Kapot

Het gebeurde afgelopen zondagochtend, zo’n ochtend waarop de stilte net iets langer blijft hangen. Je loopt naar zolder met een mand was alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Tot je ziet dat de deur van de wasmachine een beetje vreemd hangt. Je kijkt ernaar zoals je naar een huisdier kijkt dat net iets te stil is. Je voelt dat er iets mis is, maar je hoopt dat het niks betekent. Totdat je de deur opent en het hele gevaarte je als een loodzware arm uit de hand valt. Het scharnier, ooit trots vastgeklonken in het plastic, was losgekomen. Niet omdat ik er hardhandig mee was omgegaan. Niet omdat we er bowlingballen in wassen. Nee. Het plastic had het gewoon begeven.

Viereneenhalf jaar staat dat ding op zolder. Nog geen vijf. In mijn hoofd heeft witgoed een soort morele verplichting om minstens tien jaar mee te gaan. Dat hoort zo. Dat heb ik van huis uit meegekregen. Maar tegenwoordig lijkt het alsof apparaten hun eigen wil hebben. Alsof ze op een zondagochtend besluiten: ik stop ermee.

Ik ben opgegroeid met een AEG uit de jaren zestig in onze badkamer. Een bovenlader, zo’n heerlijke oeroude machine waarvan je het deksel omhoogklapte alsof je een schatkist opende. Dat soort apparaten zijn tegenwoordig zo zeldzaam dat je ze bijna in een museum zou verwachten. Die AEG stond er als een rots. Hij bromde, trilde, gromde, maar hij gáf niet op. Twintig jaar lang niet. Toen ik het huis uit ging, draaide mijn moeder er nog steeds vrolijk op verder.

Onze huidige machine ligt voorlopig stil. We hebben een nieuwe deur besteld. Bij het onderdelenhuis uiteraard, want waar anders. Honderd euro, hoppa. Je zou bijna denken dat het erbij hoort, alsof moderne apparaten een soort abonnement op ellende hebben. Maar net toen we dachten dat het allemaal geregeld was, plopte er een mailtje binnen: de voorraad bleek ontoereikend. Ze doen hun best, schreven ze, en hopen de deur binnen een paar werkdagen alsnog te kunnen leveren. Het soort bericht waar je geen energie van krijgt. En dus ligt het wassen stil, tot nader order. De wasmand staat erbij als een wachtkamer: sokken, shirts, handdoeken, allemaal geduldig in de rij. Je voelt je er bijna schuldig over.

Op zolder hangt nu een soort stilte die je eerder bij een zieke verwacht. De machine staat werkloos, alsof hij nadenkt over zijn eigen bestaan. Ik loop erlangs en open automatisch de deur — of beter: waar de deur zou moeten zitten. Gewoonte is sterker dan logica. Ook dat voelt ergens treurig.

Als de nieuwe deur komt, zal de machine zich weer braaf van zijn taak kwijten. Tenminste, dat hoop je dan maar. Maar het vertrouwen is geknakt. Ik denk soms terug aan die AEG-bovenlader, onverwoestbaar als een oude autoklassieker. Een apparaat met karakter. Met uithoudingsvermogen.

Bij de was van tegenwoordig hoort blijkbaar ook: wachten. Wachten op onderdelen, wachten op pakketjes, wachten tot er weer gewassen kan worden. En ergens, tussen de stilstaande trommel en de groeiende stapel was, mis je dat oude gevoel: het vertrouwen dat een machine langer meegaat dan het seizoen. Dat je niet afhankelijk bent van plastic scharnieren en track-&-trace-mails. Tot die nieuwe deur komt, draait hier niets.

U mag reageren.