Vroeger was het heel normaal om vriendschappen per post te onderhouden. Sterker nog, sommige vriendschappen begonnen ermee. In tijdschriften stonden destijds kleine advertenties van mensen die een penvriend of penvriendin zochten, vaak voorzien van een paar interesses: muziek, sport, postzegels, modeltreinen, of gewoon de wens om met een leeftijdsgenoot te schrijven.

Je schreef een brief, deed er een postzegel op en wachtte af. Soms tevergeefs, maar áls er een brief terugkwam, was dat een klein feestje. Een envelop op de deurmat met jouw naam erop. Geen melding op een scherm, geen piepje van een telefoon, maar een echte brief die dagen onderweg was geweest.
Zelf heb ik een tijdje gecorrespondeerd met een buurmeisje dat naar Duitsland was verhuisd. Omdat bellen destijds veel te duur was om regelmatig te doen, schreven we elkaar brieven. Het was een vanzelfsprekende manier om contact te houden; je vertelde wat je had meegemaakt, hoe het op school ging en wat de plannen voor de vakantie waren. Eigenlijk precies wat mensen nu via WhatsApp doen, alleen zat er toen soms een week tussen vraag en antwoord.
Daarnaast schreef ik met mensen in andere landen. Voor die buitenlandse correspondentie gebruikte je vaak flinterdun luchtpostpapier dat bijna kwetsbaar aanvoelde. Dat had een praktische reden: hoe lichter de brief, hoe goedkoper de postzegel. Soms schreef je de letters extra klein om zoveel mogelijk tekst op één velletje kwijt te kunnen. Elke centimeter werd benut.
Het bijzondere was dat je een vriendschap onderhield met iemand die je alleen kende van een advertentietje. Je had elkaar nooit ontmoet en vaak niet eens gesproken. Toch wisselde je verhalen uit over school, muziek, vakanties en alles wat je bezighield. Je leerde iemand kennen door zijn of haar woorden; niet door foto’s, filmpjes of een zorgvuldig samengesteld profiel. Je wereld werd zo groter, envelop voor envelop.
In onze familie was dat overigens niet ongewoon; mijn nichtje had destijds bijna een leger aan penvrienden. Regelmatig vielen er kaarten en brieven uit allerlei windstreken op de mat. Het mooie is dat die belangstelling bij haar nooit helemaal is verdwenen. Ook nu is ze nog actief met Postcrossing, waarbij mensen van over de hele wereld elkaar ansichtkaarten sturen. Blijkbaar blijft de aantrekkingskracht van fysieke post bestaan.
Eind jaren negentig begon het traditionele briefschrijven langzaam te veranderen. Eerst kwam de e-mail, daarna ontdekte ik ICQ. Ineens kon je berichten direct versturen en chatten met iemand aan de andere kant van de wereld. Ik vond het destijds bijna magisch dat je live contact had met iemand in Australië, terwijl een brief daar eerder weken over deed. Het bekende “uh-oh”-geluid van ICQ betekende dat er ergens iemand een bericht naar je had gestuurd. Voor die tijd voelde dat als pure toekomst.
Later volgden er meer chatprogramma’s en sociale media. Contact werd sneller, directer en vanzelfsprekender. Handig natuurlijk, maar ergens ging er ook iets verloren. Een brief schrijven kostte tijd, en het lezen ervan ook. Misschien dacht je daardoor net iets langer na over wat je wilde vertellen.
Soms vraag ik me af hoe dat tegenwoordig gaat. Onderhouden mensen nog steeds langdurige vriendschappen met mensen die ze puur via sociale media hebben leren kennen? Vast wel. Alleen verloopt het contact anders: vluchtiger, sneller en zonder postzegels.
Toch denk ik dat er iets bijzonders zat in die oude penvriendschappen. Het geduld. De verwachting. Het moment waarop je thuiskwam en zag dat er een envelop voor je lag. Een bericht uit een andere stad, een ver land, of van een verhuisd buurmeisje.
Dat gevoel laat zich niet verzenden via wifi. We hebben misschien meer contact dan ooit, maar iets van de tastbaarheid van vroeger zijn we onderweg kwijtgeraakt.