat, maar toch ook weer helemaal niet.

‘Een sukkel eerste klas,’ hoor ik u zeggen? Dat is niet helemaal waar. Misschien in de ogen van de mens, maar vanuit de beleving van een veldmuis is het een monster. Een wreedaard, waar Godzilla nog iets van kan leren. De grootste hobby van Harpo is op muizenjacht gaan. Hij doet het graag, en vaak. Dat kan ook prima met het grote grasveld voor ons huis. Gisteravond vrat hij 2 veldmuizen op. Binnen 15 minuten. Dat is toch best stoer? Mij ziet u het niet doen.