DRAY BOSMA

"Je moet niet alles willen meemaken."

De euforie van het werken op kantoor is vanmiddag plotsklaps verdwenen wanneer er dikke regenwolken boven Amsterdam hangen. Net wanneer ik op mijn fiets naar het metrostation moet fietsen slaat de regen vreselijk tegen de ramen van het het hoge kantoorgebouw op Riekerpolder. Geen regenjas, wel een paraplu. Maar met een open paraplu gaan fietsen staat voor mij gelijk aan het dragen van sokken in sandalen, dat doe je gewoon niet.

Ik heb geen zin om een trein eerder te nemen, want dan moet ik me haasten en ben ik juist meer doordrenkt van het zweet op mijn rug dan van de regen op mijn hoofd. Ik hou me aan de normale werktijd en sta even na half vijf, buiten voor het pand. Ik gooi een Smint in mijn mond, loop naar de altijd wachtende fiets en ik pedaaltrap als een jekko mezelf naar het metrostation. Ik heb wind mee, maar dat betekent niet dat ik hierdoor minder kletsnat word. Integendeel.

Bezweet en bijna doorweekt (ik kan gewoon niet rustig fietsen!) kom ik aan op Henk Sneevliet. Ik ben op tijd voor de metro, die net het metrostation in komt rijden. Ik druk mijn natte gezicht in mijn gezichtsmasker en stap in de metro. Hijgend in een mondkapje is niet verfrissend, en zeker niet met een natgeregende baard. Ik weet niet hoe het virustechnisch ligt, maar beschermt een mondkapje ook tegen microben wanneer deze nat is? Om geen boete van vijfennegentig Euro te riskeren hou ik het masker op mijn gezicht.

Op station Amsterdam-Zuid waar ik moet overstappen voor de trein naar Almere, laat ik bij het verlaten van de metro geduldig de andere reizigers de knoppen van de deuren bedienen. Het duurt een flink aantal minuten tot mijn trein op het station aankomt. Rustend op de roltrap naar het andere perron trek ik het mondkapje van mijn gezicht. Niets lijkt er op dat mijn natte gezicht schade aan mijn beschermingsmasker heeft toegediend. Tevreden plaats ik het terug.

Het is rustig in de trein. Ook na een tussenstop op station Duivendrecht. Twee reizigers zijn ingestapt. Ze gaan op gepaste afstand van elkaar zitten. Een van hen draagt een mondkapje met tijgerprint, de ander draagt fluorescerend roze. Vanachter de maskers kan ik niet zien of ze glimlachen, maar ze spreken elkaar vriendelijk aan. Fluorescerend roze klaagt toch een beetje over het weer. Vooral over de regen. Waarop tijgerprint reageert: ‘Ach, wees niet boos op de regen. Het weet niet hoe het omhoog moet vallen.’

Categorieën:Read

Het was in het voorjaar van 1978 in Den Helder toen ik voor het eerst een James Bondfilm in de bioscoop zag. Samen met buurjongen Maarten en zijn vrienden gingen we ter gelegenheid van zijn twaalfde verjaardag naar de bioscoop. Oh, wat was ik opgewonden. Op dat moment was de Engelse spion, voor mij als elfjarige jongen, de grootste held van de hele wereld. Bond was stoer, hij was populair en had de beste gadgets. Deze kreeg hij van kwartiermeester Q. Het horloge in de openingsscène van The Spy Who Loved Me was een bijzonder snuisterij. Voor zover de vintage gadgets in de jaren zeventig van de vorige eeuw bijzonder konden zijn.  

Tijdens een flinke vrijpartij in een berghut, waarbij James Bond (Roger Moore) en een Russische spionne (Sue Vanner) liggen te flikflooien, kijkt James naar zijn horloge wanneer deze een ratelend geluid maakt. Er komt een plastic strook met tekst uit zijn horloge, zoals een strook uit een lettertang. De strook vertelt Bond: ‘007 TO REPORT HQ. IMMEDIATE M. Dit was voor een elfjarige jongen in 1978 een ultiem hebbedingetje. De beroemde Lotus Esprit die onder water een onderzeeër werd, was voor anderen het ultieme Bondmoment, maar ik wilde het horloge. Helaas heb ik nooit een digitaal horloge om mijn pols gedragen. Ik had een opwindbaar horloge met als gadget dat de wijzers in het donker licht gaven.

We hebben er toen geen trauma’s aan overgehouden. Na het bioscoopbezoek ging het leven met ons door, maar ik heb toch altijd een zwak gehad voor gadgets. In iedere nieuwe Bondfilm die later in de bioscoop kwam, wist ik wanneer Q met een nieuw dingetje aankwam, het later in de film goed van pas ging komen. In mijn eigen leven kwamen er ook meer gadgets. Wanneer ik zelf geld ging verdienen met baantjes bij de bollenboer tijdens de schoolvakanties. De walkman was het apparaat dat iedere tiener in de vroege jaren tachtig in het bezit moest hebben. Het uitzoeken hoe het allemaal werkte was een ontdekkingsreis. De walkman, origineel van Sony of niet, en cassettebandjes. Welk zelf respecterende puber kon er nog zonder?

Een paar dagen geleden ben ik eindelijk in het bezit gekomen van een horloge dat mij doet denken aan het uurwerk uit de James Bondfilm van ruim veertig jaar geleden. Ik heb jarenlang een Fitbit-horloge gedragen, maar die telt alleen het aantal stappen en het aantal traptreden die ik loop. Tegenwoordig draag ik -en zo heet het officieel, een Apple Watch Series 5 Nike. Ik noem het maar een smart-watch. Het kan net zo veel als een Fitbit-horloge, en meer. Wat het apparaat allemaal kan moet ik nog precies uitzoeken, maar een ding weet ik wel. Het spuugt geen plastic strook met boodschap uit. Jammer.

‘Het lukt me gewoon niet om de motivatie te vinden,’ zegt de vrouw die mijn haar knipt. Ze heeft het over hardlopen, net nadat ik heb gezegd dat ik toch wel zo’n drie keer per week de deur uitga voor een rondje. ‘Het lijkt altijd zo makkelijk. Dan zie ik iemand heel relaxt rennen en dan denk ik: dat kan ik ook. Maar als ik de bus moet halen, dan geef ik het al op, want ik ben al buiten adem wanneer ik tien stappen heb gelopen.’

‘Dat moet je opbouwen,’ zeg ik. ‘Negen jaar geleden kon ik ook niet meteen een rondje van vijf kilometer lopen. Ik ben begonnen met een hardloop-app, waarbij je een halve minuut gaat hardlopen en dan anderhalve minuut wandelen, en dat bouw je op. De eerste keer waren voor mij die dertig seconden ook gelijk aan een half uur. Maar als je echt iets wilt, moet je niet opgeven.’ Ik hoor mezelf het laatste zeggen en ik lijk wel zo’n motivatie-goeroe, die alle wijsheden van een tegeltje afleest.

‘Plan je altijd alles van te voren, over waar je naartoe gaat hardlopen?’ vraagt ze me, en ik vertel haar dat ik van te voren weet hoe ik wil gaan lopen, maar ik hou ook rekening met het weer. ‘Een rondje hardlopen is net als alle doelstellingen in het leven. Je moet weten wat je wilt, en waar je naar toe wilt. Je hebt een doel voor ogen en dan bedenk je hoe je dit gaat uitvoeren, en soms moet je de dingen een beetje aanpassen.’

‘Het is normaal dat je tijdens het hardlopen besluit om via een omweg de finish te bereiken, of dat je een stukje afsnijdt omdat het gaat regenen. Maar je moet wel blijven hardlopen, anders behaal je niet het doel wat je voor ogen hebt. Net als in het leven,’ zeg ik lachend, en ik bedenk dat ik als een motivator tegen mijn kapster zit te ouwehoeren.

Ze knikt, ik zie in de spiegel dat ze even naar zichzelf kijkt. Ze is met haar gedachten niet op het werk en zegt dan: ‘Ik weet het niet. Het klinkt allemaal wel zo makkelijk, maar wanneer ik aan het einde van de dag thuis komt heb ik echt geen zin meer om de deur uit te gaan. Dan wil ik met mijn vermoeide voeten op de bank naar een realityshow kijken. Even de gedachten verzetten en weten dat mijn leven minder ernstig is als die van de mensen op tv.’ Ik knik. Een carrière als motivatiecoach is voor mij niet weggelegd.

Categorieën:Read

Vanmorgen stond ik extra vroeg op uit bed. Nadat ik de slaap uit mijn ogen had gewreven wist ik ook waarom, en ik voelde me als een kind dat een schoolreisje te wachten staat: Opgewonden en licht gespannen. Vandaag mocht ik, na een afwezigheid van twaalf weken, eindelijk weer naar kantoor. Een normale werkdag op mijn eigen, normale werkplek en niet op een gecreëerd werkplekje thuis. Ik had me voorgenomen om ruim op tijd te vertrekken, want ik wist niet of het druk op het station of in de treinen kon zijn.

De reis verliep spoedig. Zo zie je maar dat je heel makkelijk in het oude ritme terugvalt. Alsof ik niet drie maanden afwezig ben geweest met het forenzen. Er viel me niets bijzonders op, behalve dat het heel rustig was met het aantal reizigers in de trein en iedereen droeg de verplichte mondkapje. Sommigen droegen het alleen ter bescherming van hun kin, maar je kunt natuurlijk niet verwachten dat iedereen weet waarom ze een masker moeten dragen.

Op station Amsterdam-Zuid kon ik heel relaxt overstappen op de metro. Ook op het perron was het niet druk en na een paar minuten kon ik in de metro zelf plaatsnemen, zonder te dicht bij andere reizigers te staan. Wel zag ik op een stukje industrieterrein langs het metrospoor ineens een hoge silo staan, die er drie maanden geleden nog niet stond. Het voelt misschien alsof de tijd de afgelopen periode heeft stilgestaan, maar dat is niet echt zo.

Bij metrostation Henk-Sneevliet werd ik ook weer herenigd met mijn fiets. Het heeft de afgelopen maanden geduldig op me zitten wachten, zonder te veel lucht uit de banden te verliezen. Mijn fiets en ik zijn nog steeds een goed team. Eenmaal bij het werk voelde alles als vertrouwd. Ik hoefde dit keer geen plekje te zoeken voor de fiets, en nog voordat ik door de voordeur kon lopen stonden er voldoende corona-instructies op het pand en op de vloer voor het pand geplakt.

Als in een puzzeltocht liep ik naar mijn werkplek. Iedereen wordt door het gehele pand verzocht alle instructies goed op te volgen. Het desinfecteren van de handen op iedere etage, niet meer dan twee personen in de lift en het verplicht doorspoelen van het toilet met de deksel dicht. Het is goed. Ik vind het prima wanneer je wilt dat ik met mijn rechterbeen draai en vervolgens met de ander zwaai. Samen moeten we deze corona-dans succesvol uitvoeren.

Categorieën:Read

Als jongeman van ongeveer twintig jaar oud kende ik iemand die een paar jaar ouder was dan ik, en waar ik een gepaste bewondering voor had. Deze vent had alles mee. Een mooie kop op een gespierde lichaam, en wat ook niet algeheel onbelangrijk was, was dat hij een enorm geestig gevoel voor humor had. Altijd was er wel even tijd voor een mop of een geintje tussendoor waar ik dan hardop lachend reageerde. Het was een kameraadschap waarbij we elkaar af en toe opzochten. Vaak was dit in de zomermaanden wanneer de dagen lang waren, en dan toerden we in zijn autootje een beetje doelloos rond. Mijn vriend had altijd de lachers aan zijn kont hangen en was zeer succesvol favoriet bij de vrouwen.

Zo had hij het idee bedacht om succesvol te scoren bij de dames waarmee hij een rendez-vous had. Ik denk dat het hem ook wel lukte zonder een bedacht concept, maar je weet nooit wat een man motiveert om geliefd te worden. Ik heb hem een paar keer geholpen met het voorbereiden van zijn succesvol idee. Achter in zijn autootje had hij een kistje met inhoud en het bevatte twee flesje wijn. Rood en wit. En wat lekkers erbij om te eten. Vervolgens reden we met de auto naar de duinen aan de Noord-Hollandse kust en begroeven het kistje in een duinpannetje.

De dag erna vond het afspraakje plaats. Er werd een lange strandwandeling gemaakt en wanneer het weer het toeliet werd er ook gezwommen. Mijn vriend wist het dan zo te plannen dat ze rond etenstijd in de duinen wandelden.
‘Ik zou best wel wat lusten,’ riep hij dan.
‘Nou, ik ook,’ zei het meisje dan. ‘Maar we hebben niets bij ons..’
‘Laten we dan maar hier eens graven!’ stelde hij dan voor. En onder grote hilariteit van het afspraakje kwam dan de kist tevoorschijn. Het was een succesvolle grap waarmee mijn vriend altijd als succesvol minnaar zijn date beëindigde.

Dit alles heeft bijna zo’n veertig jaar geleden afgespeeld. Het kwam me eerder dit jaar weer voor de geest toen ik in Noord-Holland in een antiekzaakje was om te schuilen voor een regenbui. Ik keek zeer geïnteresseerd naar de aangeboden inboedel om vooral het chagrijnige gezicht van de eigenaar te ontwijken. Ondanks dat herkende ik toch, met enige moeite, mijn vriend. Ja, dit was zijn winkel. Ja, hij was getrouwd. Kinderen en kleinkinderen. Alles.
‘Heb jij nóg een rol met kwartjes nodig?’ riep een dikke vrouw van achter uit de zaak.
‘Oh nee, ik red het wel Marie,’ antwoordde hij snel.
‘Is ze dat?’ vroeg ik geïnteresseerd.
‘Ja,’ zei hij bezorgd.
‘De kist?’ vroeg ik strak.
Hij knikte en sloot zijn ogen, als een slecht uitgekomen droom.

Geïnspireerd door een kronkel (1952) van Simon Carmiggelt.

Categorieën:Read

Een paar weken geleden verdampten de laatste regenbuien lichtelijk van het droge land op om er de gebarsten grond te verlaten. Het verkoelende hemelwater heeft niet de kans gekregen de bodem geheel te voeden, en ondanks dit tekort van regen schiet het groen snel op en groeien de grote graspollen in grote hoeveelheden naar de berm van de weg, zodat het grauwe land en de gebarsten grond onder een dek van groen gaat. Uiteindelijk klaarde het weer op en werden de grauwe wolken verdreven. De zon staat dagenlang op het gewas te branden. Een zielig regenbuitje probeert het nog wel eens, maar geeft het uiteindelijk toch op. Het groen wordt meer donkerder groen om aan te sterken en de komende droogte te overleven.

In de ochtend wanneer de zon nog niet op haar hoogst staat, maar de hitte wel al een gloeiende trilling in de lucht veroorzaakt, neemt de arbeider op het land een kleine pauze. Met hangende schouders en een sigaret in de mond loopt hij op zijn dooie akkertje naar het einde van het veld om daar in de schaduw van de bomen te genieten van een rookpauze. De uitgeblazen nicotinerook wordt één met de opwaaiende stofwolk. De arbeider gaat, om geen last van rook en stof te hebben, met zijn rug richting de lichte bries staan. De sigaret hangt slap tussen de vingers wanneer hij een toonloos wijsje met de getuite lippen fluit. Hij kijkt gedachteloos over het veld.

Daar waar geen groen groeit stuift het droge zand van het land door de lucht. In de verte, aan de horizon, vliegt het zand op nadat het wordt bedolven door de grote wielen van een tractor. De zwoele zomerwind drijft het elders en een achteloze fietser verderop, wordt met een zacht windstootje door het zand in het gezicht geaaid. Een buizerd hangt biddend in de lucht. De vleeseter zal een prooi over de droge grond hebben zien rennen, waarbij het kleine slachtoffer kleine stofwolkjes veroorzaakte. Een duik naar beneden van de roofvogel creëert nog meer stofwolken en beëindigt het bestaan van de kleine veldmuis. Het zal deze ochtend lang duren voordat het stof gaat liggen.

Categorieën:Read

Ooit een vriendin had eens, jaren geleden, een avond bij ons zitten babbelen, over koetjes en kalfjes, maar toch vooral het meest over mensen.
‘Het is altijd zo gezellig bij jullie,’ zei ze telkens en dan keek ze ons met grote, jammerlijke ogen aan, want gezellig is een woordje dat je pas veelvuldig gaat gebruiken als het leven niet meer zo gezellig is. Of wanneer je iets te veel wijn hebt gedronken. Dat is mijn mening. Na twaalven was ’t steevast: ‘Hemel lief, al na twaalven.’ Ze stond dan op, ging een rondje omhelzen en mijn antwoord was dan altijd: ‘Kom, we laten je uit.’

Dat even uitlaten komt je bij koud weer op een lichte bronchitis te staan, want bij de open voordeur is ze altijd op zoek naar haar vest, om vervolgens een verkeerde jas in te duiken, en dan schiet haar altijd ineens een gespreksonderwerp te binnen, waar altijd over te discussiëren valt. Toen ze echt alles had -d’r tas, d’r sjaaltje, d’r paraplu, d’r etcetera- vertrok ze. Ik had de voordeur nog niet op slot gedraaid of ze stond er op te bonzen.
‘Zo vervelend,’ zei ze. ‘Maar het slot van mijn auto is bevroren.’
‘En wat doen we nou?’ vroeg ik.
‘Kun jij er niet een beetje op ademen?’ zei ze. ‘Jouw adem is veel steviger dan de mijne.’
Ik wist toen dat het geen slim idee was dat ze nog ging autorijden, maar morgen was het een doordeweekse werkdag.

‘Och, met plezier,’ was mijn antwoord aan haar.
Het is koud, ongezond en absurd om in januari op straat neer te hurken om een poos te hijgen tegen de deur van een autootje die niet wil openen. Ik raakte bijna buiten adem.  Door mijn inspanning had ik het niet meer koud.
”t Helpt niet,’ zei ze. ‘Probeer eens met een aansteker.’
‘We roken allebei niet. Waar halen we een aansteker vandaan?’ riep ik.
‘Heb je een kaars?’ vroeg ze.
‘Nee. Niet bij me,’ antwoordde ik, en klopte demonstratief met vlakke handen langs mijn lijf.
‘Hè, doe nu niet zo akelig,’ sprak ze en haar glimlach deed me daar besluiten nooit meer te akelig te doen.

‘Sorry,’ verontschuldigde ik.
‘Hou maar op, zei ze. ‘Weet je wat? Pak een hamer. We slaan de ruit in.’
‘Dat is zonde,’ zei ik.
Ooit een vriendin keek om zich heen op de grond en vond een halve straatklinker.
‘Achteruit, anders raak ik je misschien.’ Ik week meters terug. Ik denk soms een stoere vent te zijn, maar ben dat helemaal niet. Ze hief haar rechterarm naar achteren en met een snelheid van een intercity brak ze met de steen in de hand met een klap de autoruit aan diggelen.
‘Zo, nu kan je erin,’ zei ik stoer na de schrik.
Ze rustte met haar gewicht op haar linkerbeen en stond er even met haar heupen te wiegen, en zei: ‘Zeg…’
‘Ja?’
‘Het is mijn autootje helemaal niet. Dat zie ik nu pas. Mijn autootje staat even verderop. Dáár.’
Ze wees, ontmoette mijn ontstelde blik en zei hulpeloos: ‘Nou ja, ze maken ze tegenwoordig ook allemaal zo gelijk.’

Geïnspireerd door een kronkel (1956) van Simon Carmiggelt.

Het is vroeg in de avond van de prille zomermaand. Ik zit op het bankje in de voortuin en ik kijk naar de overkant van mijn straat. Er zijn geen buren die terugkijken. Ik heb uitzicht op een grote grasvlakte en de zon heeft zojuist haar vertrek naar morgen aangekondigd. De lucht begint met het kleuren van het avondrood. Het doet me denken aan de openingsscène in het eerste hoofdstuk van Muizen en Mensen uit 1937 van de Amerikaanse schrijver John Steinbeck, zoals ik het heb meegemaakt.

Voor een moment voel ik me aanwezig aan de oevers van de rivier Salinas, enkele kilometers ten zuiden van de stad Soledad in de Amerikaanse staat Californië. Ik mis alleen nog het uitzicht op een sprong konijnen, die iedere zomeravond op het zand van de oevers van de rivier wat afkoeling zoeken, en ieder moment verwacht ik dat de twee hoofdpersonages uit de novelle van de Amerikaans schrijver vanuit het struikgewas tevoorschijn komen. George, de kleinere van de twee mannen, voorop en de lange slungel Lennie loopt een paar meter achter hem aan.

Er volgt deze avond geen dialoog tussen de twee mannen. Vanavond krijg ik niets mee van de geïrriteerde George Milton die zich enigszins ergert aan het overmatige waterdrinken van de niet al te snuggere Lennie Small. Wanneer hij te veel drinkt is deze weer de hele nacht misselijk. George is kwaad over de idiote buschauffeur die hen eerder deze dag zes kilometer heeft laten lopen. Daarnaast moet hij Lennie in de gaten houden. Hij is vergeetachtig en altijd ergens anders met zijn gedachten. Tenzij het over aaibare dieren gaat. Want die hebben altijd zijn aandacht.

Ik ben weer ter plaatse in mijn eigen voortuin wanneer een fietser met een beetje lawaai het trottoir oprijdt. De buurman van een paar huizen verderop groet vanachter zijn mondkapje mij een fijne avond toe. Ik groet terug en lach hem een vriendelijke grijns toe, en ik denk: Kan het leven altijd gevuld zijn met zomeravonden als deze, waarbij ik mag mijmeren over dingen die er niet toe doen. Ja, ik weet het, na een zoveelste avond met ondergaande zon, te midden van diverse mooie kleurschakeringen in de lucht, gaan deze wellicht ook vervelen, maar ik kan toch enorm genieten van deze momenten. Waar ik net als Lennie Small uit Muizen en Mensen niet al te veel behoef na te denken over allerlei zaken die alledaags, en soms ook overbodig zijn.

%d bloggers liken dit: