Evenwicht

Op de laatste werkdag van de vorige maand presenteerde de nieuwe minderheidsregering haar plannen. Zo’n moment waarop je je koffie net iets langzamer drinkt, omdat je weet dat er iets aankomt dat onvermijdelijk wordt genoemd. En ja hoor: de AOW-leeftijd moet omhoog. Altijd gebracht als een natuurwet. Mensen worden ouder, dus werken we langer door. Alsof iemand ooit heeft verzucht: “Weet je wat mijn leven compleet zou maken? Nog een paar extra jaren werk.”
Dat er alternatieven zijn, blijft buiten beeld. Neem het wachtgeld voor ex-politici. Een regeling waar men fluisterend over praat, alsof het een ongemakkelijke familieruzie betreft. Afschaffen na één jaar zou vermoedelijk meer opleveren dan het eindeloos opschuiven van de pensioenleeftijd. Maar dat klinkt minder daadkrachtig dan zeggen dat iedereen een stapje extra moet zetten. En iedereen is in dit geval vooral iemand anders.

Ondertussen strooide het KNMI met waarschuwingscodes: geel, oranje, rood. In het noorden werd het spekglad en zelfs strooiwagens hadden moeite om overeind te blijven. Dat is bijna poëzie: middelen die bedoeld zijn om grip te houden, verliezen zelf de controle. Je zou er een beleidsnota over kunnen schrijven. Gladde Zaken. Over systemen die uitstekend functioneren, totdat ze het meest nodig zijn.
Alsof uitglijden deze week collectief was afgesproken, doken er elders ook morele glijpartijen op. In de vrijgegeven Epstein-files verschenen Nederlandse namen. Yfke Sturm en Sylvia Geersen. Er kwamen excuses, vergezeld van het woord naïviteit. Een wonderlijk begrip: het klinkt onschuldig, maar is ruim genoeg om alles in te parkeren wat je liever niet benoemt. Een taalkundige uitglijder met zachte landing.

Daar bleef het niet bij. Deze week werd een man uit Rotterdam veroordeeld tot taakstraffen nadat hij antisemitische haatmails had gestuurd naar medewerkers van het Anne Frank Huis. In zijn correspondentie riep hij Anne Frank persoonlijk ter verantwoording voor het Israëlische geweld in Gaza. Dat is geen meningsuiting meer, maar een ontsporing waarbij logica, geschiedenis en menselijkheid tegelijk onderuitgaan. Een vermoorde Joodse tiener verantwoordelijk houden voor hedendaagse geopolitiek is geen provocatie, maar een bizarre vorm van morele gladheid. Wie hier nog verbanden ziet, heeft vooral grip op niets.

Later in de week keek ik de nieuwe documentaire over koning Willem-Alexander en koningin Máxima. Meer uit nieuwsgierigheid dan uit bewondering. Ik ben geen monarchist, maar wel realistisch genoeg om te zien dat het Koninklijk Huis een uitstekend visitekaartje is. Het opent deuren, geeft Nederland een gezicht en continuïteit, en doet dat zonder PowerPointpresentatie.
Wat me vooral raakte, was het ontbreken van ontsnapping. Geen zijlijn, geen pauze, geen anonimiteit. Elke misstap blijft hangen. Privé bestaat vooral op papier. Zelfs een slechte haardag wordt nationaal erfgoed.

Misschien is dat de rode draad. Politici, modellen, koningen en burgers op een bevroren stoep: iedereen probeert overeind te blijven in een wereld vol verwachtingen en misverstanden. We glijden uit, we verklaren, we relativeren. En ondertussen leven we toe naar hetzelfde moment: Het weekend.
Gelukkig is het zaterdag.

Vuurwerk

Ik moet bekennen dat ik nooit het plezier heb kunnen vinden in het afsteken van rotjes of ander vuurwerk. Niet alleen omdat ik de knallen vervelend vind, maar ook om de simpele reden dat je gemakkelijk een hand of oog kunt verliezen. De cijfers van de Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie bevestigen dat mijn angst niet ongegrond is: het aantal jongeren dat dit jaar een hand of arm is kwijtgeraakt door vuurwerk, is meer dan verdubbeld ten opzichte van vorig jaar. Tien slachtoffers tot en met half december, waar het er vorig jaar nog vier waren. En het wordt nog schrijnender: de gemiddelde leeftijd van de slachtoffers is gedaald van tweeëntwintig naar dertien jaar. Dertien!

Het gaat vooral om de illegale Cobra 6, een stukje knalplastic dat in de afgelopen vijf jaar bijna verdrievoudigd is wat betreft het aantal ongelukken. Meer dan de helft van de slachtoffers is jonger dan achttien, een aanzienlijk deel zelfs jonger dan zestien. Je hoeft geen wetenschapper te zijn om te begrijpen dat dit desastreus is. De NVvH waarschuwt al jaren, maar kennelijk valt bewustwording moeilijk over te brengen.

Dit jaar probeert men het anders: een bewustwordingscampagne, in samenwerking met kledingmerk FOUR, dat onder jongeren populair is, introduceert een eenarmige hoodie. Symbolisch, inderdaad, en een beetje briljant in zijn eenvoud. De boodschap is duidelijk: besef even hoe gevaarlijk vuurwerk kan zijn. Vorig jaar werd al de CobraCode gelanceerd: drie emoji’s op een rij – cobra, knal en bicep. Bij de bicep ontbreekt een hand. Korte aandachtsspanne? Emoji’s werken beter dan ellenlange waarschuwingen.

Toch blijft het schrijnend. Het idee dat een dertienjarige of veertienjarige straks niet meer kan schrijven, tekenen of knuffelen omdat een vuurpijl verkeerd afgaat… het is bijna onvoorstelbaar. En ik sta erbij en denk: goed, ik heb het nooit leuk gevonden om vuurwerk af te steken. Deels vanwege ouderwetse voorzichtigheid, deels vanwege de kansen en het gevaar. Hoe kun je plezier hebben als het risico bestaat dat een hand, een oog, je hele jaar vernield wordt?

Misschien moet ik mijn afkeer niet zien als saai, maar als een soort gezond overlevingsinstinct. Terwijl de rest van Nederland zich voorbereidt op een laatste keer legaal vuurwerk afsteken, blijf ik aan de zijlijn. Niet uit lafheid, niet uit ouderdom, maar uit kennis van het lot dat op een spelletje vuurwerk kan volgen. En als tien jongeren dit jaar al een arm of hand verloren hebben, dan voelt mijn afstand nemen ineens niet zo vreemd, maar juist verstandig.

Vuurwerk. Leuk om naar te kijken, gevaarlijk om vast te houden. Mijn favoriete knallen? Die van de champagnekurken, om twaalf uur ’s nachts. Niet iedereen deelt mijn opvatting, maar wie het risico kent, moet er tenslotte een goed oog voor hebben om vuurwerk te omarmen.

Woord

Er zijn woorden die jarenlang rustig in de taal liggen te wachten, tot de wereld ze ineens nodig heeft. Hallucineren is zo’n woord. Het hoorde bij koorts, slaapgebrek, paddo’s en films waarin iemand langzaam ontspoort. En nu is het het Woord van het Jaar 2025. Keurig uitgeroepen door de redactie van Van Dale, zonder publieksstemming, zonder campagnes, zonder mensen die elkaar online in de haren vliegen over de morele lading van een zelfstandig naamwoord.

Hallucineren, dus. Van Dale koos het woord omdat het in het tijdperk van kunstmatige intelligentie een nieuwe betekenis heeft gekregen. Niet langer alleen iets wat zich in een hoofd afspeelt, maar ook iets wat een machine kan doen. AI-systemen kunnen informatie geven die overtuigend klinkt, maar nergens op gebaseerd is: geen betrouwbare data, geen feiten, wél een verhaal. Dat noemt men tegenwoordig hallucineren. Het woord is oud, de toepassing verrassend actueel.

Ik vind dat mooi. Taal is flexibel, maar ook genadeloos precies. Zodra we een nieuw verschijnsel niet goed kunnen plaatsen, zoeken we een bestaand woord en schuiven er een betekenis bij. Zo voelt het minder bedreigend. Het is geen systeemfout, geen fundamenteel probleem, het is een hallucinatie. Alsof de computer even dagdroomt.

Wat Van Dale ook zegt, is dat dit woord een bredere ontwikkeling weerspiegelt. AI gebruikt taal om met ons te communiceren en beïnvloedt daarmee onze woordenschat. We praten anders over fouten, over waarheid en over betrouwbaarheid. Dat is geen detail, dat is een verschuiving.
Hallucineren. Een woord dat waarschuwt zonder te schreeuwen. Dat lijkt me, voor 2025, helemaal geen slechte keuze.

Neanderthaler

Soms lees je online iets waar je ongemakkelijk rechtop van gaat zitten. Niet omdat het wereldschokkend is, maar omdat het je confronteert met wat je dacht te weten. Zo had ik het vanmorgen met een bericht over Neanderthalers. Oermensen, ruig, zwaar aangezette wenkbrauwen, geen spoor van nuance. Zo dacht ik altijd.

Maar nu blijkt dat ze complex gereedschap maakten van botten. Niet zomaar botten, maar zorgvuldig gekozen rendierbotten waarmee ze huiden prepareerden tot kleding. Waterdichte kleding zelfs. En tassen. Dingen waar wij tegenwoordig het label handgemaakt en duurzaam op zouden plakken.

Op een vindplaats in Frankrijk vonden onderzoekers een rendierbot van 105.000 tot 132.000 jaar oud. Een leeftijd waarbij elk menselijk begrip ophoudt. Dat bot zat vol sporen van zacht weefsel, bewijs dat het langdurig gebruikt werd. Een soort prehistorische multitool die je zó in een outdoorwinkel zou kunnen leggen, mits je het een hippe merknaam geeft.

Ik zag het ineens voor me: een Neanderthaler, gehurkt bij het vuur, bezig met een huid. Niet alleen villen, maar ook vooruitdenken. “Handig voor de jacht,” bromt hij misschien, terwijl hij het bot in een leren tas stopt die hij zelf heeft genaaid met draden waarvan we nu pas weten dat ze bestonden.

Dat vooruitdenken verbaasde me. Niet omdat het zo bijzonder is, maar omdat ik mijn tijdgenoten soms al niet zie nadenken over het avondeten. Dan lees je dat onze voorouders strategisch konden plannen en een diepgaand begrip hadden van materiaal, en je vraagt je af hoe zij dat deden zonder wifi, apps of podcasts over efficiënt leven.

Het oude beeld van de lompe jager kan dus de prullenbak in. Ze waren innovatiever en intelligenter dan gedacht. En daarmee, bedacht ik tijdens het scrollen, misschien wel minder oerdom dan wij ze hebben gemaakt.

En toen merkte ik iets. Het bericht stemde me milder. Als de Neanderthaler al zoveel meer bleek te kunnen dan ik hem ooit had toegedicht, waarom kijk ik dan zo mopperend naar mijn eigen tijdgenoten? Naar de man die zijn kar midden in het gangpad laat staan of de automobilist die zijn richtingaanwijzer vergeet?

Misschien mag ik de moderne medemens toch wat hoger inschatten dan ik eerder deed. En misschien is dat, dank je wel rendierbot van 130.000 jaar oud, een goed voornemen om straks het nieuwe jaar mee te beginnen.