Steekproef

Als de kans om iets te winnen in de Staatsloterij net zo groot was als de kans op een tassencontrole bij de zelfscankassa van Jumbo, kocht ik onmiddellijk een paar straatjes. Daarna hoefde ik vermoedelijk nooit meer een staatslot aan te raken, omdat ik dan statistisch gezien binnen een week miljonair zou zijn.

Maar nee, we leven niet in een perfecte wereld. Bij de Staatsloterij win ik hooguit een bedrag waarmee ik een nieuw lot kan kopen. Bij Jumbo heb ik daarentegen vrijwel altijd prijs. Zodra ik op ‘betalen’ druk, verschijnt er op het scherm een mededeling waaruit blijkt dat ik ben uitverkoren voor een controle. Gefeliciteerd! U heeft een gratis doorzoeking van uw boodschappentas gewonnen.

Op zichzelf vind ik zo’n controle niet erg. Regelmatig lees ik dat medeburgers proletarisch winkelen als een volkomen normale aanvulling op hun inkomen beschouwen. Een avocado vergeten te scannen, een biefstuk als winterpeen aanslaan of zes speciaalbiertjes onder in de tas verstoppen: blijkbaar hoort het allemaal bij het moderne boodschappen doen. Het personeel kan moeilijk aan mijn eerlijke gezicht zien dat ik zelfs het plastic zakje voor mijn broodjes keurig afreken.

Dus ik zucht, sla mijn armen over elkaar en wacht geduldig tot een winkelmedewerker komt aangesneld. ‘Even een steekproef,’ zegt die dan.

Een steekproef? Bij mij begint het inmiddels op een abonnement te lijken.

De medewerker scant een paar willekeurige producten. De kipfilet. De Skyr. Een fles bronwater. Soms moet er iets van onder uit de tas komen en wordt mijn zorgvuldig opgebouwde boodschappenconstructie volledig ontmanteld. Ik pak mijn tas namelijk met beleid in. Zware spullen onderop, lichte spullen bovenop en brood en eieren op een plek waar ze niet eindigen als paneermeel en roerei.

Dat systeem blijkt voor winkelmedewerkers vaak hogere wiskunde. Na de controle worden de boodschappen teruggelegd alsof iemand na sluitingstijd nog snel een spelletje Tetris wil verliezen. Het pak melk belandt boven op het brood, de appels rollen richting de eieren en de zak chips wordt ergens tussen twee flessen limonadesiroop geperst. Controle geslaagd, boodschappen naar de filistijnen.

Daardoor mag ik mijn tas na afloop opnieuw inpakken. Of beter gezegd: wéér inpakken, want vóór de controle zat alles al keurig op zijn plaats. Meestal kan ik het niet laten daar iets van te zeggen. Niet boos, maar wel met de licht verwijtende toon van iemand wiens volkorenbrood zojuist een plat leven tegemoetgaat.

De winkelmedewerker doet vervolgens alsof ik niets heb gezegd. Misschien krijgen ze daar een training voor: ‘Omgaan met lastige klanten door plotseling doof te worden’.

Uit pure kinnesinne laat ik daarna mijn boodschappenmandje bij de zelfscankassa staan. Als ze dan toch voortdurend naar mij toe moeten lopen, kunnen ze op de terugweg meteen dat mandje meenemen. Efficiëntie heet dat. Of passief-agressieve logistiek.

Ik weet het: het is kinderachtig. Maar ook wanneer je ouder bent dan vijftig, blijft er ergens een opstandig kind in je wonen.

Bij mij zit het kind meestal onder in de boodschappentas. Zorgvuldig ingepakt, uiteraard.

U mag reageren.