Als kleuter zei ik dat ik later zwerver wilde worden, onder de bruggen van Parijs. De stad kende ik niet, bruggen hooguit uit de zandbak. Toch voelde het alsof iets diep in mij het wist. Soms denk ik dat het een echo was van een vorig leven, een archetypische herinnering, of gewoon een kinderlijke intuïtie: de wereld is groter dan je kunt bevatten, en ik wil er middenin zijn, onderweg.
Jaren later droom ik nog altijd dat ik onderweg ben. Door onbekende straten, treinen waarvan ik de bestemming niet weet, een vergeten paraplu hier, koffie over de krant daar, een kat die de stoep oversteekt alsof hij alles regelt. Je glimlacht erom, want zo gaat dat dus, onderweg zijn.
Misschien is het mijn levenshouding. Anderen werken aan carrière en pensioen, ik blijf hangen bij vragen zonder antwoord. Oude verhalen van nomaden en profeten spreken me altijd aan: Abraham, Jezus, mensen die hun huis verlieten zonder te weten waar de weg eindigt.
Onder de bruggen van Parijs; de ruimte, de stilte, de plek waar het leven het helderst klinkt. Ik ben onderweg, altijd onderweg. Zwerver, pelgrim, Parijs overal en nergens tegelijk. Ik glimlach, omdat onderweg zijn wenselijker is dan ergens blijven hangen.
