Zaalgenoten

Vorige week zat ik in de bioscoop. Terwijl ik wachtte tot Disclosure Day, de laatste film van Steven Spielberg, begon, dwaalden mijn gedachten af naar Den Helder.

Dat doe ik vaker. Niet alleen aan Den Helder, maar aan bioscopen in het algemeen. Aan Rialto en Tivoli. Aan de jaren dat een bioscoopbezoek nog een uitje met hoofdletters was; iets om je de hele week op te verheugen.

Voor mij begint een film niet als het licht dooft. Het begint eerder. In de minuten waarin de zaal volloopt, de jassen worden uitgetrokken en iedereen nog even iets tegen elkaar zegt wat daarna niet meer mag. Dat is het moment. Altijd al geweest.

Vroeger waren er geen flitsende trailers. Toen waren er dia’s.

Den Helder had twee bioscopen. Tivoli lag in de Koningstraat en voelde zelfs toen al als een monument voor betere tijden. De stoelen hadden geschiedenis. Net als de geur: sigarettenrook, oud tapijt, iets ondefinieerbaars dat je als kind gewoon voor lief neemt, en waar je veertig jaar later ineens aan moet denken terwijl je ergens in een moderne zaal op een klapstoeltje zit.

Rialto zat in een hotel en was daardoor meteen al iets bijzonders. Hotels waren spannend. De lobby was breed, of leek dat tenminste. En de toiletten; die lagen diep in het gebouw, aan het einde van een gang die maar niet ophield. Of dat klopte weet ik niet meer. Herinneringen doen dat. Ze rekken gangen op, verplaatsen plafonds, maken alles een beetje groter dan het was. Als compensatie misschien.

Voor de film verschenen dia’s op het scherm. Een fietsenzaak. Een meubelwinkel. Een garagebedrijf aan de rand van de stad. Geen bewegende beelden, geen voice-over, gewoon een foto met een telefoonnummer eronder. En daaroverheen, altijd weer, My Name Is Nobody van Ennio Morricone.

Ik hoef maar de eerste maat te horen.

Dan ben ik weer twaalf en ruik ik Tivoli. Dan zit ik in Rialto met het gevoel dat er iets gaat gebeuren, al weet ik nog niet wat.

Van de films zelf weet ik vaak weinig meer. The Fog en The Spy Who Loved Me zag ik ooit tijdens een voorstelling, dat weet ik nog. Maar de meeste zijn vervaagd. Wat is gebleven, is de zaal. Het geroezemoes. De spanning die nergens over gaat en toch over alles.

Tegenwoordig scan je een QR-code op je iPhone en zoek je zelf je stoel. De stoelen zijn beter, de advertenties groter, de popcorn duurder. Alles is gladder geworden. Dat hoort zo, veronderstel ik.

Maar als de zaal zich vult en de eerste beelden oplichten, is het er nog steeds. Dat gevoel. Onveranderd, onbedorven, hardnekkig aanwezig.

Rialto bestaat niet meer. Tivoli ook niet. De jongen die daar zat ook niet. Strikt genomen.

Maar ik hoor My Name Is Nobody nog vaak.

En soms is dat genoeg.