De trein staat stil op station Duivendrecht. Enkele reizigers stappen uit en er stapt een jongen van rond de 20 jaar in de trein. Hij is druk in gesprek met een voor ons onzichtbare gesprekspartner. Mijn ogen blijven gericht op mijn telefoonscherm, maar mijn oren luisteren stiekem mee naar wat de jongen heeft te melden. Hij vertelt enthousiast wat hem vandaag is overkomen. Hij houdt hierbij het witte snoertje van zijn oordopjes met zijn vingertoppen fijngevoelig vast.

Hij heeft vandaag een vertrouwenscursus gehad. Het standaard vertrouwensverhaal wordt verteld. Alle kandidaten op deze cursus moesten zich met het volste vertrouwen achterover laten vallen, in de armen van de andere cursisten. Hij vond het echt fokking vet, en hij vertelt enthousiast verder over de andere geleerde handelingen op cursus. Om te weten of de voor ons onzichtbare gesprekspartner wel oplet, beëindigd hij elke zin met de 3 woorden: ‘weet je wel?’ Ik weet het inmiddels ook.

Op een gegeven moment schelt er een hoog aanhoudend gepiep uit zijn oordopjes. Zelfs ik en andere reizigers schrikken ervan. Hij ervaart het zeer waarschijnlijk als een enorme aanslag op zijn gehoor, en geschrokken roept hij wat de fokking hel er aan de hand is. We vernemen even later uit het gesprek dat het de kookplaat van het fornuis van de voor mij onzichtbare gesprekspartner is. De jongen geeft hem het vertrouwelijke advies om bij het koken alles goed voor te bereiden.

‘Je moet zorgen voor een goede mise-en-place’, klinkt er bijna wijs uit zijn mond. Hij spreekt het uit met een Almeers accent uit. Missanplas. Het gesprek loopt ten einde. De spreker aan de andere kant van de verbinding heeft de focus verplaatst naar het kookplaat. Er klinkt luide muziek uit de oortjes. Het zijn hedendaagse, vette en zware beats, waar een man van mijn leeftijd niet op kan dansen zonder verdacht te worden van een epileptische aanval te hebben.

Verveeld draai ik met mijn ogen en mijn gezicht draait naar het raam. Het zicht naar buiten is wazig. Een vette afdruk van een voorhoofd, zeker van een persoon die voor mij op deze plek in de trein heeft gezeten, ontneemt me een helder uitzicht. Door de vetvlek heen zie ik in de verte de skyline van Almere, en even later rijdt de trein het station van Almere Centrum in.

‘Sinds een zomer in mijn jeugd heb ik ontmoetingen gehad met een bijzonder persoon. Onze eerste bijzondere ontmoeting, waarvan niemand het wist, was op het landgoed van vrienden van mijn ouders. Deze vrienden waren de ouders van deze vrouw. Tijdens een van de feesten die iedere zomer werden gegeven. Het was op een zomerfeest dat ik net 17 jaar was geworden dat ik een kaartje vond met hierop mijn naam geschreven. Op de binnenkant stond in een mooi handschrift een geheimzinnige boodschap geschreven.

“Kom in de Tuin en ga onder de Klimop.
Onder de Bladeren. Weg van het Feest.
Kom recht naar de Roos.
Ga door naar de Witte Roos.
Vind Mij.”

Ik wist niet precies wat de boodschap op de kaart inhield, maar ik was wel nieuwsgierig naar de persoon achter de afzender. Op het feest en na de welkomst-toast van de vriend van de familie, verliet ik het gezelschap en liep de tuin in. Op het terras was het nog druk, maar naarmate ik meer de tuin inliep, kwam ik al snel minder gasten tegen. Ik zocht naar een klimop, maar kon deze niet vinden. Er waren geen hagen waarop verder andere begroeiing te vinden was. Ik liep dieper de tuin in, tussen een paar oude bomen, tot de dichte begroeiing om een oude wilg mij opviel.

Nerveus liep ik om de klimop die de oude wilg vanaf de grond tot ruim 2 meter hoog omhelsde. Naast een paar oranje gladiolen zag ik een smalle opening in de klimop. Voorzichtig trok ik de lange klimopslierten aan de kant en ontsloot de opening. Ik bukte voorover en kroop onder het bladerdek door. Het was er zeer lommerrijk en ik moest mijn ogen laten wennen aan het duister. Een lichte helling liep onder de wilg naar beneden. Voorzichtig deed ik een paar stappen naar voren en stond ik even daarna in een doorgang van groen.

De zon scheen met moeite door het dichte bladerdek. Het was er vredig en rustig. Zachtjes hoorde ik een paar vogels zingen. Links van mij leek de doorgang te eindigen. Verderop, rechts van mij, zag ik -zoals het kaartje beloofde, een rozenstruik vol bloeiende witte rozen. Ik liep er heen, en achter de rozenstruik bevond zich een lage opening. Ik moest door mijn knieën om er doorheen te komen. Eenmaal door de opening zag ik, dat ik me in een kleine laar, een natuurlijke tuinkamer tussen de dichte begroeiing, bevond. Ik stond rechtop en stond tegenover mijn convoceer. Zittend op een bankje, verstopt tussen het groen.

Ze keek me verlegen, maar lachend aan en zei met zachte stem: “Ik wist dat je het wel kon vinden. Hier trek ik me graag terug. Het is mijn meest favoriete plek, een perfecte schuilplaats. Ik ben hier dagelijks, ongeacht het weer. Het geeft verkoeling tijdens de hitte en genot wanneer het regent. Soms zit ik hier tijdens onweer en voel ik de verkoeling aan mijn voeten van de grijze tegels in het groen.”
Ik knikte, want ik begreep goed wat ze bedoelde. Ik voelde het overal om me heen. “Weten anderen van deze plek?” vroeg ik  haar.
Ze schudde van niet en zei: “Het is niet makkelijk om dit geheim te delen. Het voelt niet veilig. Kan ik je vertrouwen?”

Ik glimlachte, liep naar haar toe en nam naast haar plaats. We spraken beiden niet. Haar intrigerende ogen spraken voor zich. Ik schoof naar haar toe en zij leunde tegen mij aan. Haar rechterhand in mijn linker. Zo hebben we een hele tijd zwijgend gezeten. Ik streelde langzaam haar hoofd en zij kroop dichter tegen mij aan. Ik voelde haar lichaamswarmte en haar ronde vormen tegen mijn lichaam. Ik voelde me gelukkig. Hier wilde ik altijd blijven. Uiteindelijk gaven we toe aan het lichamelijk verlangen en waren we voor een heel lang moment één.

Deze speciale ontmoetingen hebben we hierna jaarlijks herhaald. Iedere zomer bezochten we elkaar op de bijzondere plek in de tuin. Aan het einde van iedere zomer groeiden we uit elkaar, om het volgende jaar elkaar weer te ontmoeten. We raakten bedreven van elkaar en wisten al onze geheimen. Zo bleven we op de hoogte van wat ons in het leven interesseerde, en ondanks dat we het niet altijd met elkaar eens wilden zijn, waren we één tijdens de bijzondere momenten achter de klimop. Iedere zomer.

Vandaag loop ik weer de tuin in. Ik ga achter de klimop, onder het bladerdek en bij de witte rozen. Ik voel de ijzige kou van de groen, grijze ondergrond en alles is nog steeds overgroeid met klimop. Ik ga niet meer zo makkelijk door de knieën, maar wanneer ik de tuinkamer betreed, verdwijnt de pijn uit de benen bij het zien van het oude, vertrouwde gezicht en de sprekende, intrigerende ogen die mij na al die jaren nog steeds verlegen aankijken. Ik lach naar haar en ik ben gelukkig.’

 

In mijn bed bezoek ik een platenzaak. Zo’n zaak waar je ouderwetse muziekdragers als vinyl langspeelplaten, singletjes en muziekcassettes kunt aanschaffen. Nog voor de compact-discs en andere mp3-bestanden die je met je telefoon kunt beluisteren. Er staan grote bakken, gevuld met vinyl in vierkante hoezen waarvoor ik geen leesbril nodig hebt om op de achterzijde van de albums de tracklist te kunnen lezen. Men zegt dat platenzaken als deze weer in opkomst zijn. daarbij heeft bijna iedere zelf respecterende elektronicazaak tegenwoordig een hoekje in de zaak waar men vinyl kan kopen.

In bed struin ik in een gelukkige stemming langs de grote aantallen aan elpees en maxi-singles, de 12″-uitvoeringen van de grote hits van toen. De bak met vinyl bij de Mediamarkt valt erbij in het niet. De grote kleurrijke platenhoezen doen bijna zeer aan mijn ogen, maar ik geniet intens van het moment. Met mijn vingertoppen tik ik de platenhoezen naar voren, en bij iedere nieuw album dat tevoorschijn komt klopt mijn hart iets sneller.

Ik heb deze terugkerende droom al sinds de jaren 80, waarin ik de meest zeldzame uitvoeringen op vinyl van mijn muzikale idolen onder handen kreeg. Een bijzondere uitgave van de grootste hit van zanger Jacques Dutronc of een verzamelalbum van The Supremes, zonder Diana Ross. Het ene exemplaar blijkt nog mooier dan de ander! Alleen heb ik het nooit voor elkaar gekregen om deze buitengewone exemplaren te mogen bezitten. Het is me nooit gelukt het vinyl af te mogen rekenen. Ik heb geen idee wat deze terugkerende droom betekent. Daar mogen de dromenkenners over parlevinken.

In bed lig ik lichtelijk teleurgesteld en check de tijd op de wekker. Het is nog nacht. Dit betekent dat ik nog even kan blijven liggen. Heerlijk, en ik beloof mezelf dat ik morgen de app Discogs moet checken op mooi vinyl. Hier vind ik over een paar uur, in ontwaakte toestand, voldoende vinylalbums en nog meer -singletjes. Oude en nieuwe her-uitvoeringen. Een ding is zeker; bij de internetwinkel Discogs is er wel een kassa om af te rekenen.

In bed val ik uiteindelijk weer in slaap en droom ik over andere dingen. Ik ben aan het hardlopen in Parijs. Ik ren in de vroege ochtend langs de oevers van de Seine, richting de Eiffeltoren. De Veegmachines en travestieten gaan mij voorbij. De kranten zijn gedrukt en de voorbijgangers, onderweg naar het werk, kijken bedrukt. De Franse hoofdstad ontwaakt. Hardlopend draaf ik door de straten van Parijs en droom nog even.

Met een omweg reisde Marjolein in de trein naar huis. Niet geheel vrijwillig, want dankzij een vertraging van een bus in Utrecht had ze op het centraal station haar gebruikelijke, vaste treinverbinding gemist. Op het station trok ze nog een sprintje naar perron 18, waarbij de andere aanwezige geschrokken voor haar aan de kant sprongen. Op haar hakken rende ze lang niet zo snel als op haar hardloopschoenen. Het sprintje bleek vergeefs, de trein reed langzaam voor haar neus weg. Ze keek vuil naar de mensen in de trein die volgens haar gniffelden om haar pech.

Marjolein overwoog in een andere trein te stappen, via Houten, maar zag er snel van af. Er zat haar niets anders op om een trein later te nemen. Deze had, zoals ze al had verwacht, een vertraging van enkele minuten. Het nadeel is dat er meer reizigers in de trein met vertraging meerijden. Zij die anders moeten wachten op hun vaste verbinding, hebben nu het geluk dat ze een paar minuten eerder kunnen reizen. Daarbij wordt het altijd dringen om een zitplaats. Bij aankomst van de vertraagde trein vond ze al snel een zitplaats op het balkon. Andere reizigers liepen door naar een plek in de coupé.

Naast haar nam een oude man plaats. Hij keek haar vluchtig aan, staarde vervolgens een beetje afwezig naar buiten en boog zich lichtjes naar haar toe.
‘Is dit de trein naar Eindhoven?’, vroeg de man.
‘Jazeker. De trein maakt nog een stop in Den Bosch en rijdt daarna door naar Eindhoven.’ informeerde ze de man.
‘Da’s mooi.’ zei hij opgelucht.
Marjolein knikte en met een vriendelijke glimlach op haar gezicht keek ze naar buiten, waar het landschap met een toepasselijke sneltreinvaart aan haar voorbij ging.

Ze voelde dat de man een gesprek met haar wilde aangaan, maar daar had Marjolein even geen zin in, na alle stress van vandaag. De vertraging en het sprintje op Utrecht en de teleurstelling, maakten haar moe. Ze pakte haar e-reader uit haar tas, en startte deze op. Ze las de eerste zin van hoofdstuk 18: Het is gestopt met regenen en de voetbalvelden rond de sporthal liggen er verlaten bij. Ze kon zich niet concentreren. Ze sloot de e-reader af en legde het apparaat op haar schoot. Ze keek de man naast haar aan en vroeg of hij iets leuks ging doen in Eindhoven. De man begon te vertellen dat hij onderweg naar huis was, en vertelde haar over het bezoek aan zijn kleinzoon in Utrecht. Hij had er van genoten, maar de stad Utrecht en haar bewoners vond hij maar vreemd.

Als een echte Brabander, zo zei hij, kon hij nooit wennen aan de ingetogen mensen boven de rivieren. Hij was liever alleen in zijn flatje in de Lichtstad van Nederland, dan dat hij zich omringde met mensen van een andere stad. De man zat op de figuurlijke praatstoel en vertelde over zijn familie en de andere mensen in zijn leven. Ondanks familie en buurtjes in zijn stad, zag en sprak hij ze bijna nooit. De achterstand in het praten met anderen had de man tijdens deze reis aardig weten in te halen. De tijd vloog om en voordat Marjolein het door had stond de trein stil op het station ‘s-Hertogenbosch, waar ze woonde. Met een goedendag liet ze de man achter in de trein.

Bij mij in de buurt woont meneer de Jong. Hij is een oudere man van in de zeventig en is zijn leven lang al vrijgezel. Daarnaast is meneer de Jong een enthousiast reiziger. Hij heeft al heel veel van de wereld gezien. De mensen in zijn omgeving denken daar misschien anders over, want meneer weet je de meest schitterende verhalen nauwgezet te vertellen. Over zijn vele trips naar iedere uithoek van de wereld, maar foto’s kan hij je niet laten zien. Wil je iets weten over het eiland Tristan da Cunha, het meest afgelegen eiland van de wereld, dan kan hij daar levendig over vertellen. Dat het eiland in het jaar 1506 door de Portugezen is ontdekt en dat er tegenwoordig iets minder dan 300 mensen wonen, allemaal agrariërs.

Wanneer je aan meneer vraagt over zijn trips náár de diverse wereldbestemmingen, het reizen, het onderweg zijn zelf, dan blijft hij stil. Hij gaat je nooit vertellen over de vertragingen of het uitvallen van vliegtuigvluchten. Dit kan hij je ook niet vertellen, omdat meneer zijn verschillende reizen alleen in gedachten heeft gedaan. Overal waar hij is geweest, alle trips naar de diverse windstreken, hebben alleen in zijn hoofd plaatsgevonden. De buitengewone verhalen omtrent zijn trip naar Kersteiland ten spijt, is meneer de Jong er nooit geweest. Het omvangrijke detail over de tocht van de rode krabben was geloofwaardig, maar het was hem via de tv doorgegeven

Ooit, iets van 30 jaar geleden, heeft meneer een feitelijke vakantietrip ondernomen. Een rondreis door Scandinavië. Meneer wilde graag per bus door Noorwegen, Zweden en Finland reizen. Dit was geen succes. De bus was niet comfortabel, de omgang met de andere reizigers van het reisgezelschap lag hem niet en de verplichte fotostops ten spijt, heeft hij maar een paar tastbare herinneringen aan deze trip overgehouden. Toegegeven, het meemaken van de middernachtzon was een hoogtepunt voor hem, maar via foto’s of op de tv had hij deze op zijn gemak kunnen zien, zonder het lastigvallen door omstanders. Sindsdien is hij genezen van het reizen en boekt hij alleen nog reserveringen bij de bibliotheek.

De omgeving van meneer -zijn vrienden en familie, vinden het niet erg dat meneer zijn vakanties alleen in zijn hoofd meemaakt. Hij vertelt ze beeldend en onderhoudend, en niemand hoeft op zijn 5 katten te passen. Alleen maar voordelen. Sinds het internet is de wereld kleiner geworden. Meneer maakt vaker en meer reizen in een korte periode. Waar anderen een maand doen over een trip naar Azië, heeft meneer diverse continenten in een paar weken bezocht. Zijn zogenaamde trip met de Transsiberië Express van begin vorig jaar is bij velen nog favoriet. Wanneer je meneer er naar vraagt, vertelt hij je kleurrijk over het Rode Plein in Moskou en luister je geboeid over de kraanvogels en kamelen op de uitgestrekte vlaktes van Mongolië. Eigenlijk hoeft je niet meer te reizen wanneer je de avonturen van meneer aanhoort.

Nu is meneer de Jong de laatste weken minder spraakzaam. Soms is hij gewoon afwezig. Meneer deelt niet meer zo vaak zijn reizenverhalen met ons. Niet zo vreemd. Zijn bezoekjes aan de bibliotheek blijven uit, net als zijn televisie. Meneer de Jong is vaak moe. Af en toe denkt hij nog aan een reis, en soms aan een laatste. Voorlopig is het zo ver nog niet en ik wil er niet aan denken. Over zijn laatste reis zullen we geen geweldige verhalen horen.

De jongeman stapte bij Haarlem de treincoupé binnen, en wat de oudere man meteen opviel waren zijn lange, in kapotte jeans gestoken, benen. Hij sloot zijn boek en keek even op. De jongeman nam tegenover hem plaats en plaatste zijn rugtas op de zitplaats naast hem. Hij was mooi. Een kop met krullen en een perfect gezicht. Het klassieke uiterlijk leek te zijn gebeeldhouwd uit marmer, waarbij een litteken, misschien per ongeluk of juist bewust door de beeldhouwer, op een van de jukbeenderen was achtergebleven. Het maakte het gezicht af en de blauwe ogen keken de man tegenover hem heel even aan. Vervolgens haalde hij een boek uit zijn rugzak en begon erin te lezen. Het boek, “A Brief History of Time” van Stephen Hawking, werden door de slanke handen gedragen. De oudere man raakte sterk geïntrigeerd in de reiziger tegenover hem. De aantrekkelijke jongeman, in het bezit van volmaakte schoonheid, en toch ook met eenzelfde interesse als hij. Een gelijk boek dat in zijn schoot lag.

De jongeman verplaatste zich op zijn plek en ging wijdbeens zitten. Hij keek even naar buiten naar het voorbijgaande landschap en voordat hij weer verder ging met het bladeren door zijn boek, keek hij even naar de oudere man tegenover hem. Snel keek hij weg, maar de glimlach bleef op zijn gezicht staan terwijl hij een paar bladzijden omsloeg. Het uiterlijk van deze man tegenover hem had een bijzondere aantrekkingskracht op hem. Het was misschien die scheve glimlach, maar zeker de bijzonder donkerbruine ogen, die hem even doordringend hadden aangekeken. Daarbij was de iets te jeugdige kledingkeuze voor een man van zijn leeftijd, ook wat hem in de man aantrok. Een rode hoodie, een spijkerjack en felrode gympen aan zijn voeten. Opgelaten wilde hij wegkijken, maar zijn blik bleef op de schoot van de man gericht. De oude handen rustten op een boek van Stephen Hawking, hetzelfde exemplaar dat hij in zijn handen had.

De oudere man stak zijn hand uit en stelde zich voor als Yannick. Hij vertelde dat hij het boek “A Brief History of Time” meer dan eens had gelezen. In meerdere talen ook. De jonge man ging rechtop zitten, sloot zijn boek en lachte even hardop om de licht arrogante opmerking en hoopte dat de man niet dacht dat hij hem uitlachte om het accent van Yannick. Snel beantwoorde hij de begroeting met een stevig handdruk en stelde zich voor als Kevin. Het boek dat hij had aangeschaft was uit pure nieuwsgierigheid en hij had de hoop het boek ooit uit te kunnen lezen, waarop Yannick aangaf dat wanneer Kevin meer informatie of achtergrond wilde met betrekking tot de inhoud van het boek, hij hem het een en ander met alle plezier uit wilde leggen. Kevin vond dit voorstel en de man leuk.

‘Doe je iedereen een soort gelijk voorstel in het bezit van een boek van Stephen Hawking?’ vroeg hij enigszins uitdagend.
Yannick lachte breeduit. ‘Nee. Dit is eerste keer dat ik een persoon in de trein tegenkom met dit boek,’ zei hij met het licht Frans accent.
Kevin reageerde hierop. ‘Ik lees het boek niet voor school ofzo, maar als je mij het een en ander meer over dit boek kan vertellen, dan hou ik me zeker aanbevolen.’
‘Geen probleem,’ reageerde Yannick. ‘Zal ik jou mijn telefoonnummer geven, of tot waar reis je? Ik stap uit in Amsterdam Centraal, misschien kan ik je bij een kop koffie alvast het een en ander vertellen over het boek.’
‘Ik reis tot Amsterdam Centraal,’ zei Kevin gespannen. ‘Maar ik wil je mijn telefoonnummer best geven, er is een grote kans dat ik je later vast wel meer wil vragen.’
Beide mannen raakten in gesprek over de oerknal, zwarte gaten en het leven van Stephen Hawking. Tussendoor wisselden ze telefoonnummers, en adresgegevens uit.

Aangekomen op Amsterdam Centraal stelde Kevin voor dat ze eerst nog wel koffie konden drinken, hij had nog geen zin om afscheid te nemen. Yannick vond het een goed idee en na het verlaten van de trein liepen ze met zijn tweeën naar het Grand Café op hetzelfde perron.

Sneeuwval. Het vallen van sneeuw gebeurt vaak en overal. Zo was het laatst nog in het nieuws dat er zeldzame sneeuwbuien vielen in de woestijn van het Saguaro National Park in Arizona, één van de Amerikaanse staten van Amerika. Wanneer het hier in Nederland sneeuwt is het ook meteen nieuwswaardig. Niet omdat de sneeuw zo bijzonder is, maar omdat wij niet met sneeuw kunnen omgaan. Als kinderen kunnen we dat juist wel. Ik heb het dan over sleerijden, sneeuwpoppen maken en het houden van sneeuwbalgevechten.

Nederlanders zijn bij het melden van waarschuwingen voor extreem weer in twee groepen in te delen. Je hebt een groep die zich door niets laat weerhouden en zelfs bij windkracht 11 nog op de fiets boodschappen gaat doen, en je hebt een groep die bij hevige regenval meteen thuis blijft en daarbij meteen alle ramen en deuren in de woonwijk willen barricaderen. Het is het een of het ander. Hoe dan ook: beide groepen weten altijd te zaniken over het advies. Of het is overdreven, of het is niet duidelijk genoeg.

De Nederlandse Spoorwegen nam laatst het zekere voor het onzekere en besloot minder treinen in te zetten, nadat het KNMI code geel had uitgegeven. Dit werkte goed. Of dat door dit besluit van de NS kwam of omdat er bijna geen sneeuw is gevallen, is niet echt duidelijk geworden. Ik ben in ieder geval blij dat ik zonder een omweg of een te lange vertraging van thuis naar het werk (en andersom) kon afreizen. Dat men door mindere inzet van de treinen in een overvolle trein moet reizen, dat neem je dan maar op de koop toe. Je wilt toch meereizen. Ik vind het wel gezellig zo tussen de verschillende mensen te forenzen.

Wederom zijn de Nederlanders ook tijdens deze dagen op het spoor in twee groepen in te delen. De partij die het allemaal prima vindt om geïmproviseerd te reizen (zolang zij maar naar Netflix op het scherm van hun mobiel kunnen kijken) en de andere partij die humeurig, bijna nijdig, in de trein stapt (zij die iedereen beschuldigend aankijken). Emoties zijn er op momenten als deze in overvloed! Zo ook bij de conducteur die laatst zijn geërgerde mening via de intercom aan de reizigers moest delen.

‘Dit is een bericht voor de reiziger die zojuist op station Duivendrecht op het allerlaatste moment de trein binnen sprong. Dit was heel erg gevaarlijk. Ook voor jezelf,’ zei hij geïrriteerd. Daarbij liet hij een dramatische pauze vallen. Alle reizigers in de trein waren bijna verheugd en zeker nieuwsgierig naar de vergelding die hierop zou volgen, maar de conducteur eindigde zijn mededeling via de intercom met de boodschap: ‘Niet meer doen hè!’

Ik zit in een redelijk volle trein richting thuis. Het is koud buiten en de verwarming in de trein blaast hete lucht rond mijn enkels. Hierdoor kom ik weer aangenaam op temperatuur. Nadat de brandblaren in mijn sokken zijn opgekomen. Buiten is het gelukkig nog schemerig, en dit is voor mij een teken dat het voorjaar er aankomt. Het is een beetje overdreven positief, maar ik word er blij van. Glimlachend kijk ik naar de ondergaande zon.

Op station Duivendrecht stopt de trein en nadat er enkele passagiers de trein verlaten, stappen er ook weer een paar reizigers in de trein. Een geestelijk afwezige reiziger komt er achter dat dit zijn eindstation is, en loopt tegen de inkomende passagiers in. Tegenover mij gaat een oudere man zitten, van mijn leeftijd. Zo oud nu ook weer niet. Ik kijk weer op het scherm van mijn telefoon. Ik voel dat er naar mij gekeken wordt, en wanneer ik van mijn scherm opkijk, kijkt de man tegenover mij aandachtig aan.

‘Dray! Dray Bosma?’ Vragend wordt mijn naam genoemd.
In een fractie van een milliseconde schieten er tientalle namen door mijn hoofd. Driftig gaan mijn gedachten mijn verleden af. Wie is deze man?
‘Dray, ik ben het. Evert!’
Mijn hersenen zoeken in mijn geschiedenis en al snel is het in mijn bovenkamer senang. Ik hoef niet langer na te denken. Het is Evert. Een oud-collega van meer dan 10 jaar geleden.
‘Hallo Evert,’ zeg ik. ‘Hoe gaat het?’
Evert leunt achterover en gaat er even voor zitten. “Ja, het gaat lekker man! Het leven is goed. Ik heb een goede baan,’ zegt hij. ‘Verdient hartstikke goed!’

Ik bedwing mijn ogen het rollen in de kassen. Weer zo’n type die het belangrijk vind om met de hoge lonen rond te strooien, denk ik. Grappig ook, dat het noemen van het exacte te ontvangen salaris altijd achterwege blijft. Hoogstwaarschijnlijk bang dat ze door een andere aanhoorder overruled worden. Semi-geïnteresseerd kijk ik naar mijn oud-collega terwijl hij doorgaat over zijn goede en geslaagde leven. Geen moment vraagt hij mij hoe het leven is vergaan, maar dat vind ik prima.

Ik luister niet meer naar het eenrichtingsgesprek en denk terug aan de tijd dat Evert mijn collega was. Het verbaast me dat ik me helemaal niet zo veel meer kan herinneren van Evert. Het gesprek sterft een beetje af. Een man met een grijze Inca-muts op zijn hoofd en met open laptop in de handen loopt door de coupé en staat vervolgens bij ons stil.
‘Hoi Evert! Alles goed, man?’ groet de man met in Inca-muts. De man is mij onbekend, maar duidelijk een bekende van Evert.
‘Hey gast. Hier is alles flex,’ zegt mijn oud-collega.
Ik grinnik om de woorden ‘alles flex’ en ik vraag me af of ik ook bij het flex-gebeuren behoor, of betreft het juist de Inca-muts, die zo alles flex is? Evert en zijn gast, die Henry heet, raken in gesprek.

Ik weet niet wanneer ze elkaar voor het laatst hebben gesproken, maar er wordt flink met goede en vette salarissen in het gesprek gestrooid. Het gaat maar door. Zonder bedragen te noemen, natuurlijk. Ik haak langzaam af en kijk quasi-geïnteresseerd naar het scherm van mijn telefoon. Evert en gast zijn nog steeds in gesprek. Ze praten met kernwoorden die ze -ik weet het bijna zeker- in een training op het werk hebben opgestoken, en wanneer de trein later Almere inrijdt ben ik met mijn gedachten bij het avondeten.

Mijn fiets en ik hebben een vreemde relatie. Sinds ik haar in september naar Amsterdam heb verhuisd is het eigenlijk niet meer goedgekomen. Ik merkte het toen mijn fiets me dwarszat door constant haar ketting van de tandwielen te werpen en ook mijn zadel constant doorweekt achterliet. Inmiddels berijd ik haar constant met plastic protectie op het zadel en zorg ik er voor dat wanneer ik de stoep op- of afrijd de pedalen in constante beweging zijn, anders wordt de fietsketting geheid van de tandwielen geworpen.
Ik heb haar nog wel even onder controle, maar het is duidelijk een race tegen de tijd. Door haar opstandig gedrag heb ik haar kettingkast meer dan eens moeten openen, waardoor deze er inmiddels zeer gehavend uitziet. Ik ben van mening dat het de fiets wel enig karakter geeft, maar meer dan eens wordt haar de beschrijving ‘oud barrel’ toegeschreven. Mij doet het niet zoveel, maar ik kan vanzelfsprekend niet spreken voor mijn fiets.
Sinds afgelopen week, toen het zo stormachtig weer was, is haar geplastificeerde canvaskettingkast door de stevige wind kapot gewaaid. Hierdoor werd er bij iedere draaiing van de trappers een kapotte lap van de kettingkast tegen mijn rechtervoet aangeslagen. Om haar voor verdere aftakeling, èn van beschimpingen en bijnamen te behoeden, heb ik met chirurgische precisie die losse lap van het nep-canvas met een kniptangetje verwijderd. Thuis had ik al een kniptang in mijn rugtas gestoken, want met een doorsnee huis-tuin-en-keuken-schaar lukte mij dit eerder niet.
Nu verplaatsen we ons samen weer blij door Amsterdam, van het metrostation naar het werk. En omgekeerd, maar de ketting houd ik nog steeds in de gaten, want een fiets moet je nooit vertrouwen. Mijn fiets heeft, voor je er erg in hebt, zo haar ketting weer van haar tandwielen afgeworpen. Maar vooralsnog gaat ze vreugdevol met mij mee, met haar stoere, gifgroene fietsbel. Voorlopig. We kunnen beiden dan wel in ontkenning leven, maar de mooiste jaren van mijn fiets liggen achter ons. Zo is de rek inmiddels wel uit haar snelbinders en haar twee bandjes staan ook niet meer zo strak als voorheen.

 

Een heel nieuw jaar staat er sinds een paar dagen voor ons klaar. Net als ieder jaar. Meer dan 360 dagen en nog meer kansen zijn ons deel. Ik heb voor mijzelf niet zo veel goede voornemens in het verschiet, want deze uitspraken zie ik meer als ideeën die toch bijna nooit worden uitgevoerd of enorm lang worden volgehouden. Ik doe nu wel sinds een paar dagen, per 1 januari mee met de actie ikpas. Een maand lang doorbrengen zonder alcoholische versnaperingen. Dertig dagen is nog overzichtelijk en een maand zonder wijn, whiskey of bier moet mij toch wel lukken?

Maar met dit ‘goede voornemen’ vind ik het wel genoeg. Ik kan nu wel kwelen dat ik in augustus zo’n 8 kilo minder wil wegen, maar daar kan ik nu niets zinnigs over zeggen. Mijn vader zei over het ver vooruitplannen altijd: ‘Tegen die tijd kan ik wel een geitenkop hebben,’ en zo is het. Pa Bosma was daarin heerlijk nuchter. Nuchter en recht-door-zee. En ongeduldig. Heel ongeduldig. Hij was, zoals ze het in Den Helder zeggen, een rissige man. Druk en gehaast bezig. Wanneer mijn moeder ooit op een ochtend opperde dat een slaapkamer wel nieuw behang kon gebruiken, dan waren de muren van de slaapkamer rond lunchtijd alweer voorzien van een fris behangetje. Zo was Pa Bosma.

Pa Bosma kon niet stilzitten. Ook niet bij het kijken naar vriendschappelijke voetbalwedstrijd bij Studio Sport. Altijd wel door iets kleins. Als kind van een altijd bedrijvige vader weet je niet beter. Als mijn vader thuis even niets te doen had, dan zat hij op zijn volkstuin. Daar heeft hij heel wat uren van zijn leven gesleten. Op zijn tuin was hij in zijn element en kon hij doen wat hij zelf wilde, zonder dat iemand tegen hem zei: ‘Doe eens rustig aan, joh!’ Iedere lente, wanneer de vorst in de grond net verdwenen was, had hij al de hele volkstuin omgespit. Klaar om te zaaien voor een overdadige oogst in het nieuwe jaar.

Ik ben niet zoals mijn Pa Bosma was, maar soms is het niet verkeerd om ‘in de geest van mijn vader’ de zaken meteen aan te pakken en tot uitvoering te brengen. Zo heb ik van de week het voornemen die ik al jaren had, omgezet tot een actie. Het plan om de stad Parijs weer eens te bezoeken. Ik heb het jarenlang uitgesteld. Het boeken van een trip bleef maar uit, er zijn altijd excuses om iets niet te doen. Tot een paar dagen geleden. Aanstaande lente rijd ik samen met Edo naar de hoofdstad van Frankrijk. Een collega van mij (elle est française de Paris) heeft een overzicht beloofd met bezienswaardigheden die de Parijzenaren zelf graag bezoeken. Ik heb er zin in. Ontdekkingsreiziger Abel Tasman zei -geloof ik- ooit eens: ‘Een voornemen is leuk, maar het uitstippelen van een reis is leuker.’?

We zijn aangekomen aan het einde van het jaar en we worden weer overspoeld door diverse overzichten. Er zijn mensen op social media, die terugblikken over de afgelopen 12 maanden. Ik denk dan altijd: Het jaar is nog niet om. Er kan in die laatste dagen van het jaar nog van álles gebeuren. Je moet dag niet prijzen voordat de avond gevallen is. Pas op 1 januari 2019 wil ik terugblikken over het jaar 2018. En misschien dan ook nog niet eens.

De eerste keer dat ik me bewust was van Oudejaarsavond, moet 31 december 1970 zijn geweest. Dit was dan in de Cornelis Riekelsstraat –waar ik ook ter wereld kwam- in de toen nog bijna 5 jaar oude woonwijk, De Schooten, van Den Helder. Ik kan me herinneren dat ik, als kleuter op Oudejaarsavond van dat jaar eerst in de avond naar bed moest. Ik was te jong om de hele avond op te blijven. Ja, het moet wel in 1970 zijn geweest, want ik was net 4 jaar oud geworden. Jonger zal ik niet geweest zijn, want als ik ouder was geweest, had ik meer kunnen herinneren.

Ik denk me nu te herinneren dat familie uit Friesland op visite was, maar of dat tante Klaske en oom Simon uit Sneek waren of tante Jo en oom Hampie uit Heerenveen, dat weet ik niet meer. Als ik er nog eens over denk, kan het ook zo zijn dat het de buren van nummer 20, buurman Maarten en buurvrouw Nettie, waren., en als dit zo was, dan waren vanzelfsprekend ook tante Bets en oom Gijs uit de Klaas Castercomstraat, een straat verderop aanwezig. Zij waren niet echt tante en oom, maar het was gebruikelijk om kennissen en vrienden van je ouders als familieleden aan te spreken. Mijn moeder en ‘tante’ Bets waren destijds beste vriendinnen, die de grootste lol met elkaar hadden in die jaren. Denk ik.

Rond half twaalf zal ik door mijn moeder of door mijn oudere zussen zijn wakker gemaakt om de jaarwisseling en het vuurwerk te mogen meemaken. Ik weet niet of het kwam door de spanning van het moment of dat ik op gewoon nodig moest, maar in de badkamer ontsnapte er een drol, ter grootte van een kroket, al rollend over de badkamervloer. Mijn zussen gilden in afschuw naar beneden, waar mijn vader, in gepaste dronkenschap de trap op kwam rennen. Geamuseerd bewonderde hij mijn kunstje. “Draytje kroket!”, riep mijn vader lachend. Verder kan ik me niets meer van deze Oudejaarsavond herinneren, maar de door mijn vader te enthousiast uitgeroepen bijnaam heb ik nog heel lang mogen aanhoren.

In een land hier ver vandaan, in de buurt van de poolcirkel, staat een grote groep sparrenbomen als onderdeel van een enorm groot bos. Deze bomengroep is de familie Pinaceae, met aan kop van de familie een oude reuzenboom en zijn directe nageslacht. Deze bestaat uit honderden sparren. Eén van deze jongere generatie bomen, de 15 jaar jonge Danny, staat eenzaam tussen de andere bomen. Eenzaam om zijn bijzondere karakter.

Danny is ook een buitengewoon sparrenboompje. Waar alle andere sparren dagenlang kunnen sparren en uren lang kunnen bomen over hoe zij -in tegenstelling tot de andere bomenfamilies in het bos, wel het hele jaar groen blijven, is Danny altijd stil. Hij is daarom vaak mikpunt van spot. Danny is altijd ergens anders met zijn gedachten. Voor de andere bomen in het bos is hij altijd afwezig. In de gedachten van Danny leeft hij in zijn eigen wereld.

In deze wereld van Danny is hij geen spar. In zijn wereld beleeft hij zijn droom en voelt hij zich een dennenboom. Waar Danny is, bestaat geen sneeuw en is er geen koude wereld. Hier mag hij zijn die hij wenst te zijn. Hier mag hij zeggen wat hij denkt, zonder uitgelachen te worden. In deze zelfgecreëerde droomwereld vindt niemand hem anders. Of abnormaal. In die gelukkige wereld is Danny doodgewoon.
Danny verlangt er naar opvallend onopvallend te zijn. Dan is hij voor de anderen in het bos geen uitzonderlijk type meer. Dan is hij geen uitzonderlijke boom, maar onderdeel van het bos. In de kille werkelijkheid ziet het woud hem toch als een uitzonderlijke boom. Een naaldboom die niet past tussen de andere sparren. Het komt voor niemand als een verrassing wanneer er begin december is besloten wat ze met Danny gaan doen.

Tijdens het jaarlijks familieberaad over wie als kerstboom in de brute mensenwereld mag optreden heeft de familie Pinaceae al snel beslist dat Danny, nu hij 15 jaar oud is, geofferd mag worden. Danny krijgt niets van dit besluit mee. Ondanks de koude om heen, droomt hij dat hij is omringd door warmte en liefde. Als uiteindelijk halverwege de maand, de grote dag aanbreekt en de kerstelfjes in het bos tussen de sparrenbomen staan, is het snelle afscheid van Danny al snel verleden tijd.

Danny weet niet wat hem overkomt. Met geweld wordt hij van de plek verwijderd waar hij al 15 jaar heeft staan wortel schieten. Hij komt los van de grond en in horizontale toestand wordt hij vervoerd naar een andere plek. De zwaartekracht doet rare dingen met zijn geest en wanneer hij met een klap op de laadbak van een truck terechtkomt, verliest hij het bewustzijn. Hij merkt niet dat hij kilometers ver wordt vervoerd.

Wanneer Danny langzaam bijkomt voelt hij dat het leven uit hem wegzakt. De stam waarop hij jarenlang heeft gestaan doet zeer, maar wanneer hij om zich heen kijkt, ziet hij dat hij daar is waarvan hij altijd heeft gedroomd. Hij is versiert met zilveren ornamenten en er hangen slingers tussen zijn takken. Hij begint nog meer te stralen wanneer hij bemerkt dat er een paar strengen van lichtjes zijn naalden laten glimmen.

De jonge Danny ervaart eindelijk geluk. Ondanks dat het leven langzaam uit hem stroomt, is het toch goed. Danny is geworden waar hij al jarenlang naar verlangde. De spar is eindelijk de dennenboom van zijn droom geworden. Het kan hem niets schelen dat hij binnenkort zijn naalden zal verliezen, en niet kort daarna het leven. Wanneer Danny straks in januari buiten wordt gezet en de stam en takken met hars zijn bedekt, dan zijn deze harstranen ook tranen van geluk.