Ik zit in de bus, onderweg van Amsterdam naar huis. Buiten glijdt het landschap langs het raam: nat asfalt, kale bomen, grauwe lucht die de stad langzaam laat uitademen. Mensen stappen in en uit, met opgetrokken kragen en haastige blikken, allemaal onderweg naar hun eigen bestemming. Ik ook, maar mijn gedachten blijven hangen bij een bericht dat ik net las. Afgelopen dinsdag zijn op de voormalige vliegbasis Soesterberg twee van de zwaarste bommen uit de Tweede Wereldoorlog tot ontploffing gebracht. Gewoon hier, in Nederland, op een doordeweekse dag. Geen paniek, geen chaos. Experts die weten wat ze doen: een dikke laag zand erover, een veiligheidsperimeter, mannen met helmen die tevreden knikten. Risicoloos is het nooit, maar dit risico had een draaiboek. Een tijdstip. Een verantwoordelijke. Boem. Klaar. Afgehandeld. En wij? Wij scrollen verder, drinken onze koffie, praten over de Olympische Spelen of de laatste serie, alsof er niets is gebeurd.
Misschien moest ik daarom denken aan dat andere verhaal. Zo’n bericht waarvan je eerst denkt: ja hoor, dat zal wel. Tot je ontdekt dat het gewoon waar blijkt. Voor de kust van Georgia, bij Tybee Island, ligt sinds 1958 een waterstofbom op de zeebodem. Een Mark 15. Geen markering, geen hek eromheen. Gewoon onder zand en slib. Ooit gedumpt na een botsing in de lucht tijdens een oefenvlucht. Te zwaar om veilig te landen. Besluit in de cockpit: lossen. Dumpen. De zee sloot zich en deed alsof er niets was gebeurd. Officieel is er geen gevaar. Geen verhoogde straling. Deskundigen spreken van een “verwaarloosbaar risico”. Het klinkt geruststellend, alsof iemand zegt: maakt u zich geen zorgen, wij houden het in de gaten.
En ondertussen zijn wij hier druk met het klimaat. Met stikstofnormen, CO₂-reductie, fijnstof, giftige dampen, meetstations, rapporten. We discussiëren over uitstootpercentages achter de komma, over vergunningen en protocollen, over wie verantwoordelijk is en wie een boete krijgt. Alles zorgvuldig gemeten, gecontroleerd, gereguleerd. Terecht, logisch en nodig. Maar ergens, onder water, ligt een bom uit de Koude Oorlog. Materialen die niemand in zijn achtertuin wil. Wat doet zout water met metaal na bijna zeventig jaar? Wanneer wordt verwaarloosbaar ineens ongewenst? We maken ons zorgen over microplastics in vis, terwijl er misschien ooit plutonium begint te lekken op een plek waar niemand dagelijks naar omkijkt. De zee is geen kluis. Ze beweegt, schuift en verandert.
De bus remt, iemand stapt uit, iemand anders neemt zijn plek in. Het leven gaat door, halte na halte. Mensen zwemmen daar in Georgia gewoon, boeken er vakanties en laten hun hond rennen langs de branding. Net zoals wij onder zeeniveau wonen en vertrouwen op onze waterwerken. Het risico wordt onderdeel van het landschap, zichtbaar of niet. Misschien is dat beschaving: georganiseerd vertrouwen. In ingenieurs. In protocollen. In het idee dat iemand anders waakt over wat wij vergeten. De bommen in Soesterberg hadden een datum en een knal; de bom bij Tybee Island heeft alleen stilte. Geen sirene, geen aftelklok. Alleen tijd. Water. Geduld. Misschien leven we allemaal een paar meter boven iets wat we liever niet al te precies willen kennen. De bus rijdt station Almere Centraal binnen. Ik sta op, trek mijn jas recht, adem de stad in. En ergens, diep onder het zand bij Tybee Island, ligt hij. Stil. Wachtend. Terwijl wij druk zijn over hoeveel methaan een koe uitstoot.