DRAY BOSMA

"Je moet niet alles willen meemaken."

Na twee dagen van regen en harde wind is het winterweer in Nederland eindelijk een beetje beter. Buiten is het nog koud, maar de zon schijnt fel over Almere. De drang om naar buiten te gaan en een frisse neus halen is groter dan het gevoel van mijn lamlendigheid. Ik besluit me dit keer goed in te pakken om op de fiets een rondje te doen. Vanonder mijn muts kijk ik knijpend de wereld in. Ik heb een beetje de wind tegen, maar door flink de pedalen in te trappen krijg ik het vanzelf warm en besluit ik weer eens over de Oostvaardersdijk te fietsen. Ik vermoedt dat ik op de dijk het oostenwindje mee zal hebben, waardoor ik dan heerlijk kan genieten van het mooie weer. Ik heb gelijk.

Bij het parkeerterrein van bezoekerscentrum ‘De Trekvogel’ bij de Zuidersluis fiets ik de dijk op en de oostenwind duwt me zachtjes in de rug. Het is nu wel heel erg warm met de muts op mijn hoofd, een sjaal om de nek en het extra vest onder mijn jas. Maar ik klaag niet. Ik wil genieten. Genieten van de zon. Al fietsend ben ik in gedachten al een paar maanden voor in het jaar en liggen de wintermaanden van januari en februari ver achter me. Zonder het te merken mis ik de afslag bij de woonwijk Noorderplassen-West en denk dat ik nog wel even een stukje door kan fietsen. Het fietst tenslotte heerlijk vandaag. Ik neem me voor om via de Pampushavenweg weer naar huis terug te keren. Daar wordt de oostenwind vast wel door een aantal bomen afgezwakt. Bij het verlaten van de Oostvaardersdijk komt de maand februari keihard terug in mijn gezicht.

Terug naar de realiteit. Het is winter. Bij ‘Polderland Garden of Love and Fire’, ontworpen door architect Daniel Libeskind, die ook de nieuwe gebouwen op Ground Zero in New York heeft ontworpen, zitten een paar automobilisten in hun auto op de parkeerplaats te wachten op onbekenden die nog langs moeten komen. Het is een plek waar opgewonden mannen op zoek zijn naar andere opgewonden mannen, en ik moet er niet aan denken om er met de broek op de enkels bij deze winterse temperaturen in het bos te staan. Ik rijd door over de Pampushavenweg en na een anderhalve kilometer fiets ik over het Michelinpad richting de bewoonde wereld. De wind waait me guur om het hoofd, dwars door de muts heen.

Na een paar kilometer te hebben afgelegd, maar niet voordat ik het Zoneiland van Nuon ben gepasseerd, besluit ik binnendoor te gaan fietsen. Dwars door diverse woonwijken, richting Amazing Oriental in Almere-Stad. Daar kan ik meteen de nodige boodschappen doen, want na twee dagen van winterse kost van diverse stamppotten komt de rookworst me inmiddels de neus uit. Vanavond eten we Indisch. Doen we net alsof de winter al voorbij is.

Eerder deze week gepubliceerd op OnsAlmere.

Categorieën:Read

Het was in het voorjaar van 1977 toen het bij mij op school een rage was om penpoppetjes bovenop je pen of potlood te steken. Het waren plastic figuren van ongeveer twee centimeter groot met aan de onderkant een holte. Een gat breed genoeg voor een potlood. Een puntenslijper zonder scherp mesje, zeg maar. Je kon het plastic figuur alleen maar doelloos bovenop je potlood plaatsen. Mijn plastic figuur was een ui met een huilend gezicht. Even ter toelichting: Het was aan het einde van de jaren zeventig. Speelgoed hoefde verder niet educatief te zijn of een betekenis te hebben. Het was vermakelijk voor kinderen van die tijd. Ik denk nu dat het promotiemateriaal was ter bevordering van gebruik van fruit en groenten of van een bekend huishoudelijk merk uit de supermarkt.

Ik kan me niet meer herinneren dat ik in 1977 veel lessen heb gevolgd met een huilende ui bovenop mijn schrijfgerei, maar ik kan me wel herinneren dat ik op een middag besloot het uienfiguurtje van mijn potlood te trekken en in het ronde gat onderaan het schoolbord te verstoppen. Ik was toen -denk ik, bezig met het bedenken van toekomstige nostalgie. Het idee om in de toekomst ooit weer eens op school te komen en de huilende ui terug te vinden in het gat van het schoolbord, leek mij als tienjarig kind heel bijzonder. Ik weet niet hoe mijn brein werkt, maar ik verbaas me achteraf vaak over mijn eigen ideeën, of gedachtegang. Inmiddels ben ik tientalle jaren ouder en ben ik aan mijn denkwijze gewend geraakt. Mijn omgeving ook. Tenminste, dat hoop ik.

Eén keer heb ik de kans gehad om te checken of de huilende ui nog onderin het schoolbord was verstopt. Dit was tijdens een reünie in november van 1993. Deze was door een paar oud-klasgenoten van mij georganiseerd, maar helaas was ik er toen niet aan toegekomen. Je bent op zo’n reünie toch bezig met andere gedachten over vroeger. Ik was het penpoppetje dat moment totaal vergeten. Tot de dag erna. Toen moest ik er ineens wel aan denken. Ga er dan nog maar eens aan om oud-klasgenootjes zo ver te krijgen dat ze nogmaals met jou naar de oude basisschool willen gaan om te zien of er wel of geen hebbedingetje uit 1977 onderin een schoolbord ligt verstopt. Mijn steady reputatie van de jaren zeventig, die ik de avond ervoor had kunnen handhaven, kon dit alsnog teniet doen.

Een paar jaar na deze reünie werd de oude basisschool gesloopt. Afgedankt en niet meer langer nodig gaf de oude school geen wijsheid meer door, alleen nog maar herinneringen. Of het oude plastic figuurtje ergens onder het puin van de school is vergaan blijft voor mij een raadsel. Het kan zijn dat het penpoppetje de dag nadat ik het in het schoolbord had verstopt, alweer door een ander klasgenootje werd gevonden. Ik weet het niet en ik zal het ook nooit weten. In mijn herinnering staat mijn basisschool nog statig rechtop en wanneer ik in mijn herinnering weer door de school wandel, verwacht ik dat de plastic ui nog veilig onderin het schoolbord ligt verstopt.

Categorieën:Read

Van de week deed ik beetje dom. Gelukkig heb ik dat niet vaak. Tenminste, dat denk ik zo te ervaren. Anderen zullen wellicht een andere mening zijn toebedeeld, maar ik zeg maar zo: ‘Je kan beter domme momenten hebben dan alleen heldere momenten.’ Ofschoon ik toch liever ‘bij de pinken’ blijf was het toch zo dat ik afgelopen woensdag reageerde op een emailbericht van Netflix met hierin de mededeling dat mijn abonnement over een paar dagen zou aflopen. Om deze tegenslag tegen te gaan, werd ik verzocht om mijn betaling veilig te stellen met een automatische betaling. Ik kon een zucht niet onderdrukken. Ik wordt altijd een beetje moe van dit soort herinneringsmailtjes, want ik heb ruim voldoende betalingen die automatisch worden afgeschreven.

Om nog meer van dit soort emailberichten te voorkomen, haalde ik mijn creditcardgegevens tevoorschijn en begon op de website van Netflix met het invoeren van de benodigde betalingsgegevens. Met een tevreden blik klikte ik op verzenden. Klaar met deze betalingsherinneringen, dacht ik. Als door een wesp gestoken reageerde ik op mijn gedane actie van zojuist. Was ik nu met open ogen in een phishingmail gestonken? Mijn betalingen voor Netflix worden al sinds jaar en dag via automatische incasso geïncasseerd, dus al snel opende ik nogmaals de phishingmail en zag ik het. De link naar de betalingssite van Netflix had niet eens de naam Netflix in de link staan. Het was op dat moment officieel. De sukkel van de dag was ik.

Snel had ik het creditcard-alarmnummer van mijn eigen bank achterhaald om, indien mogelijk, de schade van mijn eigen stomme actie te beperken. Ik had de benodigde gegevens bij de hand en al snel sprak ik een vriendelijke medewerkster van mijn bank. Niet geheel zonder gevoel van schaamte deed ik mijn verhaal. De bankmedewerkster aan de andere kant van de lijn had meer of berichten als die van mij te horen gekregen, of ze had een perfecte training gevold om het hoongedrag bij ervaringen als deze, achterwege te laten. Bij het opgeven van mijn geboortedatum dacht ik even een onderdrukte zucht te horen, maar dat kan ook mijn verbeelding zijn geweest, omdat ik volgens mij nu zeker wel ook in de categorie van stupide vijftigers val.

De bankmedewerkster vertelde mij dat er nog geen transacties op mijn creditcard waren uitgevoerde en stelde voor om mijn creditcard te blokkeren en dan meteen een nieuwe creditcard aan te vragen. Zonder haperingen ging ik hiermee akkoord. Better safe than sorry, dacht ik even internationaal. Of in het nationaal Nederlands; voorkomen is beter dan genezen. Nadat ik een paar zeer persoonlijke vragen op bankzakengebied voor de volle honderd procent akkoord had beantwoord kreeg ik van de bankmedewerkster de bevestiging dat mijn creditcard op dat moment definitief was geblokkeerd en dat ik binnen vijf werkdagen een nieuw exemplaar via de post kon verwachten. Zo zie je maar weer: Een fout is bijna net zo snel hersteld als deze is gemaakt.

Categorieën:Read

Het was in de zomer van 1999 toen Edo en ik met een paar familieleden gezamenlijk op vakantie gingen naar Oostenrijk en Italië. Ruim van te voren hadden we een datum van vertrek afgesproken, om een overnachting gedurende de reis in te plannen, en dat we elkaar dan op de camping zouden ontmoeten in Oostenrijk. In januari van dit jaar had ik voor het eerst een mobiele telefoon gekocht en zo konden we elkaar onderweg op de hoogte houden van waar we ons bevonden. Dat we de genoemde plekken waar de twee teams zich bevonden, nog op een van de wegenkaarten moesten opzoeken geeft alleen maar aan dat we in 1999 nog niet helemaal voor de volle honderd procent in het digitale tijdperk waren aanbeland.

Een overnachting voor onderweg in Duitsland was via internet geboekt. Aan het einde van de middag toen we Beieren in waren gereden mocht ik de wegenkaart van Zuid-Duitsland uitpluizen, op zoek naar ons logeeradres, mitten im Nirgendwo. Ons gevoel over deze streek werd er niet beter op toen we op een landweggetje een oude, gekromde vrouw met een takkenbos op haar rug, naar de weg vroegen. ‘Immer gerade aus,’ antwoordde ze schraal op onze vraag. We bevonden ons een half uur van de snelweg, op een afgelegen stukje Duitsland, waar naar mijn mening nog lang niet alles in kaart was gebracht. We konden de overnachting toen weliswaar via internet boeken, maar verder bevond het pension Der Grüne Hahn zich in het jaar 1978.

Na nog eens een half uur niet geheel doelloos rondgereden te hebben, zag ik in het midden van een minirotonde waar we overreden, een bord met hierop een afbeelding van een groene haan, en daaronder een pijl, die een richting en de afstand van 2 kilometer aangaf. Het beeld van een overnachting in de auto en morgen geradbraakt op de camping aankomen, konden we wegwuiven. Moe van het rondrijden en het zoeken, kwamen we dan toch bij het pension aan. Het pension zag er uit alsof het daadwerkelijk in 1978 was blijven steken, maar dat idee kon ons niets schelen. Snel de auto parkeren, inchecken en zien of we nog ergens iets te eten kunnen krijgen.

De allervriendelijkste Duitse gastvrouw heette ons vanachter haar receptiebalie, herzlig wilkommen en met een brede glimlach overhandigde zij de sleutel van onze kamer, inclusief de mededeling dat we zeker nog wel een maaltijd konden bestellen van een beperkte kaart. Dit konden we doen in het restaurant nadat we de bagage op onze kamer hadden achtergelaten. Op het balkon van ons appartement heb ik een sigaret gerookt en checkte ik de bereikbaarheid van mijn Nokia 5110. Deze was nul komma nul. Het voelde alsof ik me in een goedkoop griezelverhaal bevond toen ik zo afgelegen hangend over het balkon belde om te zeggen dat we veilig op ons eerste adres waren aangekomen.

Nadat we ons hadden opgefrist liepen we naar het restaurant, dat overigens meer weg had van een eetzaal uit een klassiek sanatorium. Het interieur leek zo’n vijftig jaar niet te zijn veranderd. Het voelde alsof we van 1978 terug waren gegaan naar het Duitsland van 1949. De tafels waren netjes gedekt met roodgeruite tafellakens, waarop lompe, koperen asbakken stonden. Onze mond viel open toen we een enorm grote portretfoto van, naar wat wij dachten, de grootvader van de familie aan de wand zagen hangen. Opa keek ons, vanaf de muur streng aan. Zijn autoritaire blik werd gesterkt door het strakke nazi-uniform dat hij droeg. Trots paradeerde de letters S.S. op zijn uniformboord.

Nergens heb ik me nog zo oncomfortabel gevoeld. Daar zaten we dan. Met zijn tweeën in de grote eetzaal van 1949. We bespiedden de menukaart en ook de aanblik van opa vanaf zijn portretfoto. De gastvrouw kwam binnen. Ze had het waarschijnlijk niet heel druk, want ze ging op haar gemak bij ons tafeltje staan. In het Duits met een zwaar rollende r zei ze: ‘Mijn heren, heeft u iets lekkers kunnen vinden? De keuze is wellicht beperkt, maar wat we u bieden is zeer smakelijk.’ We bestelden wat te eten en drinken. Ze wees met haar potlood naar het portret aan de muur en vertelde zonder gene dat de man in het uniform haar grootvader was geweest. Hij had heel veel voor haar en de familie betekend en ze was enorm trots op hem. Ze knikte kordaat en liep met onze bestelling naar de keuken. Edo en ik keken elkaar zwijgend aan.

Categorieën:Read

Ik ben een stadsmens. Ik hou van de kleine dorpen en van het platteland, maar ik voel me meer thuis in de stad. Ik kan genieten wanneer ik getuige ben van het ontwaken van een stad. Deze ochtend moet ik al vroeg in Amsterdam zijn en ik besluit vanaf het Centraal Station naar mijn afspraak in de Spaarndammerbuurt te lopen. Het is een beetje troosteloos en miezerig weer, maar echt nat kan je er niet van worden. Ik loop door de Haarlemmerstraat en de geluiden van rolcontainers met voorraden die naar een winkelmagazijn worden gereden, in combinatie met het geluid van mensen die hun zaterdag starten, brengen een glimlach op mijn gezicht.

Ik zie een hardloper, die ondanks het grauwe weer in korte broek met een iPhone in zijn handen voorbij rent. Ik wens dat hij iets langzamer hardloopt, of dat ik zelf tijd genoeg heb om in mijn hardloopkloffie met hem op te lopen, want nu kan ik helaas niet de vele en vooral kleurrijke tatoeages op zijn kuiten bewonderen. Verderop staat een groepje van ongeveer tien Italianen. Ze zijn, denk ik, net bij een hotel uitgecheckt en zijn in een heftige discussie over hoe de dag verder door te brengen. Denk ik. Het kan ook zijn dat ze een normaal overleg hebben, maar voor mij klinkt het enorm emotioneel. De temperamentvolle toeristen overheersen voor even alle andere stadsgeluiden.

Ik wandel mijn route in de Westelijke Eilanden, naar de Haarlemmerdijk. Twee blonde jochies op de step schieten mij op de stoep voorbij. Aan de overkant plaatst een te geblondeerde mevrouw een bord met een reclameleus over kortingen en je kansen grijpen voor haar winkel. Ze kijkt even schuin omhoog naar de hemel en houdt haar handpalm op om wat regen op te vangen. Ze knikt tevreden, ze denkt dat het miezerig regenbuitje snel ophoudt. Even verderop knikt de eigenaar, of werknemer van de dierenwinkel mijn vrolijk toe. Hij lapt de ramen van de winkel schoon en ik begroet hem net zo vrolijk terug met een welgemeende ‘Goedemorgen.’ Wanneer ik na een paar minuten aan het einde van de straat aankom en het Haarlemmerplein op loop, merk ik dat het inmiddels gestopt is met miezeren. Het zonnetje is voorzichtig gaan schijnen en ik loop over de Willemsbrug richting de Mirakelbrug. Daarachter ligt de Spaarndammerbuurt.

In een droomhuisje, overal ver vandaan, zat ik van de week, in de nacht met anderen een korte vakantie te vieren. Het was in een oud, nog net niet verwaarloosd, huisje. Bij aankomst zag ik dat er een klein zoldertje onder de dakpannen bevond, waarin een raam enig uitzicht naar buiten, over de akkerlanden, aanbood. Op de benedenverdieping bevond zich naast de deur, bekleed met vergeelde vitrages, een smal raam. Het zorgde niet voor een uitzicht, maar meer voor lichtval naar binnen.

Bij binnenkomst viel het me op dat het er binnen groter leek dan dat het er van buiten uitzag. Andere gasten renden door het hele huis om uit te vinden wat het beste vertrek was om de nacht door te brengen. Overal klonk gestommel van de gasten. Het rook er overdreven naar zeep, zoals het vroeger kon ruiken, maar dan in het kwadraat. Naast deze intense geur hing er ook een sinistere sfeer. Iets onheilspellend, en hierin stond ik niet alleen. De andere gasten ervoeren dit ook.

Eén van de gasten wist dit onheilspellend gevoel te versterken door ons een broodjeaapverhaal op te hangen over een oude schooljuf die hier honderden jaren geleden in het huis was overleden. Het lukte me nog net om niet met mijn ogen te rollen, want daarbovenop werd ons ook nog eens verteld dat de oude schooljuf tijdens een heksenjacht rond het jaar 1640 zakte voor een zogenaamde heksentest en uiteindelijk op een gruwelijke manier verdronk.

Hoe de heks in het huisje verdronken moet zijn, is iets wat naar mijn mening voor het gemak wordt vergeten. Reden voor mij om het verhaal over de schooljuf naar het rijk der fabelen te verwijzen. Dit gevoel werd nog eens bevestigd door de toevoeging dat de schoolgaande kindertjes van eeuwen geleden het hadden opgenomen voor de ter dood veroordeelde schooljuf, waarbij ze de plaatselijke bevolking eigenhandig hadden uitgemoord. Met primitieve wapens, zoals pijl en boog, werd er aan toegevoegd. Daarbij werd gemeld dat de kinderen van toen nu nog steeds in de omgeving ronddwalen.

Yeah right. Ik rolde uiteindelijk dus toch mijn ogen en met deze houding bleek ik het verhaal een beetje te bagatelliseren, want ineens kwam er een donkere rookwolk vanuit de openhaard tevoorschijn. De rookwolk leek lichtjes de gedaante van een gekromde vrouw aan te nemen, maar dat kan heel goed verbeelding zijn geweest. Op dat moment was dit erg overtuigend. Alle aanwezigen gilden. Ik nog nét niet. Nee, echt niet. De rookwolk vervormde in een vormloze rookpluim en vervaagde langzaam. Met het verdwijnen van de rook viel er een stilte.

Het leek er op dat hiermee het hoogtepunt van de urban legend tot zijn eind kwam. De zaken werden weer opgepakt zoals de vakantiezaken meestal worden opgepakt. Koffers werden naar binnen gesleurd en de kamers werden onder de gasten verdeeld. Nog voordat ik kon beslissen of ik het met de keuze van de kamerverdeling eens was, liep een van de gasten terug van het smalle raam naast de deur. ‘Moet je nu eens zien,’ zei ze met een angstige stem. Ik reageerde met een botte opmerking over de schranderheid van de persoon totdat ik zag wat zij zojuist had gezien. In de verte liepen honderden kinderen met pijlen en speren over de bevroren akkers naar het huisje. Hun intentie was niet goed. De angst sloeg me om het hart en met een beklemmend gevoel schrok ik wakker.

Het heeft vannacht nog even geduurd voordat ik weer in slaap viel.

vergeet-mij-niet-speldje

Mijn moeder die in augustus naar een verzorgingshuis is verhuisd, is sindsdien steeds meer vergeetachtig geworden. Ze is dementerend. Persoonlijk denk ik dat deze verhuizing er niet aan geholpen heeft om het proces van dementie tegen te gaan en daarbij heeft het overlijden van haar oudste dochter, afgelopen zomer, het proces zelfs versneld. Het klinkt hard, zeker ook voor mij wanneer ik het hier voor me uitschrijf, maar sinds een paar maanden heb ik reeds afscheid moeten nemen van mijn moeder, zoals ze was. Ze is tegenwoordig niet meer dezelfde vrouw die wij ons hele leven hebben gekend.

Wanneer we haar bezoeken, of telefonisch spreken, is ze altijd aangenaam verrast om ons te zien, of te horen, maar al snel valt ze terug in het patroon van vergeetachtigheid. Ik vind het niet erg om mijn moeder iets dubbel te moeten vertellen. Of haar iets vier keer uit te leggen, ook wanneer ik dit in een paar minuten gedaan moet worden, maar wanneer ik mijn moeder moet vertellen dat mijn oudste zus inderdaad is overleden, dan vind ik dat wel moeilijk. Maar meer voor de reactie van mijn moeder dan voor het bericht zelf. Iedere keer, ook al is dat binnen een vijftal minuten, is ze steeds weer heel verdrietig over het verlies van haar dochter.

Vorige week vernamen mijn zus en ik van de huisarts van het verzorgingshuis dat mijn moeder last heeft van nierfalen. Dit is een serieuze kwestie. De huisarts wilde een persoonlijk gesprek met mijn zus en ik hebben, want hij wenste te weten hoe wij denken over het ziektebeeld en alles wat daarbij komt kijken. Het uitvoeren van wekelijkse nierdialyses bij mijn moeder, die vergeet wat ze ’s ochtends gegeten heeft, wordt voor haar een zware opgave. Bij iedere therapie moet ze er aan herinnerd worden waarom ze deze moet ondergaan. Inmiddels is het medicijnengebruik van onze moeder aangepast en gelukkig reageert ze hier redelijk positief op.

Inmiddels hebben mijn zus en ik die moeilijke keuze moeten maken, waar we beiden gelukkig hetzelfde over denken: Het uitvoeren van nierdialyses of andere behandeling is niet gewenst. Het verlengen van een leven dat onze moeder vroeger niet had willen aanvaarden is voor ons belangrijk en respecteren wij de keuze die onze moeder destijds al heeft gemaakt. Het is voor mijn zus en ik niet de juiste, maar wel de correcte keuze.

In de trein naar huis zit een oudere man met, naar ik aanneem, zijn kleinzoon tezamen met mij op het balkon. Het kind kijkt met pretoogjes naar zijn opa en zegt: ‘Zeg eens muis.’ De oudere man antwoord: ‘Muis.’ ‘Met je hoofd in een pluis,’ roept hij lachend. ‘Nu moet jij een woord zeggen,’ zegt opa. ‘Boek!’ roept de kleine jongen. ‘Met je hoofd in een broek,’ antwoord opa. Hij kijkt even lachend en verontschuldigend naar mij, alsof hij me wil vertellen dat zijn woordenschat groter is dan alleen dit rijmwoord. Ik glimlach naar de man en denk dat hij al een zware dag met zijn kleinzoon achter de rug heeft. En nog even heeft te gaan.

Het jonge ventje kijkt nu naar mij en roept dat het mijn beurt is om een woord te zeggen. Opa probeert het kind nog tegen te houden en sust het enthousiasme van het ventje. ‘Trein,’ roep ik het kind toe. Het is mijn beurt om me te verontschuldigen tegenover de man voor mijn simpele woordkeuze en verklaar met mijn handen de omgeving waarin we zitten. ‘Met je hoofd in de pijn!’ roept het kind naar mij. Ik knik bevestigend naar hem, alsof het ook de enige woordkeuze is dat op trein rijmt. Opa glimlacht wat mee. Het ventje kijkt op naar opa en eist nu een woord van zijn grootvader. ‘Kerst,’ zegt de man tegen zijn kleinzoon. Het kind denkt even na en roept: ‘met je hoofd in een perst.’

De rijmwoorden van het ventje beginnen allemaal met de letter P. Lekker makkelijk en slim van het kind. Ik weet nu al wat er bij het kind zal rijmen op snoep, coupe, loep of kanteloep. Ik kan bijna niet wachten tot het kind mij nogmaals vraagt om een woord te roepen, maar het is alleen maar ijdele hoop van mij. Het concentratievermogen van het ventje is er een die bij zijn leeftijd hoort. Hij heeft inmiddels een boekje tevoorschijn gehaald en zit er druk in te bladeren. ‘Kijk opa, een konijn op een fiets!’ roept hij enthousiast. ‘Hoe vind je zoiets,’ rijmt de man terug. Hij is waarschijnlijk nog uitbundig over het rijmen-op-woorden-spel. ‘Ik vind dat wel leuk,’ zegt het kind en bladert weer verder in zijn boekje. Heel even lijkt opa te betreuren dat zijn rijmpje niet door zijn kleinzoon wordt herkend en door de luidspreker meldt de conducteur dat we het station van Almere-Centrum inrijden.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: