DRAY BOSMA

“RUN A SMILE ON YOUR FACE.”

Op dinsdag 28 januari 2020 stuurde ik een nieuwsbericht van een nieuwssite naar een paar collega’s op het werk met de geinig bedoelde toegevoegde opmerking: Is dit het begin van het einde? 🙂

“In Duitsland is vastgesteld dat het coronavirus voor het eerst van mens op mens is overgedragen in Europa. De man in kwestie werd besmet door een vrouwelijke collega die vanuit China was gereisd, zo is dinsdag tijdens een persconferentie bevestigd.
De 33-jarige man maakt het goed en bevindt zich op een isolatieafdeling in een kliniek.
Er waren al vermoedens dat hij het virus via zijn collega had opgelopen, en dat is nu dus officieel het geval. De vrouw is, voordat ze ziek werd, al teruggereisd naar China. Daar heeft ze medische hulp gezocht.
De autoriteiten onderzoeken nu met wie de man en de vrouw allemaal contact hebben gehad, om te achterhalen of het virus zich via hen verder heeft verspreid.
Tientallen mensen zijn inmiddels overleden aan het virus. Het gaat hierbij om mensen die al onderliggende medische problemen hadden. De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een spoedberaad met autoriteiten in Peking aangekondigd en gaat bespreken hoe het virus onder controle gehouden kan worden.”

Ik dacht toen nog grappig te zijn en was niet bewust van de profetie die ik zojuist had uitgesproken. Nog geen twee maanden na bovenstaande nieuwsbericht leek de wereld op slot te gaan. Een geplande citytrip naar Berlijn ging een week voor vertrek toch niet door en op het werk werd het idee geopperd om in roosters te gaan werken. Eén deel van het team in de oneven weken thuis werken en het andere deel in die andere weken. Dit idee heeft een halve week gewerkt, want al snel werd besloten dat iedereen moest gaan thuiswerken. Het thuiswerken doe ik, met enkele korte onderbrekingen, nog steeds. De tweede lockdown is al twee weken bezig en duurt nog een paar weken.

Ik ben me er van bewust dat ik geen toekomstvoorspeller ben. De profetische opmerking naar mijn collega’s heeft niets met waarzeggen te maken, maar mocht het zo zijn dat mijn uitspraken bevestigend kunnen zijn, dan wens ik iedereen hier een fantastisch nieuwjaar toe!

Categorieën:Read

Kerstmis zal niet meer zijn zoals ik het kende als vroeger, of als een paar jaar geleden. Familieleden die twee jaar geleden nog aan de grote, gezellig kerstversierde eettafel zaten, zijn er niet bij. Ze vieren Kerstmis met anderen op een manier die je alleen weet wanneer je het tijdelijke met het eeuwige hebt verwisseld. Onze moeder, die in een verzorgingshuis woont, wordt deze Kerstmis geadviseerd door het hoge besmettingsgevaar door Corona, haar woonruimte niet te verlaten. Volgend jaar april wordt onze moeder negentig jaar. Wanneer ze de volgende Kerstmis er bij kan zijn, dan is dat een zegen.

Dan ben ik even verdrietig, maar niet voor lang. Verdriet mag een leven niet beheersen. Dan denk ik aan vrolijke momenten of zit ik te mijmeren en vooral te fantaseren over het stiekem samenvieren van Kerstmis. Dan heb ik het idee dat ik, samen met de familie, op een plan zit te broeden om het toch voor elkaar te krijgen dat we met Kerstmis wel met zijn allen bij elkaar kunnen zijn. Maar hoe krijg je zoiets voor elkaar?

Kerstochtend. Het is vroeg en buiten is het nog donker. De wind waait flink vanuit het zuid-oosten. Het verzorgingshuis van mijn moeder is in Den Helder, een paar honderd meter onder de dijk. Daar waar je als toerist de laatste bocht naar rechts neemt om de boot naar het eiland Texel te nemen, zie je links het verzorgingshuis waar mijn moeder woont. De hard wind slaat de de koude regen ons horizontaal in het gezicht. Je moet er wat voor over hebben om iets te bereiken. We staan met zijn drieën op het binnenplaatsje, achter het verzorgingshuis. Edo en Dennis staan klaar met de auto, die een straat verderop met draaiende motor staat te wachten. We zijn van plan om mijn moeder stiekem vanuit haar appartement mee te nemen, te ontvoeren.

‘Weet je zeker dat mijn moeder de deuren van het appartement van het slot heeft gehaald?’ vraagt mijn neef Martijn aan mij.
‘Zeker weten doe ik het niet, maar laten we ervan uitgaan dat het zo is,’ fluister ik terug.
‘Wat zeg je?’ roept hij terug. De harde wind heeft me onverstaanbaar gemaakt.
‘Dat we het niet zeker weten,’ zegt zijn broer Rick.
‘Wat weten we niet zeker?’ vraagt Martijn.
Rick en ik kijken elkaar even aan. ‘Niets,’ antwoord ik nu luider en loop snel, met een kromme rug naar het appartement van mijn moeder. Zo ben ik minder snel te zien. Dat hoop ik.

Ik voel aan de glazen deur en deze opent verrassend licht naar buiten. Het is nog even een gepuzzel op de opening in de vitrage te vinden, maar uiteindelijk staan we alle drie in het appartement van mijn moeder, hun oma. Gelukkig is mijn moeder bijna doof en slaapt ze zonder gehoorapparaat. Ik loop naar de slaapkamer van mijn moeder. Mijn moeder is al wakker en is verrast mij te zien.
‘Hoi knul, heb je een vrije dag vandaag?’ vraagt ze me.
‘Ja,’ lach ik haar toe. ‘We nemen je mee voor een gezellig dagje met de familie.’
‘Gezellig,’ zucht ze en maakt aanstalten om op te staan. Ik zeg haar dat ze in de rolstoel kan gaan zitten en haar twee kleinzoons Rick en Martijn de rolstoel de slaapkamer in rollen.
‘Ah, jongens,’ zegt ze verrast. ‘Hebben jullie een vrije dag vandaag?’
‘Ja oma, het is Kerstmis,’ zegt mijn neef.
‘Ach ja,’ zegt ze zacht. Ik zie de droefenis in haar gezicht. Ze vindt het niet leuk dat ze Kerstmis is vergeten.

Ik neem de alarmketting van haar nek en leg deze op het nachtkastje. Het is niet nodig dat deze per ongeluk alarmslaat. Ik help haar in haar beste kleding die mijn zus de avond ervoor al heeft klaargelegd en al rap zit mijn moeder, diep in haar jas gestoken, in haar rolstoel. We openen de deur naar het binnenplaatsje. De vitrage waait in lange slierten naar buiten. De beide broers rollen mijn moeder naar buiten en ik probeer de lange gordijnen naar binnen te proppen om de deur weer dicht te krijgen. Het is een kleine stoeipartij, maar het lukt me springend en met de armen zwaaiend de lappen stof binnen te krijgen en wanneer ik de deur dicht doe, opent de deur aan de andere kant van het appartement. Ik zie het silhouet van de verzorgster in de deuropening.

‘Wat krijgen we nou!?’ schreeuwt de verzorgster luid en verrast vanachter de glazen deur.
‘Rennen!’ roep ik en draai me om. De anderen zijn al een stuk verder. Met mijn moeder in de rolstoel rennen ze naar de Keizersgracht waar op het parkeerterrein neef Dennis en Edo klaar staan. Mijn moeder houdt zich stevig vast en wanneer ik haar en mijn neven bijna heb ingehaald hoor ik mijn moeder lachen. Van de zenuwen, denk ik. Net als ik. Ik gier het uit en schreeuw van frustratie wanneer achter alle ramen van het verzorgingshuis de lichten aan gaan.
‘Halt! Staan blijven!’ roept een personeelslid. Ik hoor meerdere stemmen van het personeel naar ons roepen.
‘Mooi niet!’ roep ik terug. Ik durf niet om te kijken om te zien hoeveel mensen er achter ons aan rennen.

Verderop, op het parkeerterrein, zie ik dat neef Dennis de achterdeuren van het busje al heeft geopend en met een strak gechoreografeerde manoeuvre wordt mijn moeder door haar drie kleinzoons in het busje gereden. De deuren worden snel gesloten. Alleen de deur bij de bijrijdersstoel staat nog op een kier.
Ik hoor dat Edo gas geeft, en wanneer de wagen langzaam achteruit rijdt, trek ik de deur verder op en spring in het busje.
‘Go! Go! Go!’ roep ik, en ik krijg bijval van de drie broers. De wagen wordt gevuld door onze enthousiaste aanmoedigingen. Edo gebaart, zoals altijd, dat we rustig moeten doen.
Wanneer we in het busje wegrijden zie ik in de zijspiegel dat het personeel van het verzorgingshuis de achtervolging heeft gestaakt. Eindelijk kan ik rustig ademhalen.

Op onze geheime locatie komen we allemaal, één familie, bij elkaar. Mijn moeder is blij haar kinderen en kleinkinderen te zien. Tijdens een speciaal kerstontbijt vertelt iedereen zijn eigen versie van de ‘ontvoering’ op deze kerstochtend en mijn moeder smult van het ontbijt. Ze eet niet veel, maar ze geniet wel.
Mijn zus Yvonne vraagt of onze moeder het naar het zin heeft.
‘Jazeker,’ verzucht mijn moeder met een glimlach. ‘Heel gezellig allemaal, maar toch zit ik liever thuis bij de andere dames. Volgens mij hebben we deze ochtend kerstontbijt.’

Het jaar 2020 is bijna voorbij. Daarvoor hoef ik niet op de kalender of in mijn agenda te kijken, want ik krijg al een tijdje constant e-mails en pop-upberichten via mijn telefoon met diverse, schreeuwende overzichten van het afgelopen jaar. Hoe dan? denk ik dan, want we moeten nog anderhalve week voordat het jaar is afgelopen, en in die anderhalve week kan er nog van alles gebeuren. Zo ben ik nog lang niet klaar met de nog te lopen hardlooprondjes, bijvoorbeeld.

Bovendien ben ik van mening dat we, mede door een landelijke lockdown die tot 19 januari 2021 duurt, dit jaar niet zoals de voorgaande jaren kunnen afsluiten. We zitten nog midden in de corona-shit die we al sinds afgelopen maart mogen beleven. Mogelijk tot ver in het nieuwe jaar leven we het ‘nieuwe normaal’. Wat natuurlijk helemaal niet normaal is. Ik ben geen viroloog, en pretendeer er ook niet een te zijn, maar tot meer dan de helft van de (wereld)bevolking gevaccineerd is, is het leven beperkt. En dat zal nog wel standhouden. 

Het idee en de hoop dat we er samen iets beter van kunnen maken, heb ik nog wel. Maar er zijn landgenoten die er alles aan willen doen om dat idee niet te laten slagen. Die lopen bewust met een naakt gezicht tussen de anderen, zonder rekening te houden met een anderhalvemetersamenleving. Deze groep denkt heel woke* te zijn, maar voor mij zijn het achterlijke debielen, die in iedere andersdenkende een tegenstander zien en bij ieder voorstel of uitleg in deze altijd tegen zijn. Positiviteit en compromissen zijn hen vreemd. Het lijkt me toch heerlijk om zo te leven; altijd ongelukkig en ontevreden. Ik hoef niet woke te zijn. Ik ben graag alert. Ik denk er meer gelukkig door te zijn.

*wakker zijn ten aanzien van de maatschappij. 

De mondkapjesplicht die nu van kracht is doet iets met de mensen. Er zijn veel mensen die braaf het mondkapje dragen en een groep die het mondkapje als een muilkorf zien. ‘Schijnveiligheid!’ roepen ze tegen wie het maar wil horen. Vaak tegen elkaar, maar vooral in de stilte van een toetsenbord. Heel veel mensen dragen een mondkapje, maar zonder erbij na te denken. Die dragen het als accessoire. Onder de kin. Van enkelen vermoed ik dat ze hiermee een flinke onderkin maskeren, maar doen dan alsof het onderkin-camouflage-kapje de latest fashion is. Liever kom ik deze rebellen niet tegen en blijf ik met genoegen thuis, maar soms moet je er even uit.

Zo staat er bij de slager in Almere-Stad een mevrouw op corona-verantwoorde afstand naast me. Niets bijzonders, want dat gebeurt wel vaker in een winkel. Er was niets bijzonders aan deze mevrouw. Dit zeg ik niet om onaardig te zijn, maar ze zag er alledaags uit, met haar niet-medisch mondkapje. Wat haar wel opmerkelijk maakte was haar parfum. Ik weet niet welk merk het was, maar de geur bracht me terug naar de basisschool van jaren geleden. Het was hetzelfde luchtje dat mijn lerares, juffrouw Kapitein, uit de eerste klas (groep drie) droeg. Een niet onwelriekende parfum, een beetje weeïg en herkenbaar genoeg om me weer terug te brengen naar de Torpschool in Den Helder van de vorige eeuw.

Een professor waarvan de naam me nu is ontschoten, alsmede de expertise waarin hij deskundig was, heeft het ooit een heel mooi gezegd: ‘Ruiken is tot op de dag van vandaag de enige manier om te kunnen tijdreizen. Wanneer een specifieke geur je neus bereikt kan je ineens een ervaring of een moment herbeleven, alsof je in de tijd terug bent gegaan.’ Men beweert dat deze geurervaring sterker werkt dan beelden op foto of film kunnen zijn.

Op mijn werk in Nieuwegein, jaren geleden, was in het gebouw een trappenhuis waar dagelijks een andere geur aanwezig was. Dan heb ik het niet over etensluchten, maar echte flashbacks naar de momenten van weleer. Zo werd ik op een dag in het trappenhuis teruggebracht naar de kleuterschool, waar het toilet vroeger een aanhoudend vochtprobleem had. Op een andere dag hing er een lucht die me katapulteerde naar het oude verenigingsgebouw van de scoutingvereniging ‘Jutters Willemsoord’ in mijn oude woonwijk De Schooten. Als tienjarige jongen heb ik daar fantastische herinneringen opgedaan. Het oude gebouw had een specifieke, oude geur. Een combinatie van verweerd hout en een ouderwetse linoleumvloer.

Het is toch interessant dat je naar aanleiding van het ruiken van een geuren terug kunt gaan naar een moment eerder in je leven. Het heeft iets bijzonders en is voor mij totaal anders dan het opnieuw bekijken van oude beelden. Deze helpen je de dingen herinneren, maar een geur laat je het moment herbeleven. Soms verlang ik nog wel eens naar dat oude trappenhuis in Nieuwegein dat me vaak liet tijdreizen.

Categorieën:Read

Een paar maanden geleden, toen de buitentemperatuur nog voldoende aangenaam was om rond het huis in shorts en slippers rond te drentelen, zat ik in de voortuin op het bankje met een spannend boek toen ik een buurtbewoner verderop richting de voortuin zag lopen. Ik zat net lekker in het verhaal van het boek en wilde snel, maar nonchalant de persoon ontlopen. Aangezien het universum van mening is dat dit soort gedrag afgestraft dient te worden, stootte ik bij het binnengaan een teen aan de drempel. Ik kon nog net een kreet van pijn verhinderen. Anders had de buurtbewoner mij zeker aangesproken of het wel lekker met mij ging, waarop ik dan had moet liegen met de kennisgeving dat het allemaal wel ging.

Binnen, op de bank, was ik alle begeerte om verder te gaan met het verhaal in mijn boek verloren. Het teentje naast mijn grote teen voelde heel pijnlijk aan. Ik zag al snel dat de teennagel licht begon te verkleuren. Had ik me nu maar niet zo aangesteld, dacht ik nog, maar deze gedachte verlichtte de pijn in mijn teen niet. Lang verhaal, kort: De teennagel werd gedurende tijd hierna donkerblauw, en bevrijdde zich uiteindelijk van mijn teen, waar inmiddels een nieuwe nagel was gaan groeien. Ik had er verder geen last van, behalve bij het hardlopen, af en toe.

Ik heb niets met nagels. Of beter geschreven; ik vind nagels afzichtelijk. Ze zijn een noodzakelijk kwaad, zodat er geen eeltvorming op de teen- en vingertoppen plaatsvindt, en er gevoel in de vingers en tenen blijft. Ik knip ze zelf altijd heel kort, om zo min mogelijk bezig te zijn met nagels. Het geluid van nagelknippen bezorgt me kippenvel en ik ben in staat om zeer onaardig op de persoon te reageren. Lange nagels maken van handen klauwen. Als baby trok in de kleine knuistjes al terug wanneer mijn moeder mijn nagels wilde bijhouden. Mijn moeder zei het me ooit, want het is -gelukkig- geen eigen herinnering.

Vanmorgen tijdens mijn wekelijkse hardlooprondje op de zaterdagochtend voelde ik weer die pijn van een paar maanden geleden in mijn kleine teen. Zeer onaangenaam. Even wilde ik langs de weg mijn schoen uitdoen om te checken of mijn sok verdraaid in mijn schoen zat, maar ik liep in zo’n lekker tempo, dat ik hier van afzag. Thuis aangekomen heb ik meteen mijn hardloopschoenen uitgeschopt en mijn teen gecheckt, maar er bleek niets bijzonders te zijn. Ik weet niet wat het is geweest, maar ik ga ervan uit dat het wel weer vanzelf over zal gaan.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: