Dray Bosma

"Je moet niet alles willen meemaken."

Het is over en voorbij. De relatie tussen mijn fiets en ik. Het ging de laatste maanden al niet meer zo lekker, toen ze een laatste keer weer eens haar ketting afwierp. Ik heb haar toen bij het metrostation achtergelaten. Weken, misschien wel maanden, ben ik haar voorbijgelopen, zonder haar een blik waardig te gunnen.

Afgelopen woensdag zag ik haar ‘s-ochtends tegen een tweetal andere fietsen staan, als een bundeltje fietsen, en dacht nog: ze staat er niet alleen bij. Een dag later heb ik mijn fiets niet meer zien staan. Vrijdag wist ik het zeker. Ze is gedeporteerd naar een plek waar alle andere achtergelaten fietsen van Amsterdam verzameld worden.

De zorgeloze jaren van plezier kwamen al in december 2014 ten einde toen een autobestuurder in Almere tegen haar aanreed. Gelukkig kon ikzelf vlak voor de klap van mijn zadel springen, maar de linkertrapper van mijn fiets heeft nooit meer soepel gedraaid. Dit heeft haar waarschijnlijk tot diep in het frame geraakt.

Deze klap heeft haar karakter veranderd. Dit uitte zich in meerdere lekke banden en het afwerpen van de fietsketting. Ze had er geen zin meer in. De fietsbel rinkelde op het laatst niet meer. Deze heb ik moeten vervangen. Het was voor mijn fiets vermoedelijk als een pleister op een slagaderlijke bloeding.

De verhuizing naar Amsterdam heeft het ook niet goed gedaan. Geen beschutting van de schuur meer en dit liet ze mij weten door het zadel constant nat te houden na een regenbui. Soms dacht ik dat ze er nog wel zin in had, maar zodra ik van een stoep afreed, wierp ze roekeloos haar ketting van de tandwielen. Maar ze heeft nu rust op een nieuwe plek in Amsterdam.

Ik weet niet waar dit terrein is, maar ik hoop dat ze het er naar haar zin heeft en wanneer ze geen fiets meer is, wens ik dat ze wordt gerecycled. Misschien wordt ze een speeltoestel voor op een kinderspeelplaats ergens in Nederland. Ze hoeft zich dan niet meer als een oud barrel te gedragen en zich niet meer druk te maken over een fietsbel, het zadel of de spanning in haar luchtbanden.

 

Categorieën:Read

Wanneer u nu, op deze Koningsdag van 2019, naar buiten kijkt, geeft het niet het vermoeden dat we een week geleden, met Pasen, heerlijk zomerachtig weer hebben gehad. Even leek het erop dat deze zomer, net als vorig jaar in april ging beginnen, maar het mag niet zo zijn. Maar wie weet! Over een paar dagen kan het alweer mooi en zomerachtig weer zijn. We moeten de meteorologen goed in de gaten houden.

Het was wel weer even wennen, dat mooie weer. En dan vooral het wennen aan de Nederlanders en hun rare zomerrituelen. Alsof sommige mensen er op zaten te wachten. De completer zomergarderobe wordt tevoorschijn gehaald. Bij de eerste zonnestralen worden de benen meteen in shorts gestoken. De shirts worden mouwloos gedragen en de slippers worden aan tenen gehaakt.

Dat is voor mij een nadeel van het onverwachte mooie weer. Ik zie ongevraagd de onbedekte lichaamsdelen, die ik gewoon bedekt wil zien. Daarvoor is tenslotte de mode  uitgevonden. Bedek de armen, benen en vooral voeten met een leuk, trendy tenue. Ik kan me voorstellen dat wanneer je honderden euro’s hebt besteed aan een mooie tatoeage, je dit wilt delen, maar voor mij hoeft het niet.

Zo was ik van de week verbaasd over een lelijke tatoeage van een mevrouw in de metro. Ik kon niet wijs worden over de afbeelding die in haar onderarm was geprikt. Het leek op een grote blauwe plek en toen ik zo onopvallend mogelijk de moeite nam om de afbeelding beter te bekijken bleek het ook daadwerkelijk een blauwe plek te zijn.

Nu ben ik hoe dan ook niet de persoon die mensen aanspreekt op een tatoeage, zo van: ‘Nou, dat is wel een heel mooi plaatje dat je daar hebt laten prikken.’ Ik bewonder, of verafschuw de tatoeages die ik bij de mensen zie in stilte. Dit heb ik ook zo’n beetje met blauwe plekken. Daar spreek ik de mensen ook niet op aan.

Ik ben dan toch een beetje bang voor het antwoord, want een mooi verhaal over een grote blauwe plek zal het niet worden. Het zal misschien veroorzaakt zijn door een ongelukkige val, maar eerder nog is er een gewelddadige klap geïncasseerd, en daarom heb ik van de week de mevrouw in de metro toch maar niet aangesproken. Stel je voor dat zij daar niet van gediend was, en dat ze zelf losse handjes heeft, dan had ik nu ook met een blauwe plek Koningsdag mogen vieren.

Categorieën:Read

Door een gebroken bovenleiding reden er dinsdagochtend bijna, tot geen treinen. Ik had die ochtend al vroeg op mijn app gezien dat mijn eigen treinreis kwam te vervallen. Daarom besloot ik een trein eerder te nemen. Snel tandenpoetsen en de deur uit. Op het station aangekomen merkte ik dat alle geplande treinreizen waren vertraagd of waren komen te vervallen. Het aantal mensen op het perron was veel. Het aantal emoties nog meer.

Veel gestrande reizigers kreunden, steunden, mopperden en vloekten. Ik baal ook van vertragingen, maar ik weiger om er chagrijnig van te worden. Het voegt niets toe en het lost ook niets op. Ik hoorde een paar mensen op samenzwerende toon zeggen dat er pas weer na 11:00 uur treinen gingen rijden. Welke memo heb ik niet ontvangen, vroeg ik mezelf af, en overwoog een misschien halve dag vrij te nemen. Deze gedachte liet ik varen toen er tot ieders verrassing een trein het station inreed.

Ik besloot, net als de rest van de meute, om ook in deze trein te stappen. In een overvolle trein (ik zag, ik rook, ik proefde, ik hoorde èn ik voelde de diverse aura’s van mijn medereizigers) en met een omweg van 2 uur, kwam ik laat op mijn werk aan. Het viel me mee, ik was maar een half uurtje te laat. Dat is dan weer het voordeel van vroeg van huis gaan, en ik zei tegen mezelf dat het zo best wel was meegevallen.

Gistermiddag stond ik op station Amsterdam-Zuid te wachten. Door werkzaamheden aan het spoor heeft een lijndienst de afgelopen weken niet gereden. Dit moet vanaf volgende week weer als vanouds gaan. Tot vandaag rijdt er 2 keer per uur een trein naar Almere. Door die werkzaamheden gebeurt het meer dan eens dat een trein vaak en minimaal 5 minuten vertraging heeft. Of langer. En ook hier geldt weer: ik vind het niet leuk, maar ik laat het mijn humeur niet beïnvloeden.

Dit in tegenstelling tot sommige van mijn medereizigers. Gisteren had de trein van 17:12 uur naar Almere een vertraging van 10 minuten, wat opliep tot maximaal 15 minuten. Dit tot groot ongenoegen van een medereizigster die schuin naast mij op het perron stond. Zij stond er een partij te mopperen tegen iedereen die het maar wilde horen, en iedere keer wanneer ze de app van de NS vanachter haar donkere bril checkte, begon ze weer opnieuw te jeremiëren.

In de 15 minuten van vertraging hield ze niet op met haar gefoeter. Alsof deze negatieve houding positieve invloed had op de aankomst van de trein. Ik moest er een beetje om grinniken. Bij het instappen van de trein, die maar 14 minuten later aankwam, was het drukker dan normaal, qua reizigers, en wilde iedereen dringend in de trein stappen. Ik kon me slinks nog net een zitplaats bemachtigen, maar de vrouw met de donkere bril heeft tijdens de reis, tot aan Almere Centrum staand staan mopperen.

Categorieën:Read

Het is de nacht van zaterdag op zondag. De wintertijd heeft zojuist plaats gemaakt voor de zomertijd. Om 05:50 uur, nieuwe tijd, gaat mijn mobiele telefoon. Nog voordat ik weet wie er belt, weet ik waarom er wordt gebeld. Het gaat om mijn zwager Hans. Nadat ik heb opgenomen, hoor ik de emotionele stem van mijn jongste zus. Ik heb gelijk, maar ik wens dat ik geen gelijk had. De rest van de nacht slaap ik niet meer.

Mijn zwager Hans, de man van mijn oudste zus, is overleden. Hij kwam al sinds 1970 -toen ikzelf 3 jaar oud was, bij ons thuis over de vloer. Ik kan niet anders zeggen dat Hans mijn hele bewuste leven aanwezig is geweest. Tot aan de laatste dag van maart, 2019. Ik weet niet wat ik voel, en van wat ik voel, weet ik niet hoe het hoort te voelen. Ik ben in de war. En verdrietig.

 

img_1072_facetune_03-04-2019-20-02-00

Categorieën:Read

Tijdens onze bezoek aan Parijs afgelopen weekend viel het me op dat een stad van dit formaat altijd in leven is. Nu was het dit keer wel heel opmerkelijk, omdat ons laatste bezoek aan de Franse hoofdstad in 2010 plaatsvond. Sommige dingen veranderen nooit. Zo blijft de Eiffeltoren een toren aan de Seine. Maar ondanks dat is er intussen wel iets veranderd. Zo is de toren niet zo toegankelijk meer dan voorheen. Het monument is omheind door een glazen wand en is voor haar bezoekers alleen nog toegankelijk om door de beveiligingspoortjes te lopen. Nadat je de inhoud van jas en tas aan de mannen van de beveiliging hebt laten zien.

Het zijn de moderne tijden van de afgelopen negen jaar die de stad hebben veranderd. Het is jammer, je wordt aan de littekens die Parijs heeft opgelopen herinnert. Het dak op Tour Montparnasse is inmiddels ook voorzien van glazen wanden en het gevoel dat je bovenop de 210 meter over Parijs kunt kijken en bovenop de hoge toren staat, wordt door het glas ontnomen. Gelukkig blijven de andere zaken die de hoofdstad bijzonder maken, gelijk. Het metrostelsel onder de stad is nog steeds een prima vervoersmiddel,. Zodra je weer weet hoe het werkt.

Het stadspark Jardin de Luxembourg is ook nog steeds hetzelfde gebleven. De oase van rust. Niet in de zin dat het er rustig is, er zijn altijd mensen in het park. Of ze zitten er heel relaxt in een van de vele stoeltjes langs de vijvers of ze zijn druk met andere activiteiten in het gras en onder de bomen. Het is er vooral genieten. Van de onthaasting en van de mensen die er rondlopen. En dan realiseer je dat het stadspark ook niet helemaal meer is zoals het een paar jaar geleden was.

De oude, kleurrijke Parisiennes lopen niet meer door het stadspark. De diva’s van weleer zijn uitgestorven. Letterlijk. Een decennium geleden paradeerden ze met valse trots en te veel make-up op door het stadspark. Met het opgeheven hoofd, inclusief de gekleurde, scheve kapsels. Op de afgedragen hakjes, in korte rokken en de iets te versleten bontjasjes. Afgelopen weekend heb ik ze niet gezien. De senioren van vandaag lopen in stevige stappers met klittenband. Het haar keurig gekapt in pittige, grijze lokken en de benen gestoken in degelijke pantalons. En dat is hun goed recht, maar toch mis ik de diva’s die binnensmonds in het Frans liepen te mopperen en daarbij het opgemaakte gezicht verscholen achter een te grote zonnebril. De vergane glorie is echt vergaan.

 

Categorieën:Read

Parijs, vijf uur in de ochtend. De zon is nog niet op, maar het belooft een mooie dag te worden. Ik voel me de koning te rijk wanneer ik hardloop over het Place Dauphine, op Île de la Cité in de Seine. Waar de Notre Dame al sinds de twaalfde eeuw ernstig imponerend staat. Verderop, bij de Moulin Rouge, aan de Place Blanche ziet de straat bleek. Een melkboer levert aan supermarkten en de straatvegers, gewapend met hun bezems, zijn druk. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het achttiende arrondissement van Parijs maken de mensen zich op voor weer een nieuwe dag. Travestieten scheren het gezicht glad en de stripteaseuses gaan gekleed over straat. Onderweg naar huis. Gekreukeld beddengoed achterlatend, net als de minnaars. Vermoeid met een glimlach op de mond in de doodse kamertjes, waar een paar uur geleden nog de lust en het leven de boventoon voerde. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Kleine kopjes op schotels zijn gevuld met zwarte koffie en in de cafés worden de glazen na een lange nacht weer schoongepoetst, waarin de koffiekopjes de warme drank afgespiegeld verdampen. In de buurt van boulevard Montparnasse kan je vanaf de hoge gelijknamige toren met gemak het station zien. Het is als een kaal karkas, gelijk de bewoners van Cimetière du Montparnasse. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In de voorsteden staan de forensen op de stations en in het grootse park La Villette ten noordoosten van Parijs wordt door haar bezoekers het spek op een van de grasvelden aangesneden. Nachtelijke bezoekers van de stad zoeken de bus op en de bakkers bakken in hun kleine bakkerijen de befaamde stokbroden voor het ontbijt van de bewoners en bezoekers van de stad. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

In het zevende arrondissement staan de in beton gegoten ijzeren poten van de Eiffeltoren nog in de schaduw van de omringende gebouwen en ten noorden van deze wereldberoemde toren, in het achtste arrondissement, wordt de Arc de Triomph weer omringt door het uitdijend verkeer. Rij vanaf hier de Champs-Élysées af naar de Place de Concorde, waar de Obelisk fier overeind staat bij het aanbreken van een nieuwe dag. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

De kranten zijn gedrukt en op het trottoir achtergelaten voor haar lezers, de arbeiders hebben voor vandaag huis en haard achtergelaten en lezen bedrukt de krant. De mensen in de stad ontwaken en in de vroege uren voelen ze zich meer geslagen en gekweld. Voor mij is dit het moment om huiswaarts naar mijn hotel te gaan. Daar waar mijn man wacht en ik mijzelf kan zijn. Het is vijf uur, Parijs ontwaakt.

Het is vijf uur. Ik heb mijn rondje gelopen.

Op het Molenpad bij de Keizersgracht in Amsterdam zie ik tijdens een wandeling door het centrum een klein vrouwtje in een stenen raamkozijn zitten. Het raam is klein en smal met een paar tralies. Het vrouwtje zit voor de tralies en is zelf kleiner, want wanneer ze een normaal postuur heeft gehad, had ze nooit in het kozijn kunnen zitten. Ze zit er met haar armpjes over elkaar en kijkt een beetje nukkig voor zich uit. Dit gegeven, en haar kleine postuur -ze is nog geen 50 centimeter hoog- maakt mij nieuwsgierig, en ik trek de figuurlijke stoute schoenen aan.

‘Goedendag, is er iets aan de hand? U kijkt een beetje sikkeneurig,’ zeg ik met mijn meest vriendelijke stem. Het vrouwtje kijkt boos op. Mijn vriendelijkheid wordt niet door haar gewaardeerd.
‘Zeg! Bemoei jij je even lekker met je eigen zaken,’ bitst ze mij terug en vindt in mijn vriendelijke begroeting de aanleiding tot verder getier. ‘Ik raak een beetje geïrriteerd van het werk dat ik iedere nacht mag doen.’
Het vrouwtje draagt het blonde haar in een staartje en verder draagt ze een strak, lila tenue. Hierop een lichtgroen ponchootje over de schouders en zilveren laarsjes aan de voeten. Maar ze blijkt minder sprookjesachtig dan dat haar kleding mij doet geloven. Ze kijkt me aan alsof ik de oorzaak van al haar leed ben, en nog voordat ik kan vragen wat haar werk zo zwaar maakt, begint ze weer.

‘Iedere nacht mag ik tanden en kiezen van kleine kinderen verzamelen, en in ruil daarvoor krijgen deze tandloze kids een traktatie van hun ouders. Waren de kinderen vroeger nog tevreden met een beetje geld, wordt nu mijn goedheid ondermijnd door de ouders, die buiten proporties denken! Dat varieert van traktaties om mee te pronken tot belachelijk en jaloersmakende cadeaus. Man, ik ben er zó klaar mee.’
Ik kijk haar aan. Ze kijkt boos en gefrustreerd terug. Haar schouders hangen. Alsof ze de strijd al heeft opgegeven. Ik ben slecht in het lezen van lichaamshoudingen, want ze gaat rechtop zitten en tiert verder.

‘Echt, ik zeg het je. Ik ben nu zoveel langer bezig dan wanneer ik alleen muntstuk onder het kussen kan achterlaten. Op deze manier kom ik tijd te kort en iedereen verwacht maar dat ik al het werk in 1 nacht kan doen.’
Ik knik bevestigend en probeer haar een beetje tegemoet te komen. ‘Het lijkt me ook niet echt makkelijk om alles in je eentje te moeten doen.’
Ze kijkt naar me met een blik van “je-bent-niet-goed-bij-je-hoofd”, en ik heb gelijk.
‘Ben je wel goed bij hoofd?’ vraagt ze mij geïrriteerd. ‘Natuurlijk doe ik dit werk niet in mijn eentje. Niemand redt het om in één nacht een paar honderd kinderen te bezoeken. Ik ben toch zeker Sinterklaas niet?’

Ik besluit niets meer te zeggen. Ik heb het idee dat alles wat ik zeg wordt weerlegd met een spraakwaterval, waarbij het beledigen van anderen heel normaal is. Maar mijn zwijgen weerhoudt het kleine vrouwtje niet om door te gaan met schelden.
‘Ik heb er wel 32 muntstukken voor over om bij die idiote ouders al hun tanden en kiezen uit hun bakkes te slaan! Dan heb ik in één vuistslag mijn target gehaald!’
Licht geschrokken van deze agressiviteit, stap ik weg, de Keizersgracht op. Het is een klein vrouwtje, maar de felle boosheid is enorm.

‘Hé,’ roept ze mij na, wanneer ik wegloop. ‘Waar ga je heen? Kom terug!’
Ik negeer haar. Ik heb geen zin meer in de felle vermaning, en het is mijn vrije dag. Die wil ik beter besteden dan naar het luisteren van een verdicht persoon. Na een paar meter heeft ze me bijna ingehaald en haalde ze uit naar een van mijn broekspijpen.
‘Ik zei hé,’  roept ze me na. ‘Waar ga je heen? Ik ben nog niet klaar met jou!’
Wanneer ze een broekspijp te pakken heeft en in mijn benen wilt klimmen, schud ik haar van me af. Ze valt hierbij een paar meter verder op de grond, naast een transformatorzuil, bedekt met opzichtige reclameposters.

Snel staat ze weer op en met haar kleine, graaiende handjes uitgestoken rent ze op me af. Ik recht mijn rug, zet beide voeten stevig op de grond en wanneer het gewelddadige vrouwtje op een meter afstand van mij is, geef ik haar een berekende schop. Met een uitgestoten en schriele schreeuw vliegt ze in een mooie boog richting de gracht en belandt ze met een plons in het water. Ze komt meteen weer bovenwater waarbij het groene ponchootje half over haar gezicht hangt. Ondanks dat ze bijna verdrinkt blijft ze non-stop tekeer te gaan en slaat ze daarbij met haar vuisten op het wateroppervlak. Ik haal mijn schouders op en loop weg. Wanneer ik langs de gracht wandel, richting de Leidsestraat, hoor ik haar nog foeterend tekeer gaan.

Categorieën:Read

De trein staat stil op station Duivendrecht. Enkele reizigers stappen uit en er stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Hij is druk in gesprek met een voor ons onzichtbare gesprekspartner. Mijn ogen blijven gericht op mijn telefoonscherm, maar mijn oren luisteren stiekem mee naar wat de jongen heeft te melden. Hij vertelt enthousiast wat hem vandaag is overkomen. Hij houdt hierbij het witte snoertje van zijn oordopjes met zijn vingertoppen fijngevoelig vast.

Hij heeft vandaag een vertrouwenscursus gehad. Het standaard vertrouwensverhaal wordt verteld. Alle kandidaten op deze cursus moesten zich met het volste vertrouwen achterover laten vallen, in de armen van de andere cursisten. Hij vond het echt fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus. Om te weten of de voor ons onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’ Ik weet het inmiddels ook.

Op een gegeven moment schelt er een hoog aanhoudend gepiep uit zijn oordopjes. Zelfs ik en andere reizigers schrikken ervan. Hij ervaart het zeer waarschijnlijk als een enorme aanslag op zijn gehoor, en geschrokken roept hij wat de fokking hel er aan de hand is. We vernemen even later uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is. De jongen geeft hem het vertrouwelijke advies om bij het koken alles goed voor te bereiden.

‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, klinkt er bijna wijs uit zijn mond. Hij spreekt het uit met een Almeers accent uit. Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft de focus verplaatst naar het kookplaat. Er klinkt luide muziek uit de oortjes. Het zijn hedendaagse, vette en zware beats, waar een man van mijn leeftijd niet op kan dansen zonder verdacht te worden van een epileptische aanval te hebben.

Verveeld draai ik met mijn ogen en mijn gezicht draait naar het raam. Het zicht naar buiten is wazig. Een vette afdruk van een voorhoofd, zeker van een persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten, ontneemt me een helder uitzicht. Door de vetvlek heen zie ik in de verte de skyline van Almere, en even later rijdt de trein het station van Almere Centrum in.

‘Sinds een zomer in mijn jeugd heb ik ontmoetingen gehad met een bijzonder persoon. Onze eerste bijzondere ontmoeting, waarvan niemand het wist, was op het landgoed van vrienden van mijn ouders. Deze vrienden waren de ouders van deze vrouw. Tijdens een van de feesten die iedere zomer werden gegeven. Het was op een zomerfeest dat ik net 17 jaar was geworden dat ik een kaartje vond met hierop mijn naam geschreven. Op de binnenkant stond in een mooi handschrift een geheimzinnige boodschap geschreven.

“Kom in de Tuin en ga onder de Klimop.
Onder de Bladeren. Weg van het Feest.
Kom recht naar de Roos.
Ga door naar de Witte Roos.
Vind Mij.”

Ik wist niet precies wat de boodschap op de kaart inhield, maar ik was wel nieuwsgierig naar de persoon achter de afzender. Op het feest en na de welkomst-toast van de vriend van de familie, verliet ik het gezelschap en liep de tuin in. Op het terras was het nog druk, maar naarmate ik meer de tuin inliep, kwam ik al snel minder gasten tegen. Ik zocht naar een klimop, maar kon deze niet vinden. Er waren geen hagen waarop verder andere begroeiing te vinden was. Ik liep dieper de tuin in, tussen een paar oude bomen, tot de dichte begroeiing om een oude wilg mij opviel.

Nerveus liep ik om de klimop die de oude wilg vanaf de grond tot ruim 2 meter hoog omhelsde. Naast een paar oranje gladiolen zag ik een smalle opening in de klimop. Voorzichtig trok ik de lange klimopslierten aan de kant en ontsloot de opening. Ik bukte voorover en kroop onder het bladerdek door. Het was er zeer lommerrijk en ik moest mijn ogen laten wennen aan het duister. Een lichte helling liep onder de wilg naar beneden. Voorzichtig deed ik een paar stappen naar voren en stond ik even daarna in een doorgang van groen.

De zon scheen met moeite door het dichte bladerdek. Het was er vredig en rustig. Zachtjes hoorde ik een paar vogels zingen. Links van mij leek de doorgang te eindigen. Verderop, rechts van mij, zag ik -zoals het kaartje beloofde, een rozenstruik vol bloeiende witte rozen. Ik liep er heen, en achter de rozenstruik bevond zich een lage opening. Ik moest door mijn knieën om er doorheen te komen. Eenmaal door de opening zag ik, dat ik me in een kleine laar, een natuurlijke tuinkamer tussen de dichte begroeiing, bevond. Ik stond rechtop en stond tegenover mijn convoceer. Zittend op een bankje, verstopt tussen het groen.

Ze keek me verlegen, maar lachend aan en zei met zachte stem: “Ik wist dat je het wel kon vinden. Hier trek ik me graag terug. Het is mijn meest favoriete plek, een perfecte schuilplaats. Ik ben hier dagelijks, ongeacht het weer. Het geeft verkoeling tijdens de hitte en genot wanneer het regent. Soms zit ik hier tijdens onweer en voel ik de verkoeling aan mijn voeten van de grijze tegels in het groen.”
Ik knikte, want ik begreep goed wat ze bedoelde. Ik voelde het overal om me heen. “Weten anderen van deze plek?” vroeg ik  haar.
Ze schudde van niet en zei: “Het is niet makkelijk om dit geheim te delen. Het voelt niet veilig. Kan ik je vertrouwen?”

Ik glimlachte, liep naar haar toe en nam naast haar plaats. We spraken beiden niet. Haar intrigerende ogen spraken voor zich. Ik schoof naar haar toe en zij leunde tegen mij aan. Haar rechterhand in mijn linker. Zo hebben we een hele tijd zwijgend gezeten. Ik streelde langzaam haar hoofd en zij kroop dichter tegen mij aan. Ik voelde haar lichaamswarmte en haar ronde vormen tegen mijn lichaam. Ik voelde me gelukkig. Hier wilde ik altijd blijven. Uiteindelijk gaven we toe aan het lichamelijk verlangen en waren we voor een heel lang moment één.

Deze speciale ontmoetingen hebben we hierna jaarlijks herhaald. Iedere zomer bezochten we elkaar op de bijzondere plek in de tuin. Aan het einde van iedere zomer groeiden we uit elkaar, om het volgende jaar elkaar weer te ontmoeten. We raakten bedreven van elkaar en wisten al onze geheimen. Zo bleven we op de hoogte van wat ons in het leven interesseerde, en ondanks dat we het niet altijd met elkaar eens wilden zijn, waren we één tijdens de bijzondere momenten achter de klimop. Iedere zomer.

Vandaag loop ik weer de tuin in. Ik ga achter de klimop, onder het bladerdek en bij de witte rozen. Ik voel de ijzige kou van de groen, grijze ondergrond en alles is nog steeds overgroeid met klimop. Ik ga niet meer zo makkelijk door de knieën, maar wanneer ik de tuinkamer betreed, verdwijnt de pijn uit de benen bij het zien van het oude, vertrouwde gezicht en de sprekende, intrigerende ogen die mij na al die jaren nog steeds verlegen aankijken. Ik lach naar haar en ik ben gelukkig.’

Categorieën:Read

 

In mijn bed bezoek ik een platenzaak. Zo’n zaak waar je ouderwetse muziekdragers als vinyl langspeelplaten, singletjes en muziekcassettes kunt aanschaffen. Nog voor de compact-discs en andere mp3-bestanden die je met je telefoon kunt beluisteren. Er staan grote bakken, gevuld met vinyl in vierkante hoezen waarvoor ik geen leesbril nodig hebt om op de achterzijde van de albums de tracklist te kunnen lezen. Men zegt dat platenzaken als deze weer in opkomst zijn. daarbij heeft bijna iedere zelf respecterende elektronicazaak tegenwoordig een hoekje in de zaak waar men vinyl kan kopen.

In bed struin ik in een gelukkige stemming langs de grote aantallen aan elpees en maxi-singles, de 12″-uitvoeringen van de grote hits van toen. De bak met vinyl bij de Mediamarkt valt erbij in het niet. De grote kleurrijke platenhoezen doen bijna zeer aan mijn ogen, maar ik geniet intens van het moment. Met mijn vingertoppen tik ik de platenhoezen naar voren, en bij iedere nieuw album dat tevoorschijn komt klopt mijn hart iets sneller.

Ik heb deze terugkerende droom al sinds de jaren 80, waarin ik de meest zeldzame uitvoeringen op vinyl van mijn muzikale idolen onder handen kreeg. Een bijzondere uitgave van de grootste hit van zanger Jacques Dutronc of een verzamelalbum van The Supremes, zonder Diana Ross. Het ene exemplaar blijkt nog mooier dan de ander! Alleen heb ik het nooit voor elkaar gekregen om deze buitengewone exemplaren te mogen bezitten. Het is me nooit gelukt het vinyl af te mogen rekenen. Ik heb geen idee wat deze terugkerende droom betekent. Daar mogen de dromenkenners over parlevinken.

In bed lig ik lichtelijk teleurgesteld en check de tijd op de wekker. Het is nog nacht. Dit betekent dat ik nog even kan blijven liggen. Heerlijk, en ik beloof mezelf dat ik morgen de app Discogs moet checken op mooi vinyl. Hier vind ik over een paar uur, in ontwaakte toestand, voldoende vinylalbums en nog meer -singletjes. Oude en nieuwe her-uitvoeringen. Een ding is zeker; bij de internetwinkel Discogs is er wel een kassa om af te rekenen.

In bed val ik uiteindelijk weer in slaap en droom ik over andere dingen. Ik ben aan het hardlopen in Parijs. Ik ren in de vroege ochtend langs de oevers van de Seine, richting de Eiffeltoren. De Veegmachines en travestieten gaan mij voorbij. De kranten zijn gedrukt en de voorbijgangers, onderweg naar het werk, kijken bedrukt. De Franse hoofdstad ontwaakt. Hardlopend draaf ik door de straten van Parijs en droom nog even.

Met een omweg reisde Marjolein in de trein naar huis. Niet geheel vrijwillig, want dankzij een vertraging van een bus in Utrecht had ze op het centraal station haar gebruikelijke, vaste treinverbinding gemist. Op het station trok ze nog een sprintje naar perron 18, waarbij de andere aanwezige geschrokken voor haar aan de kant sprongen. Op haar hakken rende ze lang niet zo snel als op haar hardloopschoenen. Het sprintje bleek vergeefs, de trein reed langzaam voor haar neus weg. Ze keek vuil naar de mensen in de trein die volgens haar gniffelden om haar pech.

Marjolein overwoog in een andere trein te stappen, via Houten, maar zag er snel van af. Er zat haar niets anders op om een trein later te nemen. Deze had, zoals ze al had verwacht, een vertraging van enkele minuten. Het nadeel is dat er meer reizigers in de trein met vertraging meerijden. Zij die anders moeten wachten op hun vaste verbinding, hebben nu het geluk dat ze een paar minuten eerder kunnen reizen. Daarbij wordt het altijd dringen om een zitplaats. Bij aankomst van de vertraagde trein vond ze al snel een zitplaats op het balkon. Andere reizigers liepen door naar een plek in de coupé.

Naast haar nam een oude man plaats. Hij keek haar vluchtig aan, staarde vervolgens een beetje afwezig naar buiten en boog zich lichtjes naar haar toe.
‘Is dit de trein naar Eindhoven?’, vroeg de man.
‘Jazeker. De trein maakt nog een stop in Den Bosch en rijdt daarna door naar Eindhoven.’ informeerde ze de man.
‘Da’s mooi.’ zei hij opgelucht.
Marjolein knikte en met een vriendelijke glimlach op haar gezicht keek ze naar buiten, waar het landschap met een toepasselijke sneltreinvaart aan haar voorbij ging.

Ze voelde dat de man een gesprek met haar wilde aangaan, maar daar had Marjolein even geen zin in, na alle stress van vandaag. De vertraging en het sprintje op Utrecht en de teleurstelling, maakten haar moe. Ze pakte haar e-reader uit haar tas, en startte deze op. Ze las de eerste zin van hoofdstuk 18: Het is gestopt met regenen en de voetbalvelden rond de sporthal liggen er verlaten bij. Ze kon zich niet concentreren. Ze sloot de e-reader af en legde het apparaat op haar schoot. Ze keek de man naast haar aan en vroeg of hij iets leuks ging doen in Eindhoven. De man begon te vertellen dat hij onderweg naar huis was, en vertelde haar over het bezoek aan zijn kleinzoon in Utrecht. Hij had er van genoten, maar de stad Utrecht en haar bewoners vond hij maar vreemd.

Als een echte Brabander, zo zei hij, kon hij nooit wennen aan de ingetogen mensen boven de rivieren. Hij was liever alleen in zijn flatje in de Lichtstad van Nederland, dan dat hij zich omringde met mensen van een andere stad. De man zat op de figuurlijke praatstoel en vertelde over zijn familie en de andere mensen in zijn leven. Ondanks familie en buurtjes in zijn stad, zag en sprak hij ze bijna nooit. De achterstand in het praten met anderen had de man tijdens deze reis aardig weten in te halen. De tijd vloog om en voordat Marjolein het door had stond de trein stil op het station ‘s-Hertogenbosch, waar ze woonde. Met een goedendag liet ze de man achter in de trein.

Categorieën:Read

Bij mij in de buurt woont meneer de Jong. Hij is een oudere man van in de zeventig en is zijn leven lang al vrijgezel. Daarnaast is meneer de Jong een enthousiast reiziger. Hij heeft al heel veel van de wereld gezien. De mensen in zijn omgeving denken daar misschien anders over, want meneer weet je de meest schitterende verhalen nauwgezet te vertellen. Over zijn vele trips naar iedere uithoek van de wereld, maar foto’s kan hij je niet laten zien. Wil je iets weten over het eiland Tristan da Cunha, het meest afgelegen eiland van de wereld, dan kan hij daar levendig over vertellen. Dat het eiland in het jaar 1506 door de Portugezen is ontdekt en dat er tegenwoordig iets minder dan 300 mensen wonen, allemaal agrariërs.

Wanneer je aan meneer vraagt over zijn trips náár de diverse wereldbestemmingen, het reizen, het onderweg zijn zelf, dan blijft hij stil. Hij gaat je nooit vertellen over de vertragingen of het uitvallen van vliegtuigvluchten. Dit kan hij je ook niet vertellen, omdat meneer zijn verschillende reizen alleen in gedachten heeft gedaan. Overal waar hij is geweest, alle trips naar de diverse windstreken, hebben alleen in zijn hoofd plaatsgevonden. De buitengewone verhalen omtrent zijn trip naar Kersteiland ten spijt, is meneer de Jong er nooit geweest. Het omvangrijke detail over de tocht van de rode krabben was geloofwaardig, maar het was hem via de tv doorgegeven

Ooit, iets van 30 jaar geleden, heeft meneer een feitelijke vakantietrip ondernomen. Een rondreis door Scandinavië. Meneer wilde graag per bus door Noorwegen, Zweden en Finland reizen. Dit was geen succes. De bus was niet comfortabel, de omgang met de andere reizigers van het reisgezelschap lag hem niet en de verplichte fotostops ten spijt, heeft hij maar een paar tastbare herinneringen aan deze trip overgehouden. Toegegeven, het meemaken van de middernachtzon was een hoogtepunt voor hem, maar via foto’s of op de tv had hij deze op zijn gemak kunnen zien, zonder het lastigvallen door omstanders. Sindsdien is hij genezen van het reizen en boekt hij alleen nog reserveringen bij de bibliotheek.

De omgeving van meneer -zijn vrienden en familie, vinden het niet erg dat meneer zijn vakanties alleen in zijn hoofd meemaakt. Hij vertelt ze beeldend en onderhoudend, en niemand hoeft op zijn 5 katten te passen. Alleen maar voordelen. Sinds het internet is de wereld kleiner geworden. Meneer maakt vaker en meer reizen in een korte periode. Waar anderen een maand doen over een trip naar Azië, heeft meneer diverse continenten in een paar weken bezocht. Zijn zogenaamde trip met de Transsiberië Express van begin vorig jaar is bij velen nog favoriet. Wanneer je meneer er naar vraagt, vertelt hij je kleurrijk over het Rode Plein in Moskou en luister je geboeid over de kraanvogels en kamelen op de uitgestrekte vlaktes van Mongolië. Eigenlijk hoeft je niet meer te reizen wanneer je de avonturen van meneer aanhoort.

Nu is meneer de Jong de laatste weken minder spraakzaam. Soms is hij gewoon afwezig. Meneer deelt niet meer zo vaak zijn reizenverhalen met ons. Niet zo vreemd. Zijn bezoekjes aan de bibliotheek blijven uit, net als zijn televisie. Meneer de Jong is vaak moe. Af en toe denkt hij nog aan een reis, en soms aan een laatste. Voorlopig is het zo ver nog niet en ik wil er niet aan denken. Over zijn laatste reis zullen we geen geweldige verhalen horen.

Categorieën:Read

%d bloggers liken dit: