Geschiedenis

Er zijn mensen die uren kunnen bladeren door boeken over kastelen, oude binnensteden of historische dorpen. Geef mij maar een fotoboek over Almere. Sinds kort ligt de tweede, geheel herziene druk van Almere vanuit de Wolken in de boekhandel. Dat boek moest natuurlijk meteen aan mijn verzameling worden toegevoegd. Inmiddels staan beide edities keurig naast elkaar in de boekenkast.

Ik denk dat mijn fascinatie voor Almere voortkomt uit één bijzonder gegeven: ik woon in een stad die jonger is dan ikzelf. Dat blijft een vreemde gedachte. De meeste Nederlanders wonen in een plaats waarvan de geschiedenis honderden jaren teruggaat. Almere is anders. Hier kun je de complete ontstaansgeschiedenis bijna vanaf de eerste schop zand volgen.

En dat is precies wat deze boeken zo leuk maakt: ze staan boordevol luchtfoto’s van vroeger én van nu. Op de ene pagina zie je een kale vlakte waar de wind vrij spel heeft; op de volgende herken je dezelfde plek als een levendige woonwijk, compleet met scholen, bomen, winkelcentra en drukke wegen. De vergelijking blijft me boeien.

Soms zijn het juist de kleinste details die mijn aandacht trekken. Zo staat er een luchtfoto in waarop alleen een fietstunneltje onder het spoor te zien is. Tegenwoordig ligt dat tunneltje aan het einde van onze straat. Op de foto is verder helemaal niets te zien. Geen huizen. Geen straten. Geen auto’s. Alleen het spoor, het tunneltje en eindeloos veel zand. Als je daar nu staat, kun je je nauwelijks voorstellen dat het er ooit zo uitzag.

Dat vind ik misschien wel het mooiste aan Almere. Je kijkt niet naar een geschiedenis van eeuwen geleden, maar naar een verleden dat veel mensen zich nog kunnen herinneren. De foto’s voelen daardoor verrassend dichtbij.

Veel van het beeldmateriaal komt uit het Stadsarchief Almere. Het is prachtig dat al die foto’s zorgvuldig zijn bewaard. Historisch materiaal hoeft blijkbaar helemaal niet honderden jaren oud te zijn. In Almere is een luchtfoto uit de jaren zeventig of tachtig al een stukje geschiedenis. En eerlijk gezegd vind ik dat minstens zo interessant.

Wat me tijdens het bladeren ook opviel, is hoe snel een jonge stad verandert. Sommige woningen, winkelpanden en andere gebouwen die op de foto’s nog splinternieuw lijken, bestaan inmiddels niet eens meer. Ze hebben alweer plaatsgemaakt voor nieuwe projecten. Dat is misschien wel het bijzondere van Almere: zelfs de geschiedenis blijft voortdurend in beweging. De stad is nog geen zestig jaar oud, maar kent inmiddels al verschillende generaties aan wijken en gebouwen.

Naast mijn interesse in Almere ben ik sowieso gek op luchtfotoboeken. Er is iets bijzonders aan een stad van boven bekijken. Patronen worden zichtbaar, lijnen lopen ineens logisch in elkaar over en je krijgt een totaal ander beeld van een plek waar je dagelijks doorheen loopt. Misschien is dat ook wel waarom ik steeds weer teruggrijp naar deze boeken.

Voor veel mensen is Almere vanuit de Wolken waarschijnlijk gewoon een mooi kijkboek. Voor mij is het veel meer dan dat. Het laat zien hoe een kale vlakte is uitgegroeid tot een volwaardige stad. En misschien maakt juist dat Almere zo bijzonder: je woont niet alleen ín de geschiedenis, je hebt het ontstaan ervan grotendeels zelf meegemaakt.

Samen

Het kan in Almere. Jarenlang de slogan van de stad waar ik bijna dertig jaar woon. Het klonk als een belofte: ruimte, vrijheid, mogelijkheden. Hier kan wat elders niet kan. Almere als proefopstelling van Nederland. Nu is er een nieuw experiment: het samenscholingsverbod.

Drie mensen. Meer heb je niet nodig om ineens een groep te zijn. Sta je met z’n drieën te lang bij de Stadswetering of op het Stadhuisplein, dan kan de politie je wegsturen, beboeten of zelfs arresteren. Het hangt af van hoe je staat, hoe lang je blijft, hoe je overkomt. Het geldt in het centrum, waar de overlast volgens de burgemeester is toegenomen.
Drugsdeals. Intimidatie. Georganiseerde vechtpartijen die via sociale media worden afgesproken. Minderjarigen opgepakt in een fastfoodrestaurant. Gedoe op het plein. Het centrum als toneel van onrust. De burgemeester vond zo’n verbod eerder een zwaar middel. Maar soms wordt het zware middel toch gekozen. Voor een half jaar. Daarna volgt een evaluatie. Alsof het een kuur is: even slikken en kijken of de klachten verdwijnen.
Het doet me denken aan een andere periode waarin aantallen plotseling belangrijk werden. Twee mocht, drie werd ingewikkeld, vier was te veel. We telden elkaar. We maten afstand. Met mondkapjes op het gezicht hielden we toezicht op stoepen en pleinen. De openbare ruimte werd iets waar regels zichtbaar rondliepen.

Niet iedereen is enthousiast. Amnesty International noemt het zorgelijk. Een hoogleraar van de Vrije Universiteit spreekt van een idiote maatregel. Het kan willekeurig uitpakken, discriminerend zelfs. Wanneer is een groep jongeren een probleem en wanneer zijn het gewoon jongeren die elkaar opzoeken? Dat is de kern. Drie jongens op een bankje. Twee meisjes met een milkshake. Vier vrienden die elkaar tegenkomen en blijven praten. Vanaf welk moment wordt samenzijn een overtreding? Er is geen stopwatch die afgaat. Alleen een beoordeling. En gezag.
De gemeente zegt dat het verbod gericht is op gedrag dat leidt of dreigt te leiden tot ongeregeldheden. Preventie waar het kan, handhaving waar het moet. Jongerenwerk, hulpverlening, HALT. De politiek is verdeeld: sommigen zijn blij dat er iets gebeurt, anderen vragen zich af wie het moet controleren, met een tekort aan politie. En er is altijd de kans dat de overlast gewoon een straat opschuift.

Ik loop er vaak. Gewoon door het centrum. Ik zie mensen met rug- en boodschappentassen, een man met een hond in zijn armen, twee meisjes die hard lachen om iets op hun telefoon. Ik tel automatisch: één, twee, drie. Even voel ik die oude reflex. Mag dit eigenlijk? Er gebeurt niets. Misschien is het rustig. Misschien mis ik de momenten waarop het schuurt. Ik moet eerlijk zeggen: ik heb nergens last van gehad. Maar ik ben ook niet altijd in het centrum.
Wat me vooral opvalt is de heftigheid van de kritiek. Amnesty die zich roert. Een hoogleraar die het idioot noemt. Dat mag. Dat hoort bij Nederland. Toch vraag ik me af: zijn er nergens in de wereld ernstiger situaties die aandacht vragen? Is Almere nu de plek waar de mensenrechten het hardst worden geschonden?

Het kan in Almere, zegt de slogan. Blijkbaar kan dit ook. Over zes maanden weten we of het iets heeft opgelost. Of niet. Misschien staan er dan weer gewoon drie mensen bij elkaar. Omdat ze elkaar tegenkwamen. Omdat ze iets te bespreken hadden. Omdat samen zijn uiteindelijk normaler is dan elk verbod.

Visarend

Zondagochtend. De stad slaapt nog half, behalve hondenbezitters en vroege fietsers zoals ik. Even het hoofd leegmaken, de benen laten draaien, weg van alles wat moet. Almere. In gezelschap vaak met een lichte frons uitgesproken: “Och, Almere.” Beton, planologie zonder ziel, de plek waar je woont omdat het elders te duur werd. Een hardnekkig beeld dat mensen meenemen die er zelden komen.

Na vier kilometer kom ik op het Noorderledepad. Het decor verandert ongemerkt. Asfalt slingert langs water en riet, de lucht is laag en grijs, maar rustig. Geen dramatisch wolkenspel, gewoon een stille zondagochtend in de polder. Deze natuur dringt zich niet op; je moet haar tijd geven. Vandaag vallen ze op: nestpalen, hoge houten palen met een stevig plateau bovenop, klaar voor de visarend. Functioneel, zonder opsmuk. Dat alleen al maakt iets los. Je fietst door een stad die nog steeds het imago van beton meesleept, terwijl hier ruimte wordt gemaakt voor een roofvogel die zijn winters in West‑Afrika doorbrengt. Naar Almere. Niet naar een romantisch bergmeer, maar naar de polder.

Ik fiets langzamer en kijk omhoog. Zo’n paal oogt eenvoudig, maar straalt overtuiging uit: hier mag iets groots landen. Ik stel me voor hoe een visarend boven het water hangt, stil in de lucht, plots naar beneden duikt en met een zilveren vis weer opstijgt. Hoe hij takken aansleept en een nest bouwt dat jaar na jaar groter wordt. Op de achtergrond zie je de contouren van de stad: huizen, een mast, een brug. Niets spectaculairs, en toch klopt het. Water, riet, wind. Veel lucht. Almere is misschien wel de stad met de meeste lucht van Nederland. Dat zie je niet op oude luchtfoto’s, dat merk je pas als je hier fietst, op een ochtend waarop niemand iets van je verwacht.

Het imago van Almere is hardnekkig. Mensen onthouden de eerste huizen, de rechte lijnen, de jonge boompjes. Ze zien een bouwtekening in plaats van een landschap. Maar wie hier op zondagochtend rondrijdt, ziet iets anders. Stilte is dichtbij. Binnen tien minuten hoor je vooral je eigen adem en het zachte zoemen van banden over asfalt.

Langs het Noorderledepad staan de nestpalen geduldig te wachten. Alsof de stad ruimte reserveert voor iets dat groter is dan zijzelf. Dat vind ik misschien wel het mooiste. Almere is niet af. Het groeit. Niet alleen in huizen, maar ook in natuur, in vogels die besluiten terug te keren. Ik fiets verder. Een paar andere vroege fietsers knikken kort. We delen niets, en toch ook weer wel: dit uitzicht, deze rust, deze onverwachte rijkdom. Misschien moet Almere niet verdedigd worden tegen vooroordelen. Misschien moet je hier gewoon een keer fietsen. Vier kilometer is genoeg. Dan zie je ze vanzelf staan, die nestpalen bij het riet, wachtend op een roofvogel die vertrouwen heeft in deze plek. En als een visarend dat kan, kunnen wij dat ook.

Tandarts

Het begon allemaal met mijn inschrijving bij een nieuwe tandarts. Geen dramatische wending, geen onvrede, gewoon een digitaal formuliertje dat ik op een avond invulde terwijl de kerstverlichting op de achtergrond de sfeer verhoogde. Toch voelde het alsof ik een klein hoofdstuk afsloot. Een administratieve handeling met onverwacht gewicht.

Opmerkelijk eigenlijk, want mijn vorige tandarts heeft niets verkeerd gedaan. Nog geen zes maanden geleden hielp ze me uitstekend door wat ik ben gaan aanduiden als de momenten van intense kiespijn. Het soort pijn dat door je kaak dreunt en waarvan je denkt dat je hoofd in tweeën splijt. Zij loste het op, en dat vergeet je niet zomaar.

Maar er waren ook bijkomende irritaties. De afgelopen maanden werd ik voortdurend door de tandartsassistentes herinnerd aan het feit dat ik weer een periodieke controle moest inplannen. Niet één keer, niet twee keer, maar zo vaak dat ik de notificaties al bijna kon voorspellen voordat ze binnenkwamen. Mailberichten, sms’jes, herinneringen in allerlei vriendelijk bedoelde varianten. En toen ik op mijn werk werd gebeld, was de maat vol.

Iedereen in mijn omgeving weet dat je mij op mijn werk niet belt. Alleen als er iets heel ernstigs aan de hand is. Iets met sirenes. Of een miljoen euro die ik heb gewonnen. Maar zeker niet voor een halfjaarlijkse controle. Dat is vragen om problemen.

En dan is er ook de afstand. Mijn oude tandarts zit in Amsterdam Zuid. Ik woon in Almere. In de praktijk betekent dat minimaal twintig minuten in de trein, vaak langer met de NS, plus overstappen, plus een wandeling naar de praktijk. Voor je het weet ben je een uur verder, en dat allemaal op een willekeurige dinsdag waarna je geacht wordt gewoon weer door te werken. Het is een onderneming die eigenlijk niet meer bij mijn leven past.

De nieuwe tandarts zit op loopafstand. Echte loopafstand. Gewoon de deur uit, straat uit, klaar. Een eenvoud die ik niet eerder als luxe had herkend, maar die zich meteen laat voelen.

Toch voelt het als een soort afscheid. Niet zozeer van Amsterdam Zuid, want dat is prachtig bij goed licht maar minder aantrekkelijk op een doordeweekse ochtend om kwart over acht. Het is meer een afscheid van een routine die zich in de loop van de tijd heeft vastgezet, hoe onhandig die ook is.

Maar soms is volwassenheid niets meer dan erkennen dat gemak ook waarde heeft. Dat je het jezelf best wat eenvoudiger mag maken. Een tandarts om de hoek lijkt een detail, maar het geeft een onverwacht gevoel van lucht. En een korte wandeling door Almere blijkt, wanneer je er oog voor hebt, minstens zo prettig.