De Paus en een atheist hebben een discussie over het geloof. Een discussie waarvan mijn vader vroeger altijd al zei dat een discussie als deze oneindig was. De discussie tussen de Paus en de atheist is in het begin beheerst en beschaafd, maar na een tijd wordt de Paus ongeduldig en vooral ook geirriteerd. Het frustreerd hem dat ze niet samen tot overeenstemming kunnen komen en ook dat het ‘m niet lukt de atheist te overtuigen van het geloof waar de Paus zijn leven inmiddels aan heeft gewijd.
‘Een moment, wacht nu eens een moment! We lijken in niets op elkaar. Je bent als een man met een blinddoek om. Geblinddoekt in een donkere kamer, op zoek naar een zwarte kat die er niet eens is!’.
‘Oh, maar meneer de Paus,’ reageert de atheist. ‘Het lijkt er op dat we juist heel veel overeenkomsten hebben.’
De Paus kijkt hem niet begrijpend aan. De atheist hervat.
‘Ú bent als een persoon met een blinddoek om. Geblinddoekt in een donkere kamer, op zoek naar een zwarte kat die er niet is. Het enige verschil tussen ons is, is dat u de kat wel heeft gevonden.’
