Bewijs

Wederom zat ik laatst naar National Geographic te kijken. Moe van alle realityshit die tegenwoordig mijn beeldbuis vervuilt. Mensen die elkaar afvallen op een eiland, stellen die elkaar zogenaamd verleiden, BN’ers die huilen om niets en alles tegelijk. Lawaai zonder inhoud. National Geographic voelt dan even als een toevluchtsoord. Niet verheffend, maar tenminste niet infantiel.

Er was een item over Fatima. Portugal, 1917. Drie herderskinderen: Lucia en haar jongere neefjes Jacinta en Francisco. Zij zouden meerdere keren een verschijning van Maria hebben gezien, die hun boodschappen gaf over gebed, boete en toekomstige rampspoed. Op 13 oktober zou zich het zogenoemde zonnewonder hebben voltrokken, waarbij duizenden getuigen meldden dat de zon draaide, flikkerde en op de aarde af leek te komen. Het verhaal groeide uit tot een van de belangrijkste Mariaverschijningen binnen het katholicisme.

Ik bleef hangen. Niet omdat ik gelovig ben. Verre van zelfs. Maar zulke verhalen fascineren me. Ze slijten niet. Ze worden doorgegeven alsof de tijd er geen vat op heeft.

Ik heb respect voor mensen die hierin geloven. Oprecht. Voor velen is geloof geen gemakzucht, maar een levenslijn. Het ordent, troost, geeft houvast. Ik kijk daar niet op neer. Integendeel.

Wat mij bezighoudt, is iets anders. Neem Jacinta, het jongste meisje van Fatima. Negen jaar oud. Gestorven aan de Spaanse griep. Vijftien jaar later opgegraven. Haar gezicht nog egaal, zo wordt verteld. Rustig. Bijna ongeschonden. Het soort detail dat onmiddellijk als wonder wordt gelezen. Punt.

Daar begint voor mij de frictie. Niet omdat ik het verhaal wil ontkrachten, maar omdat het vragen stellen zo snel ophoudt. Wie zag dat gezicht? Onder welke omstandigheden? Hoe betrouwbaar waren de waarnemingen? Wat is vastgelegd en wat later ingevuld? Vragen die we elders normaal vinden. Behalve zodra geloof het woord overneemt.

Later zapte ik door naar Discovery ID. Spookhuizen. Mensen spraken over energie en onhoorbare geluiden. Apparatuur die niets sluitends registreerde. Maar een mompelend geluid werd moeiteloos vertaald tot een naam uit het team. Aannames werden zekerheid. Geloof in actie.

Waarom kiezen we zo vaak voor aanname in plaats van bewijs? Waarom is “het zou kunnen” ineens voldoende, terwijl we elders eisen dat iets klopt, onderbouwd is, herhaalbaar?

Misschien is dat de aantrekkingskracht. Bewijs is lastig. Bewijs schuurt. Geloof rondt af. Het zegt: dit is het. Niet uit luiheid, maar uit behoefte aan rust.

Die behoefte begrijp ik. Echt. Maar ik vraag me af of we onszelf niet tekortdoen door zo vroeg te stoppen met zoeken. Verwondering hoeft niet te verdwijnen als je bewijs verlangt. Integendeel. Ik geloof niet. Maar ik geloof wél in vragen stellen. In blijven kijken. In niet meteen knielen voor het verhaal dat het mooist klinkt. Dat is voor mij geen gebrek aan respect, maar juist een vorm ervan.

Hersenschimmen

Er zijn mensen die geloven dat gedachten zomaar ontstaan — vonken van biologie, elektrische schichten in een duister brein. Maar wat als het anders is? Wat als onze hersenen geen zenders zijn, maar ontvangers? Kleine, trillende radio’s, afgestemd op onzichtbare frequenties die overal om ons heen gonzen.

Ik kwam met dit idee door het laatste boek van Dan Brown, waarin dit ter sprake komt. Naar mijn idee leven de meeste mensen op één kanaal — het 99%-kanaal. Dat van nieuwsberichten, deadlines, supermarkt-geluiden, de stem van de buurman door een te dunne muur. De veilige zender. De maatschappij zingt, en wij neuriën braaf mee.

Maar dan zijn er die anderen. De mensen met een afwijking in hun ontvangst. Die soms, tussen het ruisen van de alledaagse golven door, iets horen dat daar niet hoort. Een fluistering, een echo. Een boodschap die nergens vandaan lijkt te komen — en toch precies in hun hoofd landt.

Ik weet dat, omdat het mij is overkomen. In 1998 stierf een goede kennis van me. Plotseling en veel te jong. Twee dagen later werd ik wakker uit een onrustige slaap. De kamer was nog donker, het vroege ochtendlicht sloop aarzelend door de gordijnen. Ik lag stil, tussen droom en bewustzijn, in dat vreemde niemandsland waar gedachten nog niet helemaal van jezelf zijn. En toen hoorde ik het. Geen stem in mijn oor, maar in mijn hoofd — helder als water: “Het is goed zo.”

In eerste instantie schrok ik enorm, maar er was geen angst, geen kou — alleen een vreemd soort rust, alsof iemand een hand op mijn schouder legde en me geruststelde. Misschien was het een overgebleven vlaag van een droom, een laatste elektrische flits van mijn eigen verdriet. Of was mijn brein nog niet helemaal wakker, en maakte het zelf betekenis van stilte?

Maar soms denk ik dat ik even was afgestemd op een andere frequentie — een afwijking die niet iedereen ontvangt. De zender van wat er overblijft, nadat de stem zelf is verstomd. Misschien, heel misschien, heb ik het allemaal mis en is het gewoon lariekoek. Of is er wellicht toch meer tussen hemel en aarde?