Oudroze

De mannen in de gayscene fascineren me. Misschien omdat ik me er niet helemaal in herken, en toch iets van mezelf in hen zie. Ze lopen, lachen, tonen zichzelf met een vanzelfsprekende trots. Hun vrijheid past hen als een goed gesneden kostuum — soms zelfs van leer. En ik meen dat zonder spot: ik vind het prachtig.

Toch voel ik me er niet echt thuis. Nooit gedaan ook. Make-up, hakken, tuigjes — het is niks voor mij. Ik kijk ernaar, glimlach misschien, maar voel me een figurant tussen de hoofdrolspelers. Niet uit afkeer, maar omdat ik me ongemakkelijk voel zodra iets te veel lijkt op toneel.

Ik ben geen theaterman. Al beweert mijn man dat er best een beetje drama in mij zit. En hij heeft gelijk, natuurlijk. Er zit in iedere gay man wel een vleugje overdrijving; alleen uit zich dat bij de één in glitter, bij de ander in zuchten. Ik hoor duidelijk bij de tweede categorie.

Vroeger ging ik vaak uit — naar de lhbtq+-kroegen, de dancings, de plekken waar de nacht nooit haast had. Daar hing iets in de lucht wat je buiten nooit vond: vrijheid. Een soort lichtheid. Je hoefde niets uit te leggen. Ik hield van die wereld. Misschien hou ik er nog steeds van, maar op een andere manier. Minder lijf, meer herinnering.

Ik noem mezelf geen queer. Dat klinkt me te modern, te vloeibaar. Ik ben eerder oudroze — een tint die ooit feller was, maar nog altijd blijft hangen. Een man die weet waar hij vandaan komt, en die het niet erg vindt dat het wat matter is geworden.

Toch, als het erop aankomt, sta ik er. Altijd. Want ik weet hoe het voelt om buiten te staan, en hoe hard mensen hebben moeten vechten om gewoon binnen te mogen zijn. Schmink of geen schmink, leer of linnen — ik hoor erbij. Misschien niet vooraan, met vlag en confetti, maar ergens achteraan. Met een glas wijn in mijn hand, een knik van goedkeuring, en net genoeg drama om het leven interessant te houden.

U mag reageren.