Er zijn mensen die half oktober al naar kerstliedjes luisteren. Ze bestaan. Je ziet ze niet meteen — ze lopen niet met een kerstmuts op over straat of hangen lampjes in de tuin — maar ergens, achter gesloten gordijnen, klinkt al zacht “It’s Beginning to Look a Lot Like Christmas”.
Ik vind dat eigenlijk wel iets ontroerends hebben. De herfst is nog maar net begonnen, de bladeren bedekken de straten nog net niet, en binnen zit iemand met een mok chocolademelk en Bing Crosby. Een beetje te vroeg, zou je denken. Maar wat is te vroeg, tegenwoordig?
Het begon, geloof ik, een paar jaar geleden. Tijdens corona. Toen iedereen thuiszat en de dagen op elkaar leken, begon men eerder met kerst. Een beetje licht in donkere tijden, letterlijk. Kerstbomen verschenen in november, sommige zelfs al in oktober. En dat is eigenlijk nooit helemaal weggegaan. Blijkbaar bleef de behoefte om de gezelligheid vroeg tevoorschijn te toveren hangen. Misschien omdat het werkte — die muziek, dat gevoel van iets warms midden in de kou.
De voordelen zijn duidelijk. Kerstmuziek heeft iets geruststellends. Alles wordt er zachter van, ronder. De scherpe randjes van het leven verdwijnen even in een klank van glockenspelen en koortjes. Een soort auditieve deken waar je jezelf in kunt wikkelen als de dagen korter worden. Wie al in oktober begint, lijkt te zeggen: laat dat donkere maar komen — ik heb mijn licht al gevonden.
Natuurlijk zijn er ook volksstammen die ervan gruwen. Mensen die bij de eerste tonen van “All I Want for Christmas Is You” onmiddellijk naar de radio grijpen om hem uit te zetten, woedend van de vroegtijdige gezelligheid. Voor hen is kerst pas toegestaan na Sinterklaas — het liefst niet één dag eerder.
Toch begrijp ik de vroege luisteraars wel. Juist omdat ik zelf nu ook soms een kerst-playlist op mijn telefoon afspeel. Voorzichtig nog, heel af en toe. Alsof ik wil wennen aan de kou die eraan komt.
