Bloeddonor

Ik heb me opgegeven als bloeddonor bij Sanquin. Alsof ik daarmee stilletjes bevestig dat ik volwassen ben, al een jaar of dertig. Er zijn van die momenten waarop je jezelf betrapt op degelijk gedrag. Geen motorfiets gekocht, geen affaire begonnen, maar gewoon een formulier ingevuld. Dat dus.

Als tiener wilde ik al bloed doneren. Ik zag de posters bij de supermarkt, zo’n arm met een slangetje eraan, en dacht: dat wil ik doen. Een beetje heldendom, maar dan zonder cape. Gewoon in een zaaltje met tl-licht, zoals dat ging. Het leek me overzichtelijk goed. Je gaf iets af, iemand anders werd beter. Mooier werd het niet.

Maar ik mocht het niet. Niet voor jongens die met jongens onder de lakens doken. Dat waren de jaren van AIDS, van paniek en voorzichtigheid, van spotjes op televisie met ernstige stemmen. Het was begrijpelijk, rationeel zelfs, maar het voelde toch als een extra tik. Alsof je al op moest passen, en daarnaast ook nog eens niet mee mocht doen met iets fatsoenlijks. Solidariteit had voorwaarden, en ik voldeed niet aan de kleine lettertjes.

Nu, ruim dertig jaar later, is de wereld veranderd. De regels zijn aangepast, genuanceerder geworden. AIDS is nog steeds ernstig, maar geen mysterie meer. En ik? Ik ben inmiddels precies het soort burger dat wél in aanmerking komt. Een brave, monogame huishomo. Het klinkt bijna als een verzekeringscategorie. Saai genoeg om veilig te zijn. Ik voldoe aan het profiel. Er is iets licht komisch aan die ontwikkeling.

Het voelt niet heroïsch. Eerder als het betalen van gemeentebelasting. Je doet het omdat het hoort. Omdat je deel uitmaakt van een geheel dat groter is dan je eigen ochtendhumeur. Mijn bloed als bijdrage aan het nationale systeem. Het klinkt bijna logistiek.

Wat me verbaasde toen ik me erin verdiepte, is hoe weinig mensen daadwerkelijk doneren. Slechts een paar procent van de Nederlanders geeft regelmatig bloed. In een land waar we voor alles een planning, een schema en een app hebben, is dat opmerkelijk laag. We organiseren moeiteloos en overal bevrijdingsfestivals, maar structureel een halve liter missen blijkt ingewikkeld.

De eerste afspraak staat inmiddels gepland: een intakegesprek en een kleine bloedafname. Vragen over gezondheid, reizen, gedrag. Het formulier is uitvoerig maar beleefd. Alles om te zorgen dat het bloed veilig is voor de ontvanger. Er wordt gemeten, geprikt en genoteerd. Niemand kijkt op of om. Mijn geschiedenis past tegenwoordig in het juiste vakje. Dat alleen al is winst.

Ik stel me voor hoe ik daar aankomende week zit. Arm gestrekt, blik op oneindig, misschien een tijdschrift dat ik niet echt lees. Het bloed loopt waar het moet lopen. Er is iets geruststellends aan die eenvoud. Geen applaus, geen plechtigheid. Gewoon een handeling die ergens, op een onbekend moment, betekenis krijgt.

Soms denk ik terug aan die jongen bij de supermarktposter. Die wilde meedoen, maar mocht niet. Hij zou het een kleine overwinning vinden, vermoed ik. Niet groots, niet dramatisch. Meer zoiets als eindelijk aansluiten in een rij waar je altijd al had willen staan. Eindelijk mag ik meedoen.