Diagnose

‘Ik doe het niet.’
‘Maar ik wil het…’
‘En toch doe ik het niet.’
‘Maar ik heb er speciaal een afspraak voor gemaakt!’
‘Het is te oppervlakkig. Je maakt er meer mee kapot, dan dat het iets oplevert.’
‘Maar ik heb pijn.’
‘Dat is geen reden. Wil je van de pijn af, dan moet je de oorzaak weten, en van daaruit gaan werken aan een oplossing.’

Het was een discussie met mijn huisarts die ik niet ging winnen. Al weken had ik last van een ontsteking in mijn rechterelleboog en Google had bij mij een tennisarm gediagnosticeerd. Op het moment dat ik vergat dat ik een ontsteking had, probeerde ik bij metrohalte Van Sneevliet in Amsterdam een fiets bij het stuur op te tillen. Big mistake. Een enorme pijnscheut schoot er door mijn rechterarm en er keken kort een paar mensen naar mij toen ik het eventjes uitschreeuwde van de pijn. Dat was het moment dat ik besloot om een afspraak te maken voor een cortison-injectie.

Wanneer ik die avond verder had gegoogeld, had ik zelf ook kunnen lezen dat een cortison-injectie in je arm nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor het kapsel, pezen en het kraakbeen. Dat bedoelde mijn huisarts waarschijnlijk. Toch maar goed dat er huisartsen zijn die niet alleen even snel op Google een ziektebeeld checken. Geen snelle oplossing voor mijn pijn. Om de pijn in mijn arm te verlichten kreeg ik het advies om twee keer daags mijn rechterelleboog in te smeren met Voltaren Emulgel. Hiermee was de discussie met de huisarts gesloten.

‘Zijn er verder nog klachten?’ vroeg de huisarts mij.
‘Ik heb dagelijks pijn aan mijn voet door de artrose,’ zei ik. ‘Ik heb inmiddels de pijn een plaatsje kunnen geven, maar kunt u er eens naar kijken?’
‘Natuurlijk,’ zei ze vriendelijk lachend.
Ze vroeg me de schoenen en sokken uit te doen en plaats te nemen op de behandeltafel en nam mijn voeten onder handen. Ze bekeek de bult op mijn rechtervoet en bewoog mijn grote teen heen en weer, en op en neer.
‘Doet het zeer wanneer ik dit doe?’
‘Nee,’ zei ik naar waarheid.
‘Ik denk niet dat het artrose is. Het is een drukpunt.

Vervolgens gaf de huisarts mij wat advies over het aanschaffen van goede en ondersteunende schoenen. Tips waar ik niets aan heb, want gezien het feit dat ik al 10 jaar lang het idee -of de pretentie, dat ik artrose aan mijn rechtervoet heb, hou ik jarenlang rekening met de pasvorm van mijn schoenen. Ik loop constant op hetzelfde merk hardloopschoen om vooral geen last van mijn artrose-knobbel te hebben en mijn ‘normale’ schoenen lijken eerder op de schoenen van Katrien Duck, omdat deze altijd zo breed mogelijk moeten zijn.

Enigszins teleurgesteld verliet ik het gezondheidscentrum van Filmwijk. Geen cortison-injectie. Dit betekende dat ik nog even met pijn in mijn arm mag doorlopen en de gedachte dat ik artrose in mijn voet heb, blijkt nu een illusie te zijn! Wat ik vreemd vind, want op 14 mei 2007 is er toch echt wel artrose in mijn voet gediagnosticeerd. Dokters. Kan je de geneesheren en -dames tegenwoordig nog wel vertrouwen?

 

Evaluatiegesprek

Ik was vorige week maandagmiddag op bezoek bij mijn moeder, die nu een kleine maand woonachtig is in een verzorgingshuis voor licht dementerende bewoners. Deze middag was er een eerste evaluatiegesprek, tevens kennismakingsgesprek ingepland. De huisarts, de apotheker en de vaste begeleidster waren hierbij aanwezig.
Na een paar weken in het verzorgingshuis woonachtig te zijn is mijn moeder tevreden met haar nieuwe onderkomen en heeft ze het erg naar haar zin. Ook het contact met de andere bewoners is goed. Gezellig.
Ondanks dat ze vergeetachtig is, is ze niet onnozel. Zo weet mijn moeder dat het verzorgingstehuis haar laatste station is. Zoals ze dat beeldend aan ons kan melden. Ze zegt zich er wel bij neer te leggen en laat de dingen gebeuren zoals ze komen.
‘Uiteindelijk went alles,’ zegt ze me wanneer we in afwachting zijn van de huisarts, de apotheker en de begeleidster. Ik vind het heel verdrietig wanneer je beginnend dementerend bent en je er bewust van bent dat je de dingen begint te vergeten. Wanneer ik mijn moeder spreek vraagt ze iedere keer om een bevestiging betreffende het overlijden van mijn oudste zus, dat een paar maanden geleden is gebeurd.
‘Gré is er toch niet meer?’ vraagt ze dan.
Ik wil niet verzachtend of ontkennend antwoorden en leg haar uit dat haar oudste dochter alweer een enige tijd geleden is overleden.
‘Ach, wat is dat toch snel gegaan,’ zucht ze dan. ‘Inderdaad,’ antwoord ik en vertel haar grenzeloos voor de zoveelste keer dat we het allemaal heel verdrietig vinden. Mijn moeder weet het dus wel. Ze vergeet het gewoon af en toe.
Het evaluatiegesprek verloopt vlot. De nodige dingen, zoals de te gebruiken medicijnen en eventuele klachten, worden besproken, en vragen worden gesteld en beantwoord.
Mijn moeder zit er een beetje terughoudend bij. Af toe grapt ze komische opmerkingen. Op haar achtentachtigste leeftijd heeft ze soms toch nog de lachers op haar hand. Maar alle aandacht voor haar vindt ze helemaal niet nodig. Aan haar lijf geen polonaise. Wanneer de bezoekers met elkaar in gesprek zijn over pillen, recepten of alarmeringen zoekt ze oogcontact met mijn zus of met mij en knipoogt ze even. Het is niet dat ze het wonen in een verzorgingshuis niet serieus neemt, ze houdt niet van poeha en blabla. Mijn moeder doet graag haar eigen ding.
Zolang dat mogelijk is.

Strand

Vorige week zondag, de dag na de hittegolf -toen de buitentemperatuur niet meer gelijk of hoger lag dan de menselijke lichaamstemperatuur, zijn we na een afwezigheid van ongeveer 20 jaar weer eens op het strand nabij Den Helder gaan liggen. Ik weet het; het was die zondag niet echt een stranddag, maar de combinatie van een bezoek aan het strand nabij Den Helder is ook een bezoek aan mijn oude moedertje, die net een paar weken in het verzorgingshuis Dyckzicht woont.

Het was druk op het strand. Niet dat er hier en daar met zonnebrand ingesmeerde zonaanbidders lagen, maar het was druk met wandelaars en hondenuitlaatmensen. Het zonnetje brak door en wij besloten ons strandtentje uit te klappen. Met één greep uit de hoes stond het tentje meteen klaar voor gebruik. Wat een verschil met het opzetten van een windscherm, zoals we voor het laatst in het jaar 2000 deden. Dat was de tentstokken in elkaar schuiven, die vervolgens door de plooien van het schermdoek gestoken moesten worden, om vervolgens de lijnen aan te trekken totdat het scherm alle wind kon tegenhouden.

Eenmaal rustend met de blote billen op onze strandlaken, zagen we dat er meerdere strandgasten hetzelfde idee hadden. Niks wandelen, gewoon luierend op het zand. Bijna allemaal met de nieuwerwetse strandtentjes, als die van ons. Op een ouder echtpaar van net over de 70 na. Zij waren minutenlang bezig met het opzetten van het windscherm. Hoewel het eigenlijk de meneer was die druk was met het opzetten van het scherm. Mevrouw ging meteen op haar handdoek liggen. Soms zijn de taken niet helemaal gelijk gedeeld, maar wie ben ik om te oordelen?

Tijdens het mijmeren in het zonnetje gingen mijn gedachten naar het strand waar we ons nu bevonden, maar dan in de tijd dat we nog in Den Helder woonden en in de zomermaanden bijna dagelijks naar het strand gingen. Dat waren hele gebeurtenissen. Met vrienden van het in Den Helder niet meer bestaande café Chez Nous waren we geroutineerde strandbezoekers. Met flink gevulde boodschappentassen en koelboxen hebben we er uren doorgebracht.

Het was de tijd dat we als twintigjarigen dachten het strand te beheren. De wereld was van ons. We vermaakten ons met geanimeerde gesprekken, roddels en discussies. We speelden en zwommen in de zee en we hadden altijd te eten en te drinken. Honger was er alleen naar meer plezier. We verveelden ons nooit. We lachten luid en hielden ons niet in. We kenden geen zorgen over dat dit ooit voorbij kon gaan.