November. Koud genoeg om te voelen dat de herfst nog niet over is, warm genoeg voor lampionlicht. Sint-Maarten, het feest van zingen langs deuren en snoep verzamelen. Ooit een heilige die zijn mantel deelde met een bedelaar, nu vooral een excuus om door de mistige straten te lopen met een tas vol Mini-Marsjes en ander snoepgoed.
Mijn laatste jaren als zingend kind: te groot om te vergeten dat ik vals kon zingen, te klein om niet te geloven dat het feest overal licht bracht. Ik liep met mijn lampion, de tas vol verzameld snoep, toen hij kwam. Een jongen van zeventien of zo, zo snel dat mijn benen het niet bijhielden, greep mijn tas en rende weg. Mijn snoepgoed weg in één ruk. De lol was meteen verdwenen.
Maar er was redding. Leeftijdsgenootjes, die mijn verdriet hadden gezien, deden hun tasjes open en deelden hun oogst. Een stukje taaitaai hier, een handjevol pepernoten daar. Het was niet veel, maar voor even voelde mijn koude tas warm, een onverwacht gebaar van vriendelijkheid dat de harde realiteit even deed vergeten.
Zo gaat het met herinneringen. Ze zijn klein, soms bitter, soms zoet. Maar ze blijven hangen, als een lampion in de mist. Sint-Maarten is meer dan snoep en liedjes. Het is een herinnering aan delen, aan onverwachte vriendelijkheid, en aan het feit dat zelfs een koude novemberavond even licht kan zijn.
Op de avond van 11 november zie ik de kinderen met hun lampionnen, zingend, soms vals, vaak enthousiast. En ergens, tussen de Mini-Snickers en het Haribo-spul door, glimlach ik. Want die herinnering, die koude tas die even warm werd door de gulheid van anderen, draag ik nu nog steeds mee.














